← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.112

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.112 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050630.11 Arrest- Rolnummer: 112/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-07-02 05:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 43 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, ingesteld door I. Badiu. Tekst van de beslissing Rolnummer 3096 Arrest nr. 112/2005 van 30 juni 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 43 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, ingesteld door I. Badiu. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 oktober 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 oktober 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 43 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juni 2004, tweede editie) door I. Badiu, wonende te 7500 Doornik, rue du Crampon 31/

  1. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. C. Delhoux loco Mr. E. Balate, advocaten bij de balie te Bergen, voor de verzoekende partij; . Mr. M. Kaiser loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.
  2. De verzoekster heeft een diploma van doctor in de geneeskunde, specialisatie kindergeneeskunde, behaald na zes jaar studie in Roemenië. Zij heeft de Franse Gemeenschap verzocht om de gelijkwaardigheid van haar diploma met dat van doctor in de geneeskunde, uitgereikt door de Franse Gemeenschap, wat haar is geweigerd. Die beslissing is aangevochten voor de Raad van State; het beroep is hangende. De beslissing is met name gegrond op artikel 5 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1996 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van diploma’s en studiegetuigschriften met de academische graden. Dat besluit is genomen met toepassing van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden. De verzoekster 3 vordert de vernietiging van artikel 43 van het bestreden decreet, omdat het sterk gelijkt op dat artikel 36 en zij het risico loopt dat het tegen haar als rechtsgrond wordt aangevoerd. Zij voert ter staving van haar belang de noodzaak aan een billijke en eerlijke rechtspleging te kunnen genieten, en die in overeenstemming is met de grondwettelijke bepalingen. A.2.
  3. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekster om in rechte te treden bij gebrek aan een rechtstreeks en geïndividualiseerd verband tussen haar persoonlijke situatie en de betwiste norm. Men ziet niet in welk nadeel de norm haar zou kunnen berokkenen. De verzoekster heeft, vóór de inwerkingtreding van de bestreden norm, een procedure opgestart die op een andere norm is gebaseerd en zij heeft voor de Raad van State beroepen ingesteld die op de schending van die andere norm en het uitvoeringsbesluit ervan gegrond zijn. Er is overigens geen enkele reden om te geloven dat de bestreden norm tegen de verzoekster zou kunnen worden aangevoerd om haar de toegang tot om het even welke betrekking te weigeren. A.2.
  4. Ten overvloede doet de Franse Gemeenschapsregering verder opmerken dat, ondanks het soortgelijke karakter van de bestreden bepaling en artikel 36 van het decreet van 5 september 1994, de verzoekster voor de Raad van State geen enkele grief heeft geformuleerd in verband met de grondwettigheid van dat artikel
  5. A.2.
  6. In nog meer ondergeschikte orde vraagt de Franse Gemeenschap zich af wat het belang, dat hoe dan ook niet tijdig zou zijn, van de verzoekster is bij het aanvoeren van de indiening van een nieuwe aanvraag tot gelijkwaardigheid die ditmaal zou worden geregeld door de bestreden norm en het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1996 waarvan de bestreden norm voortaan de machtigingsgrond vormt. Zij zou geen enkel voordeel halen uit een mogelijke vernietiging van de bestreden norm. In een eerste hypothese zou de vernietiging artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 doen herleven dat niet gunstiger is voor de verzoekster. Het arrest nr. 72/2002 van 23 april 2002 wordt aangevoerd ter staving van die stelling. In een tweede hypothese zou de vernietiging van de aangevochten norm niet tot gevolg hebben dat ze artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 doet herleven, maar ze zou geen enkele weerslag hebben op de toepassing van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus
  7. In een derde hypothese zou de vernietiging niet tot gevolg hebben het voormelde artikel 36 te doen herleven en, bij gebrek aan machtiging, zou het besluit ontoepasbaar worden. In dat geval zou elke mogelijkheid om een gelijkwaardigheid te verkrijgen zijn verdwenen, wat evenmin de situatie van de verzoekster verbetert. A.3.
  8. De verzoekster antwoordt dat zij binnen de termijn van zes maanden die volgt op de bekendmaking van het bestreden decreet in het Belgisch Staatsblad heeft moeten beoordelen welke risico’s aan de inwerkingtreding van die norm verbonden zijn ten aanzien van haar persoonlijk belang. Indien zij beslist een nieuwe aanvraag in te dienen voor de overheden aangewezen in artikel 43 van het thans van kracht zijnde decreet, kan zij weliswaar, bij wege van prejudiciële vraag, betogen dat het artikel waarop de bevoegdheid van de uitvoerende macht is gegrond, is aangetast door een grondwettigheidsgebrek, maar het is wenselijk in een dergelijk geval erover te waken dat, voor een geordend verloop van de beroepen, het Arbitragehof ertoe wordt gebracht zich over die kwestie uit te spreken in het vernietigingscontentieux. Aangezien de verzoekster over geen enkel verkregen recht op de erkenning beschikt, moet zij waakzaam zijn. Zij heeft dus het beroep tot vernietiging ingesteld teneinde de Franse Gemeenschap ertoe te brengen haar normenstelsel van erkenning eventueel te wijzigen om reden van de discriminatie die zij in het huidige stelsel ziet. De bestreden norm heeft een ongunstig gevolg voor de situatie van de verzoekster, in zoverre de herhaling van haar aanvraag, in de veronderstelling dat zij bij haar beroepen voor de Raad van State gelijk krijgt, zal gebaseerd zijn op een norm waarvan zij de gegrondheid fundamenteel bekritiseert. A.3.
  9. De verzoekster merkt verder op dat, in het raam van de voor de Raad van State ingestelde beroepen, het niet noodzakelijk was de ongrondwettigheid van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 aan te voeren. Een dergelijke kritiek zou tot een mogelijke ongrondwettigheid hebben geleid bij wege van prejudiciële vragen, terwijl dat artikel niet langer van toepassing is voor het heronderzoek van het dossier. De bestreden norm zal dus wel degelijk in fine tegen de verzoekster worden tegengeworpen om haar de toegang tot om het even welke betrekking te weigeren. Het is vanuit die dynamische dimensie dat het belang van de nieuwe aanvraag tot gelijkwaardigheid moet worden beoordeeld. 4 Indien de verzoekster nog geen nieuwe aanvraag heeft ingediend, is dat omdat zij een abnormaal lange termijn van het onderzoek van haar dossier voor de Raad van State ondergaat. A.3.
  10. De verzoekster antwoordt op de drie door de Franse Gemeenschapsregering onderscheiden hypotheses. Zij betwist de ruime interpretatie die aan artikel 162 van het decreet wordt gegeven en tot de herleving van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 zou leiden en zij besluit dat het duidelijk is dat de vernietiging van de bestreden norm tot gevolg zou hebben dat zij aan gunstigere bepalingen wordt onderworpen, althans wat de interpretatie ervan betreft, met dien verstande dat de nagestreefde doelstelling erin bestaat een mechanisme voor controle van de gelijkwaardigheden en erkenningen in te voeren dat meer in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. Zij betwist de stelling die als tweede hypothese wordt verdedigd en besluit dat de aanvraag niet meer op dezelfde basis zou kunnen worden onderzocht, vermits de Franse Gemeenschap haar systeem van gelijkwaardigheid zal moeten herzien. In verband met de derde hypothese merkt de verzoekster op dat de door de vernietiging ontstane juridische leemte onmiddellijk zou moeten worden ingevuld. Zo niet zou de Franse Gemeenschap niet voldoen aan grondwettelijke vereisten inzake toegang tot onderwijs en toegang tot de werkgelegenheid en zou tegen haar een mogelijke aansprakelijkheidsvordering wegens nalatigheid kunnen worden ingesteld. Het is dus onjuist te oordelen dat de gevolgen die aan een eventueel vernietigingsarrest verbonden zijn, nutteloos zouden zijn voor de verzoekster. De partij preciseert verder dat zij sinds verscheidene jaren in België werkt maar dat haar situatie voor sommige geneeskundige handelingen bijzondere vrijstellingen vereist, vrijstellingen die een beperkt karakter hebben, wat haar ertoe verplicht alle normen die haar situatie in de toekomst kunnen raken, te betwisten, te bekritiseren en te analyseren. A.4.
  11. De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat het belang van de verzoekster niet is aangetoond, aangezien zij erkent dat zij zich niet momenteel in een situatie bevindt of weldra zal bevinden die door de bestreden norm zou worden geregeld, en zij dus de mogelijkheid zou hebben om de grondwettigheid van die norm op te werpen via een prejudiciële vraag, maar dat zij, uit waakzaamheid ten aanzien van het Belgische wettelijke systeem, verkiest bij wijze van bewarende maatregel de vernietiging te vorderen via een algemeen beroep. Wat betreft een heronderzoek van de aanvraag tot gelijkwaardigheid, signaleert de Franse Gemeenschapsregering dat de Raad van State, bij zijn arrest nr. 137.265 van 18 november 2004, de door de verzoekster ingestelde vordering tot schorsing heeft verworpen. A.4.
  12. De Franse Gemeenschapsregering is ten overvloede van mening dat, teneinde een belang aan te tonen bij de vernietiging van de bestreden norm, de verzoekster moest aantonen dat de thans aangevoerde grondwettigheidskritiek ook gericht was tegen de vroegere bepaling met soortgelijke inhoud en dus aan de Raad van State moest voorstellen om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Wat betreft de ruime interpretatie van artikel 162 van het decreet van 31 maart 2004, repliceert de Franse Gemeenschapsregering dat het niet ondenkbaar is te oordelen dat, wanneer een decreetsbepaling alle bepalingen van een ander decreet opheft, de vernietiging door de grondwettelijke rechter van een artikel van het nieuwe decreet zou kunnen leiden tot een meer genuanceerde lezing van de algemene opheffingsbepaling, na het vernietigingsarrest. Artikel 162 zou niet langer formeel een artikel hebben kunnen opheffen dat door het Hof was vernietigd en dat dus nooit met terugwerkende kracht zou hebben bestaan. De partij merkt verder op dat, hoe dan ook, er geen enkel verband bestaat tussen het middel dat door de verzoekster tegen de bestreden norm wordt uiteengezet en de weigering die haar was betekend in verband met haar aanvraag tot gelijkwaardigheid. Het aangevoerde belang is dus louter theoretisch. A.4.
  13. De Franse Gemeenschapsregering merkt verder op dat de door de verzoekster aangevoerde grondwettigheidsvereisten precisie missen. Het bestaan van een mogelijke positieve verplichting van de decreetgever is betwistbaar. De Grondwet bevat geen enkele bepaling in die zin. De toegang tot werk voor de niet E.U.-onderdanen is overigens ten zeerste gereglementeerd. Ten aanzien van het middel A.
  14. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijt het bestreden artikel 43 dat het aan de Franse Gemeenschap de mogelijkheid verleent om unilaterale, algemene en abstracte maatregelen te nemen die kennelijk één of andere categorie van onderdanen van een vreemd land bevoordelen. Bij dat artikel wordt klaarblijkelijk een discriminerende regeling georganiseerd tussen de 5 gelijkwaardigheden die zullen worden aangenomen bij algemene en abstracte maatregelen en de individuele gelijkwaardigheden. Geen enkele objectieve reden maakt het mogelijk aan te tonen waarom algemene en abstracte maatregelen kunnen worden genomen ten voordele van bepaalde onderdanen terwijl andere die niet zouden kunnen genieten. De algemene en abstracte maatregelen moeten niet worden gemotiveerd, aangezien de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de unilaterale rechtshandelingen met individuele draagwijdte. De enige wijze om de gelijkheid te zien zoals ze wordt opgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ligt in de volkomen egalitaire behandeling bij wege van algemene en abstracte bepalingen waardoor een coherente en volledige analyse mogelijk is van de studierichtingen waarvoor de gelijkwaardigheid wordt toegekend. A.6.
  15. De Franse Gemeenschapsregering merkt in de eerste plaats op dat de bestreden norm soortgelijk is met artikel 36 van het voormelde decreet van 5 september 1994 en dat de Raad van State in zijn advies over het voorontwerp van decreet geen enkel probleem van grondwettigheid heeft opgeworpen. Er werd overigens nooit enig probleem van dat type opgeworpen. De Franse Gemeenschapsregering is in de eerste plaats van mening dat bij ontstentenis van een duidelijke formulering van de aangevoerde grondwettigheidsgrief, het enige middel niet gegrond is. Zij merkt immers op dat de verzoekster, nu eens de relevantie van de gelijkwaardigheden bij algemene maatregelen betwist en dan weer stelt dat enkel een erkenning via algemene maatregelen in overeenstemming zou kunnen zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.6.
  16. In ondergeschikte orde gaat de Franse Gemeenschapsregering uit van de idee dat de verzoekster het discriminerend zou achten dat bepaalde personen niet een gelijkwaardigheid bij wege van algemene maatregel kunnen genieten en een individuele maatregel moeten vorderen. Het middel in de andere zin interpreteren, zou erop neerkomen te ontkennen dat de verzoekster enig belang heeft bij het middel, vermits zij zich in een situatie bevindt die haar in de categorie plaatst van de personen ten aanzien van wie een individuele maatregel van gelijkwaardigheid moet worden genomen. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het aldus gepreciseerde onderscheid op een objectief en redelijk criterium berust. Zij doet gelden dat het gevolg van het aangevoerde verschil in behandeling volkomen marginaal is, omdat de overgrote meerderheid van de gelijkwaardigheden die door buitenlandse gediplomeerden worden aangevraagd, worden toegekend via individuele maatregelen. Concreet is er geen enkele erkenning via een algemene maatregel geweest op basis van het decreet van 5 september
  17. Wat betreft het doel van de bekritiseerde maatregel had de decreetgever, in 2004 net zoals in 1994, geen andere keuze dan te voorzien in het principiële bestaan van een op een individuele dossieranalyse gebaseerde erkenningsprocedure voor de diploma’s. Het uiteenlopende karakter van de onderwijssystemen, van de onderwijsinstellingen en van de opleidingen in alle landen van de wereld is immers van dusdanige aard dat een individuele analyse op basis van objectieve criteria doorgaans vereist is teneinde zich correct te kunnen uitspreken over de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma, met alle soms aanzienlijke gevolgen van een dergelijke gelijkwaardigheid van dien. Dat argument sluit aan bij wat het Hof beslist heeft in zijn arrest nr. 19/93 van 4 maart
  18. Bovendien is de, dankzij de bestreden norm mogelijk gemaakte coëxistentie van een systeem van erkenning van gelijkwaardigheden bij algemene maatregelen, naast gelijkwaardigheden die worden toegekend bij individuele maatregelen, nuttig teneinde de beoordelingen te objectiveren en het werk van de administratieve overheid te vereenvoudigen, maar uitsluitend wanneer van bij het begin de beschikbare objectieve gegevens toelaten dat dit, bij wijze van uitzondering, aldus geschiedt. De handhaving van die mogelijkheid is des te belangrijker daar het decreet van 31 maart 2004 de verklaring van Bologna omzet die betrekking heeft op Staten die niet alle lid zijn van de Europese Unie en dus niet de specifieke bepalingen in het Europees recht in verband met de wederzijdse erkenning van de diploma’s kunnen aanvoeren. Daardoor kan het gelijktijdig bestaan van het eerste en tweede lid van de bestreden norm worden verantwoord. A.6.
  19. De partij merkt tenslotte op dat de argumenten die zijn gebaseerd op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen absoluut niets wijzigen aan de beoordeling die het Hof moet maken van de grondwettigheid van de bestreden norm. A priori hebben die argumenten meer te maken met de wet van 29 juli 1991 dan met de bestreden wet. Bovendien is de kritiek op het feit dat een reglementaire akte niet wordt onderworpen aan de wet op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet ernstig, rekening houdend met het voorwerp van die bescherming die door het Hof wordt gepreciseerd in zijn arrest nr. 128/2001 van 18 oktober
  20. 6 A.7.
  21. De verzoekende partij antwoordt dat het duidelijk is dat de lezing van het middel juist is, vermits de Franse Gemeenschapsregering de uiteengezette grief kennelijk heeft begrepen. Het doel van de toetsing van het Hof is dus wel degelijk te onderzoeken of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet het mogelijk maken dat de gelijkwaardigheid tegelijk via algemene maatregelen én op grond van individuele maatregelen wordt toegekend, en niet uitsluitend bij algemene maatregelen. A.7.
  22. Ten gronde is de verzoekster van oordeel dat een dermate complex onderzoek als dat van de wederzijdse erkenning van de diploma’s klaarblijkelijk op algemene wijze dient te gebeuren. Het is in dat verband betreurenswaardig dat geen enkele maatregel is genomen op grond van het decreet van 5 september 1994 en het is zeer waarschijnlijk dat geen enkele maatregel is genomen op grond van het nieuwe decreet. Dat is echter wel degelijk de doelstelling die wordt nagestreefd in het raam van een dynamische interpretatie waarbij met name aandacht zou worden besteed aan de instroom op de markt van houders van diploma’s afkomstig uit de Midden- en Oost-Europese landen. De analyse van de gelijkwaardigheid is een complexe handeling waarbij met name niet alleen rekening moet worden gehouden met de lijst van de cursussen maar ook met de inhoud ervan. Het is paradoxaal te willen oordelen dat die maatregel na een individueel onderzoek hetzelfde gevolg zou hebben als na een algemeen onderzoek. De erkenning van de academische graden en de waarde van de diploma’s in de Franse Gemeenschap gebeurt op basis van een bij decreet geregeld systeem. Het is dus niet absurd te oordelen dat, om te kunnen worden ingepast in de rechtsorde van de aangezochte Staat, een soortgelijk systeem wordt opgezet en dat de algemene maatregelen de regel vormen. De haalbaarheid van dat systeem kan ongetwijfeld worden betwist maar men dient zich af te vragen of die haalbaarheid een doorslaggevend criterium vormt voor de grondwettigheidstoets. Het is duidelijk dat niet alle landen van de wereld zich in het raam van een aanvraag tot erkenning tot België wenden; er zijn daarentegen prioritaire gebieden om reden van de toevloed van gediplomeerden en de moeilijke situaties die er zich voordoen. Het Hof zal in dat verband rekening dienen te houden met de ontaarding van het systeem, waarbij van de individuele beoordeling de regel wordt gemaakt en van de algemene interpretatie de uitzondering, die overigens nooit wordt toegepast. Het onderscheid berust dus op geen enkel billijk en redelijk karakter of zou althans moeten worden bijgestuurd door het mogelijk te maken om van het systeem van individuele analyse een volstrekt uitzonderlijke maatregel te maken. Niets zou met name kunnen uitsluiten dat, wanneer een aanvraag wordt ingediend, aan de hand van een snel systeem kan worden voorzien in een reglementaire procedure voor onderzoek van het dossier. De partij erkent dat de formele motivering zoals die blijkt uit de wet van 29 juli 1991 in onderhavig geval niet de fundamentele bescherming zal vormen die zij vordert. Het gaat in feite om een middel om de onvermijdelijke discriminatie aan het licht te brengen die door het tweevoudige systeem wordt ingevoerd. A.
  23. Wat betreft de precisie van het middel houdt de Franse Gemeenschap staande dat de aangevoerde discriminatie niet voldoende blijkt uit de inhoud van het verzoekschrift tot vernietiging en dat een herformulering in de memorie van antwoord te laat komt. In ondergeschikte orde preciseert zij dat de erkenning van de gelijkwaardigheid, op een individuele basis, gegrond is op een procedure en criteria die aan de beslissing een volkomen objectief en precies karakter verlenen. Die waarborgen worden geformuleerd in het reeds geciteerde besluit van 28 augustus
  24. De erkenningen op grond van individuele beoordelingen zijn dus niet willekeurig. De partij onderstreept ten slotte dat het door de verzoekster bedachte ideale systeem indruist tegen de werkelijkheid van het aantal en de diversiteit van de aanvragen tot gelijkwaardigheid. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
  25. Artikel 43 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten bepaalt : 7 « De Regering kan, via algemene maatregelen, de gelijkwaardigheid erkennen tussen een titel, diploma of getuigschrift van studies uitgereikt in het buitenland en één van de academische graden die worden toegekend krachtens de bepalingen van dit decreet. Via een individuele maatregel kan de Regering beslissen over de toekenning van de volledige gelijkwaardigheid van studies die gedaan werden buiten de Franse Gemeenschap, en die niet vallen onder de maatregel die wordt besproken in de voorgaande alinea, met de verschillende academische graden voor master, arts en dierenarts. De toekenning van de volledige gelijkwaardigheid kan afhankelijk zijn van het slagen in een bijzondere proef in de gevallen en beperkingen vastgelegd door de Regering. Onder voorbehoud van alinea's 1 en 2 van dit artikel en onafhankelijk van een toelatingsprocedure voor de studies, beslissen de examencommissies over de volledige of gedeeltelijke gelijkwaardigheid van studies die werden gedaan buiten de Franse Gemeenschap met de academische graden die ervoor worden toegekend. De Regering legt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de gelijkwaardigheden bedoeld in alinea's 2 en 3 vast ». Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.2.
  26. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijt de aangevochten bepaling dat ze in een discriminerende regeling voorziet tussen de gelijkwaardigheden die worden erkend via algemene en abstracte maatregelen en de gelijkwaardigheden die het voorwerp uitmaken van individuele maatregelen. B.2.
  27. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden geschonden zijn, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.2.
  28. In zoverre het enige middel de in B.2.1 vermelde discriminatie aanvoert, is het voldoende precies opdat het verzoekschrift ontvankelijk zou zijn. 8 Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.3.
  29. De verzoekende partij voert ter staving van haar belang het feit aan dat zij bij de Franse Gemeenschap de gelijkwaardigheid van haar diploma met dat van doctor in de geneeskunde vordert, wat haar is geweigerd, en het feit dat zij die weigeringsbeslissing voor de Raad van State heeft aangevochten. Zij preciseert dat de weigeringsbeslissing is genomen met toepassing van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 « tot regeling van de universitaire studies en de academische graden », dat vervangen is bij de aangevochten bepaling waarvan de inhoud soortgelijk is met die van de voormelde bepaling. B.3.
  30. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang om in rechte te treden van de verzoekende partij bij gebrek aan een rechtstreeks en geïndividualiseerd verband tussen haar persoonlijke situatie en de betwiste norm. B.3.
  31. Aangezien de verzoekende partij ter staving van haar belang het feit aanvoert dat zij een aanvraag tot gelijkwaardigheid heeft ingediend die is verworpen, dat voor de Raad van State een procedure hangende is in verband met die beslissing, en dat, indien zij een nieuwe aanvraag tot gelijkwaardigheid indient, het aangevochten decreet toepasbaar zal zijn, doet zij blijken van een voldoende rechtstreeks belang bij haar beroep. Ofschoon een vernietiging van de bestreden norm opnieuw een bepaling zou kunnen doen ontstaan waarvan de inhoud soortgelijk is met die van de aangevochten norm, volgt daaruit overigens niet dat de verzoekster geen belang zou hebben om die vernietiging te vorderen. Met die vernietiging zou zij immers een kans kunnen herwinnen dat haar situatie op een gunstigere wijze wordt geregeld door de wetgever. Het beroep is bijgevolg ontvankelijk. Ten gronde B.
  32. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verwijt de aangevochten bepaling dat ze in een discriminerende regeling voorziet tussen de gelijkwaardigheden die worden erkend via algemene en abstracte 9 maatregelen en de gelijkwaardigheden die het voorwerp uitmaken van individuele maatregelen. B.
  33. De bestreden bepaling voorziet in twee types van procedures om een gelijkwaardigheid te verkrijgen : ofwel neemt de Regering algemene maatregelen waarbij de gelijkwaardigheid wordt erkend van een titel, diploma of studiegetuigschrift dat is afgegeven in het buitenland, enerzijds, en een van de in de Franse Gemeenschap verleende academische graden, anderzijds; ofwel worden individuele maatregelen inzake gelijkwaardigheid genomen op het einde van een overeenkomstig het decreet door de Regering vastgestelde procedure. B.
  34. De bestreden bepaling voorziet niet in een discriminerende regeling maar maakt het mogelijk dat tegelijkertijd algemene maatregelen worden genomen door de Regering, om te voldoen aan herhaalde aanvragen tot gelijkwaardigheid van titels, diploma’s of studiegetuigschriften die in het buitenland door eenzelfde onderwijsinstelling uitgereikt zijn, en dat afzonderlijke aanvragen in overweging kunnen worden genomen op het einde van een door de decreetgever gewilde snelle procedure. Het Hof ziet niet in hoe de decreetgever de aangelegenheid anders zou kunnen regelen, aangezien hij rekening moet houden met het feit dat zich talrijke en onvoorzienbare situaties kunnen voordoen. Het gelijkheidsbeginsel vereist niet dat de decreetgever zelf voorziet in een onbepaald aantal situaties die betrekking kunnen hebben op titels, diploma’s of getuigschriften die in de hele wereld worden uitgereikt en die voortdurend evolueren. B.
  35. Het middel is niet gegrond. 10 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 juni
  36. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.