id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050713.17 Arrest- Rolnummer: 125/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-07-04 05:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue des droits de l'homme en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3035 Arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue des droits de l’homme en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2003, derde uitgave), door de v.z.w. Ligue des droits de l’homme, met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, de v.z.w. Liga voor Mensenrechten, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2, en de v.z.w. Syndicat des avocats pour la démocratie, met maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Berckmansstraat
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 23 februari 2005 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 13 april 2005, na de partijen te hebben verzocht zich in een uiterlijk op 7 april 2005 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift dienen uit te wisselen, nader te verklaren over de noodzaak om het Hof van Justitie te Luxemburg te ondervragen. De verzoekende partijen hebben een aanvullende memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - zijn verschenen : . Mr. T. Mitevoy, Mr. M. Beys en Mr. P. Robert, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. P. Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– Standpunt van de verzoekende partijen Ten aanzien van het eerste middel A.1.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Volgens de verzoekende partijen zou de definitie van het terroristisch misdrijf in het nieuwe artikel 137 van het Strafwetboek in strijd zijn met het wettigheidsbeginsel, in zoverre zij vage en onnauwkeurige bewoordingen zou bevatten, op basis waarvan niet iedereen, op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de draagwijdte van die begrippen in de parlementaire voorbereiding geenszins wordt verduidelijkt. Hieruit vloeit voort dat de aan de rechters gegeven interpretatiebevoegdheid veel te ruim zou zijn en dat die bevoegdheid te vaag zou zijn afgebakend. A.1.
- De eerste vier onderdelen van het eerste middel hebben betrekking op paragraaf 1 van artikel 137 van het Strafwetboek. Het eerste onderdeel van het eerste middel betreft meer bepaald de definitie van het terroristisch misdrijf « dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden ». De verzoekende partijen zijn van mening dat de woorden « aard » en « context » te vaag zijn. Zo hebben zij vragen bij de kwalificatie als terroristisch misdrijf wanneer het gaat om vandalisme gepleegd tijdens een betoging van andersglobalisten. De verzoekende partijen zijn eveneens van mening dat het woord « kan » een te ruime beoordelingsbevoegdheid aan de rechterlijke macht laat. Sommige handelingen zouden bijgevolg als terroristisch kunnen worden beschouwd, ook al houden zij zeer weinig gevaar in. Het tweede onderdeel van het eerste middel betreft meer bepaald de woorden « opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen ». De verzoekende partijen voeren aan dat het begrip « een bevolking ernstige vrees aanjagen » onvoldoende nauwkeurig is en een te ruime interpretatie mogelijk maakt. Het derde onderdeel van het eerste middel betreft meer bepaald de woorden « om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling […] ». De verzoekende partijen beweren dat de wil om « op onrechtmatige wijze te dwingen » een vaag begrip is. Zij stellen zich bijgevolg vragen bij de mogelijkheid om een maatschappelijke of politieke activiteit strafbaar te stellen die de regering in functie onwenselijk acht. Zij wijzen in het bijzonder op het geval van een betoging tegen het militaire optreden van een land, tijdens welke schade zou zijn aangericht. Het vierde onderdeel van het eerste middel betreft meer bepaald de woorden « om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen ». Volgens de verzoekende partijen kunnen de begrippen « ernstig ontwrichten » en « politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land » evolueren volgens het heersende klimaat en de overtuiging van de rechter. Het oogmerk om die structuren van een land te ontwrichten, zou aldus kunnen worden vastgesteld tijdens een betoging van monarchisten in een republikeins regime. 4 A.1.
- Het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft de nieuwe strafbaarstelling die de bestreden wet in artikel 137, § 3, 1°, van het Strafwetboek in de volgende bewoordingen invoert : « andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht ». De verzoekende partijen zijn van mening dat de bijvoeglijke naamwoorden « grootschalige » en « aanzienlijke » onvoldoende waarborgen bieden, aangezien de interpretatie van de tekst te ruim zou kunnen zijn. A.1.
- Het zesde onderdeel van het eerste middel betreft de nieuwe strafbaarstelling die de bestreden wet in artikel 137, § 3, 2°, van het Strafwetboek in de volgende bewoordingen invoert : « het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6° van § 2 ». De verzoekende partijen voeren aan dat het toepassingsgebied van die strafbaarstelling volgens hen te ruim is. Het zou afbreuk doen aan het wettigheidsbeginsel. A.1.
- Het zevende onderdeel van het eerste middel betreft de nieuwe strafbaarstelling die de bestreden wet in artikel 137, § 3, 6°, van het Strafwetboek in de volgende bewoordingen invoert : « de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten bedoeld in § 2 of in deze paragraaf ». De verzoekende partijen zijn van mening dat de strafbaarstelling van de loutere bedreiging met het plegen van een misdrijf niet adequaat is, aangezien de definitie van het misdrijf zelf niet beantwoordt aan de vereiste van voorspelbaarheid van de strafwet. Ten aanzien van het tweede middel A.2.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 ervan en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wat het vijfde tot het vijftiende onderdeel betreft. Alle zeventien onderdelen van het middel steunen op het verschil in behandeling dat volgens de verzoekende partijen bestaat tussen de situaties van de dader die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd, naargelang dat misdrijf door de gerechtelijke overheden al dan niet als een terroristisch misdrijf zal worden gekwalificeerd. Die behandeling zou verschillend zijn in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, in het stadium van de berechting, alsook vanuit het oogpunt van de vastgestelde sancties. Aangezien de definitie van het begrip « terroristisch misdrijf » onvoldoende nauwkeurig is, kan zij geen objectief en relevant criterium vormen dat het verschil in behandeling tussen beide situaties verantwoordt. Het verschil in behandeling zou derhalve niet evenredig zijn met de nagestreefde doelstellingen. A.2.
- Het eerste onderdeel van het middel heeft betrekking op de verzwaring van de straffen naargelang een in artikel 137, § 2, van het Strafwetboek bepaald misdrijf al dan niet als terroristisch wordt gekwalificeerd. A.2.
- Het tweede tot het vierde onderdeel van het tweede middel betreffen de gevolgen van die verzwaring van de straffen. De verzoekende partijen klagen aan dat de bestreden wetgeving leidt tot een - discriminerende – uitbreiding van het toepassingsgebied van de voorlopige hechtenis tot de in artikel 137, § 2, van het Strafwetboek bepaalde misdrijven, wanneer de kwalificatie als terroristisch misdrijf leidt tot een overschrijding van de drempel van de gevangenisstraf van één jaar. Zulks zou met name het geval zijn voor het misdrijf van gewone opzettelijke slagen en verwondingen. In het derde onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de beperking van het toepassingsgebied van de minnelijke schikking in strafzaken, alleen door het feit dat het gaat om het een terroristisch misdrijf, discriminerend is, wanneer die kwalificatie leidt tot een verhoging van de maximumstraf tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar. Ten slotte leiden de verzoekende partijen het vierde onderdeel van het tweede middel af uit de beperking van het toepassingsgebied van de correctionalisering van de misdaden, geregeld bij artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden. Uit die bepaling blijkt dat, indien de bij de wet bepaalde 5 straf meer dan 20 jaar bedraagt, de misdaad niet kan worden gecorrectionaliseerd. Een gemeenrechtelijke misdaad die met 15 tot 20 jaar opsluiting wordt bestraft, zal bijgevolg, indien zij als een terroristisch misdrijf wordt gekwalificeerd, worden bestraft met 20 tot 30 jaar opsluiting en zal niet kunnen worden gecorrectionaliseerd. A.2.
- Het vijfde tot het zevende onderdeel van het tweede middel beschrijven drie bijzondere onderzoeksmethoden die alleen kunnen worden uitgevoerd wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de misdrijven een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben. Wegens de kwalificatie als terroristisch misdrijf van een feit bedoeld in artikel 137, § 2, van het Strafwetboek zullen die maatregelen, die een inmenging in het privé-leven vormen, ten uitvoer kunnen worden gelegd. De verzoekende partijen steunen op het voorbeeld van de opzettelijke slagen en verwondingen die bij het slachtoffer geen ongeschiktheid teweegbrengen en die als terroristisch misdrijf zouden worden gekwalificeerd. Het vijfde, zesde en zevende onderdeel hebben achtereenvolgens betrekking op : - het onderscheppen en het in beslag nemen van post, geregeld bij artikel 46ter van het Wetboek van Strafvordering; - de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen, geregeld bij artikel 47sexies van het Wetboek van Strafvordering; - het inwinnen van bankgegevens, geregeld bij artikel 46quater van het Wetboek van Strafvordering. De geschonden normen zouden in het bijzonder artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
- Het achtste tot het vijftiende onderdeel van het tweede middel steunen op acht onderzoeksmethoden die afbreuk zouden doen aan de individuele vrijheden en die van toepassing zijn op elk terroristisch misdrijf, aangezien zij bij artikel 15 van de bestreden wet zijn ingevoegd in artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om de volgende methoden : - het telefonisch afluisteren, geregeld bij artikel 90ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering; - het direct afluisteren, geregeld bij artikel 90ter, § 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering; - de inkijkoperatie, geregeld bij artikel 89ter van het Wetboek van Strafvordering; - de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, geregeld bij artikel 56bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering; - de infiltratie, geregeld bij artikel 47octies van het Wetboek van Strafvordering; - het opsporen van telefonische telecommunicatie bevolen door de procureur des Konings in plaats van door de onderzoeksrechter in geval van ontdekking op heterdaad en mits bevestiging door de onderzoeksrechter binnen 24 uur, geregeld bij artikel 88bis van het Wetboek van Strafvordering; - de inaanmerkingneming als bewijs beperkt tot de verklaringen van anonieme getuigen, zoals bepaald in de artikelen 86bis, § 2, en 86quinquies van het Wetboek van Strafvordering; - de proactieve recherche, in de zin van artikel 28bis, § 2, van het Wetboek van Strafvordering. A.2.
- In het zestiende onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen het onevenredige karakter aan van het gegeven dat de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges verantwoord zal zijn voor de daders van Belgische nationaliteit of die hun hoofdverblijfplaats in België hebben, van een in het buitenland gepleegd misdrijf wanneer het als terroristisch wordt gekwalificeerd. 6 A.2.
- Ten slotte zetten de verzoekende partijen in het tweede middel een zeventiende onderdeel uiteen, in zoverre het onevenredig zou zijn om de universele extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges voor de terroristische misdrijven te aanvaarden, wanneer het slachtoffer van een misdrijf een Belgische onderdaan is, of een instelling van de Europese Unie of een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die in het Rijk is gevestigd. Memorie van de Ministerraad Ten aanzien van het eerste middel A.3.
- De Ministerraad herinnert in de eerste plaats aan sommige internationale teksten en aan enkele voorbeelden van nationale wetgevingen met betrekking tot terrorisme. Hij is van mening dat de bestreden wet van die internationale teksten afwijkt, maar nauwkeuriger is dan die teksten. In het bijzonder vermeldt de Ministerraad het kaderbesluit van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding. De Ministerraad verwijt de verzoekende partijen de grief die erin bestaat dat het toepassingsgebied van het terroristisch misdrijf te ruim is, herhaaldelijk te verwarren met het onnauwkeurige karakter van de definitie. Daarnaast stelt hij dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat, hoe duidelijk de wet ook moge zijn, steeds een element van rechterlijke interpretatie bestaat. De Ministerraad neemt ook het advies van de Raad van State over de naleving van de wettigheid door het aan hem voorgelegde voorontwerp over en citeert uitvoerig daaruit; dat advies besloot volgens de Ministerraad tot de naleving van dat beginsel. De definitie van terrorisme vereist volgens de Ministerraad het gebruik van concepten die niet vaag of onnauwkeurig zijn, maar soepel en vatbaar voor een rechterlijke interpretatie. Bovendien zal het aan de rechtscolleges staan om artikel 137 van het Strafwetboek op beperkende wijze te interpreteren, te meer omdat rekening zal moeten worden gehouden met de uitsluitingsgronden bepaald in de artikelen 139, tweede lid, en 141ter van het Strafwetboek. Vervolgens beschermt artikel 139, tweede lid, van datzelfde Wetboek in het bijzonder de organisaties waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is. A.3.
- De Ministerraad is van mening dat het eerste onderdeel niet gegrond is. Ten eerste zijn de woorden « door zijn aard of context » reeds gebruikt in artikel 2 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, aangenomen door de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 9 december
- Het zal aan de rechter staan om te oordelen over de ernstige schade aan een land of een internationale organisatie in het licht van alle feitelijke omstandigheden, alsook over de ernst en de wezenlijke kenmerken van het misdrijf. De Ministerraad betoogt verder dat het evident is dat de aard van het gemeenrechtelijk misdrijf waarvan sprake, in die interpretatie essentieel is. Een aanslag met explosieven kan een land ernstig schaden, terwijl een betoging van andersglobalisten wegens de aard van het misdrijf geen dergelijke weerslag kan hebben. A.3.
- Het tweede onderdeel is evenmin gegrond. Zoals elk bestanddeel van een misdrijf is het specifieke morele element dat bij de dader van een terroristische daad moet bestaan, voldoende duidelijk : het is rechtstreeks verbonden met het begrip « terreur » vervat in het beginsel dat het terroristisch misdrijf een misdrijf is dat opzettelijk wordt gepleegd om een bevolking ernstige vrees aan te jagen. A.3.
- Het derde onderdeel is evenmin gegrond. Het morele element kan eveneens bestaan in het voornemen dat het gepleegde misdrijf de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze ertoe dwingt een handeling te verrichten of zich ervan te onthouden. De Ministerraad geeft enkele voorbeelden om het woord « dwingen » te illustreren. De bijwoordelijke bepaling « op onrechtmatige wijze » zou volgens de Ministerraad een beperkende interpretatie van het begrip « dwingen » inhouden. A.3.
- Het vierde onderdeel van het eerste middel is volgens de Ministerraad evenzeer ongegrond : het begrip « de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig ontwrichten of vernietigen » is geenszins onnauwkeurig. Het is het misdrijf dat met dat oogmerk moet worden gepleegd. Bijgevolg is niet de werkelijke politieke motivatie van de dader van het misdrijf van belang, maar wel het feit dat de dader hoopt dat het misdrijf dat hij pleegt, ertoe zal leiden dat de basisstructuren van een land of van een internationale organisatie ernstig worden ontwricht. 7 A.3.
- Het vijfde onderdeel is niet gegrond. Het bijvoeglijk naamwoord « grootschalige » dat in artikel 137, § 3, 1°, van het Strafwetboek de vernieling of beschadiging kwalificeert, wordt op internationaal vlak vaak gebruikt, in het bijzonder in de context van het begrip « massavernietigingswapens », en heeft, voor zover de Ministerraad bekend is, nooit het voorwerp uitgemaakt van kritiek in verband met het te onnauwkeurige karakter ervan om een definitie te verantwoorden. Net als het begrip « ernst » laat het aan de rechter een gewettigde beoordelingsruimte over. Het begrip « grootschalige vernieling » bestaat overigens reeds in het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, aangenomen door de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 15 december
- Hetzelfde geldt voor het begrip « aanzienlijke economische schade ». A.3.
- Ook het zesde onderdeel is niet gegrond, aldus de Ministerraad. Het betreft artikel 137, § 3, 2°, van het Strafwetboek, dat voorziet in een nieuw misdrijf, namelijk het kapen van andere transportmiddelen dan vliegtuigen en schepen. De verzoekende partijen betwisten niet het gebrek aan nauwkeurigheid ervan, maar wel het feit dat het niet opportuun is. De Ministerraad is van mening dat het kapen van een transportmiddel alleen een terroristisch misdrijf zal kunnen uitmaken, wanneer met name dat misdrijf, wegens de aard of de context ervan, een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden. Uiteraard zal rekening worden gehouden met de aard van het gekaapte transportmiddel. A.3.
- Ten slotte heeft het zevende onderdeel van het eerste middel, dat betrekking heeft op het misdrijf bestaande in de bedreiging met het plegen van een van de misdrijven opgesomd in artikel 137, § 2, van het Strafwetboek, geen enkele invloed op de wettigheid van de getoetste norm. Overigens zal het vanzelfsprekend aan de vervolgende partijen staan om het bewijs van die bedreigingen te leveren, waarbij gewone handelingen ter voorbereiding van een mogelijke en latere bedreiging niet volstaan. Ten aanzien van het tweede middel A.4.
- In het algemeen is het tweede middel gegrond op de - volgens de Ministerraad - verkeerde vaststelling dat de definitie van het begrip « terroristisch misdrijf » niet beantwoordt aan het wettigheidsbeginsel. Voor het overige wil hij aantonen dat, in tegenstelling tot de voorbeelden die de verzoekende partijen geven ter ondersteuning van hun tweede middel, de terroristische misdrijven allemaal bijzonder ernstig zijn, ook al bestaat er natuurlijk een gradatie van ernst onder die misdrijven. De gerechtelijke overheden zullen de kwalificatie als terroristisch misdrijf, ongeacht de kwalificatie ervan in het gemeen recht, alleen toekennen indien de volgende voorwaarden zijn vervuld : - het misdrijf kan, wegens de aard of de context ervan, een land of een internationale organisatie ernstig schaden; - het voornemen van de dader ervan bestaat erin het te plegen met een van de oogmerken bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek. De Ministerraad wenst aan te dringen op de legitimiteit van de strijd tegen het terrorisme. A.4.
- De aangeklaagde verhoging van de straffen is, volgens de Ministerraad, verantwoord wegens de grotere ernst van het beschouwde misdrijf. A.4.
- Het tweede tot het vierde onderdeel zijn evenmin gegrond : de gevolgen van de verzwaring van de straffen zijn verantwoord door die bijzondere ernst. Volgens de Ministerraad gaat het om het evenredigheidscriterium zelf. Hoe ernstiger een misdrijf is, hoe meer gewettigd het is om een aanhoudingsmandaat te kunnen verlenen en de minnelijke schikking in strafzaken of de correctionalisering van het misdrijf te verbieden. A.4.
- Voor het onderzoek van het vijfde tot het zevende onderdeel draagt, volgens de Ministerraad, het aanvoeren van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van artikel 22 van de Grondwet als toetsingsnormen weinig bij tot het debat; er moet alleen worden nagegaan of de ernst van het misdrijf evenredig is met de bij de wet geregelde maatregel die een inmenging in het privé-leven vormt. Die maatregel is eveneens verantwoord door de ernst van het terroristisch misdrijf. Hetzelfde geldt voor de andere 8 door de verzoekende partijen vermelde maatregelen (het achtste tot het vijftiende onderdeel) die een inmenging in het privé-leven vormen, die evenredig zijn met het gevaar dat terroristische misdrijven met zich meebrengen en met de noodzaak om de veiligheid van de bevolking te waarborgen. A.4.
- Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de door de bestreden wetgeving aangebrachte wijzigingen teneinde de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechterlijke macht uit te breiden, een wezenlijk bestanddeel vormden van het kaderbesluit dat de Raad van de Europese Unie op 13 juni 2002 heeft aangenomen. Memorie van antwoord van de verzoekende partijen A.
- Ter inleiding merken de verzoekende partijen op dat het gewettigde karakter dat, zoals de Ministerraad zou wensen, de internationale akten aan de Belgische wet betreffende terroristische misdrijven zouden geven, ipso facto niet aantoont dat die wet het wettigheidsbeginsel in acht neemt. De omzetting van de strafbaarstelling in het interne recht moet in overeenstemming zijn met de grondwettelijke beginselen, alsook met de beginselen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen willen voorts herinneren aan het principiële arrest van het Hof (nr. 69/2003), dat is uitgesproken na het advies van de Raad van State dat in de memorie van de Ministerraad is weergegeven. Zij zijn van mening dat de stelling van de Ministerraad volgens welke het noodzakelijk is dat de wet gebruik maakt van soepele, voor rechterlijke interpretatie vatbare termen, niet beantwoordt aan de door het Hof geformuleerde vereisten. Daarnaast beklemtonen zij dat de bestreden wet, alvorens door de rechter te worden geïnterpreteerd, door de politiediensten zal worden toegepast, die met name de mogelijkheid zullen hebben om bijzondere opsporingsmaatregelen te nemen die een inmenging in het privé-leven vormen. De naleving van het wettigheidsvereiste kan volgens hen veel moeilijker worden gecontroleerd op het niveau van het parket en van de politiediensten. De verzoekende partijen, samen met een deel van de rechtsleer, vinden het ook verontrustend dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht in de nieuwe artikelen 139, tweede lid, en 141ter van het Strafwetboek te definiëren wat niet als terroristische groep zou kunnen worden beschouwd en eveneens te bepalen dat geen enkele van de ingevoegde bepalingen afbreuk zou kunnen doen aan fundamentele rechten of vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering, vereniging of meningsuiting. A.6.
- In verband met het verweer van de Ministerraad ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat het argument volgens hetwelk het begrip « door zijn aard of context » is geïnspireerd op het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, niet opportuun is, aangezien dat Verdrag slechts één soort van handeling beoogt, namelijk het doden of ernstig verwonden van een burger. Voorts beklemtonen zij dat het in wezen aan de politiediensten zal staan om de context en de aard van het misdrijf te beoordelen. Vervolgens merken zij op dat het gevaar om de draagwijdte van de bestreden wet uit te breiden, des te groter is, daar de Europese Commissie in een verklarende memorie bij het kaderbesluit aangeeft dat eenvoudig geweld in steden een bestanddeel van een terroristisch misdrijf kan vormen. Ten slotte behandelen zij de kwestie van de poging tot een misdrijf om te reageren op het voorbeeld van het dossier « Trabelsi » waarnaar de Ministerraad is zijn memorie verwijst. A.6.
- In verband met het tweede onderdeel herinneren de verzoekende partijen eraan dat het definiëren van terrorisme ten opzichte van terreur een tautologie is. A.6.
- In verband met het derde onderdeel leiden de door de Ministerraad geciteerde voorbeelden om het woord « dwingen » uit te leggen, tot discussie. Wat de bijwoordelijke bepaling « op onrechtmatige wijze » betreft, zijn de verzoekende partijen geenszins van mening dat zij een beperkende interpretatie van het begrip « dwingen » zou inhouden. A.6.
- Ten aanzien van het vierde onderdeel zijn de verzoekende partijen van mening dat het opzet om « de […]structuren […] ernstig te ontwrichten of te vernietigen » een synoniem is van « radicaal veranderen ». Bij het beoordelen van dat opzet zullen de persoonlijke standpunten van de magistraten doorslaggevend zijn. A.6.
- Ten aanzien van het vijfde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat het door de Ministerraad aangevoerde Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen nog niet door België is geratificeerd. 9 A.7.
- Met betrekking tot het tweede middel wensen de verzoekende partijen vooraf op te merken dat de vaststelling dat het wettigheidsbeginsel is geschonden, zoals in het eerste middel wordt uiteengezet, ipso facto moet leiden tot de vaststelling dat de in het tweede middel beoogde bepalingen zijn geschonden. De bestanddelen van een misdrijf, die dermate vaag en ruim gedefinieerd zijn, kunnen immers in geen enkel geval worden beschouwd als objectieve criteria die dergelijke verschillen in behandeling ten aanzien van de rechtzoekende, zoals die in het tweede middel van het verzoekschrift zijn uiteengezet, verantwoorden. De omgekeerde redenering kan daarentegen vanzelfsprekend niet worden toegepast. In de veronderstelling dat het eerste middel zou worden verworpen, zou – vandaar het motief van de zeventien onderdelen – een onderzoek moeten worden verricht naar de bestaanbaarheid met de bepalingen aan de hand van elk van de zeventien in het verzoekschrift uiteengezette onderdelen. De verzoekende partijen merken op dat noch de wetgever, noch de Ministerraad dat onderzoek stelselmatig hebben verricht. A.7.
- Voor het overige zijn zij van mening dat de argumentatie van de Ministerraad betreffende het tweede middel in haar geheel op een petitio principii berust : de aangeklaagde verschillen in behandeling zijn verantwoord omdat de terroristische misdrijven die in de bestreden wet worden beoogd, bijzonder ernstig zijn. In de eerste plaats is het onjuist te beweren dat de terroristische misdrijven altijd zeer ernstige gevolgen met zich meebrengen, aangezien een gewone bedreiging en slagen en verwondingen zonder enige ongeschiktheid tot gevolg, onder het toepassingsgebied van de wet vallen. In verband met het door de Ministerraad aangevoerde gewettigde karakter van terrorismebestrijding wensen de verzoekende partijen eraan te herinneren dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de voor die bestrijding aangewende middelen heeft beperkt. De verzoekende partijen geven verschillende voorbeelden van ontsporingen op het vlak van terrorismebestrijding en trachten aan te tonen dat het gevaar om afbreuk te doen aan de fundamentele vrijheden niet louter theoretisch is. Memorie van wederantwoord van de Ministerraad A.8.
- Volgens de Ministerraad, en in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, voorziet het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 uitdrukkelijk erin dat de definitie van de terroristische misdrijven in alle Staten moet worden geharmoniseerd. Dat houdt in dat de doelstelling zelf van de Europese wetgever erin bestond een voor alle lidstaten gemeenschappelijke minimale definitie op te stellen; het kaderbesluit zou de Belgische wetgever niet de keuze laten om een meer beperkende definitie aan te nemen. Indien het Arbitragehof de bestreden wet zou vernietigen, zou België zijn internationale verplichtingen overduidelijk schenden. Alleen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de door de verzoekende partijen betwiste geldigheid van het kaderbesluit. A.8.
- Voor het overige herinnert de Ministerraad aan de argumenten die hij heeft uiteengezet om zijn memorie te eindigen, met het verzoek, in hoofdorde, dat het Hof het beroep tot vernietiging ongegrond zou verklaren en, in uiterst ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat het Hof het beroep tot vernietiging gegrond zou achten, dat het aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vragen zou stellen : « Maakt artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie, dat bepaalt dat de kaderbesluiten verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, waarbij aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten de vorm en de middelen te kiezen, het de lidstaten mogelijk een meer beperkende definitie aan te nemen van een in een kaderbesluit bepaald strafbaar feit ? Legt het kaderbesluit van de Raad van Europese Unie van 13 juni 2002 meer in het bijzonder de strafbaarstelling door elke lidstaat op van alle gedragingen beoogd in de definitie van het begrip ' terroristische misdrijven ' bepaald door de Raad van de Unie ? 10 Zo ja, is het kaderbesluit geldig in het licht van artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de grondrechten waarborgt, met name zoals die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, waarvan het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen kennelijk deel uitmaakt ? ». Aanvullende memorie van de verzoekende partijen A.
- Nadat zij door het Hof zijn verzocht uitleg te geven bij de noodzaak om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te ondervragen, hebben de verzoekende partijen een aanvullende memorie ingediend, waarin zij in hoofdorde stellen dat het Hof over voldoende elementen beschikt om de bestreden wet te vernietigen op grond van de in het verzoekschrift en in de memorie van antwoord uiteengezette middelen. Volgens het voorstel van kaderbesluit ingediend door de Europese Commissie zelf, biedt de formulering van artikel 3 van het voorstel, dat het begrip « strafbare feiten van terroristische aard » definieert, « de lidstaat de mogelijkheid te beslissen op welke wijze de juiste definitie van de strafbare feiten moet worden ingevoerd om dit kaderbesluit tot uitvoering te brengen ». In die logica ontslaat het feit dat de bestreden wet een kaderbesluit omzet, de wetgever niet van zijn verplichting om het wettigheidsbeginsel in acht te nemen en ontneemt het aan het Hof niet zijn bevoegdheid om op die inachtneming toe te zien. In ondergeschikte orde, indien het Hof zou oordelen de bestreden wet niet te kunnen vernietigen zonder afbreuk te doen aan de internationale verbintenissen van België zoals die met name voortvloeien uit de artikelen 31, lid 1, onder e), en 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zijn de verzoekende partijen van mening dat de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zouden moeten worden gesteld : « 1) Biedt het kaderbesluit 2002/475/JBZ van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, genomen op grond van artikel 31, onder e), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat de verplichting inhoudt om minimale vereiste maatregelen aan te nemen met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en tot de straffen op het gebied van terrorisme, de Staten de mogelijkheid om de nieuwe strafbaarstellingen te definiëren (of de bestaande bepalingen te wijzigen) zonder de in het kaderbesluit voorgestelde definitie vervat in artikel 1, lid 1, letterlijk te volgen of om die aan te vullen of te preciseren, op grond van artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag, dat aan de Staten de bevoegdheid laat vorm en middelen te kiezen ? 2) Is de Raad van de Europese Unie, op grond van artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gehouden tot de inachtneming van het beginsel van de wettigheid van de strafrechtelijke strafbaarstellingen, verankerd in het internationaal recht in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wanneer hij de minimale voorschriften definieert betreffende de bestanddelen van strafbare feiten in artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit 2002/475/JBZ van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding ? 3) Schendt de definitie vervat in artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit 2002/475/JBZ van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding de fundamentele rechten zoals die voortvloeien uit de gemeenschappelijke grondwettelijke tradities van de lidstaten, waaronder het beginsel van de wettigheid van de strafrechtelijke strafbaarstellingen, verankerd in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ? ». 11 -B- Ten aanzien de omvang van het beroep B.
- De verzoekende partijen, die de vernietiging vorderen van de gehele wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, preciseren echter dat zij in hoofdzaak de artikelen 3, 4, 13, 14 en 15 van de voormelde wet zullen onderzoeken. Zij voegen eraan toe dat zij de vernietiging vorderen van de artikelen van de bestreden wet die in het verzoekschrift niet specifiek worden onderzocht, in zoverre zij al dan niet rechtstreeks verwijzen naar artikel 3 van de bestreden wet. Het Hof beperkt het onderzoek van het beroep tot het door de verzoekende partijen aldus omschreven onderwerp. Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
- De artikelen 3, 4, 13, 14 en 15 van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven bepalen : « Art.
- In Titel Iter van Boek II van [het Strafwetboek] wordt een artikel 137 ingevoegd, luidende : ' Art.
- §
- Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het misdrijf bepaald in de §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. §
- Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1, aangemerkt : 1° het opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen bedoeld in de artikelen 393 tot 404, 405bis, 405ter voor zover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 409, § 1, eerste lid, en §§ 2 tot 5, 410 voorzover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 417ter en 417quater; 2° de gijzelneming bedoeld in artikel 347bis; 3° de ontvoering bedoeld in de artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437; 12 4° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen 521, eerste en derde lid, 522, 523, 525, 526, 550bis, § 3, 3°, in artikel 15 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, en in artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht; 5° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart; 6° het zich door bedrog, geweld of bedreiging jegens de kapitein meester maken van een schip, bedoeld in artikel 33 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij; 7° de strafbare feiten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen; 8° de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 510 tot 513, 516 tot 518, 520, 547 tot 549, en in artikel 14 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht; 9° de strafbare feiten bedoeld in de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapenen en op de handel in munitie; 10° de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en Washington op 10 april
- §
- Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 1 eveneens aangemerkt : 1° andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische schade wordt aangericht; 2° het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6° van § 2; 3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van kernwapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, biologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek in en het ontwikkelen van chemische wapens; 13 4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht; 5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht; 6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten bedoeld in § 2 of in deze paragraaf. ' Art.
- In dezelfde Titel wordt een artikel 138 ingevoegd, luidende : ' Art.
- §
- De straffen voor de misdrijven opgesomd in artikel 137, § 2, worden als volgt vervangen, indien die misdrijven worden aangemerkt als terroristische misdrijven : 1° geldboete, door gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar; 2° gevangenisstraf van niet meer dan zes maanden, door gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar; 3° gevangenisstraf van niet meer dan een jaar, door gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar; 4° gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar, door gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar; 5° gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar, door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar; 6° opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, door opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; 7° opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar; 8° opsluiting van tien jaar tot twintig jaar door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar; 9° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar; 10° opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar, door levenslange opsluiting. §
- De terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137, § 3, worden gestraft met : 1° in het geval bedoeld in het 6°, gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een correctionele straf en opsluiting van vijf tot tien jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een criminele straf; 2° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de gevallen bedoeld in het 1°, 2° en 5°; 3° levenslange opsluiting in de gevallen bedoeld in het 3° en 4°. ' ». 14 « Art.
- In artikel 6 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1914, 12 juli 1932, 4 april 2001 en 5 augustus 2003, wordt tussen 1°bis en 2°, een 1°ter ingevoegd, luidende : ' 1°ter aan een terroristisch misdrijf bedoeld in Boek II, Titel Iter, van het Strafwetboek. ' Art.
- Artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, wordt aangevuld als volgt : ' 4° een van de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141 van het Strafwetboek die gepleegd zijn tegen een Belgische onderdaan of instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie of van een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die in het Rijk is gevestigd. ' Art.
- In artikel 90ter, § 2, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 7 en 13 april 1995, 10 juni 1998, 28 november 2000, 29 november en 11 december 2001, 7 juni 2002, 6 januari en 5 augustus 2003, worden de punten 1°ter tot 1°septies vervangen als volgt : ' 1°ter de artikelen 137, 140 en 141 van hetzelfde Wetboek; 1°quater artikel 210bis van hetzelfde Wetboek; 1°quinquies de artikelen 246, 247, 248, 249, 250 en 251 van hetzelfde Wetboek; 1°sexies artikel 259bis van hetzelfde Wetboek; 1°septies artikel 314bis van hetzelfde Wetboek; 1°octies de artikelen 324bis en 324ter van hetzelfde Wetboek. ' ». Ten aanzien van de draagwijdte van het kaderbesluit van 13 juni 2002 B.3.
- De wet van 19 december 2003 heeft met name tot doel het kaderbesluit van 13 juni 2002, dat op grond van artikel 34, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie door de Raad is vastgesteld, in het Belgische recht om te zetten. Het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB, L, 164, 22 juni 2002) verplicht de lidstaten om drie categorieën van misdrijven strafbaar te stellen : de « terroristische misdrijven », de « strafbare feiten met betrekking tot een terroristische groep » en de « strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten ». Alleen de eerste twee categorieën worden evenwel door de bestreden wet in het Belgische recht omgezet. 15 Aangezien de derde categorie reeds in België strafbaar gestelde handelingen ter voorbereiding van terroristische misdrijven beoogt, heeft de wetgever geoordeeld dat hij de Belgische wetgeving op dat vlak niet diende aan te vullen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51- 0258/001, pp. 7 en 8). De wetgever heeft in de voormelde wet echter ook een artikel 7 opgenomen dat in het Strafwetboek een artikel 141 invoegt, teneinde het Belgische recht in overeenstemming te brengen met het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, aangenomen te New York op 9 december 1999, dat toen nog niet door België was geratificeerd. Ten slotte bepaalt het nieuwe artikel 141bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 19 december 2003, dat de wet niet van toepassing is op de handelingen van strijdkrachten, terwijl artikel 9 van dezelfde wet het nieuwe artikel 141ter in het Strafwetboek invoegt, dat tot doel heeft de uitoefening van bepaalde fundamentele rechten te waarborgen. B.3.
- Hieruit volgt dat het doel van de bestreden wet van 19 december 2003 tegelijk ruimer en beperkter is dan dat van het voormelde kaderbesluit van 13 juni
- Luidens artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zijn de « kaderbesluiten […] verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch [wordt] aan de nationale instanties […] de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking ». Ten aanzien van het eerste middel B.
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan dat artikel 3 van de wet van 19 december 2003 in strijd zou zijn met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij zijn in de eerste plaats van mening dat het wettigheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat het terroristisch misdrijf te ruim of op onnauwkeurige wijze zou zijn gedefinieerd. Zij bekritiseren in het bijzonder het vage karakter van de bewoordingen die in artikel 137, § 1, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3, worden gebruikt om een terroristisch misdrijf te kwalificeren. Dat laatste wordt gedefinieerd als het misdrijf dat « door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden ». 16 Daar in de parlementaire voorbereiding geen aanwijzingen worden gegeven in verband met de inhoud van die bewoordingen, voeren de verzoekende partijen aan dat het aan de rechter, maar ook aan de politiediensten zal staan om die te geven, waardoor niet iedereen de werkelijke inhoud van het nieuwe misdrijf zal kunnen kennen. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat het opzettelijk element, het bijzonder opzet dat als tweede bestanddeel van het terroristisch misdrijf is vereist, eveneens op te onnauwkeurige wijze is gedefinieerd. De formulering van dat opzet zou in verschillende opzichten onduidelijk zijn, waarbij het terroristisch misdrijf het misdrijf is dat « opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen ». Die onduidelijkheid bij het definiëren van het opzettelijk element zou eveneens afbreuk doen aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken, dat ervan uitgaat dat de strafwet in zodanige bewoordingen moet zijn geformuleerd dat iedereen, op het ogenblik dat een gedraging wordt aangenomen, moet kunnen weten of die gedraging al dan niet strafbaar is. B.
- De bestreden wet heeft met name tot doel het voormelde kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 om te zetten. Volgens de memorie van toelichting hebben beide normen drie doelstellingen : « in de eerste plaats wordt een stevige juridische houvast geboden teneinde de vervolging van ' terroristische misdrijven ' doeltreffend aan te pakken door de omschrijving van het fenomeen zelf. Vervolgens worden de straffen voor bepaalde soorten ' terroristische misdrijven ' strenger gemaakt. De laatste doelstelling beoogt de omschrijving van een terroristische groep en de strafbaarstelling van de personen die deelnemen aan activiteiten van een terroristische groep of de leiding ervan waarnemen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/001, pp. 6 en 7). B.6.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». 17 Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.6.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de diversiteit en de veranderlijkheid van de situaties, alsook de aangelegenheden waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. B.6.
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een analoge rechtspraak ontwikkeld met betrekking tot artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het wettigheidsbeginsel in strafzaken inhoudt. Het Hof stelt in zijn arrest Kokkinakis t/Griekenland van 25 mei 1993 (Série A, nr. 260-A, §§ 40 en 52) : « […] de bewoordingen van heel wat wetten missen absolute precisie. Vele daarvan houden het, om reden van de noodzaak een buitensporige strakheid te vermijden en zich aan te passen aan veranderende situaties, noodgedwongen bij min of meer vage formuleringen (zie bijvoorbeeld mutatis mutandis, arrest Müller en anderen t/Zwitserland van 24 mei 1988, 18 Série A, nr. 133, p. 20, paragraaf 29). […] De interpretatie en de toepassing van dergelijke teksten hangen af van de praktijk ». Het Hof is vervolgens van oordeel dat artikel 7 « eveneens, op meer algemene wijze, het wettigheidsbeginsel van de misdrijven en de straffen verankert » en dat « daaruit volgt dat een misdrijf duidelijk moet worden gedefinieerd in de wet ». In dat arrest heeft het Hof daaraan toegevoegd dat « die voorwaarde is vervuld wanneer het individu, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtbanken, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn [strafrechtelijke] aansprakelijkheid meebrengen ». In zijn arrest S.W. t/Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995 (Série A, nr. 335-B, § 36), heeft het Hof gepreciseerd : « Hoe duidelijk de bewoordingen van een wetsbepaling ook mogen zijn, er bestaat, in ongeacht welk rechtsstelsel, met inbegrip van het strafrecht, onvermijdelijk een element van rechterlijke interpretatie. […] Artikel 7 van het Verdrag kan niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het verbiedt dat de regels van de strafrechtelijke aansprakelijkheid door de rechterlijke interpretatie geleidelijk worden verduidelijkt van geval tot geval, op voorwaarde dat het resultaat samenhangend is met de kern van de inbreuk en het redelijk voorzienbaar is ». Het Hof heeft in het arrest Cantoni t/Frankrijk van 15 november 1996 (Recueil 1996-V), na te hebben bevestigd dat de legaliteitsvoorwaarde « vervuld is wanneer de rechtzoekende op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling (art. 7) en desnoods, met behulp van de interpretatie ervan door de rechtbanken, kan weten welke handelingen en verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen » (§ 29), het volgende in herinnering gebracht : « […] vanwege het beginsel zelf van de algemeenheid van de wetten, kunnen de bewoordingen daarvan geen absolute precisie vertonen. Een van de typische regelgevingstechnieken bestaat erin gebruik te maken van algemene categorieën, veeleer dan van exhaustieve lijsten. Aldus worden in talrijke wetten noodgedwongen min of meer vage bewoordingen gehanteerd teneinde een overdreven rigiditeit te vermijden en te kunnen mee evolueren met wijzigende situaties. De interpretatie en de toepassing van dergelijke teksten hangen af van de praktijk » (§ 31). 19 Ten slotte heeft het Hof opgemerkt : « […] de draagwijdte van het begrip voorzienbaarheid hangt in ruime mate af van de inhoud van de desbetreffende tekst, het domein dat hij bestrijkt en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan […]. De voorzienbaarheid van de wet verzet zich niet ertegen dat de betrokkenen ertoe worden aangezet een beroep te doen op bekwame raadslieden om de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen voortvloeien, tot op een niveau dat binnen de omstandigheden van de zaak redelijk is, te beoordelen » (§ 35). B.7.
- Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de elementen vermeld in B.6.2 in fine en in het bijzonder de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden. B.7.
- Te dezen is de definitie die artikel 137, § 1, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet, geeft aan het begrip « terroristisch misdrijf » geïnspireerd op de tekst van artikel 1, lid 1, van het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002 en verwijst zij naar de « context » waarin het wordt gepleegd en naar de « aard » ervan. De Minister van Justitie, die tijdens de parlementaire voorbereiding hierover is ondervraagd, heeft gepreciseerd dat het woord « context » als dusdanig is overgenomen uit het kaderbesluit : « Met dat woord kan men niet alleen rekening houden met de aard van het misdrijf, maar ook met de gevolgen voor de organisatie en het bestuur van een land. Het zal de hoven en rechtbanken toekomen geval per geval te beoordelen of het misdrijf door de context waarin het wordt gepleegd, een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, p. 14). Wat het opzettelijk element van het terroristisch misdrijf betreft, is het juist dat de daaraan gegeven definitie, namelijk « opzettelijk gepleegd […] met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen », in sommige gevallen aanleiding zou kunnen geven tot interpretatiemoeilijkheden. 20 Gelet op de keuze van de termen « ernstig », die tweemaal wordt gebruikt, « op onrechtmatige wijze » of « vernietigen » en op de verplichting om strafbepalingen strikt te interpreteren, zullen de rechters die ze moeten interpreteren, feiten slechts als terroristisch misdrijf kunnen kwalificeren wanneer zij gepaard gaan met een voornemen om de beoogde elementen ernstig te schaden, waardoor de bestanddelen van het misdrijf op voldoende wijze worden omschreven en het voor iedere natuurlijke of rechtspersoon redelijkerwijs mogelijk is om de strafrechterlijke gevolgen van de aldus gedefinieerde, door hem aangenomen gedragingen vooraf te kennen. Hetzelfde geldt voor de term « grootschalige » die in artikel 137, § 3, 1°, van het Strafwetboek, ingevoegd bij hetzelfde artikel 3, de vernieling of beschadiging van een infrastructurele voorzienig, een vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom kwalificeert, en voor de term « aanzienlijke » die de intensiteit van de economische schade als gevolg van die handelingen kwalificeert. Die termen maken het de rechters die ze moeten interpreteren, niet mogelijk om handelingen waarvan de gevolgen kennelijk niet aanzienlijk zouden zijn, als terroristische misdrijven te beschouwen. Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen preciezere definitie van het opzet te geven dat is vereist voor een geheel van misdrijven die als terroristische misdrijven kunnen worden bestraft. Zoals het hem toekomt wanneer hij over de ernst van de aan hem voorgelegde feiten moet oordelen, zal de rechter dat opzet moeten beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de in het geding zijnde bepaling onvoorzienbaar zouden maken, maar door de objectieve bestanddelen van elk misdrijf in overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak rekening te houden. Evenzo staat het aan de rechter om het vereiste bijzondere opzet te beoordelen. Wat betreft de te verregaande bevoegdheden waarover de politiediensten, volgens de verzoekende partijen, zouden beschikken als gevolg van de onbepaaldheid van de gebruikte bewoordingen, merkt het Hof op dat de opdrachten van de politie in strafzaken onder het toezicht van de hoven en rechtbanken worden uitgeoefend. 21 B.7.
- Ten slotte verbiedt artikel 139, tweede lid, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 5 van de bestreden wet, « een organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft » als een terroristische groep te beschouwen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gevaar voor misbruiken heeft ingezien waartoe de aanneming van een strafwet tot bestraffing van terroristische handelingen aanleiding kon geven en dat, ondanks het advies van de Raad van State, die van mening was dat die bepaling een « vanzelfsprekendheid [was] die niet thuishoort in het Strafwetboek », die bepaling bewust werd behouden om het evenwicht te bewaren tussen de doeltreffendheid van de strijd tegen het terrorisme en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden : « In die zaken is het beter nodeloos uitdrukkelijk te zijn dan gevaarlijk stilzwijgend en dubbelzinnig » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, pp. 10-11; zie ook ibid., pp. 4-5). Vervolgens is voorgesteld om een aanvullend artikel met algemene draagwijdte betreffende de fundamentele vrijheden in te voegen (ibid., pp. 16 tot 19). Artikel 9 van de bestreden wet heeft aldus een artikel 141ter in het Strafwetboek ingevoegd, luidens hetwelk geen enkele bepaling uit titel Iter van boek II van dat Wetboek « kan worden gelezen in die zin dat zij een beperking of een belemmering beoogt van rechten of fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van vergadering, vereniging of meningsuiting, waaronder het recht om, voor de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op te richten dan wel zich daarbij aan te sluiten, evenals het daarmee samenhangende recht van betoging, en zoals onder meer verankerd in de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ». B.7.
- Hieruit volgt dat artikel 3 van de wet van 19 december 2003, ook al laat het aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid, hem geen autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling toekent die inbreuk zou maken op de bevoegdheden van de wetgever. Het eerste middel is niet gegrond. 22 Ten aanzien van de verzoeken om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te stellen B.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, overeenkomstig artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het niet nodig is aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te stellen over de geldigheid en de uitlegging van het kaderbesluit van 13 juni 2002 . Ten aanzien van het tweede middel B.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij zijn van mening dat, indien het Hof het eerste middel ongegrond verklaart, het Hof alle verschillen in behandeling moet nagaan die de bestreden wet met zich meebrengt, wegens « het onduidelijke en vage karakter » van de definitie van het terroristisch misdrijf, onder de personen die ervan worden verdacht de in paragraaf 2 van artikel 137 van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet, beoogde misdrijven te hebben gepleegd, naargelang die al dan niet als terroristisch worden gekwalificeerd. Die verschillen in behandeling zouden tot uiting komen in het stadium van het inleidend onderzoek, wegens de bijzondere opsporingsmethoden die vanwege de terroristische misdrijven zijn toegestaan, tijdens de fase van de berechting, omdat anonieme getuigenissen als volwaardig bewijs kunnen worden gebruikt, en ten slotte wegens de opgelegde sancties die voor terroristische misdrijven telkens worden verzwaard. B.
- Nu het eerste middel niet gegrond is, kan niet worden aangenomen dat « het onduidelijke en vage karakter » van de definitie van het terroristisch misdrijf discriminerend is. Bij het onderzoek van het eerste middel heeft het Hof immers geoordeeld dat het criterium van onderscheid tussen de vervolgde personen naargelang het misdrijf al dan niet als terroristisch wordt gekwalificeerd, in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel. B.11.
- Het staat niet aan het Hof te oordelen of het, gelet op de internationale verplichtingen van België, opportuun was de straffen te verzwaren en bijgevolg het 23 toepassingsgebied van de voorlopige hechtenis uit te breiden en, als gevolg daarvan, het toepassingsgebied van de minnelijke schikking in strafzaken en dat van de correctionalisering te beperken. Op dezelfde wijze is de beweerdelijk discriminerende toepassing van de drie onderzoeksmethoden die de verzoekende partijen in het vijfde, zesde en zevende onderdeel van het tweede middel bekritiseren, slechts het logische gevolg van de keuze van de wetgever om de terroristische misdrijven door middel van een specifieke wet te bestraffen en het niveau van de straffen stelselmatig te verzwaren ten opzichte van gelijkwaardige misdrijven in het gemeen recht. Dezelfde redenering geldt voor de acht onderzoeksmethoden, zoals ingevoegd in artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering, die volgens de bestreden wet van toepassing zijn op de vermoedelijke daders van terroristische misdrijven en die in het achtste tot vijftiende onderdeel van het tweede middel worden bekritiseerd. Het middel kan, in die onderdelen, niet rechtstreeks betrekking hebben op de grondwettigheid van de wet van 6 januari 2003 « betreffende de bijzondere opsporingsmethoden », en enige andere onderzoeksmethode die niet het voorwerp van het onderhavige beroep uitmaakt. Wat de grondwettigheid van die wet betreft heeft het Hof reeds uitspraak gedaan in zijn arrest nr. 202/2004 van 21 december
- In die onderdelen moet het middel dus in die zin worden geïnterpreteerd dat het de uitbreiding van die methoden tot de vermoedelijke daders van terroristische misdrijven aanklaagt. Gelet op de noodzaak om terroristische handelingen doeltreffend te bestrijden, is die uitbreiding verantwoord. B.11.
- Het beginsel van de verzwaring van de straffen dat artikel 4 van de bestreden wet heeft ingevoerd, is vervat in artikel 5 van het kaderbesluit van 13 juni
- Tijdens de parlementaire voorbereiding die aan de aanneming van de wet is voorafgegaan, is de kwestie van de verzwaring van de straffen besproken. Bewust van de noodzaak om het terrorisme doeltreffend te bestrijden, heeft de wetgever geoordeeld dat de handelingen die volgens het gemeen strafrecht eveneens strafbaar zijn, zwaarder moeten worden bestraft wanneer zij als terroristische handelingen worden beschouwd (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51- 0258/004, pp. 3, 4, 5, en Parl. St., Senaat, 2003-2004, nr. 3-332/3, p. 1). De wetgever onderzocht meer bepaald de gevolgen van die stelselmatige verzwaring van de straffen en vroeg zich met name af wat de draagwijdte was van de nieuwe artikelen 140 en 141 van het Strafwetboek, die de deelname aan een activiteit van een terroristische groep of het verstrekken van materiële middelen daaraan, bestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar, terwijl het nieuwe artikel 138 van hetzelfde Wetboek, dat het eigenlijke plegen van die 24 misdrijven betreft, voorziet in soms aanzienlijk lichtere straffen. De Minister van Justitie antwoordde daaromtrent : « […] een onderscheid moet worden gemaakt tussen het plegen van terroristische misdrijven als dusdanig, en de deelname aan criminele activiteiten van de terroristische groep, met dien verstande dat dat misdrijf niet rechtstreeks uit het plegen van een terroristisch misdrijf mag bestaan. Wanneer een persoon willens en wetens deelneemt aan de criminele activiteiten van een terroristische groep, moet de strafmaat zwaarder zijn dan bij deelname aan een criminele organisatie. Voor de terroristische misdrijven zelf is de toegepaste straf zwaarder dan de straf die het huidige Strafwetboek oplegt voor een soortgelijke handeling zonder terroristisch oogmerk. Sommige straffen van die laatste categorie zijn inderdaad minder zwaar dan de straffen die worden opgelegd op grond van deelname aan een activiteit van een terroristische groep, maar zulks geldt weliswaar alleen voor zo goed als risicoloze terroristische handelingen. Er kunnen zich dus situaties voordoen waarin er sprake is van samenloop van misdrijven, waarbij een persoon wordt vervolgd zowel voor het plegen van een terroristisch misdrijf (lichte straf) als voor deelname aan een terroristische handeling (zwaardere straf). In dergelijke gevallen kan worden erkend dat de persoon aan de beide misdrijven schuldig is en kan hij/zij voor de beide misdrijven worden veroordeeld, maar volgens de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zullen de regels inzake de samenloop van misdrijven worden toegepast » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, pp. 21-22). Andere situaties zijn ter sprake gebracht die het mogelijk maken te beweren dat de wetgever misdrijven die hij bijzonder ernstig achtte, zwaar heeft willen bestraffen, waarbij hij zich evenwel ervan bewust was dat de rechter steeds moet kunnen oordelen over de graad van ernst van elk geval. In dat opzicht dient te worden herinnerd aan de constante zorg van de wetgever dat, door de terroristische misdrijven strafbaar te stellen, geen afbreuk zou worden gedaan aan de uitoefening van de fundamentele vrijheden, reden waarom de nieuwe artikelen 139, tweede lid, en 141ter in het Strafwetboek werden ingevoegd. In dezelfde geest heeft de wetgever het beginsel van het werken met spijtoptanten, dat nochtans wordt aanbevolen in het kaderbesluit als een zinvolle maatregel om aanslagen tijdens de voorbereidingsfase ervan te verijdelen of om netwerken op te rollen, niet in het Belgische recht willen omzetten. Het bezwaar is immers geuit dat het aanwenden van die maatregel « ethische problemen doet rijzen omdat wordt uitgegaan van het beginsel dat de plegers van een misdrijf worden beloond » (ibid., pp. 9 en 12). Ten slotte, zoals is uiteengezet in B.11.1, is de mogelijkheid om gebruik te maken van de voorlopige hechtenis wanneer terroristische misdrijven worden gepleegd, het gevolg van de verzwaring van de door de wetgever bepaalde straffen. Bovendien is de onderzoeksrechter 25 nooit ertoe gehouden een persoon in hechtenis te nemen en verandert de bestreden wet niets aan de voorwaarden die met name zijn bepaald bij artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. B.11.
- Voorts verwijten de verzoekende partijen artikel 14 van de bestreden wet dat het, met schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de territoriale bevoegdheid van de Belgische rechter uitbreidt tot de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141 van het Strafwetboek, wanneer zij worden gepleegd tegen een Belgische onderdaan of instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie of van een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die in het Rijk is gevestigd. Uitgaande van de vaststelling dat terrorisme steeds vaker voortvloeit uit activiteiten van netwerken die op internationaal niveau opereren, verplicht het kaderbesluit van 13 juni 2002 de lidstaten maatregelen inzake terrorisme te nemen die rekening houden met de afwezigheid van grenzen in de Europese Unie en met het recht van verkeer van de personen. De wetgever vermocht, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, het kaderbesluit ten uitvoer te leggen door het passief personaliteitsbeginsel als aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de Belgische rechter te kiezen. De keuze van dat criterium is des te meer gerechtvaardigd, omdat in België talrijke instellingen van de Europese Unie zijn gevestigd die het doelwit kunnen zijn van daden van terrorisme die door de bestreden wet strafbaar worden gesteld. B.11.
- Het tweede middel kan niet worden aangenomen. 26 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.125 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div