← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.126

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: E

voerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 959 - laatst gezien 2026-07-04 12:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft

gevoegd

de richtlijn 91/308/EEG, voorziet

de opname van onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten,

de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die,

essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en

stellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, vervangen bij artikel 1, 5), van richtlijn 2001/97/EG) ? ». UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs »,

gesteld door de Orde van Franstalige en Duitstalige balies en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummers 3064 en 3065 Arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005

zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs »,

gesteld door de Orde van Franstalige en Duitstalige balies en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 4, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs » (bekendgemaakt

het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2004, tweede uitgave), door de Orde van Franstalige en Duitstalige balies, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 65, en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van dezelfde wet door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1. Die zaken,

geschreven onder de nummers 3064 en 3065 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn

gediend door : - de Raad van de Balies van de Europese Unie, waarvan de zetel is gevestigd te 1040 Brussel, Blijde-

komstlaan 1-5; - de Orde van advocaten bij de balie te Luik, waarvan de zetel is gevestigd te 4000 Luik, Gerechtsgebouw, place Saint-Lambert; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord

gediend. De Raad van de Balies van de Europese Unie, de Orde van advocaten bij de balie te Luik en de Ministerraad hebben ook memories van wederantwoord

gediend. Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen

de zaak nr. 3064; . Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie Brussel, voor de verzoekende partijen

de zaak nr. 3065; . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, voor de Orde van advocaten bij de balie te Luik; 3 . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Raad van de Balies van de Europese Unie; . Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken

beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II.

rechte -A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.1. De Ordre van Franstalige en Duitstalige balies (hierna : O.B.F.G.) en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat zij, ieder voor wat haar betreft, de taak hebben om te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en dat zij alle

itiatieven en maatregelen kunnen nemen die nuttig zijn voor de loyauteit

het beroep alsmede voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. A.1.

  1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat zij een belang hebben om de vernietiging te vorderen van bepalingen die afbreuk doen aan het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat. De Orde van Vlaamse balies verwijst bovendien naar artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomsten A.2.1.
  2. De Raad van de Balies van de Europese Unie komt tussen

de beide zaken. Hij is het verbindingsorgaan tussen de balies van de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte en vertegenwoordigt al die balies bij de Europese

stellingen en andere

ternationale

stellingen. Die Raad heeft tot doel « elke studie met betrekking tot normen die direct of

direct het beroep van advocaat betreffen,

het bijzonder

de Europese supranationale context, te bestuderen, te organiseren en te bevorderen ». Hij zet uiteen dat de beroepen tot vernietiging hem

het bijzonder aanbelangen aangezien de verdediging van het beroep van advocaat een van zijn voornaamste bekommernissen vormt. Hij voegt daaraan toe dat zijn belang nog wordt vergroot door de omstandigheid dat één van de beroepen een verzoek tot prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevat. Hij verwijst naar de argumentatie die door de verzoekers wordt uiteengezet en vordert de vernietiging van de bestreden bepalingen. A.2.1.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Raad van de Balies van de Europese Unie. Hij is, enerzijds, van oordeel dat de tussenkomende partij niet het bewijs levert van de beslissing om

de procedure tussen te komen. Hij is, anderzijds, van oordeel dat haar maatschappelijk doel haar niet

staat stelt de belangen te vertegenwoordigen van alle advocaten en dat, zelfs

dien zulks het geval was, zij niet aantoont hoe het belang waarop zij zich beroept onderscheiden zou zijn van dat van haar leden elk afzonderlijk. 4 A.2.1.3. Ter terechtzitting doet de Raad van de Balies van de Europese Unie gelden dat de beslissing om

rechte te treden, en die is genomen per uitwisseling van e-mails,

overeenstemming is met artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, alsmede met de organieke wetgeving betreffende de

ternationale verenigingen zonder winstoogmerk en met haar statuten. Zij pleit tevens dat haar maatschappelijk doel specifiek is en niet samenvalt noch met de behartiging van het algemeen belang noch met de

dividuele belangen van haar leden. A.2.2. De Orde van advocaten bij de balie te Luik komt eveneens tussen

de beide zaken. Zij zet uiteen dat zij tot opdracht heeft de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die de basis vormen van het beroep van advocaat te handhaven en dat het haar toekomt de eer van de Orde van advocaten te vrijwaren, en zij besluit daaruit dat haar belang om tussen te komen

de rechtspleging duidelijk is. Zij wil de argumentatie van de verzoekende partijen steunen en kracht bijzetten. Ten aanzien van de draagwijdte van de beroepen, de bevoegdheid van het Hof en het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen A.3.1. De verzoekers, de tussenkomende partijen en de Ministerraad erkennen eensgezind dat de bestreden wet van 12 januari 2004 de bepalingen van de richtlijn 2001/97/EG omzet

de Belgische rechtsorde. A.3.2. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel verzoeken het Hof, naar aanleiding van de uiteenzetting van het eerste middel van hun verzoekschrift, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 234, eerste alinea, onder b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft

gevoegd

de richtlijn 91/308, voorziet

de opname van het beroep van advocaat

de personele werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die,

essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en

stellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen, terwijl die uitbreiding

principe strijdig lijkt met de waarborgen van de onafhankelijkheid van de advocaat - die wordt begrepen als de plicht om zijn cliënt te verdedigen

diens uitsluitend belang en buiten elke

vloed van de overheid - en van het beroepsgeheim, die de grondslagen vormen van het recht op een doeltreffende verdediging, ondanks de mogelijkheid die de lidstaten wordt gelaten om te voorzien

het optreden van de balie als filter ? ». A.3.3.

hoofdorde is de Ministerraad van mening dat het Hof niet bevoegd is om de grondwettigheid te beoordelen van het afgeleid Europees recht. Hij zet uiteen dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met name de voorrang van het Europees recht op het nationaal recht bevestigt, met

begrip van de grondwettelijke bepalingen ervan, en dat het corollarium van dat beginsel teweegbrengt dat het primair en secundair Europees recht geenszins door de bodemrechter op zijn grondwettigheid kan worden getoetst. Hij voegt daaraan toe dat, aangezien de bestreden wetsbepalingen de letterlijke omzetting vormen van een Europese richtlijn, de vernietiging ervan tot gevolg zou hebben dat de verplichtingen die voortvloeien uit het Europees recht onwerkzaam worden gemaakt, en zulks met schending van artikel 249 (ex artikel 189) van het E.G.-Verdrag. Hij besluit daaruit dat, teneinde de voorrang van het Europees recht te vrijwaren, de grondwettelijke bepalingen waarmee de omzettingswet strijdig zou zijn, dienen te worden geweerd en dat de mogelijke ongrondwettigheid van de wet van 12 januari 2004 door artikel 34 van de Grondwet « gedekt » wordt. A.3.4. De Ministerraad voegt verder daaraan toe dat mocht het Hof niettemin van oordeel zijn dat het moet onderzoeken of de bestreden bepalingen

overeenstemming zijn met de Grondwet, het een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zou moeten stellen, zoals de verzoekende partijen

de zaak nr. 3064 suggereren, opdat dat Hof onderzoekt of de richtlijn 2001/97/EG

overeenstemming is met de grondrechten die, volgens een vaste rechtspraak, deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen die het Hof van Justitie doet eerbiedigen. 5 A.3.5. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden, enerzijds, dat de omstandigheid dat de bestreden wet een richtlijn omzet niet elke toetsing vanwege het Arbitragehof uitsluit en, anderzijds, dat het niet juist is dat de richtlijn 2001/97/EG de wetgever geen enkele ruimte zou laten. Zij besluiten daaruit dat, ten aanzien van elke aangevochten bepaling, één van de volgende opties moet worden gekozen : ofwel aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een vraag stellen

verband met de geldigheid van de richtlijn, ofwel aan de Belgische wet een

terpretatie geven die zowel

overeenstemming is met de Grondwet als met de normen van het Europees recht, ofwel vaststellen dat de richtlijn de federale wetgever verscheidene mogelijkheden zou laten, en de grondwettigheid toetsen van de door hem

aanmerking genomen optie. A.3.6. Wat betreft artikel 4 van de bestreden wet, bedoeld

het eerste middel van hun verzoekschrift, zijn de O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel van oordeel dat het beginsel zelf van de toepassing van de wet op de advocaten

het geding is, en dat het Hof bijgevolg de prejudiciële vraag

verband met de geldigheid moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Zij preciseren dat,

vergelijking met dat middel, de andere middelen van ondergeschikte orde zijn zodat de uitspraak daarover moet worden aangehouden, mocht het Hof beslissen om een vraag te stelen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. A.3.7. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn, hunnerzijds, van oordeel dat het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de aangevochten wet, ondanks het feit dat die wet een Europese richtlijn

het

tern recht omzet.

ondergeschikte orde suggereren zij om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een vraag te stellen over het verplichte karakter van die richtlijn ten aanzien van de lidstaten en,

geval van een bevestigend antwoord, over de bestaanbaarheid van die richtlijn met de hogere beginselen van het Europees recht, zoals de rechten van de verdediging en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.3.8. De Raad van de Balies van de Europese Unie is van mening dat een antwoord op de

A.3.2 vermelde prejudiciële vraag absoluut noodzakelijk is om uitspraak te doen over de beroepen en dat, krachtens artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Hof de voormelde vraag dient te stellen. Ten aanzien van de middelen Wat betreft de artikelen 4, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 (eerste middel van het verzoekschrift nr. 3064 en eerste middel van het verzoekschrift nr. 3065) A.4.1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel doen gelden dat artikel 4 van de wet van 12 januari 2004,

zoverre het de wet van 11 januari 1993 van toepassing maakt op de advocaten, wat tot gevolg heeft dat zij voortaan verplicht zijn de stafhouder van de Orde op de hoogte te brengen wanneer zij feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze te maken hebben met het witwassen van geld, strijdig is met de fundamentele beginselen van de onafhankelijkheid van de advocaat en het beroepsgeheim, die precies de harde kern vormen van de rechten van de verdediging verankerd

artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij klagen bijgevolg een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

samenhang gelezen met de voormelde

ternationale bepalingen. Ze zijn van mening dat de

breuk door de wet van 12 januari 2004 op de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim van de advocaat onevenredig is en onbestaanbaar met de

ternationale verplichtingen van België

zake mensenrechten. Het O.B.F.G. en de Franse Orde van de advocaten bij de balie te Brussel verzoeken het Hof bijgevolg aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de voormelde prejudiciële vraag te stellen (A.3.2). A.4.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de artikelen 4, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, al dan niet

samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met de algemene beginselen van het recht van verdediging en met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat de wet van 11 januari 1993 toepasbaar maken op de advocaten het wezen van de advocatuur raakt en dat zulks op algemene wijze het beroepsgeheim en de onafhankelijkheid van de advocaat aantast, alsmede het fundamenteel recht van een cliënt op een advocaat die al zijn

itiatieven

een zaak uitsluitend

6 het belang van zijn cliënt neemt. Zij voegen daaraan toe dat de door hen aangevochten bepalingen tot zelfincriminatie van de cliënt leiden. A.4.

  1. De verzoekende partijen doen gelden dat het beroep van advocaat specifieke kenmerken vertoont die onverenigbaar zijn met de door hen aangevochten bepalingen en dat het beroepsgeheim van algemeen belang is, dat het voortvloeit uit de aard zelf van het beroep van advocaat en tot de essentie van het beroep behoort, en dat het een essentiële waarborg vormt voor de rechten van de verdediging. A.4.4.
  2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen zich ten onrechte op de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie baseren omdat dit Handvest, aangezien het is opgenomen

deel II van het ontwerp van Verdrag voor een Europese Grondwet, pas samen met die Grondwet

werking zal treden en

tussentijd slechts een politieke draagwijdte heeft. A.4.4.

  1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat het mogelijk is dat op het ogenblik waarop het Hof uitspraak zal moeten doen, het Verdrag zal zijn geratificeerd en dat het Handvest deel zal uitmaken van de ter toetsing aan het Hof voorgelegde normen. A.4.
  2. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen

de zaak nr. 3065 niet uiteenzetten hoe de artikelen 12 en 14 van de Grondwet door de

het geding zijnde bepalingen zouden kunnen worden geschonden. Hij besluit daaruit dat het middel niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari

  1. Hetzelfde geldt voor het argument dat wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.4.6.
  2. Ten gronde preciseert de Ministerraad dat zowel uit de context van de aangevochten wetgeving als uit de analyse van de bepalingen ervan blijkt dat de Belgische federale wetgever, op dezelfde wijze als de Europese wetgever, daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van het beroep van advocaat, en dat zulks zowel blijkt uit de beperking van de toepassingssfeer van de wet op het witwassen van geld voor wat betreft de advocaten als uit de specifieke regels die zijn

gesteld teneinde rekening te houden met het beroepsgeheim en de rechten van de verdediging. Hij besluit daaruit dat,

het licht van het wettige doel van de bestrijding van het witwassen van geld en vanuit de vaststelling dat de criminele organisaties steeds meer een beroep doen op de juridische beroepen om hun witwasoperaties uit te voeren, de wetgever de verplichtingen van de wet van 11 januari 1993 vermocht uit te breiden tot de advocaten. A.4.6.

  1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de Ministerraad geen rekening houdt met het beginsel van onafhankelijkheid dat aan de advocaat wordt toegekend, zowel door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen als door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij voegen daaraan toe dat het onderscheid dat gebaseerd is op het essentiële of bijkomstige karakter van de activiteiten van de advocaat juridisch onhoudbaar is, tenzij men de weg opgaat van een grote rechtsonzekerheid. A.4.6.
  2. De Orde van Vlaamse Balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen het « louter » schenden van het beroepsgeheim, en het verklikken en

crimineren van de cliënt, hetgeen de vertrouwensrelatie tussen hem en zijn advocaat op absolute wijze schendt. A.4.6.4. De Raad van de Balies van de Europese Unie is van mening dat de gelijkstelling van de advocaten met de andere personen bedoeld

de wet van 11 januari 1993 ruimer is dan op het eerste gezicht lijkt en dat de opsomming, vervat

het nieuwe artikel 2ter van de wet van 11 januari 1993, van de enkele activiteiten tijdens welke de advocaat onderworpen is aan de

die wet bedoelde verplichtingen, het niet mogelijk maakt alle traditionele activiteiten van de advocaat te beschermen. Hij voegt daaraan toe dat het optreden van de stafhouder evenmin van dien aard is dat het gevolg van de aangevochten bepalingen voor de uitoefening van het beroep van advocaat wordt beperkt. Hij brengt

herinnering, dat de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim en de plicht tot loyauteit, als specifieke kenmerken van de advocatuur, bijdragen tot het vertrouwen van het publiek

die helpers van het gerecht en dat dit vertrouwen niet alleen geldt voor sommige bijzondere opdrachten van de advocaat. Hij oordeelt dat het aangevochten artikel 4 op radicale wijze afbreuk doet aan de waarborgen van een eerlijk proces en dat het onevenredige karakter ervan nog duidelijker blijkt door het bestaan van de alternatieve oplossingen met het oog op de strijd tegen het witwassen van geld, namelijk de bestaande disciplinaire en repressieve maatregelen. 7 A.4.7.

  1. Wat betreft de grief van de verzoekende partijen die is gebaseerd op de omstandigheid dat de wet tot zelfincriminatie van de cliënt zou leiden, doet de Ministerraad opmerken dat de aangevochten wet de cliënt geenszins ertoe verplicht zelf de feiten van witwassen van geld bekend te maken en dat rekening moet worden gehouden met de beperkte toepassingssfeer van de wet : een advocaat die een cliënt verdedigt die wordt vervolgd wegens witwassen van geld valt niet onder de toepassingssfeer van de wet. Hij voegt daaraan toe dat het argument uitgaat van de verkeerde premisse volgens welke er een volkomen identiteit bestaat tussen de cliënt en de advocaat. A.4.7.
  2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat

de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de advocaat centraal staat

de problematiek van de zelfincriminatie. Wat betreft artikel 5 van de wet van 12 januari 2004 (tweede middel van het verzoekschrift nr. 3065) A.5.1. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel vorderen de vernietiging van artikel 5 van de aangevochten wet wegens schending van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet

samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij zetten uiteen dat de door hen aangevochten bepaling, waarbij een lijst van misdrijven wordt toegevoegd aan artikel 3 van de wet van 11 januari 1993, strijdig is met het legaliteitsbeginsel want men weet niet duidelijk op welke misdrijven de meldingsplicht van toepassing is. A.5.2. De Ministerraad brengt

herinnering dat, om de

A.4.4.1 uiteengezette motieven, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie slechts een politieke draagwijdte heeft. Hij voegt daaraan toe dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van een middel afgeleid uit de schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.5.3.1. De Ministerraad is van mening dat de wet van 11 januari 1993

zijn geheel moet worden beschouwd als een administratieve wet en niet als een strafwet. Hij doet opmerken dat die geen misdrijf

leven roept dat verband houdt met het misdrijf van witwassen van geld maar zich ertoe beperkt te voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of het financieren van het terrorisme. Hij besluit daaruit dat het legaliteitsbeginsel te dezen niet van toepassing is. A.5.3.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat het legaliteitsbeginsel eveneens van toepassing is op de administratieve sancties. Zij voegen daaraan toe dat de bestreden bepaling eveneens een

directe strafbaarstelling bevat die te wijten is aan de onduidelijkheid omtrent de vraag voor welke misdrijven de meldingsplicht geldt. Een advocaat die, te goeder trouw, een melding zou doen aan de Cel voor financiële

formatieverwerking terwijl hij zulks niet had moeten doen, is strafbaar op grond van artikel 458 van het Strafwetboek. A.5.4. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is

zoverre daarin het misdrijf van ernstige en georganiseerde fiscale fraude wordt beoogd, omdat dit misdrijf is

gevoerd

de wet van 7 april 1995 en niet door het aangevochten artikel is gewijzigd. A.5.5.

  1. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de wet en de parlementaire voorbereiding ervan wel degelijk voldoende aanknopingspunten bieden voor een voldoende nauwkeurige, duidelijke en voorspelbare omschrijving. A.5.5.
  2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de Ministerraad, door de systematische verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, aanneemt dat het legaliteitsbeginsel is geschonden omdat de precieze omschrijving van elk misdrijf dus niet

de tekst van de wet zelf is opgenomen. A.5.5.3. De Raad van de Balies van de Europese Unie is van mening dat,

zoverre

de nieuwe verplichtingen die de advocaat worden opgelegd bij de wet van 12 januari 2004 is voorzien krachtens het nieuwe artikel 22 van de wet van 11 januari 1993, op straffe van administratieve geldboeten waarvan het bedrag tot 1.250.000,00 euro kan oplopen, die verplichtingen duidelijk moeten worden geformuleerd, wat te dezen niet het geval is. 8 Wat betreft artikel 31 van de wet van 12 januari 2004 (tweede middel van het verzoekschrift nr. 3064 en vierde middel van het verzoekschrift nr. 3065) A.6.1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 31 van de aangevochten wet,

zoverre het de draagwijdte van artikel 19 van de wet van 11 januari 1993 uitbreidt tot de advocaten en de stafhouders, waarbij daardoor op hen het absolute verbod toepasbaar wordt gemaakt om een cliënt ter kennis te brengen dat

formatie is overgemaakt aan de Cel voor financiële

formatieverwerking, de advocaten en de andere

de wet bedoelde beroepen zonder verantwoording gelijkschakelt, wat een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene rechtsbeginselen

zake de rechten van de verdediging. A.6.2. Zij brengen

herinnering dat het verbod om de cliënt te verwittigen (« tipping off »)

de Europese richtlijn facultatief is. Zij voegen daaraan toe dat het gebrek aan loyauteit waartoe de advocaat door de door hen aangevochten bepaling is gehouden,

strijd is met het beginsel van onafhankelijkheid. A.6.3. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de

het geding zijnde bepaling een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet

samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de algemene beginselen van de rechten van de verdediging,

zoverre zij tot gevolg hebben dat het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt beheerst onherstelbaar wordt geschonden. A.6.4.1. De Ministerraad brengt

herinnering dat de verzoekers

de zaak nr. 3064 ten onrechte artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanvoeren (A.4.4.1). Hij voegt daaraan dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over een middel dat rechtstreeks een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de algemene rechtsbeginselen aanvoert zonder zich te baseren op een schending van een ter toetsing aan het Hof voorgelegde grondwetsbepaling. A.6.4.2. het O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de verwijzing naar het Handvest niet noodzakelijkerwijze ontoelaatbaar is (A.4.4.2) en dat het middel ontvankelijk is

zoverre het is gebaseerd op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de algemene rechtsbeginselen. A.6.5.1. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat de federale wetgever erover heeft gewaakt niet op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, en dat hij vermocht te oordelen dat het aan de advocaten en aan de stafhouder opgelegde verbod om aan de cliënt of aan derden de omstandigheid ter kennis te brengen dat

formatie is medegedeeld aan de Cel voor financiële

formatieverwerking of dat een opsporingsonderzoek wegens witwassen van geld aan de gang is, noodzakelijk was om de doeltreffendheid van de regeling te waarborgen. Hij preciseert dat de Europese wetgever de bedoeling had om het verbod van « tipping off » uit te breiden tot de onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, wat verantwoordt dat de Belgische federale wetgever om redenen van doeltreffendheid dat verbod ambtshalve heeft uitgebreid tot de advocaten. A.6.5.2. Het O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, alsmede de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat de richtlijn de federale wetgever de keuze liet en dat die bijgevolg een keuze diende te maken

overeenstemming met de Belgische Grondwet, namelijk de advocaat

staat stellen zijn cliënt op de hoogte te brengen. A.6.5.3. De Raad van de Balies van de Europese Unie voegt daaraan toe dat, ofschoon het denkbaar is dat het geheim van het gerechtelijk onderzoek geldt voor de advocaat ten aanzien van zijn cliënt wat betreft de

houd van het gerechtelijk onderzoek, het bestaan van het gerechtelijk onderzoek daarentegen ter kennis moet worden gebracht van zijn cliënt wanneer de advocaat daarvan op de hoogte wordt gebracht. Wat betreft artikel 27 van de wet van 12 januari 2004 (derde middel van het verzoekschrift nr. 3064 en derde middel, eerste onderdeel, van het verzoekschrift nr. 3065) A.7.1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 27 van de aangevochten wet,

zoverre het bepaalt dat de Cel voor financiële

formatieverwerking zich door de 9 advocaat die melding maakt omtrent een vermoeden, rechtstreeks alle bijkomende

formatie kan laten meedelen die zij nuttig acht zonder daarbij te voorzien

het optreden van de stafhouder, het beroepsgeheim van de advocaat schendt en dus de rechten van de verdediging, wat een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene rechtsbeginselen

zake de rechten van de verdediging. A.7.2. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel klagen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet

samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de algemene beginselen van het recht van de verdediging. Zij menen dat de aangevochten bepaling een discriminatie vormt

zoverre de Cel voor financiële

formatieverwerking zich rechtstreeks tot de advocaat wendt en

zoverre,

dien de advocaat bijkomende

formatie moet verstrekken, hij zulks rechtstreeks doet aan de voormelde Cel, hetgeen

houdt dat het beroepsgeheim a priori en op absolute wijze wordt geheven, zonder de filter van de stafhouder. A.7.3.1. De Ministerraad is

hoofdorde van mening dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te oordelen of een wetsnorm bestaanbaar is met de bepalingen die voortvloeien uit

ternationale verdragen. Hij voegt daaraan toe dat artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen bindende waarde heeft (A.4.4.1). A.7.3.2. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel verwijzen naar hun antwoord

verband met de andere excepties van onontvankelijkheid (A.4.4.2 en A.6.4.2). A.7.4.1. De Ministerraad zet ten gronde uiteen dat de

het geding zijnde bepaling geenszins ertoe leidt dat het beroepsgeheim a priori en op absolute wijze wordt opgeheven, vermits overeenkomstig artikel 15 van de wet van 11 januari 1993, dat verwijst naar artikel 11, § 2, van dezelfde wet, de kernactiviteiten van de advocatuur de vrijstelling genieten van de verplichting tot mededeling vervat

artikel 14bis, § 3, tweede lid, van dezelfde wet. Hij voegt daaraan toe dat de filterfunctie van de stafhouder niet kon worden uitgebreid tot het geval van het verzoek om

lichtingen door Cel voor financiële

formatieverwerking,

zoverre de richtlijn niet

die mogelijkheid voorzag voor lidstaten, maar dat niets de voormelde Cel verhindert om zich tot de stafhouder te wenden om de door haar gewenste bijkomende

lichtingen te verkrijgen. A.7.4.2. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zijn van mening dat de wetgever grondwettelijk niet kon bepalen dat de advocaat niet wordt beschermd wanneer hem om bijkomende

lichtingen wordt gevraagd, en dat ofwel de norm dient te worden vernietigd, ofwel de

terpretatie dient te worden verankerd volgens welke het optreden van de stafhouder verplicht is bij elke mededeling van de advocaat aan de Cel voor financiële

formatieverwerking. A.7.4.3. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel betwisten, hunnerzijds, de bewering van de Ministerraad volgens welke de richtlijn het niet mogelijk maakt de filter van de stafhouder

de bouwen wanneer de voormelde Cel om bijkomende

lichtingen verzoekt. Wat betreft artikel 30 van de wet van 12 januari 2004 (vierde middel van het verzoekschrift nr. 3064 en derde middel, tweede onderdeel, van het verzoekschrift nr. 3065) A.8.1. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 30 van de aangevochten wet,

zoverre het elke werknemer van een advocaat toestaat om persoonlijk aan de Cel voor financiële

formatieverwerking

formatie mede te delen telkens wanneer de normale procedure niet kan worden gevolgd, een schending vormt van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene rechtsbeginselen

zake de rechten van de verdediging. Zij zijn van oordeel dat

dien het opnemen van de advocaten

de toepassingssfeer van de wet bekritiseerbaar is, zulks a fortiori geldt voor de werknemers, des te meer daar die opname zonder enig vangnet is gebeurd. A.8.

  1. De Orde van Vlaamse balies en Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel zetten uiteen dat artikel 30 van de aangevochten wet impliceert dat het beroepsgeheim a priori en op absolute wijze wordt opgeheven, wat strijdig is met de lering van het arrest nr. 46/2000 van het Hof. 10 A.8.
  2. De vier verzoekers onderstrepen overigens dat de bedoelde werknemers noch bevoegd noch ertoe gemachtigd zijn

formatie mede te delen aan Cel voor financiële

formatieverwerking, zodat de

het geding zijnde maatregel niet relevant is. A.8.4.1. De Ministerraad brengt

herinnering dat artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen bindende waarde heeft (A.4.4.1). Hij herhaalt tevens dat het Hof niet bevoegd is om te oordelen of een bepaling van wetgevende aard bestaanbaar is met de

ternationale normen. A.8.4.2. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel verwijzen naar hun antwoord

verband met de andere excepties van onontvankelijkheid (A.4.4.2 en A.6.4.2). A.8.5.1. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat het duidelijk is dat de aangevochten bepaling moet worden gelezen

samenhang met de bepalingen die zijn

gevoerd teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van de advocatuur. A.8.5.2. De O.B.F.G. en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel antwoorden dat, bij ontstentenis van vernietiging, bij wege van eensluidende

terpretatie expliciet het beginsel zou moeten worden verankerd volgens hetwelk het voor de werknemers van advocaten strikt verboden is om enige melding van vermoeden rechtstreeks mede te delen aan de Cel voor financiële

formatieverwerking, maar dat die werknemers daarentegen contact dienen op te nemen met de stafhouder van de

gebreke blijvende advocaat. -B– Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.

  1. De Orde van Franstalige en Duitstalige balies, de Orde van Vlaamse balies, de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, verzoekende partijen, en de Orde van advocaten bij de balie te Luik, tussenkomende partij, doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die op het beroep van advocaat betrekking hebben en de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig kunnen raken, wat overigens niet wordt betwist door de Ministerraad. B.2.
  2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Raad van de Balies van de Europese Unie, om reden dat, enerzijds, de beslissing van die

ternationale vereniging zonder winstoogmerk om tussen te komen niet op geldige wijze door het bevoegde orgaan zou zijn genomen en, anderzijds, hij niet zou doen blijken van het bij de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang om voor het Hof tussen te komen. B.2.2. Artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 verplicht de tussenkomende rechtspersoon ertoe « het bewijs van de beslissing » om tussen te komen, voor te leggen, zonder te preciseren welke vorm die beslissing moet aannemen. De wet van 27 juni 11 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de

ternationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002, legt overigens geen bijzondere vormvereisten op aan de

ternationale verenigingen zonder winstoogmerk voor de door hun « bestuursorgaan » genomen beslissingen. Aangezien uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de beslissing om tussen te komen, is goedgekeurd door de meerderheid van de leden van het « permanent comité » van de vereniging dat, op grond van artikel XII, tweede lid, van haar statuten, bevoegd is om rechtsvorderingen te volgen, en dat de beslissing om tussen te komen derhalve is genomen door het bevoegde orgaan van de vereniging, heeft het weinig belang dat de stemming via elektronische post of op andere wijze heeft plaatsgehad en dat de personen die aan de beslissing hebben deelgenomen, daartoe niet fysiek zijn bijeengekomen. B.2.3.

de statuten van de Raad van de Balies van de Europese Unie wordt vermeld dat die Raad « zonder enig winstoogmerk, tot doel heeft elke studie met betrekking tot normen die direct of

direct het beroep van advocaat betreffen,

het bijzonder

de Europese supranationale context, te bestuderen, te organiseren en te bevorderen » en dat hij ertoe gemachtigd is « […] g) elke vraag met betrekking tot het beroep van advocaat te onderzoeken en oplossingen uit te werken teneinde de beroepsuitoefening ervan te harmoniseren, te coördineren en te ontwikkelen, en meer

het algemeen de belangen van het beroep van advocaat te behartigen en te bevorderen ». De Raad van de Balies van de Europese Unie doet derhalve blijken van het vereiste belang om tussen te komen

vernietigingsberoepen betreffende bepalingen die de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. B.

  1. De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. Ten gronde B.
  2. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op 12 het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs ». De bepalingen van die wet waartegen de beroepen zijn gericht, luiden : « Art. 4.

dezelfde wet wordt een artikel 2ter

gevoegd, luidende : ‘ Art. 2ter. - Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten : 1° wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen

verband met :

  1. a)de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven;
  2. b)het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;
  3. c)de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
  4. d)het organiseren van

breng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen; e) de oprichting, uitbating of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren; 2° of wanneer zij optreden

naam en voor rekening van hun cliënt

enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen

onroerend goed. ’ Art. 5.

artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° een § 1bis wordt

gevoegd, luidende als volgt : ‘ § 1bis. Voor de toepassing van deze wet wordt financiering van terrorisme verstaan

de zin van artikel 2, § 2, b), van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002

zake terrorismebestrijdingen en van artikel 2 van het

ternationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, goedgekeurd te New York op 9 december 1999. ’; 2°

§ 2

, 1°, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)

het eerste gedachtestreepje wordt het woord ‘ terrorisme ’ vervangen door de woorden ‘ terrorisme of de financiering van terrorisme ’; b)

het achtste gedachtestreepje worden de woorden ‘illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking of illegale handel

dergelijke stoffen ’ vervangen door de woorden ‘ illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel

dergelijke stoffen ’; 13 c)

het tiende gedachtestreepje worden de woorden ‘ van de Europese Unie ’ vervangen door de woorden van de ‘ Europese Gemeenschappen ’; d)

het twaalfde gedachtestreepje worden de woorden ‘ omkoping van openbare ambtenaren ’ vervangen door de woorden ‘ verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en omkoping ’; e) 1° wordt vervolledigd door de volgende streepjes : ‘ - ernstige milieucriminaliteit; - namaak van muntstukken of bankbiljetten; - namaak van goederen; - zeeroverij ’; 3°

§ 2

, 2°, worden de woorden ‘ of een onwettig openbaar aantrekken van spaargelden ’ vervangen door de woorden ‘ , het onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning ’; 4°

§ 2

, 3°, worden de woorden ‘ een financiële oplichting ’ vervangen door de woorden ‘ een oplichting, een misbruik van vertrouwen, een misbruik van vennootschapsgoederen ’ en worden de woorden ‘ een bedrieglijke bankbreuk ’ vervangen door de woorden ‘ een misdrijf dat verband houdt met de staat van faillissement ’; 5°

§ 3

worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden ‘

artikel 2 ’ worden vervangen door de woorden ‘

de artikelen 2, 2bis en 2ter ’; b) de woorden ‘ van witwassen van geld ’ worden vervangen door de woorden ‘ van witwassen van geld en van financiering van terrorisme ’. […] Art.

  1. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, wordt vervangen als volgt : ‘ Artikel
  2. - §
  3. De

de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen dienen hun cliënten en de lasthebbers van hun cliënten te identificeren en hun identiteit te controleren, aan de hand van een bewijsstuk, waarvan een afschrift wordt genomen op papier of op elektronische drager wanneer : 1° ze een zakenrelatie aanknopen waardoor de betrokkenen gewone cliënten worden; 2° de cliënt wenst over te gaan tot het uitvoeren van : 14 a) een verrichting voor een bedrag van 10 000 EUR of meer, ongeacht of zij wordt uitgevoerd

één of

verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan; of

  1. b)een verrichting, zelfs wanneer het bedrag lager is dan 10 000 EUR, zodra wordt vermoed dat het gaat om witwassen van geld of om financiering van terrorisme; of
  2. c)een geldoverdracht waarvan sprake

artikel 139bis van de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs; 3° ze twijfelen aan de waarachtigheid of aan de juistheid van de identificatiegegevens over een bestaande cliënt. De identificatie en de controle betreffen de naam, de voornaam en het adres voor natuurlijke personen. Niettegenstaande artikel 5, § 1, betreffen ze voor rechtspersonen en trusts de naam en de zetel van de rechtspersoon, de bestuurders en de kennis van de bepalingen omtrent de bevoegdheid verbintenissen aan te gaan voor de rechtspersoon of de trust. De vereenzelviging slaat ook op het voorwerp en de verwachte aard van de zakenrelatie. § 2. De ondernemingen en personen bedoeld

de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, moeten een bestendige waakzaamheid aan de dag leggen ten opzichte van de zakenrelatie en een aandachtig onderzoek verzekeren van de uitgevoerde verrichtingen om zich ervan te vergewissen dat deze stroken met de kennis die ze hebben van hun cliënt, van zijn commerciële activiteiten, van zijn risicoprofiel en,

dien nodig, van de herkomst van de fondsen. § 3. Wanneer de ondernemingen en personen bedoeld

de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, hun waakzaamheidsplicht bedoeld

de §§ 1 en 2 niet kunnen nakomen, mogen ze geen zakenrelatie aanknopen of

stand houden. Ze beslissen zo een melding aan de Cel voor financiële

formatieverwerking overeenkomstig de artikelen 12 tot 14ter zich opdringt. § 4. De ondernemingen en personen bedoeld

artikel 2, met uitzondering van de 17°, 18° en 21°, mogen de waakzaamheidsplicht bedoeld

de §§ 1 en 2 laten uitvoeren door een derde zaakaanbrenger, voor zover deze eveneens een krediet- of financiële

stelling is

de zin van artikel 1 van richtlijn 91/308/EEG of een krediet- of financiële

stelling uit een land waarvan de wetgeving waakzaamheidsverplichingen oplegt die evenwaardig zijn met deze bepaald

de artikelen 4 en 5. De lid-Staten van de Financiële Actiegroep worden vermoed aan deze vereiste te voldoen. Op advies van de Cel voor financiële

formatieverwerking kan de Koning dit vermoeden uitbreiden tot andere Staten. § 5. De ondernemingen bedoeld

artikel 2, waarvan de activiteiten geldoverdrachten behelzen

de zin van artikel 139bis van de wet van 6 april 1995

zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, vermelden bij het overschrijven of overdragen van geld en bij de mededelingen daaromtrent, correcte en dienstige

lichtingen over hun cliënten-opdrachtgevers van de betrokken verrichtingen. Deze ondernemingen bewaren al die

lichtingen en geven ze door

geval zij als tussenpersoon optreden

een betaalketen. 15 § 6. De toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde verplichtingen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld

artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis,

functie van het risico dat de cliënt, de zakenrelatie of de verrichting vertegenwoordigt. Met betrekking tot § 5 wordt daarbij

zonderheid bepaald onder welke omstandigheden gegevens moeten worden bewaard of ter beschikking gesteld van overheden of van andere financiële

stellingen, met dien verstande dat

het reglement

specifieke bepalingen kan worden voorzien voor de grensoverschrijdende overschrijvingen die

batch worden doorgestuurd. ’. […] Art. 25.

artikel 14bis van dezelfde wet,

gevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : ‘ § 1. De

artikel 2bis, 1° tot 4°, bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de Cel voor financiële

formatieverwerking daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen ’; 2°

§ 2

, eerste lid, worden de woorden ‘ het witwassen van geld ’ vervangen door de woorden ‘ het witwassen van geld of de financiering van terrorisme ’; 3° dit artikel wordt aangevuld met de volgende paragraaf : ‘ § 3. De

artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de

dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. De

artikel 2ter bedoelde personen delen die

formatie echter niet mee

het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt

of

verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met

begrip van advies over het

stellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke

formatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen. De stafhouder controleert of de voorwaarden waarvan sprake

artikel 2ter en

het vorige lid zijn nageleefd.

dien deze voorwaarden zijn nageleefd, bezorgt hij de

formatie onmiddellijk aan de Cel voor financiële

formatieverwerking. ’. […] Art.

  1. Artikel 15, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1995 en van 10 augustus 1998, wordt vervangen als volgt : ‘ §
  2. Wanneer de Cel voor financiële

formatieverwerking

formatie ontvangt als bedoeld

artikel 11, § 2, mag de Cel of één van haar leden of één van haar personeelsleden, die daartoe is aangewezen door de magistraat die de Cel leidt of door zijn plaatsvervanger, 16 eisen dat binnen de door hen bepaalde termijn alle bijkomende

formatie wordt meegedeeld die zij nuttig achten voor de vervulling van de opdracht van de Cel : 1° door alle

stellingen en personen bedoeld

de artikelen 2, 2bis en 2ter alsook door de stafhouder bedoeld

artikel 14bis, § 3; 2° door de politiediensten,

afwijking van artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, als gewijzigd bij de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten; 3° door de administratieve diensten van de Staat; 4° door de curatoren

een faillissement; 5° door de voorlopige bewindvoerders bedoeld

artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997; 6° door de gerechtelijke overheden. Evenwel kunnen

lichtingen door een onderzoeksrechter niet worden medegedeeld aan de Cel zonder uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur en kunnen de

lichtingen verkregen van een gerechtelijke overheid door de Cel niet worden medegedeeld aan een buitenlandse

stelling bij toepassing van artikel 17, § 2, zonder de uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur. De

artikel 2ter bedoelde personen en de

artikel 14bis, § 3 bedoelde stafhouder delen die

formatie niet mee als de

artikel 2ter bedoelde personen deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt

of

verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met

begrip van advies over het

stellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke

formatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen. De gerechtelijke overheden, de politiediensten, de administratieve diensten van de Staat, de curatoren

een faillissement en de voorlopige bewindvoerders mogen de Cel voor financiële

formatieverwerking op eigen

itiatief alle

formatie bezorgen die zij nuttig achten voor de vervulling van haar opdracht. Het openbaar ministerie deelt aan de Cel voor financiële

formatieverwerking alle definitieve beslissingen mee die zijn genomen

dossiers

verband waarmee de Cel

formatie heeft meegedeeld met toepassing van de artikelen 12, § 3, en 16. ’ […] Art. 30.

artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : 17 ‘ De mededeling van de

de artikelen 12 tot 14ter bedoelde

formatie wordt normaliter gedaan door de persoon die binnen de

de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen overeenkomstig artikel 10 is aangesteld, of door de personen bedoeld

de artikelen 2bis, 1° tot 4° en 2ter. ’; 2°

het tweede lid worden de woorden ‘

de artikelen 2 en 2bis, 5°, ’ vervangen door de woorden ‘

de artikelen 2, 2bis en 2ter ’. Art. 31.

artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de woorden ‘ de

de artikelen 2 en 2bis bedoelde ondernemingen of personen ’ vervangen door de woorden ‘ de

de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen en de

artikel 14bis, § 3, bedoelde stafhouder ’ ». B.5. Uit de verzoekschriften en argumenten van de partijen blijkt dat

hoofdzaak wordt aangeklaagd dat de

het geding zijnde wet, bij artikel 4 ervan, het toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme uitbreidt tot de advocaten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de wetgever, door de advocaten te beogen, op onverantwoorde wijze afbreuk doet aan de beginselen van het beroepsgeheim en van hun onafhankelijkheid, beginselen die een bestanddeel vormen van het fundamenteel recht van iedere rechtzoekende op een eerlijk proces en op de eerbiediging van zijn rechten van verdediging, waardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met de algemene rechtsbeginselen

zake de rechten van de verdediging, met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, worden geschonden. B.6.1.

België hebben de advocaten een aanzienlijk aandeel

de rechtsbedeling, wat verantwoordt dat met betrekking tot de voorwaarden van toegang tot en de uitoefening van dat beroep eigen regels

acht worden genomen die verschillend zijn van diegene die voor andere vrije beroepen gelden. Luidens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek is het beroep van advocaat gebaseerd op de beginselen van « waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid ». B.6.2. Ze zijn onderworpen aan strikte deontologische regels, waarvan de

achtneming wordt verzekerd door de Raad van de Orde. Die kan, naar gelang van het geval, « waarschuwen, censureren, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van 18 een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiaires schrappen » (artikel 460, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.6.3. Uit het bijzondere statuut van de advocaten, vastgesteld

het Gerechtelijk Wetboek en

de reglementeringen die zijn aangenomen door de bij de wet van 4 juli 2001 opgerichte orden, vloeit voort dat het beroep van advocaat

België zich onderscheidt van andere zelfstandige juridische beroepen. B.7.1. De effectiviteit van de rechten van de verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen die persoon en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven

dien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt. Hieruit volgt dat de regel van het beroepsgeheim, waarvan de schending met name bij artikel 458 van het Strafwetboek wordt bestraft, een fundamenteel element van de rechten van de verdediging is. B.7.2. Weliswaar moet de regel van het beroepsgeheim wijken wanneer dat noodzakelijk blijkt of wanneer een hoger geachte waarde ermee

conflict treedt. Het opheffen van het beroepsgeheim van de advocaat moet evenwel, om met de fundamentele beginselen van de Belgische rechtsorde verenigbaar te worden geacht, door een dringende reden worden verantwoord en strikt evenredig zijn. B.7.3. Op basis van die beginselen heeft het Hof

het verleden geoordeeld dat niet kon worden aanvaard dat de wetgever ten aanzien van de rechtzoekende

een procedure van collectieve schuldenregeling een vermoeden van vervroegde afstand van het beroepsgeheim

stelt (arrest nr. 46/2000), of nog, dat het niet verantwoord was de curator ertoe te verplichten

het faillissementsdossier de prestaties aan te geven die hijzelf of een van zijn vennoten of rechtstreekse medewerkers zou hebben verricht voor de gefailleerde of de bestuurders of zaakvoerders van de gefailleerde vennootschap (arrest nr. 50/2004). B.8. Luidens artikel 1 ervan heeft de bestreden wet tot doel richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG 19 van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld,

het Belgisch recht om te zetten. Artikel 1, 2), van richtlijn 2001/97/EG voegt

richtlijn 91/308/EEG een artikel 2bis

, dat luidt : « De lidstaten zien erop toe dat de

deze richtlijn vastgestelde verplichtingen worden opgelegd aan de volgende

stellingen : […] 5. notarissen en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen wanneer zij deelnemen : a) hetzij door het bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt

verband met :

  1. i)de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven;
  2. ii)het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa; iii) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
  3. iv)het organiseren van

breng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;

  1. v)de oprichting, exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;
  2. b)hetzij door op te treden

naam en voor rekening van hun cliënt

enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie; […] ». Hieruit volgt dat de uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot de advocaten aan de Belgische wetgever wordt opgelegd door de voormelde richtlijn. Het Hof moet met dat element rekening houden alvorens te oordelen over de bestaanbaarheid van de wet met de Grondwet. B.

  1. De Europese wetgever is, zoals de Belgische wetgever, gehouden tot de eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces. Artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt immers : 20 « De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht ». B.
  2. Het Hof is niet bevoegd om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de voormelde richtlijn met het algemeen beginsel betreffende de rechten van de verdediging, waaraan de Europese wetgever op grond van het voormelde artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is gebonden. B.
  3. De verzoekende partijen vragen bijgevolg aan het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen betreffende de geldigheid van artikel 1, 2), van richtlijn 2001/97/EG, ten aanzien van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, die het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging omvatten. B.
  4. Op grond van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is « het Hof van Justitie […] bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen : […] b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de

stellingen van de Gemeenschap en van de ECB […] ».

de derde alinea van dezelfde bepaling wordt gepreciseerd : «

dien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen

een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke

stantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze

stantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden ». B.13. Aangezien de beroepen tot vernietiging van de wet die ertoe strekt richtlijn 2001/97/EG om te zetten, de geldigheid ervan

twijfel trekken, is het vereist dat, teneinde uitspraak te doen over de beroepen, vooraf uitsluitsel wordt gegeven omtrent de geldigheid van de voormelde richtlijn. Vooraleer de middelen worden onderzocht, dient bijgevolg de

het dictum geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te worden gesteld. 21 Om die redenen, het Hof, alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft

gevoegd

de richtlijn 91/308/EEG, voorziet

de opname van onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten,

de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die,

essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en

stellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, vervangen bij artikel 1, 5), van richtlijn 2001/97/EG) ? ». Aldus uitgesproken

het Frans,

het Nederlands en

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli 2005. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.126 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.083 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.