← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.109

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.109 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050622.14 Arrest- Rolnummer: 109/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-07-02 08:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, aldus geïnterpreteerd dat bij een voortgezet misdrijf de verjaring begint te lopen op het ogenblik van het laatste feit dat met eenzelfde misdadig opzet is gepleegd en mits tussen geen van de feiten de verjaringstermijn is verlopen, schendt niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brugge. Tekst van de beslissing Rolnummer 3089 Arrest nr. 109/2005 van 22 juni 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brugge. Het Arbitragehof, samengesteld uit voorzitter A. Arts, rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 september 2004 in zake het openbaar ministerie en M.L. en anderen tegen L. D.B. en de v.z.w. Huize Tordale, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 september 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 65 van het strafwetboek en 21 van de voorafgaandelijke titel van het Wetboek van strafvordering het grondbeginsel van de rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel, en mitsdien de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang met artikel 7 van het BUPO-verdrag [lees : Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens] en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet, aldus geïnterpreteerd dat, wanneer de rechter oordeelt dat verscheidene misdrijven een collectief misdrijf uitmaken, alsdan de verjaring eerst begint te lopen vanaf het laatste feit dat volgens de feitenrechter met datzelfde opzet is gepleegd en mits er tussen geen van de feiten een volledige verjaringstermijn is verlopen ? ». Memories zijn ingediend door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, L.G. en L.S., H.C. en F.D., G.V., P.G., F.G., L. D.B. en de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, L.G. en L.S., H.C. en F.D., G.V., P.G., L. D.B. en de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. P. Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, voor L.G. en anderen; . W. De Pauw, substituut-procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, bij delegatie van de procureur des Konings te Brugge; . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L. D.B., in de hoedanigheid van beklaagde, en de v.z.w. Huize Tordale, in de hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, worden voor de Correctionele Rechtbank te Brugge vervolgd. De beklaagde wordt verdacht van zedendelicten gepleegd in de periode dat hij verbonden was aan het M.P.I. « Tordale », en dit ten nadele van personen met een mentale handicap, zowel minderjarigen als meerderjarigen. De strafbare feiten zouden volgens de verwijzingsbeslissing op voortdurende wijze zijn gepleegd te Torhout en te Heusden-Zolder in een periode gelegen tussen 1 januari 1980 en 31 december

  1. Bij toepassing van de regels en de vaste rechtspraak ten aanzien van voortgezette misdrijven gepleegd met eenheid van opzet, begint de verjaring te lopen op het ogenblik van de voltrekking van het laatste als misdrijf gekwalificeerde feit. De beklaagde voert aan dat die regeling in strijd zou zijn met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet. De Rechtbank gaat in op zijn verzoek om hierover een prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Standpunt van de beklaagde voor de verwijzende rechter A.1.
  2. Volgens vaste rechtspraak begint bij een voortgezet misdrijf de verjaring te lopen op het ogenblik van het laatste feit dat met eenheid van opzet is gepleegd. Het is de rechter die oordeelt over de eenheid van opzet en die uitmaakt op welke datum het laatste feit is gepleegd. De beklaagde voor de verwijzende rechter voert aan dat artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak, een schending inhouden van het rechtszekerheidsbeginsel en van het legaliteitsbeginsel in strafzaken zoals gewaarborgd in de Grondwet en in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.1.
  3. De door de rechtspraak ontwikkelde regel heeft tot gevolg dat, indien de rechter eenheid van opzet aanneemt, feiten in de bestraffing en in de schadevergoedingsregeling worden betrokken die volgens artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering reeds lang zijn verjaard. Doordat over de eenheid van opzet moet worden geoordeeld door de feitenrechter, wordt de datum waarop de verjaring aanvangt niet door de wet maar door de rechter bepaald volgens inzichten die geval per geval kunnen verschillen. A.1.
  4. Aldus zou niet zijn voldaan aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken en aan het rechtszekerheidsbeginsel, die vereisen dat de wet met voldoende preciesheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid bepaalt wanneer en hoelang iemand welke straf kan oplopen. Standpunt van het openbaar ministerie A.2.
  5. Volgens het openbaar ministerie in de zaak voor de verwijzende rechter maakt de beklaagde onvoldoende onderscheid tussen twee verschillende rechtsvragen. Allereerst maakt de beklaagde bezwaar tegen het gegeven dat de regel met betrekking tot de verjaring van feiten gepleegd met eenheid van opzet door de rechtspraak werd geformuleerd en niet door de wet. Daarnaast stelt de beklaagde dat artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak, strijdig zouden zijn met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Arbitragehof is enkel bevoegd ten aanzien van de tweede en niet ten aanzien van de eerste rechtsvraag. 4 A.2.
  6. Wanneer verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, kan overeenkomstig artikel 65 van het Strafwetboek alleen de zwaarste straf worden uitgesproken. De regel inzake de verjaring bij eenheid van opzet is volgens het openbaar ministerie zowel rechtstheoretisch als praktisch een noodzakelijk gevolg van het principe van eenheid van opzet. De regel vindt zijn grondslag in artikel 65 van het Strafwetboek en vormt een wettelijke precisering van de verjaringsregeling van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. A.2.
  7. De verjaringsregeling bij voortgezette misdrijven is niet strijdig met het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. Het legaliteitsbeginsel impliceert dat er slechts sprake kan zijn van een misdrijf wanneer de wet een bepaalde gedraging strafbaar stelt. Het vereist bovendien dat de wet op voldoende precieze wijze de strafbare gedraging omschrijft, zodat de rechtsonderhorige de feiten en nalatigheden kan kennen die strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich meebrengen. A.2.
  8. De strafbare feiten die aan de beklaagde ten laste worden gelegd, waren op duidelijke wijze strafbaar gesteld in de desbetreffende bepalingen van het Strafwetboek op het ogenblik dat ze door hem werden gesteld en zij zijn dat nog steeds. Ook in de regel met betrekking tot de verjaring bij eenheid van opzet is door de wet voorzien doordat hij noodzakelijkerwijze volgt uit artikel 65 van het Strafwetboek. De verjaringsregeling bij voortgezette misdrijven is evenmin strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Allereerst moet worden vastgesteld dat geen enkele bepaling uit de Grondwet, noch uit het internationaal recht de verplichting inhoudt om de rechtsonderhorige zekerheid te geven nopens de periode gedurende welke strafbare handelingen aanleiding kunnen geven tot vervolging, laat staan dat zij de verplichting zouden opleggen om te voorzien in verjaringstermijnen in het positieve strafrecht. A fortiori geldt er geen verplichting om verjaringstermijnen zo te concipiëren dat de rechtsonderhorige te allen tijde uitzicht moet kunnen hebben op het definitieve einde van de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging. De wet kan in specifieke en welomlijnde situaties met zich meebrengen dat het definitieve einde van een mogelijke strafrechtelijke vervolging niet vaststaat. Standpunt van de burgerlijke partijen A.3.
  9. Volgens de burgerlijke partijen moet de prejudiciële vraag, zonder verder onderzoek, negatief worden beantwoord in zoverre ze betrekking heeft op artikel 14 van de Grondwet, nu die grondwetsbepaling enkel betrekking heeft op de legaliteit van de straf en dus niet kan worden geschonden door een regel betreffende de verjaring van de strafvordering. A.3.
  10. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet betreft, naast de legaliteit van de strafbaarstelling, ook de legaliteit van de strafrechtspleging en vereist dat de wetgever de strafrechtspleging zo heeft geregeld dat met zekerheid kan worden vastgesteld hoe de verschillende fasen ervan dienen te verlopen. De regeling inzake de verjaring van de strafvordering bij voortgezette misdrijven beantwoordt aan de eisen van het legaliteitsbeginsel. De wetgever heeft de aanvang van de verjaring van de strafvordering duidelijk vastgesteld in artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, namelijk op « de dag waarop het misdrijf is gepleegd ». Dat de strafrechter voor de verschillende soorten misdrijven zal moeten uitmaken wat daaronder dient te worden verstaan, houdt geen schending in van het legaliteitsbeginsel. A.3.
  11. Wanneer wordt aangenomen dat verschillende materiële gedragingen, die op zichzelf bekeken ook elk een strafbaar feit uitmaken, door een eenheid van opzet uiteindelijk één complexe gedraging kunnen worden, die strafrechtelijk als één misdrijf wordt beschouwd en met slechts één straf wordt bestraft, dan is het logisch dat de verjaring voor dat voortgezette of collectieve misdrijf pas ingaat wanneer die ene complexe gedraging voltrokken is. De feitenrechter is dus geenszins vrij om het aanvangspunt van de verjaring van de strafvordering vast te stellen. Hij beoordeelt alleen op grond van de feitelijke elementen van de zaak of er eenheid van opzet is, en dus of er sprake is van een voortgezet misdrijf, maar zodra hij dat heeft vastgesteld, wordt de aanvangsdatum van de verjaring vastgesteld op grond van artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. 5 Standpunt van de Ministerraad A.4.
  12. Voorafgaand aan de bespreking van de grond van de zaak merkt de Ministerraad op dat het Hof de in het geding zijnde bepalingen niet vermag te toetsen aan de artikelen 108 en 159 van de Grondwet, nu die grondwetsbepalingen niet op pertinente wijze in verband kunnen worden gebracht met het legaliteitsbeginsel in strafzaken zoals gewaarborgd bij de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en bij artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorts meent de Ministerraad dat de beklaagde in zijn memorie de draagwijdte van de prejudiciële vraag miskent. De redenering van de beklaagde steunt op de idee dat de verjaringsregeling bij voortgezette misdrijven een puur jurisprudentiële constructie is, zonder wettelijke grondslag. Die stelling is echter strijdig met de bewoordingen van de vraag zelf, waarin de verwijzende rechter het Hof ondervraagt over artikel 65 van het Strafwetboek en over artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals geïnterpreteerd door de vaste rechtspraak. Een louter jurisprudentiële regel zou overigens buiten de toetsingsbevoegdheid van het Hof vallen. A.4.
  13. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat de verjaring van de strafvordering geheel vreemd is aan de waarborgen verstrekt door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en door artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zodat de vraag alleen al om die reden negatief moet worden beantwoord. De verjaring van de strafvordering dient het algemeen belang en niet de belangen van de partijen, zodat ze van openbare orde is, enerzijds, en geen mensenrecht uitmaakt, anderzijds. Overeenkomstig artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering begint de verjaring te lopen op de dag waarop het misdrijf voltrokken is. Bij een voortgezet misdrijf worden alle strafbare gedragingen als éénzelfde misdrijf beschouwd en behandeld, zodat het logisch is dat de verjaringstermijn pas begint te lopen op het ogenblik van het laatste feit. Die regel vormt zodoende geen werkelijke uitzondering op de algemene regel. A.4.
  14. De rechtsfiguur van het voortgezet misdrijf dient de belangen van de beklaagde doordat niet alle afzonderlijke feiten worden bestraft, maar enkel de zwaarste straf wordt uitgesproken voor alle feiten samen. De regeling inzake de verjaring heeft geen onevenredig zware gevolgen voor de beklaagde. Vereist is dat elk voorafgaand feit niet van het latere is gescheiden door een tijdspanne die langer is dan de verjaringstermijn zelf. Wanneer de verjaringstermijnen verschillen omdat de door eenheid van opzet gebundelde feiten van verschillende aard zijn, verjaart ieder feit volgens zijn eigen termijn. Ten slotte vereist de rechtspraak dat het laatste feit dat de verjaring doet lopen, bewezen is. A.4.
  15. De regel inzake de aanvang van de verjaring bij voortgezette misdrijven strookt ook met de rechtvaardigingsgronden die traditioneel worden aangevoerd om de verjaring in strafzaken te verantwoorden. In geval van voortdurende herhaling van feiten die met een eenheid van opzet worden gepleegd, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de maatschappij niet meer gediend is met het bestraffen van al die feiten, noch dat de auteur van de feiten reeds voldoende is gestraft door de lange onzekerheid die uit het gebrek aan vervolgingen zou zijn ontstaan. Door de voortdurende herhaling van de feiten ontstaat er geen periode tijdens welke de auteur van de feiten kan verwachten niet meer te worden gestraft. Wat ten slotte de bewijsvoering betreft, zal de rechter ook bij een voortgezet misdrijf erop moeten toezien dat voor elk van de feiten voldoende bewijselementen worden voorgebracht. A.4.
  16. Ten slotte moet worden vastgesteld dat de bevoegdheid van de strafrechter ter zake niet buitensporig is. De wetgever heeft de termijnen voor de verjaring van de strafvordering en hun aanvangsdatum vastgelegd. De berekening van de juiste datum van de aanvang en van het verstrijken van de verjaringstermijn in specifieke gevallen valt binnen de normale beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter. 6 -B- B.1.
  17. Artikel 65 van het Strafwetboek bepaalt : « Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan eenzelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken. Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan ». B.1.
  18. Artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : « Behoudens wat de misdrijven betreft omschreven in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek, verjaart de strafvordering door verloop van tien jaren, vijf jaren of zes maanden, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding is. Nochtans is de termijn vijftien jaar ingeval dit misdrijf een misdaad is die niet in een wanbedrijf kan worden omgezet met toepassing van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden. Anderzijds is de termijn een jaar ingeval een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding ». B.2.
  19. Wanneer verschillende misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, kan overeenkomstig artikel 65 van het Strafwetboek alleen de zwaarste straf worden uitgesproken. Er is sprake van eenheid van misdadig opzet van de beklaagde wanneer de hem ten laste gelegde misdrijven verbonden zijn door een eenheid van doel en verwezenlijking, en in die zin één enkel feit, namelijk een complexe gedraging opleveren. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of dat het geval is. 7 B.2.
  20. Overeenkomstig artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering neemt de verjaringstermijn in beginsel een aanvang op het ogenblik dat het misdrijf is gepleegd. Volgens de rechtspraak begint bij feiten gepleegd met eenheid van opzet de verjaring te lopen op het ogenblik van het laatste feit. B.2.
  21. Voor de verwijzende rechter voert de beklaagde aan dat aldus de verjaring bij een voortgezet misdrijf, zowel op strafrechtelijk als op burgerlijk vlak, niet door de wet wordt bepaald, maar wel door het oordeel van de rechter, die moet uitmaken welke feiten een voortgezet misdrijf uitmaken en op welke datum het misdrijf afloopt, wat strijdig zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en met het legaliteitsbeginsel in strafzaken. B.3.
  22. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. […] ». B.3.
  23. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.3.
  24. Artikel 7.1 van Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbaar feit van toepassing was ». B.4.
  25. Op grond van artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wetsnormen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. 8 B.4.
  26. Wanneer evenwel een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is met die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof, bij zijn onderzoek, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. B.5.
  27. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden ingevoerd en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. B.5.
  28. Uit de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, alsmede uit artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en uit het rechtszekerheidsbeginsel vloeit ook voort dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Ze vereisen dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die de feiten begaat, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van zijn daden kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. De beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid zijn van toepassing op de hele strafrechtspleging, met inbegrip van de stadia van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. B.6.
  29. Het voortgezette misdrijf bestaat erin dat een reeks misdrijven die elk afzonderlijk strafbaar zouden zijn, door de eenheid van opzet waarmee zij zijn gepleegd, als één complexe gedraging worden beschouwd, strafbaar met één straf. B.6.
  30. Het feit dat de strafrechter moet oordelen of er eenheid van opzet is en op welke datum het laatste feit werd gepleegd, belet niet dat elk afzonderlijk misdrijf - en dus ook het 9 zwaarste misdrijf dat uiteindelijk de straf zal bepalen - moet voldoen aan de vereisten gesteld door het legaliteitsbeginsel in strafzaken. De rechtspraak die artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering zo interpreteert dat bij voortgezette misdrijven de verjaring begint te lopen op het ogenblik van het laatste feit, wijzigt in geen enkel opzicht de definitie van de verschillende samenstellende misdrijven en verhindert evenmin de betrokken personen de strafrechtelijke gevolgen van hun handelwijze in te schatten. Elke persoon weet dat hij kan worden vervolgd en veroordeeld indien zijn gedraging samenvalt met de constitutieve elementen van een misdrijf dat door een strafwet wordt bestraft. B.7.
  31. Volgens de rechtspraak inzake de verjaring bij een voortgezet misdrijf, onderzoekt de rechter voor elk feit, gelet op zijn eigen verjaringstermijn, of de strafvordering niet reeds vervallen was op het ogenblik dat het volgende feit werd gepleegd. Zodra de strafvordering voor een bepaald feit door verjaring is vervallen, kan deze niet herleven doordat nadien nieuwe strafbare feiten worden gepleegd. Indien de samenstellende misdrijven van verschillende aard zijn en aan de verschillende verjaringstermijn onderworpen zijn, blijft de verjaring van elk strafbaar feit onderworpen aan die termijn die daarop van toepassing is, ook al beginnen de termijnen te lopen op het ogenblik van het laatste feit. B.7.
  32. De verjaring van de strafvordering steunt op overwegingen van algemeen belang. De onvoorspelbaarheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat strafbaar was op het ogenblik dat het werd begaan, nog met dezelfde straf zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de verwachte termijn van verjaring, doordat het misdrijf deel uitmaakt van een reeks strafbare gedragingen die ten gevolge van de eenheid van opzet als één voortgezet misdrijf worden beschouwd, is niet van die aard dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, noch aan artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.
  33. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, aldus geïnterpreteerd dat bij een voortgezet misdrijf de verjaring begint te lopen op het ogenblik van het laatste feit dat met eenzelfde misdadig opzet is gepleegd en mits tussen geen van de feiten de verjaringstermijn is verlopen, schendt niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juni
  34. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.