id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.111 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050622.13 Arrest- Rolnummer: 111/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-02 07:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap, ingesteld door M. Frelon. Tekst van de beslissing Rolnummer 3080 Arrest nr. 111/2005 van 22 juni 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap, ingesteld door M. Frelon. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 september 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 september 2004, heeft M. Frelon, wonende te 7040 Asquillies, Route Provinciale 37, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2004). De vordering tot schorsing van hetzelfde decreet, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 187/2004 van 16 november 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 januari
- De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. M. Kaiser loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Middelen van de verzoekende partij A.1.
- De verzoekende partij is tijdelijk aangesteld in het ambt van directrice van het « Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française » (I.E.P.S.C.F.) te Morlanwelz, op 1 januari
- Omdat zij een reeks ongunstige rapporten had opgesteld over personeelsleden die zich overgaven aan betwistbare activiteiten binnen de instelling, werd zij met een ernstig sociaal conflict geconfronteerd. In het kader van dat conflict heeft de bevoegde Minister van de Franse Gemeenschapsregering, volgens de verzoekende partij, geaarzeld om op te treden. Nadat de bevoegde Minister zonder succes - het initiatief is bij een arrest van 3 de Raad van State van 26 februari 2003 vernietigd - een eerste maal had gepoogd haar opzij te schuiven, werd de verzoekende partij geconfronteerd met een nieuw sociaal conflict. Zij heeft dan, in het kader van een verlof wegens opdracht van 1 juni 2003 tot 31 mei 2004, aanvaard het ambt van directrice dat zij op 1 april 2003 opnieuw had opgenomen, op te geven. Vermits een verlenging van dat verlof haar werd geweigerd, was de verzoekende partij van oordeel dat zij zich opnieuw in de vroegere situatie bevond, dat wil zeggen, die van directrice van het I.E.P.S.C.F. te Morlanwelz; dat ambt was intussen echter aan een andere persoon toegewezen. Op 6 september 2004 ontving de verzoekende partij vanwege de Minister-Presidente van de Franse Gemeenschapsregering een brief waarin haar werd medegedeeld dat zij haar ambt van lerares aan het I.E.P.S.C.F. te Frameries opnieuw diende op te nemen. Volgens de Minister-Presidente, heeft het verlof wegens opdracht, in zoverre het aan de verzoekende partij werd toegekend vanwege haar vaste benoeming in de hoedanigheid van lerares, ipso facto een einde gemaakt aan haar tijdelijke aanstelling als waarnemend directrice tot er een statutaire oplossing kwam. A.1.
- Intussen heeft de verzoekende partij kennis genomen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004, waartegen het beroep is gericht. Naar luid van artikel 1 van dat decreet kan de Franse Gemeenschapsregering uiterlijk op 1 september 2004 personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie benoemen die tijdelijk waren aangewezen in een vacante betrekking in een bevorderingsambt, voor zover ze het bedoelde bevorderingsambt ononderbroken hebben uitgeoefend sinds 1 januari
- De verzoekende partij verwijt het decreet het haar niet mogelijk te maken de afwijkende maatregelen te genieten die het de Franse Gemeenschapsregering mogelijk maken personeelsleden te benoemen die tijdelijk zijn aangewezen in een vacante betrekking in een bevorderingsambt : die afwijkingsmaatregel stelt immers als voorwaarde dat de betrokken personeelsleden het bedoelde bevorderingsambt zonder onderbreking hebben uitgeoefend sedert 1 januari
- A.2.
- Tot staving van haar beroep leidt de verzoekende partij een middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. Zij klaagt aan dat het aangevochten decreet, onder de personeelsleden die tijdelijk zijn aangewezen in een vacante betrekking in een bevorderingsambt, een onderscheid maakt tussen degenen die dat bevorderingsambt zonder onderbreking uitoefenen sedert 1 januari 2004 en de anderen. Het decreet zou aldus het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. Te dezen bestond er volgens de verzoekende partij geen enkel wettig motief om dat onderscheid te maken. Voor zover het doel erin bestond zich te verzekeren van een bepaalde anciënniteit en een zekere ervaring in de bedoelde ambten voor de personeelsleden die de betrokken afwijkingsmaatregel konden genieten, kon dat onderscheid immers niet pertinent worden geacht ten opzichte van het nagestreefde doel : sommige personeelsleden, zoals de verzoekster, konden immers een anciënniteit en een ervaring van veel meer dan vier maanden in de betrokken ambten voorleggen, zonder dat zij noodzakelijkerwijze die ambten sedert 1 januari 2004 hebben uitgeoefend, bijvoorbeeld om reden van een verlof wegens opdracht. De verzoekende partij is van oordeel dat dat onderscheid een bijzonder onrechtvaardig karakter vertoont vermits zij het enige tijdelijk in een selectieambt aangewezen personeelslid van het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap is dat de maatregelen niet kan genieten. Zij leidt daaruit af dat het decreet is aangenomen enkel en alleen om haar van die vaste benoeming uit te sluiten. A.2.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160, van de Grondwet. De verzoekende partij klaagt aan dat de bestreden bepaling een einde maakt aan haar ambt van hoofd van de instelling, en dit door een « statutaire oplossing » die noch een verwijdering van de verzoekster uit haar ambt is na inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur en van billijke procedure door een gemotiveerde beslissing die aan het oordeel van de Raad van State kan worden onderworpen, noch een benoeming van een derde in dat ambt na een procedure die de regel van gelijke toegang tot het ambt in acht neemt en door een beslissing die aan het oordeel van de Raad van State kan worden onderworpen. Zij is van mening dat de decreetgever niet kon optreden om het gezag te omzeilen van het arrest dat op 26 februari 2003 door de Raad van State is uitgesproken. Er kan immers niet worden verantwoord dat, in tegenstelling tot alle leerkrachten van de Franse Gemeenschap die zijn aangesteld om tijdelijk een bevorderingsambt uit te oefenen tot er een statutaire oplossing komt, een einde wordt gemaakt aan het ambt van de verzoekster zonder dat zij wordt gehoord, zonder dat een gemotiveerde beslissing wordt genomen en zonder dat zij bij de Raad van State een beroep kan instellen of zonder dat een derde wordt benoemd na afloop van een procedure waarbij het beginsel van gelijkheid tussen de kandidaten in acht wordt genomen en middels een beslissing die vatbaar is voor beroep bij de Raad van State. De verzoekende partij herinnert eraan dat de bevoegdheden van de Raad van State in administratieve geschillen worden gewaarborgd bij artikel 160 van de Grondwet, dat de bevoegdheid om in die aangelegenheid op te treden bovendien door artikel 160 van de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat het Arbitragehof heeft geoordeeld dat die bepaling de 4 deelentiteiten verbood op te treden in een aangelegenheid die voor een deel aan de Raad van State en voor een ander deel aan de wet is voorbehouden (arresten nrs. 46 van 11 februari 1988 en 30/95 van 4 april 1995). Memorie van de Franse Gemeenschapsregering A.3.
- De Franse Gemeenschapsregering herinnert aan de omstandigheden van de zaak en preciseert dat volgens haar de middelen enkel gericht zijn tegen artikel 1 van het voormelde decreet van 19 mei 2004; derhalve moet het onderzoek van het decreet door het Hof worden beperkt tot die bepaling, en zelfs tot de woorden « sinds 1 januari 2004 ». Zij betwist tevens het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden. De Regering is immers van mening dat de verzoekende partij, door het verlof wegens opdracht te aanvaarden, zelf een einde heeft gemaakt aan haar ambt van directrice en dat, toen aan dat verlof een einde kwam, zij geen andere keuze had dan haar ambt van lerares in de instelling van Frameries opnieuw op te nemen. De verzoekende partij, die geen enkel tijdelijk ambt van hoofd van een instelling meer zou bekleden, zou dus geen belang hebben bij de vernietiging van het bestreden decreet. A.3.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist niet het verschil in behandeling dat door de verzoekende partij in het eerste middel wordt aangevoerd. Zij beweert evenwel dat het verschil verantwoord en evenredig is met het nagestreefde doel. Bij het decreet van 3 maart 2004 betreffende het administratief statuut van de personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen die hun ambt in het onderwijs voor sociale promotie uitoefenen, werden immers de begrippen van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 aangepast aan de bijzondere situatie van het onderwijs voor sociale promotie. Volgens de Regering zou de toepassing van het voormelde koninklijk besluit in het onderwijs voor sociale promotie niet mogelijk zijn geweest omdat een reeks fundamentele begrippen van dat besluit daarin nooit op een correcte wijze konden worden toegepast. De personeelsleden in dat onderwijs konden slechts vast worden benoemd door een reeks overgangsmaatregelen die tussen 1993 en 2003 werden aangenomen. Om hieraan tegemoet te komen, wijzigde artikel 49 van het voormelde decreet van 3 maart 2004 artikel 97 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969, dat de voorwaarden voor benoeming in een bevorderingsambt bepaalt, teneinde die voorwaarden in het onderwijs voor sociale promotie te kunnen toepassen. Om niet aan verworven rechten te raken, diende echter te worden voorzien in overgangsmaatregelen voor de in dienst zijnde directeurs, wier statuut steeds was geregeld door overgangsbepalingen en die eventueel niet voldeden aan de ene of de andere van de benoemingsvoorwaarden die door het nieuwe statuut waren voorgeschreven. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zijn de gevolgen van de bekritiseerde maatregel beperkt omdat het decreet slechts voor één enkel schooljaar uitwerking kan hebben en omdat het de Regering de mogelijkheid zou bieden de betrokken personeelsleden te benoemen. Het loopt derhalve niet vooruit op de benoeming van andere tijdelijke personeelsleden bij het begin van het schooljaar 2004, krachtens de nieuwe statutaire bepalingen die bij het decreet van 3 maart 2004 werden ingevoerd. Met betrekking tot het bestaan van een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel wijst de Franse Gemeenschapsregering op de noodzaak om het kader van de overgangsbepaling in de tijd te beperken door de vroegere uitoefening van een tijdelijke aanwijzing, « dienstig » voor een benoeming, te objectiveren en enkel rekening te houden met de personeelsleden die gedurende het voorgaande schooljaar in dienst waren. Zij stelt dat, indien de decreetgever een ambtsuitoefening sedert, bijvoorbeeld, 1 september 2003 had geëist in plaats van 1 januari 2004, hij eisen zou hebben gesteld voor een periode waarin de pedagogische ploeg nog niet volledig was. Dat zou, hoe dan ook, niets hebben veranderd aan de situatie van de verzoekende partij, die in september 2003 evenmin is dienst was. Overigens, beweert de Regering, was het onmogelijk rekening te houden met alle personeelsleden die op een gegeven ogenblik tijdelijk waren aangewezen om het ambt van directeur uit te oefenen en die op 1 januari 2004 niet meer aangewezen zouden zijn of het niet meer geweest zouden zijn. A.3.
- Wat het tweede middel betreft, is de Franse Gemeenschapsregering van mening, enerzijds, dat het bestreden decreet niets uit te staan heeft met de statutaire situatie van de verzoekende partij omdat zich een nieuw juridisch feit heeft voorgedaan tussen haar aanwijzing als waarnemend directrice en het arrest van de Raad van State van 26 februari 2003, en dat decreet, namelijk de toekenning van een verlof wegens opdracht, en, anderzijds, dat het bestreden decreet een zeer algemeen karakter zou hebben en dat de verzoekende partij enkel een intentieproces van de Regering zou maken door te verwijten dat zij haar met dat decreet schade heeft willen toebrengen. 5 Memorie van antwoord van de verzoekende partij A.4.
- De verzoekende partij geeft toe dat het beroep tot vernietiging beperkt is tot artikel 1 van het decreet, maar wel tot het geheel van die bepaling en niet alleen tot de woorden die door de Franse Gemeenschapsregering zijn gesuggereerd. A.4.
- Wat haar belang betreft, antwoordt de verzoekende partij in de eerste plaats dat de beslissing om een einde te maken aan haar aanwijzing als waarnemend directrice van het I.E.P.S.C.F. te Morlanwelz niet formeel op de datum van 29 september 2003 kan worden vastgesteld, namelijk het ogenblik waarop haar een verlof wegens opdracht werd toegekend. Zij zegt dat zij, omdat er zich voor haar voor het schooljaar 2004-2005 niets aandiende, zelf het initiatief heeft genomen om de Franse Gemeenschap te polsen over een eventuele terugkeer naar Morlanwelz. Zij wijst erop dat de administratie haar heeft gezegd dat zij de Minister-Presidente had ingelicht over haar administratieve toestand en dat zij een beslissing afwachtte. De verzoekende partij besluit daaruit dat, formeel, uit het besluit van 29 september 2003 tot toekenning van het verlof wegens opdracht, niet het bestaan kon worden afgeleid van een impliciete beslissing om een einde te maken aan de aanwijzing tot waarnemend directrice, aangezien volgens de directeur-generaal een jaar later nog steeds op die beslissing werd gewacht. De verzoekende partij stelt ook dat, op materieel vlak, de Franse Gemeenschapsregering niet zou kunnen beweren dat het toekennen van een verlof wegens opdracht impliciet een einde zou hebben gemaakt aan haar aanwijzing tot waarnemend directrice, met de bedoeling een latere beslissing (die van 6 september 2004) te gronden op de vermeende impliciete gevolgen van de beslissing tot toekenning van een verlof wegens opdracht. Volgens haar ziet men niet de pertinentie in van artikel 1 van het decreet van 24 juni 1996, dat door de Regering wordt aangevoerd. Dat decreet, dat de verloven wegens opdracht regelt, is wel degelijk beperkt tot de vast benoemde of aangeworven personeelsleden. Er wordt niet betwist dat de verzoekende partij tot die categorie behoort. Daaruit kan echter geenszins worden afgeleid dat het toekennen van een verlof wegens opdracht ipso facto een einde zou maken aan elk ander ambt waarin een personeelslid zou zijn kunnen aangewezen. Die bepaling heeft enkel tot doel de toepassingssfeer van het decreet af te bakenen. A.4.
- In verband met het eerste middel merkt de verzoekende partij op dat het decreet van 3 maart 2004 wel degelijk tot gevolg had dat « eindelijk » een statuut werd gecreëerd voor de personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie, en dat met name de voorwaarden werden bepaald waaronder die personeelsleden een bevordering konden krijgen. Zij ziet niet in hoe men zou kunnen beweren dat de verworven rechten van de reeds in functie zijnde personeelsleden aldus zouden zijn aangetast. De vage hoop om binnen een onbepaalde termijn bij wege van decreet een overgangsmaatregel tot bevordering te kunnen genieten, kan niet als een verworven recht worden beschouwd. Daarnaast zou een personeelslid evenmin kunnen beweren dat, aangezien in geen enkel statuut was voorzien dat de bevorderingsvoorwaarden regelde, het een verworven recht op promotie zou genieten zonder ook maar enige voorwaarde te moeten vervullen. Bovendien lijkt het kennelijk onredelijk bij wege van decreet in een ultieme overgangsmaatregel tot bevordering te voorzien in de maand juni 2004, minder dan anderhalf jaar na de voorgaande soortgelijke maatregel, voor personen die hun ambt uitoefenen sedert 1 januari 2004, dat wil zeggen twee maanden vóór de goedkeuring van het nieuwe statuut. Het onderscheid waarvan het discriminerende karakter wordt aangeklaagd, is het onderscheid dat, onder alle personen die tot waarnemend directeur zijn aangewezen en die dat ambt gedurende een bepaalde tijd concreet hebben uitgeoefend, wordt gemaakt tussen degenen die het ambt nog steeds uitoefenen op het ogenblik waarop de overgangsmaatregel wordt goedgekeurd en degenen die het tijdelijk niet uitoefenen. De bijkomende voorwaarde waarop dat onderscheid berust, kan niet evenredig worden geacht met een onbestaande doelstelling, vermits de Franse Gemeenschapsregering er geen enkele verantwoording voor geeft, zoals hiervoor is aangetoond. Dat onderscheid is des te minder evenredig vermits wel degelijk blijkt dat de verzoekende partij, op de datum waarop de overgangsbepalingen werden aangenomen, de enige persoon was die in de hoedanigheid van waarnemend directrice was aangewezen en die dat ambt gedurende een zekere tijd had uitgeoefend, maar het op dat ogenblik tijdelijk niet uitoefende, en dat zij aldus de enige persoon zou zijn die door die voorwaarde werd getroffen. Daarover ging de eerste vraag die het Hof aan de Franse Gemeenschapsregering had gesteld in zijn beschikking van 23 september 2004, gewezen in het kader van het onderzoek van de vordering tot schorsing, en waarover de Franse Gemeenschapsregering niet de minste precisering heeft gegeven, zowel in het kader van het onderzoek van de vordering tot schorsing als in haar memorie van antwoord. 6 A.4.
- In verband met het tweede middel herinnert de verzoekende partij eraan dat de toekenning van haar verlof wegens opdracht geenszins een einde heeft gemaakt aan haar aanwijzing in de hoedanigheid van waarnemend directrice. Daaruit kan worden afgeleid dat het aanvoeren van dat nieuw juridisch feit niet relevant is : vermits de verzoekende partij, na het toekennen van haar verlof wegens opdracht, nog steeds was aangewezen als waarnemend directrice, genoot zij in beginsel nog steeds de waarborg dat aan die aanwijzing slechts een einde zou kunnen worden gemaakt mits inachtneming van de algemene rechtsbeginselen die voor het administratieve overheidsoptreden gelden. Wat het vermeend « zeer algemeen » karakter van het bestreden decreet betreft, lijkt het overigens stoutmoedig te beweren dat het decreet op een zeer groot aantal verschillende situaties kan worden toegepast. Enerzijds, stelt de Franse Gemeenschapsregering immers zelf dat het aangevochten artikel 1 van het decreet van 19 mei 2004 slechts op acht personen positief kon worden toegepast en, anderzijds, betwist zij niet dat de bij die bepaling voorgeschreven voorwaarden in negatieve zin slechts op één enkele persoon, namelijk de verzoekende partij, konden worden toegepast. Het spreekt voor zich dat men hier niet ernstig kan spreken van « een zeer groot aantal verschillende situaties ». In het licht van dat zeer beperkt aantal betrokken personen kon de verzoekende partij terecht veronderstellen dat de tegenpartij, die niets anders dan op de hoogte kon zijn van de enkele betrokken gevallen, de bedoeling had de verzoekende partij zonder meer uit haar ambt te verwijderen door de algemene rechtsbeginselen te omzeilen die reeds aanleiding hadden gegeven tot een vernietigingsarrest van de Raad van State. Het middel dat hier voor onderzoek wordt voorgelegd, berust hoe dan ook geenszins op een eventuele machtsafwending. Hier wordt gevraagd vast te stellen dat de aangevochten bepaling tot gevolg heeft gehad dat de verzoekende partij werd geweerd en dat haar op die manier de waarborg is ontnomen van de algemene beginselen die overigens voor alle leerkrachten van de Franse Gemeenschap gelden. Memorie van wederantwoord van de Franse Gemeenschapsregering A.5.
- Ten aanzien van de omvang van het beroep wenst de Franse Gemeenschapsregering te preciseren dat het niet juist is te beweren dat artikel 1 niet meer zou kunnen worden toegepast indien enkel de woorden « sinds 1 januari 2004 » zouden worden vernietigd. Zonder de betwiste tijdsvoorwaarde maakt die bepaling immers de benoeming, op 1 september 2004, mogelijk van de personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap die tijdelijk zijn aangewezen in een vacante betrekking in een bevorderingsambt, op voorwaarde dat zij het bedoelde bevorderingsambt vroeger hebben uitgeoefend. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zou zulks erop neerkomen de geldigheid van de overgangsbepaling te bevestigen, maar de decreetgever ertoe uit te nodigen de tijdsvoorwaarde eventueel te herzien op grond van de aangegeven grenzen. A.5.
- Wat het belang van de verzoekende partij betreft, is het enige overblijvende betwiste punt dat volgens de Franse Gemeenschapsregering door het Hof nog moet worden beslecht, de betekenis van artikel 1 van het decreet van 24 juni
- Volgens de Franse Gemeenschapsregering kan een verlof wegens opdracht enkel worden toegekend aan personeelsleden die in die hoedanigheid vast benoemd zijn. Dat is niet de interpretatie van de verzoekende partij, die van mening is dat zij een verlof wegens opdracht heeft gekregen in haar tijdelijk ambt van directrice. 7 -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de draagwijdte van het beroep B.1.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap. In zoverre de middelen die zij aanvoert enkel tegen artikel 1 van dat decreet zijn gericht, beperkt het Hof het onderzoek van de grondwettigheid tot dat deel van het decreet. De vraag of, in geval van vernietiging, deze beperkt zou kunnen blijven tot de woorden « sinds 1 januari 2004 », zoals de Franse Gemeenschapsregering vraagt, is gebonden aan het onderzoek ten gronde. B.1.
- Artikel 1 van dat decreet bepaalt : « In afwijking van de artikelen 92, 93, 94, 96, 97, 98, 99, 106, 107, 107bis en 112 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, kan de Regering van de Franse Gemeenschap uiterlijk op 1 september 2004 personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap benoemen, die tijdelijk worden aangewezen in een vacante betrekking in een bevorderingsambt voor zover ze het bedoelde bevorderingsambt ononderbroken sinds 1 januari 2004 hebben uitgeoefend ». Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij B.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden omdat die, door het verlof wegens opdracht dat haar op 1 juni 2003 is gegeven, te aanvaarden, zelf een einde zou hebben gemaakt aan haar tijdelijk ambt van directrice. Toen dat verlof op 31 mei 2004 ten einde liep, zou zij dus geen andere keuze hebben gehad dan opnieuw het ambt van lerares op te nemen waarin zij vast was benoemd. Zij zou derhalve geen belang hebben bij de vernietiging van een bepaling die, tijdelijk, de benoeming in een vacante betrekking in een bevorderingsambt regelt. De verzoekende partij 8 erkent dat, volgens het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, een verlof wegens opdracht enkel kan worden gegeven aan vast benoemde of aangeworven personeelsleden en dat zij dus in haar hoedanigheid van lerares dat verlof heeft gekregen. Zij is evenwel van mening dat uit het decreet niet zou kunnen worden afgeleid dat het zou inhouden af te zien van de mogelijkheid zich te beroepen op een ander tijdelijk uitgeoefend ambt. B.2.
- Artikel 1 van het voormelde decreet van 24 juni 1996 bepaalt : « Dit decreet geldt voor de vastbenoemde of geworven personeelsleden, in actieve dienst of ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, bedoeld in de wetten van 22 juni 1964 betreffende het statuut van het personeel van het rijksonderwijs, 1 april 1960 betreffende de PMS-centra, 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs ». Artikel 2, eerste lid, van hetzelfde decreet bepaalt : « De Regering kan de in art. 1 bedoelde personeelsleden een opdracht verlenen waarvan ze duur en aard bepaalt […] ». B.
- Het Hof hoeft zich niet uit te spreken over de voorwaarden waaronder het verlof wegens opdracht aan de verzoekende partij door de Franse Gemeenschapsregering is gegeven, noch over de vraag of dat verlof een einde heeft gemaakt aan haar tijdelijk ambt van directrice. Het volstaat vast te stellen dat de verzoekende partij in het verleden tijdelijk een bevorderingsambt heeft uitgeoefend, en dat zij het voordeel van het aangevochten decreet niet kan genieten omdat zij dat ambt niet zonder onderbreking sinds 1 januari 2004 heeft uitgeoefend. B.
- De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. Ten gronde B.
- De verzoekende partij klaagt aan dat het aangevochten artikel 1 van het voormelde decreet van 19 mei 2004 een onderscheid maakt, onder de personeelsleden die tijdelijk zijn 9 aangewezen in een vacante betrekking van een bevorderingsambt, tussen degenen die dat bevorderingsambt zonder onderbreking sinds 1 januari 2004 uitoefenen en de anderen. Die bepaling zou volgens haar de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet schenden omdat er te dezen geen enkel wettig motief zou zijn om dat onderscheid te maken en omdat niet kan worden verantwoord dat de toegang tot een vaste benoeming in een bevorderingsambt zou worden verleend aan personen die niet geslaagd zijn voor een proef voor toegang tot een bevorderingsambt en die dat ambt slechts enkele maanden hebben uitgeoefend onder de dekmantel van een aanwijzing zonder een oproep tot kandidaten te doen. B.6.
- Volgens de toelichting bij het voorstel van het bestreden decreet heeft het Parlement van de Franse Gemeenschap, om een einde te maken aan de discriminerende situatie die zou voortvloeien uit het ontbreken van een statuut voor de personeelsleden van de instellingen voor sociale promotie, het decreet van 3 maart 2004 « betreffende het administratief statuut van de personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen die hun ambt in het onderwijs voor sociale promotie uitoefenen » aangenomen, dat, gelet op het spoedeisend karakter, dat probleem definitief regelt door nieuwe bepalingen in te voeren in het koninklijk besluit van 22 maart 1969 « tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen ». In die toelichting wordt evenwel gepreciseerd : « Bij elke invoering van een statuut zijn maatregelen genomen om de situatie te regelen van de personeelsleden die tijdelijk bevorderingsambten uitoefenen, en die door de toepassing zelf van de nieuwe tekst zouden worden benadeeld » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 568-1, p. 2). B.6.
- Het kan worden aanvaard dat de situatie van personen die tijdelijk bevorderingsambten uitoefenden vóór de aanneming van het voormelde decreet van 3 maart 2004, diende te worden geregeld door overgangsmaatregelen. 10 B.6.
- De overgangsmaatregelen moeten evenwel een algemene draagwijdte hebben en gebaseerd zijn op objectieve en pertinente criteria die de redenen verantwoorden waarom sommige personen tijdelijk maatregelen genieten die afwijken van de regeling die door de nieuwe norm is vastgesteld. B.6.
- Te dezen wordt in de parlementaire voorbereiding van het aangevochten decreet, waarvan het voorstel op 11 mei 2004 is neergelegd en op dezelfde dag is besproken en goedgekeurd in openbare zitting, geen enkele verklaring gevonden voor de redenen waarom, met name in afwijking van de anciënniteitsvoorwaarden die zijn vastgesteld bij artikel 97 van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, zoals gewijzigd bij het voormelde decreet van 3 maart 2004, om als personeelslid dat tijdelijk is aangewezen in een vacante betrekking van een bevorderings- en selectieambt, vast te kunnen worden benoemd in een bevorderingsambt in het onderwijs voor sociale promotie, het voldoende was om sinds 1 januari 2004 in functie te zijn, in plaats van te doen blijken van een dienstanciënniteit van 1.800 dagen, en waarom het noodzakelijk was het tijdelijk ambt zonder onderbreking te hebben uitgeoefend. Bovendien kan die datum op zich niet de verzekering geven dat de personen die de overgangsmaatregel zullen kunnen genieten, over een bekwaamheid beschikken die vergelijkbaar is met die welke in het decreet van 3 maart 2004 wordt geëist. De verklaringen van de Franse Gemeenschapsregering in verband met het feit dat de datum van 1 januari relevanter was dan die van 1 september, rekening houdend met de tijd die nodig is voor een school om zich vanaf het begin van het schooljaar te organiseren, zijn niet pertinent om de keuze van een datum te verantwoorden die, in werkelijkheid, dient om de berekening te wijzigen van de anciënniteit die in een functie vereist is om definitief tot die functie toegang te krijgen. Ten aanzien van het door de Regering aangevoerde tijdelijke karakter van het decreet volgens hetwelk dat decreet « enkel gevolgen kan hebben voor één enkel schooljaar, aangezien over alle benoemingen die de tijdelijke situatie van de in dienst zijnde personeelsleden konden consolideren, vóór 1 september 2004 beslist diende te worden », stelt het Hof vast dat, op grond van het bestreden decreet, op 27 januari 2005 (Belgisch Staatsblad van 15 maart 2005) personeelsleden werden benoemd die een bevorderings- of selectieambt tijdelijk uitoefenden in het onderwijs voor sociale promotie. 11 B.6.
- Daaruit vloeit voort dat de decreetgever een maatregel heeft genomen die, zonder verantwoording, inbreuk maakt op de regels van gelijkheid en niet-discriminatie die bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet worden gewaarborgd. B.
- Het eerste middel is gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.
- Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet te worden onderzocht. 12 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 mei 2004 betreffende de personeelsleden die een bevorderings- of een selectieambt tijdelijk uitoefenen zonder onderbreking sedert 1 januari 2004 in het onderwijs voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juni
- De griffier, De wdn. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div