← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.127

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.127 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050713.14 Arrest- Rolnummer: 127/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-07-02 07:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 (wijziging van artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen »), gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel, het Hof van Beroep te Brussel, het Hof van Beroep te Antwerpen, het Hof van Beroep te Luik en de Correctionele Rechtbank te Kortrijk. Tekst van de beslissing Rolnummers 3082, 3085, 3086, 3099, 3104, 3106, 3109, 3192 en 3204 Arrest nr.127/2005 van 13 juli 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 (wijziging van artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen »), gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel, het Hof van Beroep te Brussel, het Hof van Beroep te Antwerpen, het Hof van Beroep te Luik en de Correctionele Rechtbank te Kortrijk. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

  1. a)Bij vonnis van 9 september 2004 in zake het openbaar ministerie tegen S. Frantsevitch en E. Delhuvenne, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 september 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 wijzigt wat de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 betreft, en aldus tot gevolg heeft dat twee verschillende procedureregelingen op hetzelfde ogenblik van toepassing zijn op beklaagden die gelijktijdig worden berecht voor mogelijkerwijs dezelfde rechter en voor mogelijkerwijs op dezelfde wijze gekwalificeerde feiten, naargelang die feiten vóór of na 1 september 2003 zouden zijn gepleegd ? ».
  2. b)Bij arrest van 21 september 2004 in zake het openbaar ministerie, de n.v. Autostrade Motor Leuven en de n.v. Autostrade Rent Lease tegen S. Sterkendries en D. Sauer, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 september 2004, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen van de strafvordering naargelang de - mogelijkerwijze soortgelijke - misdrijven die aan die beklaagden ten laste worden gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? ».
  3. c)Bij arresten van 23 september, 28 september en 15 oktober 2004 in zake het openbaar ministerie en de Belgische Staat tegen F. Tramontano en anderen, in zake het openbaar ministerie tegen R.B. en in zake het openbaar ministerie, S. Khan en A. Dahmany tegen M. Sanders, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 29 september, 1 oktober en 20 oktober 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijn voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen aanvult met de woorden ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het leidt tot het gelijktijdig bestaan van twee verschillende verjaringstermijnen van de strafvordering voor dezelfde misdrijven terwijl ze bij het plegen ervan de maatschappelijke orde op de dezelfde wijze verstoren en in de mate dat het leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering voor misdrijven begaan tot en met 1 september 2003 tegenover misdrijven begaan vanaf 2 september 2003 terwijl de bestaansreden van de verjaring van de strafvordering juist hierin ligt dat met het voortschrijden van de jaren, de bewijsvoering van de misdrijven steeds moeilijker wordt en de maatschappelijke orde er steeds minder baat bij heeft ? ». 3
  4. d)Bij arrest van 6 oktober 2004 in zake het openbaar ministerie en de Minister van Financiën tegen K. Sikandar, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 oktober 2004, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, zoals gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat artikel 3 van de genoemde wet, waarbij artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wordt gewijzigd, enkel van toepassing is op de misdrijven die zijn gepleegd vanaf 1 september 2003 en het op die manier twee verschillende systemen van schorsing van de verjaring handhaaft naargelang de vervolgde feiten vóór of na 1 september 2003 zijn gepleegd ? ».
  5. e)Bij vonnis van 15 oktober 2004 in zake het openbaar ministerie tegen G. Van Eeckhoutte, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 oktober 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, waarbij artikel 24 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering werd vervangen, in samenlezing met artikel 5, 2), van diezelfde wet zoals gewijzigd door artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, artikel 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verjaringsregime instelt dat niet zonder onderscheid van toepassing is op alle nog niet verjaarde misdrijven en tot gevolg heeft dat de verjaring van de strafvordering wegens een nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd voor 2 september 2003 geschorst wordt vanaf de zitting van het vonnisgerecht waarop de zaak wordt ingeleid, terwijl de verjaring van de strafvordering wegens een zelfde nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd na de datum van 1 september 2003 niet wordt geschorst vanaf de zitting waarop de zaak voor het vonnisgerecht wordt ingeleid ? ».
  6. f)Bij arrest van 13 oktober 2004 in zake het openbaar ministerie tegen J. Vrijsen en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 oktober 2004, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen van de strafvordering naargelang de - mogelijkerwijze soortgelijke - misdrijven die aan die beklaagden ten laste worden gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? ».
  7. g)Bij arrest van 7 december 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen G. Leys en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 december 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : 4 « Schendt artikel 33 van de Programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen aanvult met de woorden “en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum” de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het leidt tot het gelijktijdig bestaan van twee verschillende verjaringstermijnen van de strafvordering voor dezelfde misdrijven terwijl ze bij het plegen ervan de maatschappelijke orde op dezelfde wijze verstoren en in de mate dat het leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering voor misdrijven begaan tot en met 1 september 2003 tegenover misdrijven begaan vanaf 2 september 2003, terwijl de bestaansreden van de verjaring van de strafvordering juist hierin ligt dat met het voortschrijden van de jaren, de bewijsvoering van de misdrijven steeds moeilijker wordt en de maatschappelijke orde er steeds minder baat bij heeft ? ».
  8. h)Bij vonnis van 9 december 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen M. Vanden Bossche en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 17 december 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende procedureregelingen van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen voor de strafvordering naargelang de - mogelijkerwijze soortgelijke - feiten die aan die beklaagden ten laste worden gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3082, 3085, 3086, 3092, 3099, 3104, 3106, 3109, 3192 en 3204 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - S. Khan, wonende te 1390 Graven, Pierre des Béguines 2, in de zaak nr. 3099; - F. Tramontano, woonplaats kiezende te 1000 Brussel, Minimenstraat 41, in de zaak nr. 3086; - N. Geis, wonende te 2900 Schoten, aan de Venstraat 153A, in de zaak nr. 3086; - S. Sterkendries en D. Sauer, samenwonende te 3300 Tienen, Windmolenveld 68, in de zaak nr. 3085; - N. Slangen, wonende te 3500 Hasselt, De Schiervellaan 11/10, in de zaak nr. 3109; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft memories van antwoord ingediend. 5 Op de openbare terechtzitting van 11 mei 2005 : - zijn verschenen : . Mr. D. Wasserman, advocaat bij de balie te Brussel, voor S. Khan, in de zaak nr. 3099; . Mr. P. Vanderveeren, advocaat bij de balie te Brussel, voor F. Tramontano, in de zaak nr. 3086; . Mr. B. Gillard, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Helsen, advocaat bij de balie te Hasselt, voor N. Slangen, in de zaak nr. 3109; . Mr. V. Rigodanzo loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De aan de feitenrechter voorgelegde geschillen hebben betrekking op strafprocedures voor de Correctionele Rechtbank te Brussel (zaken nrs. 3082 en 3204), de Correctionele Rechtbank te Kortrijk (zaak nr. 3104), het Hof van Beroep te Antwerpen (zaken nrs. 3086, 3092, 3106 en 3192), het Hof van Beroep te Brussel (zaken nrs. 3085 en 3109) en het Hof van Beroep te Luik (zaak nr. 3099), en betreffen personen die ervan worden verdacht misdrijven te hebben gepleegd vóór 1 september 2003. Op die misdrijven zou het verjaringsstelsel van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, moeten worden toegepast ingevolge de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus 2003. De verwijzende rechter voert aan dat een verschil in behandeling bestaat onder de personen die voor identieke feiten na de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002 worden vervolgd en berecht, naargelang de feiten waarvan de beklaagden worden verdacht, zijn gepleegd vóór of na 1 september 2003, verschil in behandeling dat in strijd zou kunnen zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De voormelde rechtscolleges hebben geoordeeld de geschillen niet te kunnen beslechten alvorens het antwoord van het Hof te kennen op de prejudiciële vragen die de partijen hebben voorgesteld of die deze rechtscolleges ambtshalve hebben gesteld. 6 III. In rechte -A- Ten aanzien van het overlijden van de appellant in de zaak nr. 3092 A.1. In de zaak nr. 3092 is het Hof in een brief van 27 december 2004 in kennis gesteld van het overlijden van R.B., appellant voor de verwijzende rechter, zoals blijkt uit een uittreksel van de overlijdensakte die zijn advocaat heeft meegedeeld. Ten aanzien van de inhoud van de memories ingediend door de Ministerraad A.2. In de memorie met betrekking tot de samengevoegde zaken nrs. 3085, 3086, 3092, 3104, 3106, 3109, 3192 en 3204 is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vragen soortgelijk zijn aan de vragen gesteld in de zaken nrs. 2887, 2888, 2940 en 2954. Na te hebben verwezen naar de argumentatie die in die memories wordt uiteengezet, geeft hij een « bondige samenvatting » met de essentie van die argumentatie. De memorie toegezonden aan het Hof in de zaken nrs. 3082 en 3099 is, op enkele details na, identiek met de memorie betreffende de zaken nrs. 3085, 3086, 3092, 3104, 3106, 3109, 3192 en 3204. Ten aanzien van de vergelijking A.3.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de vragen geen antwoord behoeven, omdat de door de verwijzende rechters gemaakte vergelijkingen tussen situaties die door op verschillende ogenblikken toepasselijke bepalingen worden geregeld, onvoldoende relevant zijn en omdat beide categorieën onvoldoende vergelijkbaar zijn. De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 91/99 en 7/2000 en voert aan dat het verschil in behandeling onder beklaagden naargelang hun situatie wordt beoordeeld onder de gelding van de vroegere wet (indien de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd vóór 1 september 2003) of onder die van de nieuwe wet (indien de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd na 1 september 2003) geen verschil is dat moet worden onderzocht om de overeenstemming van een wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet na te gaan, anders wordt elke wetswijziging onmogelijk gemaakt. Hij voegt eraan toe dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de gewone wijziging van de wet en dat de onmogelijkheid om twee personen die eenzelfde misdrijf op een verschillend ogenblik hebben gepleegd, verschillend te behandelen, erop neerkomt elke wetswijziging te beletten. A.3.2. De geïntimeerde partij in de zaak nr. 3109 is van mening dat de gestelde prejudiciële vraag wel degelijk twee categorieën van personen beoogt die voldoende vergelijkbaar zijn, vermits het in beide gevallen gaat om rechtzoekenden die, in het kader van een strafgeding, ervan worden verdacht dezelfde misdrijven of soortgelijke misdrijven te hebben gepleegd. A.3.3. Volgens de geïntimeerde partij in de zaak nr. 3099 worden, hoewel het juist is dat twee rechtstoestanden, waarvan de eerste is onderworpen aan de vroegere wet en de tweede aan de nieuwe wet, niet als voldoende vergelijkbaar kunnen worden beschouwd, te dezen echter de daders van een misdrijf verschillend behandeld door een en dezelfde wet naargelang het misdrijf vóór of na 1 september 2003 is gepleegd. Het zou voorts verantwoord zijn te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid van de toestanden, mocht het verschil in behandeling voortvloeien uit de toepassing van verschillende rechtsplegingen voor verschillende rechtscolleges en in op zijn minst gedeeltelijk verschillende omstandigheden. Artikel 33 van de programmawet zou echter in het algemeen een extra schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering invoeren voor de misdrijven die vóór 1 september 2003 zijn gepleegd. 7 Ten aanzien van de redelijke verantwoording A.4.1. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het criterium van onderscheid niet alleen objectief, maar ook redelijk verantwoord is en verband houdt met het beoogde doel. In dat opzicht voert hij in de eerste plaats aan dat de wetgever, teneinde een goede rechtsbedeling te verzekeren, in 2002 de gevolgen had moeten nagaan van de afschaffing van de door hem in 1998 ingevoerde schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering, in het bijzonder de gevolgen van die verkorting van de verjaringstermijn voor de hangende zaken. Hij herinnert eraan dat de betwiste overgangsregeling, die in samenspraak met de gerechtelijke wereld is aangenomen, een gewettigd doel nastreeft, dat erin bestaat, enerzijds, te voorkomen dat de verkorting van de verjaringstermijn het de parketten materieel onmogelijk maakt te beletten dat een groot aantal zaken zou verjaren en, anderzijds, de rechters in staat te stellen zich te organiseren teneinde uitspraak te doen in zaken die verjaard zouden zijn indien rekening was gehouden met de voormelde verkorting, zonder overgangsregeling. De Ministerraad merkt vervolgens op dat die doelstelling in het verlengde ligt van de hervormingen van het stelsel van de verjaring van de strafvordering in 1993 en 2002, die ertoe strekten te vermijden dat zaken waarvan het ingewikkelde karakter de periode van de ingereedheidbrenging en die van het onderzoek ter terechtzitting verlengde, stelselmatig zouden verjaren. De Ministerraad is voorts van mening dat de uitgestelde inwerkingtreding van de nieuwe regeling van de gronden voor de verjaring van de strafvordering geen gevolgen heeft die onevenredig zijn met het nagestreefde doel. Hij erkent dat artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 sommige beklaagden belet de verjaring aan te voeren voor feiten die werden onderzocht tijdens de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002 - die het nieuwe stelsel van de schorsingsgronden voor de verjaring invoert - waarvan de toepassing het die beklaagden mogelijk zou hebben gemaakt de verjaring te genieten. In het licht van de arresten nrs. 91/99 en 7/2000 meent hij evenwel dat de wetgever niet kan worden verweten te hebben voorzien in een overgangsregeling die belette dat het nieuwe stelsel van de schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering onmiddellijk op alle hangende zaken van toepassing zou zijn. Hij merkt op dat de hoop van de beklaagde om de verjaring te genieten als gevolg van de wet van 16 juli 2002 te dezen is ontstaan na het plegen van de feiten en dat de wetgever niet kan worden verweten met die verwachtingen geen rekening te hebben gehouden. De Ministerraad leidt hieruit af dat de onzekerheid die voortvloeit uit het feit dat een misdrijf dat op het ogenblik dat het wordt gepleegd strafbaar is, nog met dezelfde straffen kan worden bestraft na het verstrijken van de verwachte verjaringstermijn - te dezen, door de aanneming van de wet van 16 juli 2002 - verantwoord is gelet op het nagestreefde doel. A.4.2. In hun memorie zijn de geïntimeerde partijen in de zaak nr. 3085 van mening dat dit verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Het doel van de wetgever, alsook de gevolgen die volgens hem uit de wet moesten voortvloeien, zouden nog steeds moeilijk te omschrijven zijn, aangezien de tekst van de wet niet zou overeenstemmen met de uiteenzettingen in de parlementaire voorbereiding. A.4.3. De eerste geïntimeerde partij in de zaak nr. 3086 voert aan dat het verschil in behandeling vervat in artikel 33 van de programmawet niet op een objectief criterium berust. Alleen opportuniteitsredenen zouden de laatste wijziging van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering verantwoorden. Bovendien zou die partij hebben beslist om in rechte te treden tot herziening van het eerste vonnis, precies omdat zij meende dat de eerste rechter de regels van de verjaring van de strafvordering niet had nageleefd. Door die laatste tijdens het geding te wijzigen, zou de wetgever afbreuk hebben gedaan aan de gewettigde verwachtingen van die partij. A.4.4. De tweede geïntimeerde partij in de zaak nr. 3086 beweert dat het optreden van de wetgever niet op objectieve elementen berust. Bovendien zou het niet verantwoord zijn om gedurende eenzelfde periode, of zelfs eenzelfde rechtspleging, twee verschillende verjaringsstelsels op identieke misdrijven toe te passen. Dat verschil in behandeling zou tot gevolg hebben dat op dezelfde misdrijven een verschillende verjaringstermijn zou worden toegepast naar gelang van de datum waarop ze zijn gepleegd, wat zou indruisen tegen de beginselen die de verjaring van de strafvordering regelen. 8 De wetgever zou ten slotte het beginsel van de rechtszekerheid hebben geschonden door afbreuk te doen aan de gewettigde verwachtingen van de burgers. A.4.5.1. In haar memorie is de geïntimeerde partij in de zaak nr. 3109 van mening dat het verschil in behandeling niet op een objectief criterium berust. De afschaffing van de schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering zou niet zonder onderscheid van toepassing zijn op alle personen die ervan worden beschuldigd een misdrijf te hebben gepleegd, maar alleen op die onder hen die ervan worden beschuldigd een misdrijf na 1 september 2003 te hebben gepleegd. De wetgever zou het wetgevend instrument niet kunnen gebruiken om, volgens zijn eigen bewoordingen, de gevolgen van een andere recente wet af te zwakken. A.4.5.2. Het criterium van onderscheid aangewend in artikel 33 van de programmawet zou voorts niet relevant zijn. Dat criterium zou niet in redelijk verband staan met het nagestreefde doel. Uit de parlementaire voorbereiding zou blijken dat de wetgever de strafbaarstelling van zeer ernstige misdaden gepleegd vóór 1 september 2003 wilde vergemakkelijken. Artikel 33 van de programmawet zou nochtans geen enkel onderscheid maken volgens de ernst van de gepleegde misdrijven. De wetgever zou in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering overigens opnieuw een onwerkbare en moeilijk leesbare bepaling hebben ingevoerd die precies wegens die wetgevende tekortkomingen was opgeheven. A.4.5.3. Het verschil in behandeling zou ten slotte niet redelijk evenredig zijn met het nagestreefde doel. Artikel 33 van de programmawet zou op onredelijke wijze afbreuk doen aan het beginsel van de rechtszekerheid, in zoverre de berekening van de verjaring van de strafvordering voor feiten die de geïntimeerde partij worden verweten, over een periode van vijf jaar vier keer zou zijn gewijzigd. De wederinvoering van een bepaling die de wetgever zelf als moeilijk leesbaar en onwerkzaam heeft beschouwd, zou overigens volstaan om de ontstentenis van evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling ten aanzien van het nagestreefde doel aan te tonen. Artikel 33 van de programmawet zou overigens niet noodzakelijk zijn om een overgangsperiode te regelen, aangezien een dergelijke periode reeds in 2002 werd ingevoerd. Ten slotte had het doel van de wetgever om sommige zeer ernstige misdaden te bestraffen, kunnen worden bereikt op een wijze die in mindere mate afbreuk deed aan de rechten van de burgers door de in het geding zijnde schorsingsgrond uitsluitend voor die categorie van misdrijven opnieuw in te voeren. A.4.6.1. De geïntimeerde partij in de zaak nr. 3099 voert aan dat alleen uitzonderlijke omstandigheden een optreden van de wetgever kunnen verantwoorden wanneer de laatstgenoemde, zoals te dezen het geval is, afbreuk doet aan een waarborg tegen rechtsonzekerheid. Het doel van de wetgever, dat erin bestaat het stelsel van de verjaring ten aanzien van sommige duidelijk identificeerbare misdaden en wanbedrijven te verzwaren, zou als willekeurig moeten worden beschouwd. Zowel artikel 12 van de Grondwet als de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zouden vereisen dat de regels van de strafprocedure alleen algemene en abstracte situaties kunnen beogen. In elk geval zou de wetgever geenszins hebben aangegeven waarom de datum van 1 september 2003 in aanmerking zou zijn genomen en het mogelijk zou maken het door hem ingevoerde verschil in behandeling te verantwoorden. Het doel van de wetgever zou overigens niet kunnen worden verantwoord door alleen het feit dat hij een overgangsregeling wilde invoeren in de regels met betrekking tot de verjaring van de strafvordering. Voor de vóór de inwerkingtreding van de wet van 11 december 1998 gepleegde misdrijven zou geen gewag van een dergelijke overgangsregeling kunnen worden gemaakt, vermits een dergelijke schorsingsgrond niet bestond toen ze werden gepleegd. De andere misdrijven gepleegd onder het toepassingsgebied van artikel 33 van de programmawet zouden evenmin op rechtmatige wijze aan een dergelijke overgangsregeling worden onderworpen, vermits de wet van 16 juli 2002 een procedureregel is en dus onmiddellijk moet worden toegepast. A.4.6.2. In ondergeschikte orde is die partij voorts van mening dat het door de wetgever gehanteerde criterium van onderscheid niet relevant is ten aanzien van het nagestreefde doel. Enerzijds, zou artikel 33 van de programmawet het verjaringsstelsel niet verzwaren voor zeer ernstige misdrijven die echter na 1 september 2003 zouden zijn gepleegd, zonder dat de reden hiervoor wordt ingezien. 9 Anderzijds, zou datzelfde artikel geen enkel onderscheid vaststellen naar gelang van de ernst van het vóór 1 september 2003 gepleegde misdrijf, zodat de wetgever aan het strengere verjaringsstelsel een geheel van misdrijven zou onderwerpen waarvoor dat stelsel slechts op onvolledige wijze aan het nagestreefde doel zou tegemoetkomen. A.4.6.3. In uiterst ondergeschikte orde betwist de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter voorts het evenredige karakter van de in het geding zijnde bepaling. Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Arbitragehof ter zake is de geïntimeerde partij van mening dat het instellen van de strafvordering voor het vonnisgerecht op zich niet kan aantonen dat het misdrijf in het collectieve bewustzijn is blijven bestaan. In werkelijkheid zou men zich vóór het instellen van een dergelijke vordering moeten afvragen of de afloop ervan nog kan tegemoetkomen aan een collectieve verwachting van de maatschappij. Artikel 33 van de programmawet zou eveneens een gelegenheidswet zijn, die discriminerend is, in zoverre de situatie van alle rechtzoekenden zou worden verergerd door een wet die alleen tot doel zou hebben de strafrechtelijke bestraffing van enkele individuen mogelijk te maken, terwijl de verjaring van de strafvordering een van de grondslagen van het strafrecht is. De verjaring van de strafvordering zou voorts beantwoorden aan verschillende regels, niet langer alleen volgens de aard van het misdrijf, maar ook volgens het ogenblik waarop het is gepleegd, wat zou indruisen tegen de algemene filosofie van het verjaringsstelsel. A.4.6.4. Artikel 33 van de programmawet zou overigens op onevenredige wijze afbreuk doen aan de inachtneming van de voorspelbaarheid van de strafwet. Volgens die partij heeft het getalm van de wetgever alleen kunnen leiden tot een ernstige aantasting van de gewettigde verwachtingen van de rechtzoekenden. Bovendien zou de aantasting te dezen niet het betreurenswaardige gevolg zijn van een volkomen nieuwe en onmiddellijk toepasselijke reglementering van de verjaring, maar wel integendeel het gewilde effect van een bepaling die uitsluitend de behandeling van in het verleden gepleegde misdrijven wil regelen. De bepaling zou overigens tot gevolg hebben dat het stelsel van de verjaring alleen wordt verzwaard ten aanzien van de personen die ofwel in de onmogelijkheid verkeerden van die nieuwe reglementering kennis te nemen op het ogenblik dat het misdrijf werd gepleegd, ofwel konden rekenen op de ontstentenis van een dergelijke schorsingsgrond, en niet ten aanzien van diegenen die het misdrijf met volle kennis van zaken plegen. Artikel 33 van de programmawet zou ook tot gevolg hebben dat een dubbel systeem van verjaring van de strafvordering van kracht blijft tot 2043, wat de toepassing van de strafprocedure zonder enige redelijke verantwoording blijvend ingewikkelder zou maken. A.4.6.5. Het evenredige karakter van de maatregel wordt ten slotte betwist ten aanzien van de normatieve inhoud ervan. De ongelukkige formulering van de schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering die opnieuw wordt ingevoerd bij artikel 33 van de programmawet zou het voorspelbare karakter ervan aanzienlijk aantasten. Artikel 12 van de Grondwet, alsook de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van behoorlijke wetgeving, zouden de wetgever verbieden de wettechnische kwaliteit van de regels die hij aanneemt, in het bijzonder in strafzaken, te verminderen. Wanneer de wetgever zelf heeft erkend dat de vroegere situatie niet billijk was en hij die dienovereenkomstig wijzigt, zou hij overigens ertoe gehouden zijn die situatie onverwijld te verhelpen. Bovendien zou de wetgever niet aantonen dat het doel dat hij nastreeft alleen zou kunnen worden bereikt door de door hem aangenomen bepaling. Integendeel, sommige maatregelen werden al bij de wet van 16 juli 2002 genomen om het verval van de verjaring voor de niet-correctionaliseerbare misdaden uit te stellen. De wetgever zou zich dus daarop hebben kunnen inspireren en gebruik maken van methodes die in mindere mate afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van de rechtzoekenden om zijn doel te bereiken. 10 -B- Ten aanzien van het overlijden van de appellant in de zaak nr. 3092 B.1. Bij beschikking van 13 januari 2005 heeft het Hof beslist de zaak nr. 3092 van de rol te schrappen. Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.2.1. Artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 4 juli 2001 « tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3°, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » bepaalt : « De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen : 1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen : - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie; 11 - vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht; 2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil; 3° in de gevallen bepaald bij artikel 447, derde en vijfde lid, van het Strafwetboek; 4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst ». B.2.2. Artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » vervangt dat artikel 24 door de volgende bepaling : « De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst ». Door die wijziging van artikel 24 heft de wetgever voor de verjaring van de strafvordering enkel de eerste schorsingsgrond op zoals daarin is voorzien in de in B.2.1 vermelde tekst, aangezien de nieuwe tekst nog steeds de drie andere schorsingsgronden beoogt (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2-4). Artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 preciseert dat dat artikel 3 « in werking [treedt] op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Ten gevolge van de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2002, is artikel 3 - en de erin vervatte nieuwe tekst van artikel 24 - in werking getreden op 1 september 2003. 12 B.2.3. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 voegt aan het voormelde artikel 5, 2), na de woorden « in het Belgisch Staatsblad » de woorden « en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum » toe. Het Hof dient zich in deze zaken niet uit te spreken over de draagwijdte van het verschil tussen de Nederlandse versie (« na deze datum ») en de Franse versie (« à partir de cette date ») van deze bepaling. Die wijziging, die in werking is getreden op 1 september 2003 krachtens artikel 34 van de voormelde programmawet, heeft tot gevolg dat de in de wet van 16 juli 2002 vervatte tekst van artikel 24 - eveneens in werking getreden op 1 september 2003 - enkel van toepassing is op de strafvorderingen in verband met misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. De verjaring van de strafvordering in verband met andere misdrijven blijft aldus geregeld door het voormelde artikel 24, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is ingevoegd bij de wet van 11 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001. B.2.4. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het verschil in behandeling te onderzoeken tussen twee categorieën van rechtzoekenden die worden beoordeeld na 1 september 2003 : enerzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens misdrijven gepleegd tot aan die datum en voor wie de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag van de terechtzitting waarop die vordering wordt ingeleid voor het vonnisgerecht en, anderzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens later gepleegde misdrijven en voor wie de verjaring van de strafvordering om die reden niet kan worden geschorst. Daaruit blijkt dat de toetsing van het Hof dient te worden beperkt tot artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003. 13 Ten aanzien van de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.3. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vloeit voort uit een vaststelling die is gedaan op basis van informatie die door verschillende parketten en parketten-generaal aan de bevoegde minister werd bezorgd : de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 waarbij het systeem van de schorsing van de verjaring van de strafvordering vanaf de inleidingszitting wordt afgeschaft, dreigde, in het rechtsgebied van sommige hoven van beroep, op 1 september 2003 tot de onherroepelijke verjaring te leiden van « een heleboel, vooral zware zaken (drugs, mensenhandel, eco-fin zaken, B.T.W.-carrousels, bankbreuken, enz.) » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, p. 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-3, 6-7). De in het geding zijnde bepaling wordt gemotiveerd door de bekommernis om met name mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen niet het « nooit geziene cadeau » te geven dat, in die omstandigheden, de onmiddellijke toepasbaarheid van het voormelde artikel 3 zou zijn (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, pp. 3 en 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-7). B.4.1. Met artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 heeft de wetgever zich ertoe beperkt de regeling van de schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering te wijzigen. Hij heeft geen nieuw misdrijf in het leven geroepen, noch het stelsel van de straffen gewijzigd, noch een nieuwe verjaringstermijn ingevoerd. B.4.2. Met de opheffing van de schorsingsgrond bedoeld in artikel 24, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoerd bij de wet van 11 december 1998, heeft de wetgever willen reageren op de moeilijkheden die de toepassing van die regel had doen ontstaan (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2 en 3; ibid., DOC 50-1625/005, p. 10). B.5.1. Het komt de wetgever toe de inwerkingtreding van de wet te regelen en al dan niet overgangsmaatregelen aan te nemen. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om af te wijken van de regel volgens welke de wetten op de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen op het moment van de inwerkingtreding ervan. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden enkel worden 14 geschonden indien de overgangsmaatregelen een verschil in behandeling in het leven zouden roepen waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.5.2. Door de regel af te schaffen volgens welke de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de inleiding ervan voor het vonnisgerecht, heeft de wetgever een - voor de beklaagden gunstige - maatregel aangenomen, waarvan hij, met toepassing van het voormelde artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de inwerkingtreding vermocht vast te stellen op de eerste dag van de twaalfde maand na die van de bekendmaking van de nieuwe bepaling, zoals daarin is voorzien in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002. B.5.3. De personen die een misdrijf hadden gepleegd vóór de bekendmaking van artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vermochten de hoop te koesteren de nieuwe regel te genieten, mits zij na 1 september 2003 zouden worden berecht. Zij hebben echter niet daarvan kunnen profiteren, aangezien de wetgever, met de aanneming van die bepaling, beslist heeft dat de nieuwe regel enkel van toepassing zou zijn op de misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. B.5.4. Het staat niet aan het Hof de wijze te beoordelen waarop de wetgever, van 1998 tot 2003, vier opeenvolgende wijzigingen inzake de verjaringsregeling van de strafvordering heeft doorgevoerd. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen hebben uitsluitend betrekking op de discriminaties die de wijziging van een overgangsmaatregel zou kunnen teweegbrengen. B.5.5. De in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 vervatte overgangsmaatregel heeft niet het in B.5.3 aangehaalde verhoopte gevolg gehad wegens de wijziging ervan bij de in het geding zijnde bepaling. De rechtzoekenden, die hadden gehoopt dat gevolg te kunnen genieten, werden door die bepaling misschien teleurgesteld in hun verwachtingen, maar ze heeft niet twee categorieën van personen in het leven geroepen waarop twee opeenvolgende overgangsregelingen van toepassing zouden zijn, aangezien dat gevolg van de eerste overgangsregeling zich nooit heeft voorgedaan. B.6. Het Hof dient nog het verschil in behandeling te onderzoeken dat voortvloeit uit de overgangsbepaling vervat in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003. 15 B.7. Het is eigen aan een overgangsregeling dat ze de gelijktijdige toepassing van een nieuwe wet en een vroegere wet mogelijk maakt. Door te beslissen dat de nieuwe regel enkel van toepassing zal zijn op misdrijven gepleegd - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) 1 september 2003, heeft de wetgever een maatregel genomen die in redelijkheid is verantwoord ten aanzien van het in B.3 beschreven doel. Ofschoon hij, met artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de overgangsmaatregel heeft gewijzigd die hij had vastgesteld in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, heeft hij zodoende het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De wetgever kan immers op een eerdere keuze terugkomen. B.8. In zoverre de in het geding zijnde maatregel ook strafvorderingen zou beogen in verband met feiten die niets te maken hebben met de criminaliteit waarvan sprake in de parlementaire voorbereiding, kan hij evenmin worden beschouwd als onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Hoewel tijdens de parlementaire voorbereiding vermeld in B.3 sommige vormen van criminaliteit meer in het bijzonder zijn vermeld, had de doelstelling van de wetgever niet uitsluitend daarop betrekking. De gegeven voorbeelden beoogden de aandacht te vestigen op de zwaarste misdrijven die zouden verjaren, maar niet een exhaustieve lijst daarvan te geven. B.9. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de wetgever, door de toepassingssfeer van het nieuwe artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te beperken tot de misdrijven bedoeld in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, geen onverantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen. B.10. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli 2005. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.