← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.113

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.113 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050630.12 Arrest- Rolnummer: 113/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-07-02 08:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest schendt, wat betreft de door De Post verschuldigde belasting voor de jaren 1998 en 1999, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Tekst van de beslissing Rolnummer 3103 Arrest nr. 113/2005 van 30 juni 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 oktober 2004 in zake de n.v. De Post tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 18 oktober 2004, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is het Waalse decreet van 6 december 1998 [lees : het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest] waarbij De Post niet wordt vrijgesteld van de belasting op de bankautomaten strijdig met artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 waarbij de Regie der Posterijen, thans De Post, wordt gelijkgesteld met de Staat voor wat de belastingen in ruime zin betreft ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Waalse Regering; - de Ministerraad en de n.v. De Post, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1000 Brussel, Muntcentrum. Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. A.-V. Stainier loco Mr. M. Eloy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; . Mr. J. Vanden Eynde en Mr. A. Hirsch, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad en voor de n.v. De Post; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De n.v. De Post verzet zich, wat betreft haar bankautomaten, tegen de betaling van de belasting op de automaten, ingevoerd bij het Waalse decreet van 19 november

  1. Zij heeft hoger beroep ingesteld voor de verwijzende rechter en doet gelden dat zij met de Staat wordt gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten betreffende de taksen, rechten, retributies en belastingen ten bate van de Staat, de provinciën en de gemeenten, krachtens artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der Posterijen, een bepaling die niet is opgeheven bij de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, krachtens welke de n.v. De Post de Regie opvolgt. 3 De verwijzende rechter is van oordeel dat in artikel 15, dat weliswaar niet de gewestbelastingen beoogt, de bedoeling van de wetgever wordt uitgedrukt om de betrokkene vrij te stellen van elke vorm van overheidsheffingen die uitgaan van de publiekrechtelijke rechtspersonen welke die heffingen toepasten toen de wet van 1971 werd aangenomen. Hij is, in tegenstelling tot de rechter in eerste aanleg, van mening dat moet worden onderzocht of het decreet in overeenstemming is met de bepalingen waarbij de bevoegdheden worden verdeeld tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Het Hof van Beroep verwerpt het argument volgens hetwelk het Arbitragehof die kwestie reeds zou hebben beslecht in zijn arrest nr. 12/96 (om reden dat dit argument enkel gebaseerd is op de omstandigheid dat het Hof die conformiteitskwestie niet ambtshalve zou hebben opgeworpen in verband met een andere belasting) en legt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag voor. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Waalse Regering brengt de elementen van het dossier in herinnering en stelt dat uit de parlementaire voorbereiding van het in het geding zijnde decreet blijkt dat de decreetgever heeft gewild dat De Post aan de in het geding zijnde belasting wordt onderworpen. A.1.
  3. De Ministerraad en De Post brengen de feiten van de zaak in herinnering en zetten uiteen dat de wet van 6 juli 1971 aan de Regie der Posterijen de rechten, de bevoegdheden en het monopolie heeft toevertrouwd dat voordien door de wetgever was toebedeeld aan het Bestuur der Posterijen. De wet van 21 maart 1991 heeft niets gewijzigd aan het in de in het geding zijnde bepaling vervatte beginsel, tenzij de woorden « de Regie » vervangen door de woorden « De Post ». Laatstgenoemde is een naamloze vennootschap van publiek recht geworden krachtens het koninklijk besluit van 17 maart 2000, bekrachtigd bij artikel 24 van de wet van 3 juli 2000, maar dat heeft geen gevolg voor de prejudiciële vraag, vermits het geschil naar aanleiding waarvan die vraag wordt gesteld, betrekking heeft op het jaar 1998 en, volgens het Waalse Gewest, op het jaar
  4. A.1.
  5. De Ministerraad en De Post zetten uiteen dat laatstgenoemde, krachtens de wet van 1991, tot opdracht heeft met name de exploitatie van de financiële postdiensten alsmede van het vervoer en van het verkeer van het geld en van de betaalmiddelen te waarborgen. Ondanks haar gewijzigde rechtsvorm verleent De Post een financiële openbare dienst, die de wetgever heeft gehandhaafd. De regels en de voorwaarden van die dienstverlening zijn vastgesteld in de beheerscontracten die, met name, De Post de verplichting opleggen om minstens in één postkantoor per gemeente te voorzien en de toegang tot een aantal diensten te garanderen die De Post niet zou kunnen aanbieden indien ze niet over een voldoende dicht infrastructuurnetwerk op het grondgebied beschikte. Het beheerscontract maakt het De Post niet mogelijk het netwerk - met inbegrip van het aantal geldautomaten van De Post - te reorganiseren in het licht van budgettaire beperkingen, in tegenstelling tot andere bedrijven of organisaties in dezelfde sector. Het legt De Post de verplichting op het aanbod van de geautomatiseerde diensten op te drijven teneinde de kwaliteit en de snelheid van de dienstverlening te verbeteren. De Post onderscheidt zich aldus van andere operatoren, niet zozeer door de aard van de aangeboden diensten maar door de haar opgelegde verplichting om de gehele bevolking, zonder beperkingen, toegang daartoe te verlenen. A.1.
  6. De Waalse Regering repliceert dat die verplichtingen niet de door De Post opgeëiste vrijstelling verantwoorden en dat, krachtens artikel 172, tweede lid, van de Grondwet, die vrijstelling enkel zou kunnen worden toegekend bij wet. Ten aanzien van artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 A.2.
  7. De Waalse Regering is van mening dat de regel waarop de prejudiciële vraag steunt artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet is, als bevoegdheidverdelende regel. De verwijzende rechter wenst uit te maken of artikel 15, eerste lid, van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van De Post een « wet » vormt waarbij, wat betreft de gewestbelastingen, een uitzondering wordt vastgesteld in de zin van artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet en waarvan de noodzakelijkheid blijkt. Artikel 15 voert op zichzelf geen enkele vrijstelling in en beoogt geen enkele belasting in het bijzonder waarvan De Post uitdrukkelijk zou zijn vrijgesteld : het beperkt 4 zich ertoe te bepalen dat De Post wordt vrijgesteld van de belastingen waarvan de Staat zelf is vrijgesteld, wat niet het geval is voor de belasting op de automaten. Aangezien artikel 15, eerste lid, aan De Post geen enkele fiscale immuniteit verleent, kan het niet strijdig zijn met het in het geding zijnde decreet. A.2.
  8. De Ministerraad en De Post zetten uiteen dat artikel 15 de klaarblijkelijke toepassing vormt van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de goederen van het openbaar domein en die van het privaat domein die worden aangewend voor een dienst van openbaar nut worden vrijgesteld van belastingen, een beginsel dat zowel in de arresten van het Hof van Cassatie als in die van de Raad van State tot uiting komt. Het is niet opgeheven bij de wet van 21 maart 1991, die nochtans andere bepalingen van de wet van 1971 heeft opgeheven, en de handhaving ervan werd nogmaals bekrachtigd in de programmawet van 24 december 2002, waarbij de activiteiten die geen openbare dienstverlening zijn aan de B.T.W. worden onderworpen, maar waarbij de handhaving van het bestaande fiscaal statuut, overeenkomstig de Europese regels, wordt gegarandeerd tot 1 januari
  9. In hun memorie van antwoord voegen zij daaraan toe dat artikel 15 moet worden gelezen in het licht van de inmiddels doorgevoerde staatshervorming en het dus ook de gewestbelastingen beoogt. Mocht het in het geding zijnde decreet worden toegepast op De Post, zou het een gevolg hebben dat het Waalse Gewest op basis van zijn bevoegdheden niet kan betrachten; het zou immers afbreuk doen aan de opdrachten van openbare dienstverlening waarmee De Post is belast krachtens artikel 141 van de wet van 21 maart 1991 en krachtens het beheerscontract dat voorziet in het aanbod van geautomatiseerde diensten, wat aantoont dat die aangelegenheid aan de federale Staat toekomt, in elk geval in zoverre zij ertoe strekt de continuïteit van de openbare dienstverlening te vrijwaren. De vrijwaring daarvan heeft geleid tot het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de goederen van het publiek domein of de goederen van het privaat domein die worden aangewend voor een dienst van openbaar nut worden vrijgesteld van belastingen. De Post voert evenwel een opdracht van openbaar nut uit, die is bevestigd in de bepalingen van het Europees recht; de Waalse decreetgever heeft zich dus vergist in verband met de draagwijdte van de wet van 6 juli 1971; artikel 15 van deze wet preciseert de draagwijdte van het in het geding zijnde decreet of verzet zich, in ondergeschikte orde, tegen de toepassing ervan ten aanzien van de Staat en De Post. A.2.
  10. In haar memorie van antwoord betoogt de Waalse Regering dat, mocht artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 een duidelijke toepassing zijn van dat algemene beginsel van vrijstelling, het nutteloos zou zijn indien De Post hoe dan ook vrijgesteld was van belastingen. Daarin een fiscale vrijstelling zien die wordt opgelegd op grond van artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet zou een miskenning betekenen van de draagwijdte van dat artikel
  11. Het argument dat is afgeleid uit de B.T.W.-regeling die van toepassing is op De Post, is niet relevant omdat die regeling niet afhankelijk is van het voormelde artikel 15 maar van de Europese regelgeving die in het Belgisch recht is omgezet in het B.T.W.-Wetboek en waarbij De Post, vóór 1 januari 2005, werd omgevormd tot een openbare instelling die niet is onderworpen aan de B.T.W. en in feite, na die datum, tot een vrijgestelde B.T.W.-plichtige openbare instelling. Ten aanzien van het in het geding zijnde decreet A.2.
  12. De Ministerraad en De Post zetten uiteen dat het Waalse decreet van 19 november 1998, genomen op grond van de fiscale bevoegdheid van het Waalse Gewest, ertoe strekt de op gemeentelijk en provinciaal niveau bestaande belastingtarieven te uniformiseren. Vóór de aanneming van dat decreet, hadden de Waalse overheden, bestendige deputaties en de rechtspraak beslist dat, rekening houdend met het feit dat de geldautomaten van De Post bestemd waren als openbare dienstverlening, een belasting op bankautomaten die door een gemeente zou worden ingevoerd, niet zou kunnen worden toegepast op de automaten van De Post. A.2.
  13. De Waalse Regering repliceert dat de briefwisseling van de uitvoerende macht niet kan gelden als een vrijstelling van belasting, a fortiori wanneer het gaat om een belasting die door de wetgevende macht is vastgesteld op een latere datum dan die briefwisseling. Ten aanzien van het algemeen beginsel en de noodzaak van vrijstelling van belasting A.3.
  14. De Waalse Regering betoogt dat, zelfs indien artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 in samenhang wordt gelezen met het algemeen beginsel van vrijstelling van belasting voor de goederen van het openbaar domein van de Staat, de provinciën en de gemeenten, de vraag ontkennend zou dienen te worden beantwoord want het in die bepaling vermelde woord « wetten » kan niet zo worden opgevat dat het de algemene 5 rechtsbeginselen omvat op straffe van schending van de regel van de wettigheid van de belasting. Die regel is immers eveneens van toepassing op de vrijstellingen van belasting; het in het geding zijnde algemeen beginsel kan dus, in de zin van die bepaling, niet worden aangemerkt als wet en het staat hoe dan ook aan de wetgevers af te wijken van een dergelijk beginsel, wat de bedoeling is van het in het geding zijnde decreet. A.3.
  15. De Waalse Regering stelt dat het woord « wetten » vermeld in artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 evenmin zo zou kunnen worden begrepen dat het de algemene rechtsbeginselen omvat, zonder dat de bevoegdheid van de federale wetgever om af te wijken van de fiscale autonomie van de gewesten, wordt geschonden. Het gaat immers om een regel die uitgaat van de politieke overheid, vandaar het vereiste optreden van de wetgever. De uitzonderingen die hij kan vaststellen, kunnen dus enkel voortvloeien uit formele wetsbepalingen en niet uit algemene beginselen waarvan eerstgenoemde de bijzondere uitdrukking zouden zijn. Daaruit vloeit voort dat, zolang de federale wetgever geen formele « wet » heeft aangenomen ten voordele van een overheidsbedrijf zoals De Post, het de gewestelijke wetgever vrijstaat haar te onderwerpen aan de belastingen waarvoor hij bevoegd is. A.3.
  16. De Waalse Regering stelt verder, in ondergeschikte orde, dat de wetgever bij de aanneming van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, niet de bedoeling kenbaar heeft gemaakt om van het in het geding zijnde artikel 15 (dat dateert van vóór artikel 170, § 2, van de Grondwet) een uitzondering op de fiscale autonomie van de gewesten te maken. Aannemen dat artikel 15 stilzwijgend zou gelden als een afwijking daarop zou de rechtszekerheid in gevaar brengen want men zou aldus zware gevolgen trekken uit een stilzwijgen van de wetgever, terwijl de in artikel 170, § 2, bedoelde uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. De intercommunales worden vrijgesteld van gewestbelastingen omdat de federale wetgever in 1986 de wet van 1922 heeft aangevuld teneinde daarin uitdrukkelijk te voorzien. In het geval van De Post is de noodzaak van een uitzondering niet aangetoond : die bewijsvoering moet expliciet zijn en vereist een parlementair debat. A.4.
  17. De Ministerraad en De Post betogen dat het in het geding zijnde artikel 15, waarbij De Post wordt gelijkgesteld met de Staat voor de toepassing van de wetten betreffende de taksen, rechten, retributies en belastingen ten bate van de Staat, de provinciën en de gemeenten, moet worden gelezen in het licht van de staatshervorming, overeenkomstig de rechtspraak van het arrest nr. 2/2003 van het Hof. Daarin wordt een beginsel uitgedrukt dat wordt aangenomen in de rechtspraak, en overigens door de wetgever wordt gehandhaafd, en dat wordt verantwoord door de opdrachten van openbare dienstverlening - zoals de financiële diensten - van De Post (die niet de soepelheid geniet die eigen is aan de bedrijven van de privé-sector) en gebaseerd is op het begrip belasting dat, zoals het Hof van Cassatie onderstreept in zijn arrest van 16 januari 1905, enkel kan slaan op private goederen, die op zichzelf genot opleveren. Het is niet onbestaanbaar met het in het geding zijnde decreet maar het preciseert enkel de draagwijdte ervan; wanneer men bijgevolg stelt dat, aangezien dit decreet geen enkele vrijstelling bevat, het de opheffing inhoudt van het algemeen beginsel in kwestie, zou dit erop neerkomen dat men dat beginsel en elke toepassing die ervan zou worden gemaakt, ontkent : het is immers omdat de fiscale wetten, zoals het in het geding zijnde decreet, niet voorzagen in een uitdrukkelijke vrijstelling dat de rechtspraak dit beginsel heeft ontwikkeld. Men kan bijgevolg niet aannemen dat het hiervoor bedoelde algemeen rechtsbeginsel uitdrukkelijk is geweerd door een norm die althans formeel gelijkwaardig is, en die dus in strijd zou kunnen zijn met de bepaling van artikel 15 van de wet van 6 juli 1971, in zoverre dat artikel de inwerkingstelling van het genoemde beginsel inhoudt. In die zin is het in het geding zijnde decreet niet in strijd met het voormelde artikel
  18. A.4.
  19. In hun memorie van antwoord voegen zij daaraan toe dat het Waalse Gewest een onjuiste draagwijdte geeft zowel aan artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 als aan het algemeen beginsel van vrijstelling van belasting en dat het beginsel van de wettigheid van de belasting moet worden gerelativeerd. Het beginsel van vrijstelling is gegrond op het begrip belasting en preciseert enkel de toepassingssfeer van het beginsel van de wettigheid van de belasting. Artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 kan, doordat het verwijst naar de « wet », bijgevolg niet zo worden geïnterpreteerd dat het enkel de door de wetgevende macht aangenomen normen beoogt : mocht dit zo zijn, zou men aan het legaliteitsbeginsel een absolute draagwijdte geven die het niet heeft en zou men, wat betreft het beginsel van vrijstelling, het gezag schenden dat de rechtsleer en de rechtspraak aan de algemene beginselen toekennen. Bovendien doen zij gelden dat in de parlementaire voorbereiding van het decreet niet wordt aangetoond dat de decreetgever duidelijk de wil had om af te wijken van het voormelde algemeen beginsel van vrijstelling : het bevestigend antwoord van de minister op de vraag of De Post deel zal uitmaken van de belastbare vennootschappen is immers sibillijns en het verwijst noch naar artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 noch naar 6 het genoemde beginsel. Mocht men aannemen dat de decreetgever daarvan wel degelijk heeft willen afwijken, zou er tegenspraak zijn tussen artikel 15 en het decreet dat, enerzijds, de federale bevoegdheden zou schenden en, anderzijds, artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet, vermits artikel 15 een toepassing vormt van het algemeen beginsel van vrijstelling (dit is meermaals bevestigd in verband met De Post) en de aanneming en de handhaving ervan het bewijs vormen van de « noodzakelijkheid » die artikel 170, § 2, tweede lid, vereist wanneer de federale wetgever de bevoegdheid uitoefent welke die bepaling hem voorbehoudt. A.4.
  20. De Waalse Regering, die de bewering van de Ministerraad betwist volgens welke de decreetgever niet de bedoeling zou hebben gehad afbreuk te doen aan de fiscale immuniteit van De Post, is, zoals ook de Ministerraad en De Post dat stilzwijgend zijn, van oordeel dat artikel 15 op zichzelf niet een dergelijke immuniteit verleent en dat het algemeen beginsel van vrijstelling kan worden geweerd door een decreetsbepaling. De Waalse Regering is echter van mening dat de decreetgever De Post aan de in het geding zijnde belasting wilde onderwerpen, vermits hij niet heeft bepaald dat zij dat niet zou worden en die bedoeling blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Stellen dat het algemeen beginsel van vrijstelling de wil van het gewest zou kunnen dwarsbomen om De Post te onderwerpen aan de belasting op de automaten, zou overigens indruisen tegen de autonomie van de gewesten en de rechtspraak van het Hof, dat heeft aangenomen dat het Gewest de vrijstelling van de onroerende voorheffing waarin is voorzien ten voordele van instellingen zoals De Post, vermindert tot 28 pct. van het kadastraal inkomen, terwijl die vrijstelling nochtans regelmatig in verband wordt gebracht met het hier vermelde algemeen beginsel. Ten aanzien van de gevolgen van het arrest A.5.
  21. De Waalse Regering vraagt aan het Hof, in uiterst ondergeschikte orde, de gevolgen van het te wijzen arrest uit te stellen tot 1 januari van het begrotingsjaar dat volgt op de uitspraak, indien geen enkel van haar argumenten de overtuiging van het Hof wegdraagt. A.5.
  22. De Ministerraad en De Post zijn van mening dat dit verzoek moet worden verworpen, omdat het niet gemotiveerd is en omdat niet wordt aangegeven welke belangen van het Waalse Gewest verantwoorden dat de gevolgen van een vaststelling van schending worden uitgesteld. De gevolgen van het arrest zouden daarentegen moeten worden uitgesteld indien het Hof zich aansluit bij de argumenten van het Waalse Gewest, want de Belgische Staat en De Post hebben uit brieven van het Waalse Gewest kunnen afleiden dat de geldautomaten van De Post zouden worden vrijgesteld van de in het geding zijnde belasting, waardoor aldus het gewettigde vertrouwen van de betrokkenen zou worden geschokt. -B- Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.1.
  23. De prejudiciële vraag heeft betrekking op een conflict tussen het Waalse decreet van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest en artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van De Post, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt echter dat de vraag verband houdt met het feit of het voormelde decreet in overeenstemming is met de regels die, in fiscale aangelegenheden, de bevoegdheden verdelen tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in de interpretatie volgens welke, ingevolge dat decreet, een overheidsbedrijf dat een Regie opvolgt die, wat betreft de vrijstellingen van nationale, provinciale en 7 gemeentelijke belastingen, was gelijkgesteld met de Staat, aan de gewestbelasting zou worden onderworpen. B.1.
  24. Het geschil ten gronde heeft betrekking op de belasting die verschuldigd zou zijn voor de jaren 1998 en 1999, een periode waarin De Post nog niet was omgevormd tot een naamloze vennootschap naar publiek recht bij koninklijk besluit van 17 maart
  25. Het Hof beperkt dus het onderzoek van de prejudiciële vraag tot die jaren. Ten gronde B.
  26. Het in het geding zijnde decreet stelt een jaarlijkse belasting in op de voor het publiek toegankelijke bankautomaten, de geautomatiseerde loketten en de zelfbedieningsbrandstofpompen, waarvoor de betaling op automatische wijze kan gebeuren (artikelen 1 en 2). De belasting wordt ten laste gelegd van de eigenaar van het apparaat of de exploitant (artikel 3) en bedraagt voor de geldautomaten 1.500 euro per jaar (artikel 4). De bevoegde minister heeft in zijn antwoord op een vraag die is gesteld toen het betwiste decreet werd aangenomen, gezegd dat De Post « deel zal uitmaken van de belastbare vennootschappen, wat de Postomat betreft bijvoorbeeld » (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1997-1998, nr. 413/2, p. 13). B.3.
  27. Artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der Posterijen bepaalde in de oorspronkelijke versie ervan : « De Regie wordt met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten betreffende de taksen, rechten, retributies en belastingen ten bate van de Staat, de provinciën en de gemeenten ». B.3.
  28. Artikel 130 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt : « De woorden ‘ Regie der posterijen ’, ‘ Bestuur der posterijen ’ en ‘ Bestuur der postchecks ’ in al de artikelen van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der posterijen, de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en de wet van 2 mei 1956 op de Postcheck, worden vervangen door de woorden ‘ DE POST ’. 8 De woorden ‘ Regie der Posterijen ’, ‘ Bestuur der Posterijen ’, ‘ Bestuur der Postchecks ’ en ‘ Regie ’, wanneer de Regie der Posterijen bedoeld wordt, worden vervangen door de woorden ‘ DE POST ’ in alle wetten en reglementen ». Die wet heeft artikel 15 van de voormelde wet van 6 juli 1971 niet opgeheven. De Post kon zich dus beroepen op die bepaling. B.
  29. Het staat aan het Hof te onderzoeken of het voormelde artikel 15, zo geïnterpreteerd dat het ook betrekking heeft op de belastingen die de gemeenschappen en de gewesten op grond van hun grondwettelijke bevoegdheden kunnen vaststellen, in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. B.
  30. De belasting op de automaten valt onder de eigen fiscale bevoegdheid die de gewesten kunnen uitoefenen krachtens artikel 170, § 2, van de Grondwet. Volgens de memorie van toelichting bij het betwiste decreet, strekt zij ertoe de belastingen die worden geheven door het gewest, de provincies en de gemeenten te coördineren en de belastingtarieven eenvormig te maken (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1997-1998, nr. 413/1, p. 3, en nr. 413/2, p. 12). B.
  31. Artikel 170, § 2, van de Grondwet bepaalt : « Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». Krachtens die bepaling beschikken de gemeenschappen en de gewesten over een eigen fiscale bevoegdheid, behoudens wanneer de wet uitzonderingen heeft bepaald of nadien bepaalt waarvan de noodzakelijkheid wordt aangetoond. B.
  32. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 170, § 2, van de Grondwet moet worden beschouwd als « een soort verdedigingsmechanisme [van de Staat] […] t.o.v. de verschillende andere bestuurslagen, om een eigen fiscale materie te behouden » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, 10, nr. 8/4°, p. 4). Amendementen waarbij een lijst van belastbare materies voor de gemeenschappen en de gewesten werd voorgesteld, werden verworpen (Hand., 9 Kamer, 1979-1980, zitting van 22 juli 1980, pp. 2705-2713). Verschillende malen werd beklemtoond dat artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet moest worden beschouwd als een « regulerend mechanisme. […] Het is een noodzakelijk instrument. De wet moet dat regulerend mechanisme zijn en moet kunnen zeggen welke belastbare materie wordt voorbehouden aan de Staat. Indien men dat niet zou doen komt men in een chaos en in alle mogelijke verwikkelingen terecht, die niets meer te maken hebben met een goed georganiseerde federale Staat of een goed georganiseerde Staat » (Hand., Kamer, 1979-1980, zitting van 22 juli 1980, p. 2707; zie ook Hand., Senaat, 1979-1980, zitting van 28 juli 1980, pp. 2650-2651). Met artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet heeft de Grondwetgever derhalve de voorrang van de fiscale wet op het fiscale decreet willen vestigen en uitzonderingen op de belastingbevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten verwoord in het eerste lid van artikel 170, § 2, mogelijk willen maken. De federale wetgever kan bijgevolg niet alleen bepaalde belastingmateries onttrekken aan de eigen fiscaliteit van de gemeenschappen en de gewesten maar kan tevens bepalen dat die fiscaliteit niet geldt ten aanzien van bepaalde categorieën van belastingplichtigen. Bovendien kan de wetgever zowel de vestiging van een gewestelijke belasting a priori verbieden, als uitzonderingen bepalen op reeds gevestigde gewestelijke belastingen. B.8.
  33. Luidens de Grondwet is de uitoefening van die bevoegdheid evenwel verbonden aan de voorwaarde dat van « noodzakelijkheid » blijk moet worden gegeven. Weliswaar is een amendement waarbij de wet, bepaald in artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet, een wet met een bijzondere meerderheid zou zijn, verworpen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, 10, nr. 8/2°, p. 1; Hand., Kamer, 1979-1980, zitting van 22 juli 1980, p. 2706), toch werd in de parlementaire voorbereiding beklemtoond dat « de wet, die in artikel 110, § 2, 2e lid, bedoeld wordt, […] een organieke wet [is] en het […] niet gemakkelijk [zal] zijn voor de wetgever om gemeenschappen en gewesten beperkingen op te leggen » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, 10, nr. 8/4°, p. 4). Bij de parlementaire bespreking van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten verklaarde de Minister dat « op grond van het tweede lid van artikel 110, § 2, van de Grondwet […] evenwel aan de nationale wetgever de mogelijkheid [wordt] geboden om op deze algemene en volledige belastingbevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten 10 uitzonderingen te maken. Die mogelijkheid is voor de nationale wetgever evenwel beperkt : hij moet de noodzaak van de uitzonderingen kunnen aantonen. Bovendien zij hierbij beklemtoond dat volgens de algemeen aanvaarde interpretatieregels uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 635/17, p. 175). B.8.
  34. Artikel 15 van de voormelde wet van 6 juli 1971 strekt ertoe de Regie der Posterijen vrij te stellen van de belastingen waaraan de Staat niet is onderworpen. B.8.
  35. Bij de aanneming van de wet van 21 maart 1991, heeft de federale wetgever zich ervan onthouden artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 op te heffen, en heeft hij bovendien in verband met een vergelijkbaar overheidsbedrijf - Belgacom - waarvan de situatie door dezelfde wet werd geregeld, geoordeeld dat de belastingvrijstelling verantwoord was door de aan het bedrijf opgelegde opdrachten van openbare dienst (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1287/10, pp. 104 en 197). Hij heeft aldus gebruik gemaakt van de bevoegdheid die hem wordt verleend in artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet om te vermijden dat het gunstige statuut dat hij aan de Regie had toegekend op de helling zou worden gezet door belastingen die aan andere belastingheffende overheden verschuldigd zijn. Hij vermocht in 1991 te oordelen dat, zoals in 1971, de noodzakelijkheid om die vrijstelling te handhaven aangetoond was, aangezien De Post een openbare dienst vormt waarvan de goederen bestemd zijn voor dienstverlening aan de bevolking en haar verschillend statuut verantwoordt dat ze aan bijzondere regels wordt onderworpen : ofschoon het juist is dat sommige van haar activiteiten - zoals te dezen de uitbating van de geldautomaten - soortgelijk zijn met die van andere operatoren, blijft het feit dat zij, overeenkomstig de wet van 21 maart 1991 en het beheerscontract dat krachtens die wet is afgesloten, gehouden is tot een aantal verplichtingen die niet op die andere operatoren wegen, maar gebaseerd zijn op de veronderstelling dat een goed uitgebouwde infrastructuur voorhanden is, die zich uitstrekt over alle delen van het grondgebied en bestemd is om iedereen de toegang te bieden tot de aangeboden diensten. Er kan worden aangenomen dat die infrastructuur geldautomaten omvat die noodzakelijk zijn voor de financiële postdiensten waarmee De Post is belast krachtens de artikelen 131, 19°, en 141, B, van de voormelde wet van 21 maart
  36. B.8.
  37. Er dient overigens te worden opgemerkt dat De Post de in het geding zijnde vrijstelling genoot toen de belasting werd geïnd door de provincies en de gemeenten. De 11 omstandigheid dat ze vandaag wordt geïnd door het Waalse Gewest verandert niets aan de noodzakelijkheid waaraan die vrijstelling beantwoordt. B.
  38. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.
  39. De Waalse Regering vraagt aan het Hof de gevolgen van het arrest uit te stellen. Zonder dat moet worden onderzocht of het Hof een dergelijk verzoek zou kunnen inwilligen, wanneer het uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag, wordt geen enkele bijzondere reden aangevoerd die, ofschoon dit arrest ertoe kan leiden dat het Waalse Gewest een deel van de opbrengst wordt ontzegd van de bij het in het geding zijnde decreet ingevoerde belasting, zou verantwoorden dat wordt afgeweken van het normale gevolg van elke jurisdictionele beslissing waarbij een fiscale bepaling wordt afgekeurd. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de automaten in het Waalse Gewest schendt, wat betreft de door De Post verschuldigde belasting voor de jaren 1998 en 1999, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 juni
  40. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.