← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.120

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050706.1 Arrest- Rolnummer: 120/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-07-02 06:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen, ingesteld door de v.z.w. Vlaams Overleg voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting en de v.z.w. Landelijk Vlaanderen, vereniging van Bos-, Land- en Natuureigenaars. Tekst van de beslissing Rolnummer 3079 Arrest nr. 120/2005 van 6 juli 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen, ingesteld door de v.z.w. Vlaams Overleg voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting en de v.z.w. Landelijk Vlaanderen, vereniging van Bos-, Land- en Natuureigenaars. Het Arbitragehof, samengesteld uit voorzitter A. Arts, rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 september 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 september 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 maart 2004) door de v.z.w. Vlaams Overleg voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, met zetel te 1000 Brussel, Lombardstraat 42, en de v.z.w. Landelijk Vlaanderen, vereniging van Bos-, Land- en Natuureigenaars, met zetel te 1000 Brussel, Centrumgalerij, Blok 2. De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. F. Van Nuffel loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1. De eerste verzoekende partij is een koepelvereniging die als doel heeft de behartiging van de gemeenschappelijke en specifieke belangen van haar leden inzake patrimonium, meer bepaald ten aanzien van ruimtelijke ordening, natuur en milieu, alsmede inzake huisvesting. De tweede verzoekende partij is een vereniging van eigenaars van landelijke eigendommen (gebouwen, landbouwgronden, bossen, parken, vijvers, natuur en andere landelijke gebieden). De vereniging heeft als doel het behartigen en verdedigen van de gemeenschappelijke belangen van al haar leden in verband met hun rechten op onroerende goederen in de ruimste betekenis van het woord. Om haar belang te staven, verwijst zij naar het arrest nr. 18/99. Zij beklemtoont, met verwijzing naar een bij het verzoekschrift gevoegde brochure, dat zij haar doel op een actieve en duurzame wijze nastreeft. 3 A.2. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen. Het belang van de eerste vereniging zou niet rechtstreeks zijn omdat zij een koepelvereniging is van andere verenigingen zonder winstoogmerk. Het belang van de tweede vereniging zou niet automatisch blijken uit het feit dat in het arrest nr. 18/99 haar belang bij de vernietiging van een andere norm werd aanvaard. Meer algemeen staat het volgens de Vlaamse Regering aan de verzoekende partijen aan te tonen dat de ontvankelijkheidvoorwaarden zijn vervuld ten aanzien van elk van de onderdelen van de bestreden bepalingen. A.3.1. Volgens de eerste verzoekende partij behartigen haar leden de belangen van fysieke personen of rechtspersonen in welbepaalde aangelegenheden met betrekking tot onroerend goed in het Vlaamse Gewest (bouwondernemingen, recreatiebedrijven, weekendverblijven, eigenaars, vastgoedmakelaars enz.). Het optreden in rechte van de koepelvereniging zou zijn verantwoord in die gevallen waar de Vlaamse overheid met een algemene maatregel beperkingen invoert op het eigendomsrecht, zonder dat reeds in concreto de gronden kunnen worden aangewezen waarop die beperkingen zullen slaan. De tweede verzoekende partij stelt dat zij zich in haar verzoekschrift niet heeft beperkt tot een verwijzing naar het arrest nr. 18/99. Ze heeft ook haar doel in herinnering gebracht en aan de hand van een brochure haar activiteiten toegelicht. A.3.2. Beide verzoekende partijen betogen dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de in de bestreden bepalingen vervatte regels inzake landschapszorg, vermits ze een belemmering vormen voor de normale exploitatie van eigendommen. Ze voeren daarbij aan dat 16,25 pct. van het grondgebied van het Vlaamse Gewest als ankerplaats - en mogelijkerwijze als erfgoedlandschap - zal worden aangeduid (220.000 hectare). Daaruit volgt dat menig eigenaar geconfronteerd zal worden met de uit de bestreden bepalingen voortvloeiende beperkingen. A.4. De Vlaamse Regering betwist niet dat de eerste verzoekende partij de belangen van haar leden behartigt, maar wel dat een vereniging zonder winstoogmerk « in de tweede macht » voor anderen zou kunnen opkomen. Zij wijst bovendien erop dat het cijfer van 16,25 pct. slechts slaat op het deel van de oppervlakte dat theoretisch in aanmerking komt voor een aanduiding als ankerplaats en dus niet op het deel dat effectief, met toepassing van de bestreden bepalingen, als ankerplaats zal worden aangeduid. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen A.5. De Vlaamse Regering betoogt dat de middelen van de verzoekende partijen onontvankelijk zijn, aangezien het verzoekschrift er geen uiteenzetting van bevat. Het bestreden artikel voegt aan het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg een hoofdstuk IV toe. Dat integraal bestreden hoofdstuk bestaat uit 16 artikelen, die niet alle de grieven belichamen die de verzoekende partijen ertegen doen opkomen. Bovendien maken die partijen niet duidelijk in welk opzicht elk van die 16 artikelen het gelijkheidsbeginsel, het eigendomsrecht en het rechtszekerheidsbeginsel zouden schenden. A.6. De verzoekende partijen oordelen dat de exceptie van de Vlaamse Regering moet worden verworpen. Zij beklemtonen dat hun grieven gericht zijn tegen het gehele hoofdstuk IV, omdat daarin een nieuwe vorm van landschapsbescherming wordt gereglementeerd, die kan leiden tot beperkingen van het eigendomsrecht, zonder dat een voorafgaand openbaar onderzoek wordt gewaarborgd en zonder dat voorzien is in een sluitende vergoedingsregeling. Als de grieven van de verzoekende partijen gegrond worden verklaard, dient het gehele hoofdstuk IV te worden vernietigd, aangezien de nieuwe vorm van landschapsbescherming alleen op die manier uit de rechtsorde kan verdwijnen. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel A.7.1. Het eerste middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met het rechtszekerheidsbeginsel. 4 A.7.2. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen leiden tot een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen eigenaars van onroerende goederen, naargelang die onroerende goederen in een beschermd landschap, dan wel in een ankerplaats komen te liggen. In het eerste geval verkeren de eigenaars in de mogelijkheid hun opmerkingen en bezwaren tijdens een openbaar onderzoek te laten gelden, in het tweede geval niet. Nochtans bevinden beide categorieën zich in vergelijkbare situaties. In beide gevallen is er immers, minstens onrechtstreeks, sprake van een beperking van het eigendomsrecht. Een landschap dat in aanmerking komt om te worden beschermd komt bovendien in de meeste gevallen ook in aanmerking om als ankerplaats te worden aangeduid. Volgens de verzoekende partijen heeft de decreetgever de reeds bestaande procedure inzake landschapsbescherming willen vereenvoudigen, vanwege het feit dat de op basis van die procedure genomen besluiten te vaak door de Raad van State werden vernietigd. Die argumentatie kan, naar hun oordeel, onmogelijk het door de bestreden bepalingen gecreëerde onderscheid verantwoorden. Ook het feit dat er voor particulieren geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan de aanduiding van een ankerplaats, kan het onderscheid niet verantwoorden, vermits die aanduiding feitelijke gevolgen heeft. De besluiten tot aanduiding van ankerplaatsen worden immers in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en beïnvloeden op die manier de waarde van de bedoelde onroerende goederen. Het gegeven dat een openbaar onderzoek wordt georganiseerd op het ogenblik dat de ankerplaatsen als erfgoedlandschappen worden opgenomen in ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan evenmin als verantwoording worden aanvaard, vermits bij het opstellen van die ruimtelijke uitvoeringsplannen weinig aandacht zal gaan naar iets wat voorheen - naar aanleiding van de aanduiding van de ankerplaatsen - is geregeld. De lokale besturen die plannen opstellen, zullen bovendien naar alle waarschijnlijkheid niet geneigd zijn om in te gaan tegen een besluit van de Vlaamse Regering tot aanduiding van een ankerplaats. A.7.3. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen de in het middel aangehaalde artikelen en beginselen schenden doordat ze ertoe kunnen leiden dat eigenaars voor onbepaalde tijd in het ongewisse worden gelaten over het definitieve statuut van hun eigendom. Het tijdsbestek waarbinnen een landschap als definitieve ankerplaats kan blijven bestaan, is immers onbeperkt. A.8.1. Met betrekking tot de beweerde schending van artikel 16 van de Grondwet, stelt de Vlaamse Regering dat de bestreden bepalingen geen gedwongen eigendomsoverdracht inhouden, zodat er geen sprake kan zijn van een onteigening. Artikel 16 van de Grondwet is bijgevolg niet toepasselijk. Bovendien zou uit dit grondwetsartikel geen verplichting kunnen worden afgeleid tot het organiseren van een openbaar onderzoek bij het aanduiden van ankerplaatsen. Met betrekking tot de beweerde schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, beklemtoont de Vlaamse Regering dat het eigendomsrecht niet absoluut is en om redenen van algemeen belang kan worden beperkt. Vermits te dezen niet kan worden betwist dat de bestreden bepalingen het algemeen belang dienen, moet nog enkel de vraag worden beantwoord of de eventuele eigendomsbeperkingen redelijk verantwoord zijn in het licht van het gelijkheidsbeginsel. A.8.2. In de veronderstelling dat de door de verzoekende partijen aangevoerde eigendomsbeperking gelegen is in het niet organiseren van een openbaar onderzoek, kan de daaruit voortvloeiende ongelijke behandeling naar het oordeel van de Vlaamse Regering moeilijk als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Aan het aanduiden van een ankerplaats zijn immers enkel rechtsgevolgen verbonden voor administratieve overheden. Voor particulieren ontstaan slechts rechtsgevolgen vanaf de « omzetting » van een ankerplaats in een erfgoedlandschap. Vermits dat door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg moet gebeuren, is een openbaar onderzoek in dat geval wel gewaarborgd. De Vlaamse Regering beklemtoont daarbij dat het de decreetgever moeilijk kwalijk kan worden genomen, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen lijken te doen, dat hij de bestaande administratieve procedures heeft vereenvoudigd met het oog op het efficiënter realiseren van het beleid inzake landschapszorg. Met betrekking tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voert de Vlaamse Regering nog aan dat de door de verzoekende partijen vergeleken situaties eigenlijk onvergelijkbaar zijn, vermits de regeling inzake beschermde landschappen, in tegenstelling tot de in de bestreden bepalingen vervatte regeling, onafhankelijk is van de instrumenten van de ruimtelijke ordening. Beide situaties worden bijgevolg door verschillende rechtsregelingen beheerst. 5 A.8.3. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel, verklaart de Vlaamse Regering niet in te zien hoe de bestreden bepalingen afbreuk zouden doen aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het feit dat de aanduiding van ankerplaatsen niet in de tijd is beperkt, kan geen afbreuk doen aan dat beginsel, omdat aan die aanduiding voor de burger geen rechtsgevolgen zijn verbonden en omdat uiteindelijk elk perceel het risico loopt vroeg of laat door de overheid bestemd te worden voor iets anders dan wat de eigenaar graag had gezien. De verzoekende partijen antwoorden daarop dat de situatie van een eigenaar wiens onroerend goed deel uitmaakt van een ankerplaats, wezenlijk verschillend is van die van elke andere eigenaar die het risico loopt dat zijn onroerend goed een nieuwe bestemming krijgt. Bij een aanduiding van een ankerplaats wordt de nieuwe bestemming immers bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ten aanzien van het tweede middel A.9.1. Het tweede middel is eveneens afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.9.2. In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen de in het middel aangehaalde artikelen schenden, doordat eigenaars van onroerende goederen die in een erfgoedlandschap liggen, niet steeds recht hebben op een billijke vergoeding. Vermits de erkenning als erfgoedlandschap een ernstige beperking van het eigendomsrecht inhoudt, vormt het ontbreken van een dergelijke vergoedingsregeling een inbreuk op artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De omstandigheid dat de eigenaars een beroep zouden kunnen doen op de planschaderegeling uit het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, is niet ter zake, vermits de vaststelling van een erfgoedlandschap in een ruimtelijk uitvoeringsplan niet steeds gepaard gaat met een bestemmingswijziging die een recht op planschade doet ontstaan. De loutere aanduiding van de erfgoedlandschappen in overdruk op de bestemmingsplannen doet op zich geen recht op planschade ontstaan. A.9.3. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen, op het vlak van de vergoedingsregeling, een discriminerend onderscheid creëren tussen eigenaars van onroerende goederen die in een erfgoedlandschap liggen, naargelang zij al dan niet het geluk hebben dat de aanduiding van het erfgoedlandschap gepaard gaat met een bestemmingswijziging. Slechts in het geval van een bestemmingswijziging ontstaat er immers een recht op planschadevergoeding. Nochtans worden de eigenaars in beide gevallen geconfronteerd met dezelfde uit artikel 29 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg voortvloeiende beperkingen. Bovendien veroorzaken de bestreden bepalingen een discriminatie doordat voor eigenaars van onroerende goederen die in een erfgoedlandschap liggen, geen evenwaardige vergoedingsregeling geldt als voor eigenaars van onroerende goederen die in een beschermd landschap liggen. A.10.1. De Vlaamse Regering voert aan dat artikel 16 van de Grondwet niet toepasselijk is, vermits de bestreden bepalingen geen gedwongen eigendomsoverdracht inhouden. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is, naar het oordeel van de Vlaamse Regering, evenmin toepasselijk vermits die bepaling niet voorschrijft dat eigendomsbeperkingen gepaard moeten gaan met een vergoeding. A.10.2. De Vlaamse Regering beklemtoont eveneens dat te dezen slechts sprake is van minieme beperkingen op het uitoefenen van het eigendomsrecht. In zoverre uit het aanduiden van erfgoedlandschappen een bouwverbod zou voortvloeien, wat meestal niet eens het geval zal zijn, worden de eigenaars van de bedoelde percelen op dezelfde wijze behandeld als de eigenaars van onroerende goederen in een beschermd landschap of in een ruimtelijk bestemmingsgebied met bouwverbod. Zij kunnen immers de toepassing genieten van de in het kader van de ruimtelijke ordening uitgewerkte planschaderegeling. De Vlaamse Regering beklemtoont daarbij dat de afbakening van een erfgoedlandschap « in overdruk in een ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg » geïnterpreteerd moet worden als een cartografische 6 aanduiding van een stedenbouwkundig voorschrift bovenop de grondkleur die de « basisbestemming » aangeeft; de overdruk geeft aan dat in die gebieden bijkomende stedenbouwkundige voorschriften gelden zonder dat de stedenbouwkundige voorschriften van de grondkleur hun geldigheid verliezen. Of een bouw- of verkavelingsverbod al dan niet voortvloeit uit een « overdruk » maakt, op het vlak van de planschaderegeling, geen verschil. Indien er een onderscheid zou bestaan tussen een bouwverbod met toepassing van een basisbestemming en als gevolg van een overdruk, zoals de verzoekende partijen lijken te beweren, zou de verantwoording daarvan, volgens de Vlaamse Regering, niet voor de hand liggen, zodat een grondwettige interpretatie alleen al het onderscheid moet weren. A.10.3. Het tweede onderdeel van het middel mist volgens de Vlaamse Regering grondslag omdat de beweerde ongelijke behandeling niet bestaat, aangezien erfgoedlandschappen nooit anders dan in een ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg tot uiting kunnen komen. Zelfs indien zou worden aanvaard dat er erfgoedlandschappen zouden zijn waarvan de ene aanleiding geven, via de omweg van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, tot een bouwverbod, en de andere niet, is het niet onredelijk alleen voor de eigenaars van de onroerende goederen die tot de eerste soort behoren, in een schadevergoeding te voorzien. A.11. De verzoekende partijen antwoorden dat de afbakening van een erfgoedlandschap vaak zal resulteren in een feitelijk bouwverbod. De overheden mogen immers geen vergunning of toestemming verlenen voor activiteiten die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kunnen vernietigen of die een betekenisvolle schade kunnen veroorzaken aan de waarden of de typische landschapskenmerken ervan. Dat feitelijke bouwverbod gaat niet gepaard met een schadevergoeding. De Vlaamse Regering oordeelt dat de verzoekende partijen uitgaan van de kwade trouw van de vergunningverlenende instanties. De aanduiding van erfgoedlandschappen houdt eigenlijk een objectivering in van noties als « goede plaatselijke aanleg », die evenmin een bouwverbod tot gevolg kunnen hebben. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. Artikel 6 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen voegt aan het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg (hierna : landschapsdecreet) een hoofdstuk IV « Behoud van erfgoedlandschappen » toe. Dat hoofdstuk voorziet in een nieuwe procedure en regeling ter bescherming van erfgoedlandschappen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever op die manier de landschapszorg heeft willen integreren in de ruimtelijke ordening (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1804/1, pp. 3 en 4), zonder afbreuk te doen aan de reeds in de hoofdstukken II en III van het landschapsdecreet vervatte procedure en regeling ter bescherming van landschappen (ibid., p. 5). Die regeling werd intact gelaten om « de kans op het behoud van bepaalde zeer waardevolle landschappen beter te garanderen of de kwetsbare 7 landschappen te vrijwaren, waar de juridische instrumenten vanuit ruimtelijke planning ontoereikend zouden zijn voor het behoud van het landschap » (ibid., nr. 1804/5, p. 6). B.1.2. Het bestreden hoofdstuk IV van het landschapsdecreet luidt als volgt : « HOOFDSTUK IV. - Behoud van erfgoedlandschappen Afdeling 1. – Stap 1 : Aanduiding van ankerplaatsen Artikel 15. De Vlaamse regering kan een landschap, dat van algemeen belang is wegens zijn natuurwetenschappelijke, historische, esthetische, sociaal-culturele of ruimtelijk- structurerende waarde, aanduiden als ankerplaats. Artikel 16. De aanduiding van ankerplaatsen kan gebeuren per ankerplaats afzonderlijk of voor meerdere ankerplaatsen. Artikel 17. De Vlaamse regering stelt de aanduiding voorlopig vast. Dit besluit vermeldt per ankerplaats : 1° de benaming van de ankerplaats; 2° de waarden die tot de aanduiding aanleiding gegeven hebben; 3° de landschapskenmerken die typisch zijn voor de ankerplaats, met inbegrip van de ruimtelijke kenmerken die eigen zijn aan de waarden; 4° een aflijning van de ankerplaats op schaal 1/25 000 die de grenzen ervan aangeeft. Het besluit tot voorlopige aanduiding wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Artikel 18. Het besluit tot voorlopige aanduiding vervalt van rechtswege indien binnen een termijn van maximaal twaalf maanden geen besluit tot definitieve aanduiding is genomen. Artikel 19. Het besluit tot voorlopige aanduiding wordt met een aangetekende brief voor advies voorgelegd aan de bestuurlijke entiteiten bevoegd voor ruimtelijke ordening, landinrichting, economie, natuurbehoud, bosbeheer, landbouw, waterbeheer, toerisme en recreatie, en infrastructuur, en aan de gemeente(

  1. n)en provincie(
  2. s)in kwestie. Binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap mag de aangetekende brief worden vervangen door een elektronisch bericht. De Vlaamse regering kan hierover nadere regels vaststellen. Deze adviezen worden binnen negentig dagen, te rekenen vanaf de datum van de afgifte op De Post of de datum van het elektronisch bericht, uitgebracht, zo niet worden ze geacht gunstig te zijn. Het besluit tot voorlopige aanduiding is en blijft ter inzage op het gemeentehuis. 8 Artikel 20. Vervolgens wordt het besluit tot voorlopige aanduiding met de voormelde adviezen aan de Koninklijke Commissie voor een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse regering gezonden met een aangetekende brief of in een elektronisch bericht. Het advies wordt binnen negentig dagen, te rekenen vanaf de datum van de afgifte op De Post of de datum van het elektronisch bericht, uitgebracht, zo niet wordt het geacht gunstig te zijn. Artikel 21. De Vlaamse regering stelt het besluit tot definitieve aanduiding vast. Dit besluit vermeldt per ankerplaats : 1° de benaming van de ankerplaats; 2° de waarden die tot de aanduiding aanleiding gegeven hebben; 3° de landschapskenmerken die typisch zijn voor de ankerplaats, met inbegrip van de ruimtelijke kenmerken die eigen zijn aan de waarden; 4° een aflijning van de ankerplaats op schaal 1/25 000 die de grenzen ervan aangeeft. Het besluit tot definitieve aanduiding wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het besluit tot definitieve aanduiding wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de gemeenten en de provincies. Het besluit tot definitieve aanduiding is en blijft ter inzage op het gemeentehuis. Artikel 22. De Vlaamse regering kan een besluit tot voorlopige of definitieve aanduiding geheel of gedeeltelijk opheffen of wijzigen. Daartoe wordt dezelfde procedure en vorm als voor de voorlopige respectievelijk definitieve aanduiding gevolgd. Tot de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing blijven de rechtsgevolgen van het vorige besluit van kracht. Artikel 23. Vanaf de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot definitieve aanduiding gelden voor de administratieve overheid, als beslissende instantie voor wat betreft aanvragen van de administratieve overheid, onverminderd artikel 24, de rechtsgevolgen, bepaald in artikel 26 en in artikel 30 van dit hoofdstuk. Artikel 24. De besluiten tot voorlopige of definitieve aanduiding als ankerplaats fungeren als aanvulling en verfijning op de sectoriële wetgevingen. Zij mogen evenwel geen beperkingen vaststellen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen, noch de realisatie van de definitief vastgestelde natuurrichtplannen onmogelijk maken. Artikel 25. § 1. Zolang de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg vormen zij geen beoordelingsgrond voor werken en handelingen, bedoeld in de artikelen 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel 9 en attest, bedoeld in artikel 135, noch voor het planologisch attest bedoeld in artikel 145ter, noch voor de stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel 193, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, noch voor het stedenbouwkundig attest, bedoeld in artikel 63, § 1, 5°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, uitgezonderd wanneer het een aanvraag betreft van de administratieve overheid. § 2. Zolang de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg vormen zij geen beoordelingsgrond voor de milieuvergunning, bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, uitgezonderd wanneer het een vergunningsaanvraag betreft van de administratieve overheid. § 3. Zolang de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg vormen zij geen beoordelingsgrond voor natuurvergunning, bedoeld in de artikelen 9 en 13 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, uitgezonderd wanneer het een vergunningsaanvraag betreft van de administratieve overheid. Artikel 26. De administratieve overheid moet in al haar beslissingen inzake een eigen werk of handeling, of inzake het verlenen van een opdracht daartoe, of inzake een eigen plan of verordening, die een ankerplaats nadelig kunnen beïnvloeden : 1° voorkomen dat vermijdbare schade aan een typisch landschapskenmerk van een ankerplaats wordt veroorzaakt; 2° door schadebeperkende maatregelen te nemen, de betekenisvolle schade die aan de ankerplaats wordt aangebracht zo veel mogelijk beperken, en indien dit niet mogelijk is, herstellen en compenseren. De administratieve overheid geeft in haar beslissingen aan hoe zij rekening heeft gehouden met de verplichtingen van dit artikel. De Vlaamse regering stelt hierover nadere regels vast. Afdeling 2. – Stap 2 : Erfgoedlandschappen Artikel 27. De ankerplaatsen, definitief aangeduid volgens artikel 21 van dit hoofdstuk, zijn de sectoriële voorstellen voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen en andere beleidsplannen. Bij de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg vormen de ankerplaatsen, definitief aangeduid volgens artikel 21 van dit hoofdstuk, mede de basis voor de aanduiding van de erfgoedlandschappen. Elk erfgoedlandschap dat in overdruk afgebakend wordt overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, wordt van rechtswege beschouwd als een erfgoedlandschap in de zin van dit decreet. 10 De volgens artikel 21 definitief aangeduide ankerplaats vervalt van rechtswege voor zowel het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg in werking treedt als voor het onderdeel dat opgenomen was in de voorlopige vaststelling, maar niet behouden is bij de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg. Artikel 28. Iedereen die werken en handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, neemt zoveel als mogelijk zorg in acht voor de waarden en de typische landschapskenmerken van een erfgoedlandschap zoals bepaald in het van toepassing zijnde ruimtelijke uitvoeringsplan of plan van aanleg. Artikel 29. § 1. De administratieve overheid mag geen werkzaamheden en handelingen ondernemen, noch toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de waarden en de typische landschapskenmerken ervan. § 2. De administratieve overheid moet in al haar beslissingen inzake een eigen werk of handeling, of inzake het verlenen van een opdracht daartoe, of inzake een eigen plan of verordening, die een erfgoedlandschap nadelig kunnen beïnvloeden : 1° voorkomen dat vermijdbare schade aan een typisch landschapskenmerk ervan, zoals bepaald in het van toepassing zijn ruimtelijke uitvoeringsplan of plan van aanleg, wordt veroorzaakt; 2° door schadebeperkende maatregelen te nemen, de betekenisvolle schade die eraan wordt aangebracht zo veel mogelijk beperken, en indien dit niet mogelijk is, herstellen en compenseren. De administratieve overheid geeft in haar beslissingen aan hoe zij rekening heeft gehouden met de verplichtingen van dit artikel. De Vlaamse regering stelt hierover nadere regels vast. § 3. In afwijking van § 1 kan een activiteit, waarvoor een vergunning of toestemming nodig is, die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk vernietigt of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de waarden of een typisch landschapskenmerk, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden. Artikel 30. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan strengere voorschriften vastgesteld voor voorlopige of definitief beschermde landschappen in of op grond van artikel 14 van dit decreet ». 11 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang. B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.3. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van haar leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.4. De v.z.w. Landelijk Vlaanderen heeft luidens artikel 3 van haar statuten « het behartigen en het verdedigen van de gemeenschappelijke belangen van al haar leden in verband met hun rechten op onroerende goederen in de ruimste betekenis van het woord » als maatschappelijk doel. Nog volgens die bepaling mag de vereniging daartoe alle handelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met haar doel. B.2.5. Het bestreden hoofdstuk IV van het landschapsdecreet voorziet in een in twee stappen verlopende procedure tot behoud van erfgoedlandschappen. De eerste stap betreft de aanduiding van een landschap als « ankerplaats ». De « ankerplaats » wordt eerst voorlopig aangeduid door middel van een besluit van de Vlaamse Regering dat bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en voor advies wordt voorgelegd aan de in de artikelen 19 en 20 vermelde instanties (artikelen 15 tot 20). Vervolgens kan de « ankerplaats » definitief worden aangeduid door middel van een besluit van de Vlaamse Regering dat eveneens bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt (artikel 21). De tweede stap betreft de aanduiding als erfgoedlandschap. De definitief aangeduide « ankerplaatsen » vormen de basis voor de aanduiding van erfgoedlandschappen, die in 12 overdruk worden afgebakend in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening (artikel 27). Het bestreden hoofdstuk bevat eveneens bepalingen met betrekking tot de aan de « ankerplaatsen » en erfgoedlandschappen verbonden rechtsgevolgen. Terwijl de ankerplaatsen uitsluitend rechtsgevolgen hebben voor administratieve overheden (artikelen 23 tot 26), hebben de erfgoedlandschappen ook rechtsgevolgen voor natuurlijke personen en private rechtspersonen (artikelen 28 en 29). B.2.6. De tweede verzoekende partij maakt aannemelijk dat tenminste een gedeelte van de eigendommen die toebehoren aan de categorieën van personen wier belangen zij beoogt te verdedigen, in aanmerking komt om te worden aangeduid als deel uitmakend van een « ankerplaats » of een erfgoedlandschap. De vereniging heeft er belang bij de uit de bestreden bepalingen voortvloeiende beperkingen inzake de aanwending van de in die gebieden gelegen onroerende goederen te bestrijden. Ze heeft er eveneens belang bij de procedure te bestrijden die mogelijkerwijze resulteert in beperkingen van het eigendomsrecht, des te meer daar een van haar grieven het niet organiseren van een openbaar onderzoek betreft. B.2.7. Nu het belang van de tweede verzoekende partij vaststaat, is het beroep tot vernietiging ontvankelijk en dient niet te worden onderzocht of ook de eerste verzoekende partij doet blijken van het rechtens vereiste belang. B.3. In zoverre de Vlaamse Regering aanvoert dat de verzoekende partijen nalaten uiteen te zetten in welk opzicht elk van de bestreden bepalingen de in hun middelen aangehaalde artikelen en beginselen zouden schenden, valt het onderzoek naar de ontvankelijkheid samen met het onderzoek ten gronde. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met het rechtszekerheidsbeginsel, en is, zo blijkt uit de uiteenzetting ervan, gericht tegen de bepalingen van afdeling 1 « Stap 1 : Aanduiding van ankerplaatsen » (artikelen 15 tot 26). B.5. In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen leiden tot een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen eigenaars van onroerende goederen, naargelang die onroerende goederen gelegen zijn in een landschap dat volgens de hoofdstukken II en III van het landschapsdecreet wordt beschermd, dan wel in een « ankerplaats » die volgens het bestreden hoofdstuk IV wordt aangeduid, doordat in het eerste geval de eigenaars in de mogelijkheid verkeren hun opmerkingen en bezwaren tijdens een openbaar onderzoek te laten gelden en in het tweede geval niet. B.6.1. Het bestreden hoofdstuk IV van het landschapsdecreet bevat geen bepaling, op grond waarvan naar aanleiding van de aanduiding van « ankerplaatsen » een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd. Die ontstentenis werd tijdens de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : « De aanduiding van ankerplaatsen geschiedt in 2 stappen : een voorlopige en een definitieve aanduiding. In de fase tussen de voorlopige en definitieve aanduiding is een bestuurlijke advisering voorzien, maar geen openbaar onderzoek. Dit betekent dat de aanduiding van ankerplaatsen geen rechtsgevolgen heeft voor de burger. Er zijn alleen rechtsgevolgen voor de administratieve overheden, maar dit slechts na de definitieve aanduiding » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1804/5, p. 5). B.6.2. Uit de door het bestreden decreet in het landschapsdecreet ingevoegde artikelen 23 tot en met 26 volgt inderdaad dat de besluiten tot definitieve aanduiding van ankerplaatsen uitsluitend rechtsgevolgen hebben voor administratieve overheden en bijgevolg niet voor natuurlijke personen en private rechtspersonen. Pas wanneer de « ankerplaatsen » als erfgoedlandschappen worden afgebakend in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, kunnen zij ook voor natuurlijke personen en private rechtspersonen rechtsgevolgen verkrijgen (artikelen 28 en 29). Voor de afbakening van erfgoedlandschappen in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg gelden de procedures van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de 14 ruimtelijke ordening of van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, die beide voorzien in de organisatie van een openbaar onderzoek. B.6.3. In tegenstelling tot de besluiten tot definitieve aanduiding van ankerplaatsen, hebben de krachtens de hoofdstukken II en III van het landschapsdecreet genomen besluiten tot voorlopige en definitieve bescherming van landschappen, niet alleen rechtsgevolgen voor administratieve overheden, maar ook voor natuurlijke personen en private rechtspersonen (artikelen 8, 12 en 14). B.7. Rekening houdend met dat verschil in rechtsgevolgen, is het aangeklaagde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. Vermits een openbaar onderzoek wordt georganiseerd naar aanleiding van de afbakening van de erfgoedlandschappen in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, doen de bestreden bepalingen bovendien niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken eigenaars. Het eerste onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen. B.8. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de in het middel aangehaalde artikelen en beginselen schenden, doordat ze niet voorzien in een tijdsbeperking voor de definitieve aanduiding van ankerplaatsen, waardoor de betrokken eigenaars voor onbepaalde tijd in het ongewisse kunnen worden gelaten over de aan hun eigendom verbonden lasten. B.9. Krachtens artikel 27, vierde lid, van het landschapsdecreet vervalt de volgens artikel 21 definitief aangeduide « ankerplaats » van rechtswege voor zowel het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg in werking treedt als voor het onderdeel dat opgenomen was in de voorlopige vaststelling, maar niet behouden is bij de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg. Krachtens artikel 22 kan de Vlaamse Regering een besluit tot definitieve aanduiding van een « ankerplaats » geheel of gedeeltelijk opheffen. Een besluit tot definitieve aanduiding van een ankerplaats blijft bijgevolg haar rechtskracht behouden, zolang de Vlaamse Regering het niet opheft en zolang niet is voldaan 15 aan de in artikel 27, vierde lid, van het landschapsdecreet vermelde voorwaarden voor verval van rechtswege. B.10. Hoewel de betrokken eigenaars niet worden onteigend, verzetten de aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen zich ertegen dat de overheid aan een bepaalde categorie van personen lasten zou opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het algemeen belang kan worden geacht te dragen. B.11. Vermits de besluiten tot definitieve aanduiding van ankerplaatsen enkel rechtsgevolgen hebben voor administratieve overheden, leidt de omstandigheid dat niet is voorzien in een tijdsbeperking voor de definitieve aanduiding van « ankerplaatsen », niet tot lasten die groter zijn dan die welke een particulier in het algemeen belang kan worden geacht te dragen. B.12. Het tweede onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel B.13. Het tweede middel is eveneens afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en is, zo blijkt uit de uiteenzetting ervan, gericht tegen de bepalingen van afdeling 2 « Stap 2 : Erfgoedlandschappen » (artikelen 27 tot 30). De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat die bepalingen, doordat zij niet in een aangepaste vergoedingsregeling voorzien, het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel schenden. B.14. Het bepalen van de gevallen waarin een beperking van het eigendomsrecht tot een vergoeding aanleiding kan geven en de voorwaarden waaronder die vergoeding kan worden toegekend, is een keuze die aan de bevoegde wetgever toekomt, onder voorbehoud van de toetsing door het Hof ten aanzien van de redelijkheid en de evenredigheid van de genomen maatregel. 16 B.15. Het Hof dient vooraf te onderzoeken in welke zin de bestreden bepalingen zouden kunnen leiden tot beperkingen van het eigendomsrecht. B.16.1. In artikel 3, 12°, van het landschapsdecreet wordt een erfgoedlandschap gedefinieerd als een « ankerplaats » of deel ervan die volgens de procedures van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening of het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 aangeduid is in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg. Krachtens artikel 27, derde lid, wordt een erfgoedlandschap « in overdruk » afgebakend in die plannen. B.16.2. Volgens artikel 28 van het landschapsdecreet neemt iedereen die werken en handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, zoveel als mogelijk zorg in acht voor de waarden en de typische landschapskenmerken van een erfgoedlandschap zoals bepaald in het van toepassing zijnde ruimtelijke uitvoeringsplan of plan van aanleg. Die bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : « In dit artikel wordt een zorgplicht inzake erfgoedlandschappen ingebouwd. Deze zorgplicht houdt een middelenverbintenis in. […] Het is daarbij onder meer de bedoeling dat nieuwe bouwwerken, voor zover toelaatbaar, goed landschappelijk worden ingepast. De verschillende vergunningverlenende of toezichthoudende overheden […] moeten zowel bij het toezicht als bij het uitvoeren van eigen werken de zorg voor de erfgoedlandschap in acht nemen. Ook bij het verlenen van vergunningen moet die zorg in acht genomen worden. Ook dient een aan de bedoelde erfgoedlandschap aangepaste inrichting en bebouwing zoveel mogelijk te worden nagestreefd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1804/1, p. 11). Volgens artikel 29, § 1, mag de administratieve overheid, behoudens wanneer is voldaan aan de in paragraaf 3 van hetzelfde artikel bepaalde voorwaarden, geen werkzaamheden en handelingen ondernemen, noch toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de waarden en de typische landschapskenmerken ervan. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd die bepaling toegelicht als volgt : « […] Over welke ingrepen dit gaat zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, onder meer aan de hand van de opgenomen typische landschapskenmerken in het besluit van de Vlaamse regering. Gezien het uiteenlopend karakter van de erfgoedlandschappen, is het 17 ondoenbaar en ook niet zinvol dit voorschrift in het voorontwerp van decreet verder te detailleren. […] Bij de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg waarin erfgoedlandschappen afgebakend worden, wordt deze algemene bepaling vertaald in stedenbouwkundige voorschriften. Vanaf dat moment is de wetgeving ruimtelijke ordening van toepassing » (ibid.). B.16.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat de artikelen 28 en 29 het eigendomsrecht slechts kunnen beperken na te zijn « vertaald » in stedenbouwkundige voorschriften bij de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg. Dit blijkt eveneens uit artikel 40, § 3, van het landschapsdecreet, waarin sprake is van « stedenbouwkundige voorschriften die verbonden zijn met een aanduiding als erfgoedlandschap in een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg », en waarover tijdens de parlementaire voorbereiding werd gesteld dat de « specifieke bepalingen per erfgoedlandschap, zoals de waarden, typische landschapskenmerken en ruimtelijke kenmerken die eigen zijn aan die waarden, […] doorvertaald en vastgelegd [moeten] worden in de stedenbouwkundige voorschriften » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1804/5, p. 13) en dat op die manier « de zorgplicht wordt geoperationaliseerd » (ibid.). B.17. Het bestreden hoofdstuk IV van het landschapsdecreet bevat geen bepalingen die voorzien in een vergoeding voor de in B.16.2 en B.16.3 omschreven beperkingen van het eigendomsrecht. De in artikel 35 van het voormelde decreet opgenomen vergoedingsregeling geldt uitsluitend voor eigenaars van onroerende goederen die gelegen zijn in een landschap dat volgens de hoofdstukken II en III wordt beschermd, en bijgevolg niet voor eigenaars van onroerende goederen die gelegen zijn in een erfgoedlandschap. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de in dat artikel 35 opgenomen vergoedingsregeling niet toepasselijk heeft gemaakt « omdat de planschaderegeling uit de ruimtelijke ordening van toepassing is » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1804/1, p. 12). B.18. De decreetgever heeft de bescherming van de volgens hoofdstuk IV aangeduide erfgoedlandschappen en de daaraan verbonden beperkingen van het eigendomsrecht, in tegenstelling tot de bescherming van de volgens hoofdstuk II aangeduide landschappen en de 18 daaraan verbonden eigendomsbeperkingen, afhankelijk gemaakt van een integratie in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg. Het is niet onredelijk de in artikel 35 van het landschapsdecreet opgenomen vergoedingsregeling niet toepasselijk te verklaren, aangezien de planschaderegeling uit de decreten betreffende de ruimtelijke ordening toepasselijk is. B.19. In zoverre de in B.16.3 bedoelde stedenbouwkundige voorschriften ertoe zouden leiden dat een perceel niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen, hebben de betrokken eigenaars, binnen de grenzen en voorwaarden bepaald in de decreten betreffende de ruimtelijke ordening, recht op de in die decreten voorgeschreven planschadevergoeding. In zoverre die stedenbouwkundige voorschriften, binnen de door de artikelen 28 en 29 van het landschapsdecreet aangegeven grenzen, zouden leiden tot andere beperkingen en regelingen van het gebruik van eigendom, kunnen die niet worden beschouwd als lasten die groter zijn dan die welke een particulier in het algemeen belang kan worden geacht te dragen. Wanneer die voorschriften zouden leiden tot een waardevermindering die de helft van de koopwaarde van het goed overschrijdt, kan de eigenaar overigens, krachtens artikel 34 van het landschapsdecreet, van het Gewest de verwerving ervan eisen. De op basis van de stedenbouwkundige voorschriften genomen weigeringsbeslissingen kunnen bovendien bij de Raad van State worden aangevochten. Nu die maatregelen vanwege hun aard en de geboden waarborgen redelijkerwijze niet kunnen worden geacht op buitensporige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokken eigenaars, dienen die beperkingen te worden beschouwd als door de overheid in het algemeen belang opgelegde beperkingen van het eigendomsrecht die niet tot gevolg hebben dat zij tot schadeloosstelling is gehouden. B.20. De bestreden maatregelen kunnen, wat betreft de regeling van de vergoeding voor de eruit voortvloeiende beperkingen van het eigendomsrecht niet als onredelijk worden beschouwd. B.21. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. 19 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 juli 2005. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.