← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.122

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.122 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050706.2 Arrest- Rolnummer: 122/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-07-02 06:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt het beroep, onder voorbehoud van de interpretatie geformuleerd in B.4.

  1. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 78 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende verschillende dringende maatregelen inzake niet verplicht onderwijs, ingesteld door J. Aron. Tekst van de beslissing Rolnummer 3101 Arrest nr. 122/2005 van 6 juli 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 78 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende verschillende dringende maatregelen inzake niet verplicht onderwijs, ingesteld door J. Aron. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 oktober 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 oktober 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 78 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende verschillende dringende maatregelen inzake niet verplicht onderwijs (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 april 2004) door J. Aron, wonende te 1180 Brussel, Schapenstraat
  2. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. F. Culot loco Mr. P. Henry en Mr. F. Abu Dalu, advocaten bij de balie te Luik, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Standpunt van de verzoeker A.
  3. De verzoeker vordert de vernietiging van artikel 78 van het decreet van 3 maart 2004 houdende verschillende dringende maatregelen inzake niet verplicht onderwijs, in zoverre het tot gevolg heeft dat de personeelsleden die op 1 september 2003 niet langer in functie waren, het voordeel wordt ontzegd van artikel 10 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, van datzelfde decreet van 3 maart
  4. Hij is houder van een diploma van architect dat na vijf jaar studie in 1956 is uitgereikt door de nationale hogeschool voor architectuur en decoratieve kunsten en werd op 1 november 1981 benoemd tot docent in vast verband aan het « Institut supérieur d’architecture de l’Etat » te Brussel. Hij werd gepensioneerd op 1 januari
  5. Bij de berekening van het pensioen heeft de administratie hem, op basis van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma’s inzake pensioenen van leden van het onderwijs, een bonificatie wegens diploma van vier jaar toegekend. Bij aangetekende brief van 25 juni 2001 heeft de Administratie der 3 Pensioenen de verzoeker echter meegedeeld dat die toekenning van de bonificatie wegens diploma niet verschuldigd was, aangezien artikel 2, § 1, van de wet van 16 juni 1970 de bonificatie alleen toekent indien het betrokken diploma een vereiste titel vormt voor de uitoefening van de functie. Opdat het diploma van architect als dusdanig zou worden erkend in de zin van artikel 10, § 2, c), van de wet van 7 juli 1970, was een koninklijk besluit echter noodzakelijk. Dat besluit is nooit genomen. De Administratie der Pensioenen leidde daaruit af dat de verzoeker enkel op grond van paragraaf 4 van artikel 10 had kunnen worden benoemd, krachtens een professionele of wetenschappelijke bekendheid, die hem werd toegekend op 1 juli 1979 bij een koninklijk besluit van 27 september
  6. Die erkenning geeft echter geen aanleiding tot de toekenning van een bonificatie wegens diploma. Vermits die ongunstige behandeling kennelijk voortvloeide uit een leemte in de regelgeving die de Franse Gemeenschapsregering sinds de institutionele hervorming in 1989 niet had verholpen, heeft de vakorganisatie waarbij de verzoeker is aangesloten, de bevoegde minister verzocht de nodige initiatieven te nemen. Artikel 11, 1°, van het bestreden decreet schrapt bijgevolg, in artikel 10, § 2, van de wet van 7 juli 1970, de woorden « in bepaalde leervakken die de Koning bepaalt na advies van de bevoegde Hoge Raad ». Die wijziging geldt voor de periode van 1 september 1993 tot 31 januari
  7. Uit die wijziging blijkt dat het einddiploma van de tweede cyclus uitgereikt door een inrichting voor hoger onderwijs van het lange type, gedurende die periode een vereiste titel was in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 16 juni
  8. Volgens de bestreden bepaling treedt artikel 11 in werking op 1 september
  9. De Administratie der Pensioenen deelt de verzoeker vervolgens het standpunt van het Rekenhof mee, waaruit blijkt dat de wijziging ten goede komt aan een persoon die in de loop van de beoogde periode reeds in functie was. Maar volgens de Administratie der Pensioenen is artikel 11, bij ontstentenis van andere bepalingen tot inwerkingstelling dan de bestreden bepaling, enkel van toepassing op een persoon die op 1 « januari » 2003 nog steeds in dienst was. De verzoekende partij wordt de bonificatie wegens diploma derhalve geweigerd. Uit die uiteenzetting van de feiten besluit de verzoeker dat hij rechtstreeks is betrokken bij de door hem bestreden bepalingen. A.
  10. De verzoeker leidt een middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij verwijt de bestreden bepaling dat zij hem benadeelt door hem het voordeel van artikel 10 van de wet van 7 juli 1970, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, van het bestreden decreet, te ontzeggen, in vergelijking met een ander personeelslid met dezelfde beroepskwalificaties, dat op 1 september 2003 echter nog in dienst zou zijn geweest. Dat verschil in behandeling kan evenwel niet objectief worden verantwoord. De toepassing van de bestreden bepaling door de Administratie der Pensioenen leidt overigens ertoe dat de wetswijziging voor een groot deel haar uitwerking verliest. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers dat de wetgever reeds gepensioneerde leerkrachten wilde beogen. Het is juist dat de afdeling wetgeving van de Raad van State had aanbevolen om aan sommige bepalingen van het decreet, en met name artikel 11, terugwerkende kracht te verlenen, teneinde een nuttig effect eraan te geven. Dat advies en de interpretatie gegeven door de Administratie der Pensioenen wijzen in werkelijkheid op een ernstige vergissing die aan de bepaling van het decreet de wezenlijke draagwijdte ervan ontneemt. Een dergelijk motief moet leiden tot de vernietiging van de bepaling. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.
  11. De Franse Gemeenschapsregering gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft. A.
  12. Ten aanzien van het middel is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de Administratie der Pensioenen en de verzoekende partij uitgaan van een verkeerde lezing van de artikelen 11, 1°, en 78 van het bestreden decreet. Zij is eveneens van mening dat het niet juist is te beweren dat de afdeling wetgeving van de Raad van State had aanbevolen aan artikel 11 van het ontwerp terugwerkende kracht te verlenen, teneinde een nuttig effect eraan te geven. Het advies van de Raad van State betreft niet artikel 11, 1°, maar enkel 3°. In werkelijkheid vloeit uit de combinatie van artikel 78 en artikel 11, 1°, van het bestreden decreet voort dat alle personen die in de periode waarin artikel 11 voorziet (namelijk tussen 1 september 1993 en 31 januari 1999) in de beoogde functies zijn benoemd of die deze functies hebben uitgeoefend, vanaf 1 september 2003 de bonificatie wegens diploma inzake pensioenen kunnen genieten, met inbegrip van het personeel wiens 4 pensioenrecht vóór die datum is ingegaan. De Franse Gemeenschapsregering kan de verzoekende partij alleen suggeren om een gerechtelijk beroep in te stellen tegen de beslissing van de Administratie der Pensioenen. Voor het overige schenden de bestreden bepalingen, die het aan de toetsing van het Hof voorgelegde onderscheid niet teweegbrengen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. In ondergeschikte orde gedraagt de Franse Gemeenschapsregering zich naar de wijsheid van het Hof ten aanzien van de vraag of het opportuun is het beroep te verwerpen onder voorbehoud van die verzoenende interpretatie, teneinde de rechtszekerheid te waarborgen. Antwoord van de verzoeker A.
  13. De verzoeker betwist het standpunt van de Franse Gemeenschapsregering ten aanzien van de draagwijdte van het advies van de Raad van State niet, maar merkt op dat de afdeling wetgeving de bepalingen slechts bij wijze van voorbeeld opsomde. De verzoeker houdt vol dat de gemeenschapswetgever, door de aanbeveling van de Raad van State niet te volgen en artikel 69 van het ontwerp (dat artikel 78 van het decreet is geworden) niet te wijzigen, de uitwerking die hij aan artikel 11, 1°, wilde verlenen, grotendeels heeft tenietgedaan. De verzoeker merkt op dat de stelling van de Franse Gemeenschapsregering tegengesteld is aan het standpunt van de Administratie der Pensioenen, wat aan de aangeklaagde discriminatie ten grondslag ligt. In ondergeschikte orde preciseert de verzoeker dat hij, vermits de Administratie der Pensioenen gebonden is door het wettigheidsbeginsel, zich zal schikken naar een arrest van het Hof waaruit zou blijken dat de aan artikel 78 van het decreet gegeven interpretatie verkeerd is. Om die reden heeft de verzoeker geen gerechtelijk beroep ingesteld, dat het gerecht waarschijnlijk ertoe zou hebben gebracht aan het Hof prejudicieel dezelfde vraag te stellen als die welke het voorwerp van het beroep tot vernietiging uitmaakt. De verzoeker is bereid om de verzoenende interpretatie te aanvaarden indien het Hof die zou bevestigen. Wederantwoord van de Franse Gemeenschapsregering A.
  14. De Franse Gemeenschapsregering is ervan overtuigd dat het beroep bij het Arbitragehof niet is ingesteld tegen de beweerdelijk bestreden bepalingen, maar tegen het overigens onwettige standpunt van de Administratie der Pensioenen. Het staat evenwel aan de verzoekende partij om, in voorkomend geval, beroep in te stellen tegen de beslissing van de Administratie der Pensioenen. Een beroep tot vernietiging voor het Arbitragehof mag geen bijzonder subtiele vorm van « een beroep tot authentieke interpretatie » verbergen. -B– B.
  15. De verzoeker vordert de vernietiging van artikel 78 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende verschillende dringende maatregelen inzake niet verplicht onderwijs. Dat artikel bepaalt : « Dit decreet treedt in werking op 1 september 2003, met uitzondering van de artikelen 20 tot 29 en 41 tot 73 die uitwerking hebben vanaf 1 september 2002, van artikel 18, 3° dat uitwerking heeft vanaf 1 januari 1999 en van de artikelen 28, 76 en 77 die uitwerking hebben vanaf 1 januari 2003 ». 5 De verzoeker verwijt die bepaling dat ze de inwerkingtreding van artikel 11, 1°, van dat decreet vaststelt op 1 september 2003, wat tot gevolg zou hebben dat de personeelsleden die niet langer in functie waren op 1 september 2003 het genot wordt ontzegd van artikel 10 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, van het voormelde decreet van 3 maart 2004, en bijgevolg van de bonificatie wegens diploma toegekend bij artikel 2, § 1, van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificatie wegens diploma’s inzake pensioenen van leden van het onderwijs. B.
  16. Artikel 10, § 2, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs bepaalde vóór de wijziging ervan bij het decreet van 3 maart 2004 in de Franse Gemeenschap : « Voor de uitoefening van een der ambten van docent in bepaalde leervakken die de Koning bepaalt na advies van de bevoegde Hoge Raad van werkleider of assistent in het hoger onderwijs van het lange type is een der volgende bekwaamheidsbewijzen vereist : a) de bekwaamheidsbewijzen bedoeld bij § 1; b) het diploma van licentiaat uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde inrichting of door een examencommissie ingesteld door de Koning, indien de duur van de studiën ten minste 4 jaar bedraagt; c) het einddiploma van de tweede cyclus uitgereikt door een inrichting voor hoger onderwijs van het lange type of door een door de Koning samengestelde examencommissie of een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma verkregen heeft; d) het einddiploma uitgereikt door een inrichting voor technisch hoger onderwijs van de derde graad of door een inrichting voor hoger kunstonderwijs van de derde graad ». Artikel 11, 1°, van het bestreden decreet bepaalt : « Artikel 10 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, wordt, gedurende de periode van 1 september 1993 tot 31 januari 1999, gewijzigd als volgt : 1° in § 2 worden de woorden ' in bepaalde leervakken die de Koning bepaalt na advies van de bevoegde Hoge Raad ' geschrapt; ». Artikel 2, § 1, van de voormelde wet van 16 juni 1970 bepaalt : 6 « In de vereffening van de rustpensioenen verleend aan de in artikel 1 bedoelde personen brengen de diploma’s van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en van hoger technisch, zeevaart- of kunstonderwijs met volledig leerplan de toekenning met zich van een tijdsbonificatie, indien het gaat om diploma’s die het uitoefenen van de ambten mogelijk hebben gemaakt. De bonificatie is gelijk aan het minimum aantal studiejaren die vereist zijn om het diploma te bekomen. Zij mag evenwel niet hoger zijn dan vier jaar tenzij voor het uitoefenen van een gespecialiseerd ambt een diploma werd vereist waarvoor een langere studie nodig was ». B.
  17. Het enig middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoeker verwijt de aangevochten bepaling dat ze hem benadeelt door hem het genot te ontzeggen van artikel 10 van de wet van 7 juli 1970, zoals gewijzigd bij artikel 11, 1°, van het bestreden decreet. De Administratie der Pensioenen weigert hem immers een bonificatie wegens diploma gelijk aan vier jaar, die hij had moeten genieten door de werking van artikel 11, 1°, van het bestreden decreet, om reden dat hij niet langer in dienst was op 1 september 2003, datum van inwerkingtreding van artikel 11, 1°. De verzoeker is van mening dat hij aldus wordt gediscrimineerd ten aanzien van de personeelsleden die dezelfde beroepskwalificaties hebben als hij maar die nog in dienst waren op 1 september
  18. B.4.
  19. In zoverre het bepaalt dat het decreet in werking treedt op 1 september 2003, kan artikel 78 van het decreet niet tot gevolg hebben dat het de bepaling van artikel 11, 1°, opheft, dat uitdrukkelijk stelt dat het van toepassing is « gedurende de periode van 1 september 1993 tot 31 januari 1999 ». De beide bepalingen moeten, zoals de Franse Gemeenschapsregering betoogt in haar memorie, in die zin worden gelezen dat « alle personen die benoemd zijn of de beoogde functies hebben uitgeoefend in de periode bedoeld in artikel 11 (zijnde tussen 1 september 1993 en 31 januari 1999) vanaf 1 september 2003 de bonificatie wegens diploma kunnen genieten wat betreft het pensioen, met inbegrip van het personeel wiens pensioenrecht is geopend vóór die datum ». B.4.
  20. Elke andere interpretatie zou een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen dat zou indruisen tegen de wil van de decreetgever, die de belemmering wilde wegwerken waarbij werd verhinderd dat aan sommige leerkrachten de bonificatie waarop zij 7 recht hadden werd toegekend, zonder de maatregel te beperken tot diegenen die nog in dienst waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet. B.
  21. Aangezien de aangevochten bepaling niet zo kan worden geïnterpreteerd dat ze het in B.1 beschreven verschil in behandeling in het leven roept, kan het middel niet worden ingewilligd. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep, onder voorbehoud van de interpretatie geformuleerd in B.4.
  22. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 juli
  23. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.