← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.129

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.129 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050713.15 Arrest- Rolnummer: 129/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-02 06:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de artikelen 50, eerste lid, en 58 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, ingesteld door P. d'Arripe en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3710 Arrest nr. 129/2005 van 13 juli 2005 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 50, eerste lid, en 58 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, ingesteld door P. d’Arripe en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 mei 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juni 2005, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 50, eerste lid, en 58 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2005), door P. d’Arripe en M. Legrain, wonende te 4870 Trooz, rue des Grosses Pierres 35, J. Hasard- Austen, wonende te 4870 Trooz, rue des Grosses Pierres 7B, C. Wynen, wonende te 4870 Trooz, rue des Grosses Pierres 21, J. Fraeijs de Veubeke, wonende te 4870 Trooz, rue des Grosses Pierres 33, A. Dubois, wonende te 4870 Trooz, Clos Bois-Lemoine 45, T. Regout, wonende te 4870 Trooz, Clos Bois-Lemoine 27, J.-L. Van Esch en L. Rodochonska, wonende te 4621 Retinne, rue des Trois-Chênes 57, A. Gevers, wonende te 4870 Trooz, rue Bois-Lemoine 41, N. Laloux, wonende te 4052 Beaufays, route de l’Abbaye 112, F. Gevers, wonende te 4870 Trooz, Clos Bois-Lemoine 3, R. Luthers, wonende te 4870 Trooz, rue Masta 1A, F. Falisse, wonende te 4052 Beaufays, rue des Grosses Pierres 55, A. Baronheid, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 11, J. Clavier, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 31, R. Leroy, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 43, F. Dejaeghere, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 41, A. Balthasart, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 47, M. Kenler, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 23, P. Kenler, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 23, F. Honhon, wonende te 4623 Magnée, avenue des Sorbiers 23, A. Maertens de Noordhout en C. de Schaetzen, wonende te 4052 Beaufays, rue de Trooz 130, P. Grisard, wonende te 4050 Chaudfontaine, avenue de la Rochette 5, A. Vaelen en M. David, wonende te 4052 Beaufays, rue de Trooz 94, M. Traversin, wonende te 4870 Trooz, Clos Bois Lemoine 4, J. Mellart en C. Michiels, wonende te 4632 Cerexhe, rue du Centenaire 18, F. Walraffe en J. Marielle, wonende te 4632 Cerexhe-Heuseux, rue du Fawtay, R. Nelis, wonende te 4630 Ayeneux-Soumagne, J. Derkenne, wonende te 4621 Retinne, rue Bureau 95, en de v.z.w. Groupement Cerexhe-Heuseux/Beaufays, met maatschappelijke zetel te 4052 Beaufays, rue des Grosses Pierres

  1. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decretale bepalingen. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - is verschenen : Mr. L. Dehin, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– Ten aanzien van de bestreden bepalingen A.
  2. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 50, eerste lid, en artikel 58 van het programmadecreet van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, alsook tegen « alle andere eventuele bepalingen van hetzelfde programmadecreet » die het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (W.W.R.O.S.P.) wijzigen « in verband met de opneming van wegen en autosnelwegen in gewestplannen, ontwerpen en reservatiegebieden ». A.2.
  3. De verzoekende partijen merken op dat de auteurs van het gewestplan Luik – goedgekeurd bij een besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 26 november 1987 –, met het oog op de verwezenlijking van een autosnelwegverbinding om het verkeer in het stadscentrum van Luik te verminderen, in dat plan een « reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied hebben opgenomen, zonder een tracé aan te geven […] tussen Beaufays en Cerexhe-Heuseux ». De verzoekende partijen onderstrepen dat een reservatiegebied een gebied is dat « tijdelijk onbebouwbaar is wegens een mogelijk openbaar project ». Zij zijn van mening dat de eerste bestreden bepaling ertoe strekt aan dat reservatiegebied « kracht van opneming in het gewestplan » toe te kennen, teneinde de verwezenlijking van die autosnelwegverbinding tussen Cerexhe-Heuseux en Beaufays (hierna : CHB-verbinding) mogelijk te maken zonder voorafgaandelijk het gewestplan Luik te moeten wijzigen, wat, op grond van artikel 42 van het W.W.R.O.S.P., een milieueffectrapport zou vereisen met onder meer een omschrijving van de doelstellingen van die wijziging, de verantwoording ervan, de voorstelling van mogelijke alternatieven en de inaanmerkingneming van de milieuproblemen die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden. A.2.
  4. Volgens de verzoekende partijen gaat de tweede bestreden bepaling uit van dezelfde idee. De afschaffing van de « bijzondere zonering » bepaald in artikel 39bis van het W.W.R.O.S.P. – dat de opneming van wegen in het gewestplan vereiste – zou worden verklaard door de zorg van de decreetgever om een tegenstrijdigheid te vermijden met de wijziging van artikel 23, bij het bestreden artikel 50, eerste lid. Ten aanzien van het belang A.
  5. De individuele verzoekende partijen wonen op het grondgebied van een van de vier bij de CHB-verbinding betrokken gemeenten, in de nabijheid of in het reservatiegebied waarin het gewestplan Luik voorziet. Slechts een van hen is geen eigenaar van zijn woning. De eigendommen van drie van hen worden bovendien doorsneden door het tracé van de verbinding, dat intussen is aangenomen door het Waalse Ministerie van Uitrusting en Vervoer. Die verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen hen benadelen, in zoverre zij beletten dat, enerzijds, dat project het voorwerp uitmaakt van een algemeen milieueffectrapport waarin onder meer de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden worden onderzocht, en, anderzijds, dat project voor advies aan hen wordt voorgelegd in het kader van een openbaar onderzoek dat na die studie wordt uitgevoerd en dat voor elke herziening van een gewestplan verplicht is. A.
  6. De vereniging zonder winstoogmerk « Groupement Cerexhe-Heuseux/Beaufays » is in 1996 ontstaan uit de fusie van verschillende buurtcomités die sinds 1977 in naam van de milieubescherming de strijd aanbinden tegen het project van de CHB-verbinding. Daartoe heeft zij getracht met de openbare overheden overleg te plegen en een objectieve evaluatie te verkrijgen. Het maatschappelijk doel van die vereniging bestaat in het verzet tegen de aanleg van de autosnelwegverbinding tussen Cerexhe-Heuseux en Beaufays, ongeacht het tracé daarvan, en de bescherming van het leefmilieu in de vier bij dat tracé betrokken gemeenten, waar de individuele verzoekende partijen wonen. De statutaire definitie van haar maatschappelijk doel preciseert dat onder leefmilieu dient te worden begrepen de kwaliteit en de diversiteit van de ecosystemen en natuursoorten, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, de landschapswaarde, het water, de lucht en de andere voor de mens vitale elementen, alsook de rust in de omgeving. Dat maatschappelijk doel omvat ook het aanwenden van de rechtsmiddelen die tot doel hebben de 4 naleving van de wetten tot bescherming van het leefmilieu, met inbegrip van de plannen van aanleg, te waarborgen. Zij is bijgevolg van mening dat zij moet worden betrokken bij het openbaar onderzoek dat had moeten plaatshebben met het oog op de herziening van het gewestplan en dat als gevolg van de bestreden bepalingen niet zal plaatshebben. Ten aanzien van de middelen A.
  7. Het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, beoogt alleen artikel 50, eerste lid, van het programmadecreet van 3 februari
  8. De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling een onverantwoord en kennelijk onevenredig verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van bewoners van het Waalse Gewest wier leefmilieu wordt aangetast door een project voor de aanleg van een grote verkeersweg. Zij die wonen in de nabijheid van een reservatiegebied dat, vóór de aanneming van de bestreden bepaling, is opgenomen in het gewestplan, zonder vermelding van een tracé, worden de waarborgen ontnomen die zijn vervat in artikel 23 van het W.W.R.O.S.P. (vermelding in het gewestplan van het bestaande en geplande tracé van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen) en in de procedure voor de herziening van de gewestplannen, zoals geregeld bij de artikelen 42, 43 en 46 van hetzelfde Wetboek (milieueffectrapport, openbaar onderzoek betreffende het ontwerp-plan, enz.). De andere bewoners van het Waalse Gewest wier leefmilieu door een dergelijk project wordt aangetast, blijven die waarborgen daarentegen genieten. A.
  9. De verzoekende partijen onderstrepen dat de milieueffectrapportering waarin de procedure voor de wijziging van de gewestplannen voorziet, met name een omschrijving van de doelstellingen van het voorontwerp van wijziging, de verantwoording ervan, een voorstelling van de mogelijke alternatieven en de verantwoording ervan, en een niet-technische samenvatting omvat. Zij merken ook op dat die studie, volgens de versie van artikel 42 van het W.W.R.O.S.P. die vóór 11 maart 2005 van kracht was, daarnaast een evaluatie van de vermoedelijke effecten van de uitvoering van het ontwerp-plan op de mens en zijn activiteiten, de fauna, de flora, de bodem, de ondergrond, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen, het erfgoed, alsook de wisselwerking tussen die verschillende factoren omvatte, en dat die studie, volgens het nieuwe artikel 42, de milieuproblemen moet onderzoeken met betrekking tot de gebieden die zijn aangewezen overeenkomstig de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Natura 2000-gebieden). A.
  10. De verzoekende partijen voeren ook aan dat het bestreden artikel 50, eerste lid, de gewestplannen wijzigt zonder dat de daartoe voorziene procedure wordt gevolgd, en dat het doel van de aldus aangebrachte wijziging van het gewestplan Luik bestaat in de aanleg van de CHB-verbinding. In dat verband merken zij op dat die wettelijke bepaling aan de reservatiegebieden – en in het bijzonder aan het gebied dat in het gewestplan Luik is opgenomen – de « waarde van een opneming » in het gewestplan, een « planologische waarde », toekent, terwijl die gebieden tot dan toe voor de regering en de administratie slechts een indicatieve waarde hadden en slechts een « eventuele grondreserve non aedificandi » vormden. Zij merken overigens op dat, volgens de commentaar bij het gewestplan Luik en een brief van de Waalse Minister van Ruimtelijke Ordening van 1 augustus 2002, de aanleg van die autosnelwegverbinding de opneming van het op objectieve basis gekozen tracé in het gewestplan veronderstelt en bijgevolg een wijziging daarvan volgens de daartoe voorziene procedure. A.
  11. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, van het Grondwet, van artikel 10, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, van artikel 23 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting. 5 De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepalingen de voorafgaande evaluatie van de gevolgen voor het leefmilieu en de raadpleging van het publiek met betrekking tot het plan vereisen, met loyale naleving van het gemeenschapsrecht, waarvan de toepassing door geen enkele maatregel in het gedrang mag worden gebracht. A.
  12. Volgens de verzoekende partijen heft het bestreden artikel 50, eerste lid, voor de reservatiegebieden, de verplichting op om een milieueffectrapportering uit te voeren over met name de milieuaspecten bedoeld in de voormelde richtlijn 92/43/EEG, alsook de verplichting om een openbaar onderzoek te doen, terwijl de opheffing van artikel 39bis van het W.W.R.O.S.P. door het bestreden artikel 58 zonder enige motivering aan de administratie een beoordelingsvrijheid laat wat de opneming van infrastructuurwerken in het gewestplan betreft. A.10.
  13. De verzoekende partijen herinneren vervolgens eraan dat het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de waardering van de weerslagen op het leefmilieu in het Waalse Gewest, in de oorspronkelijke versie ervan, een milieueffectrapport vereiste voor de aanleg van autowegen, snelwegen, banen voor het langeafstandsverkeer van de spoorwegen, alsook van vliegvelden waarvan de banen voor het opstijgen en landen een lengte van 2100 meter of meer hebben. Zij verwijzen eveneens naar artikel 174 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, betreffende het beleid van de Gemeenschap inzake leefmilieu. Daarnaast merken zij op dat, na de aanneming van de voormelde richtlijn 2001/42/EG (in het bijzonder de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 1, ervan) en van het voormelde Verdrag van Aarhus (in het bijzonder de artikelen 6, lid 1, 6, lid 2, 6, lid 4, en 7, alsook bijlage I.8, b en c, ervan), de bepalingen betreffende de evaluatie van de gevolgen voor het leefmilieu en de raadpleging van het publiek in het kader van de wijziging van een gewestplan (artikelen 42 en 43 van het W.W.R.O.S.P.) zijn gewijzigd bij een decreet van 6 mei 1999 en een decreet van 18 juli
  14. A.10.
  15. Ten slotte merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat de aanleg van de CHB-verbinding geen wijziging van het gewestplan Luik meer vereist, waardoor de studies en het openbaar onderzoek - betreffende de beslissing inzake de inplanting van die autosnelweg, het opportune karakter ervan en de mogelijke wijzigingen van het tracé ervan teneinde de aantasting van het leefmilieu te beperken - die door de voormelde internationale en nationale bepalingen zijn vereist, niet meer moeten worden uitgevoerd. Zij voegen eraan toe dat alleen gerichte studies met betrekking tot de milieuaspecten in verband met de Natura 2000-gebieden zullen kunnen worden uitgevoerd, bij de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen betreffende bepaalde gedeelten van het tracé van de autosnelweg, en dat de ontstentenis van een studie betreffende het tracé in zijn geheel in strijd is met de artikelen 6 en 7 van de voormelde richtlijn 92/43/EEG. A.10.
  16. Uit hetgeen voorafgaat leiden de verzoekende partijen af dat de bestreden bepalingen leiden tot een beperking van de rechten die voortvloeien uit de voormelde nationale en internationale teksten, vermits alleen gerichte studies en onderzoeken zullen kunnen worden uitgevoerd bij de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen betreffende bijzondere gedeelten van de CHB-verbinding. A.10.
  17. De verzoekende partijen zijn derhalve van mening dat de bestreden bepalingen een betekenisvolle achteruitgang inhouden van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, wat onverenigbaar is met het standstill-effect van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. Zij verwijzen in dat opzicht naar het arrest nr. 169/
  18. Zij voeren aan dat die achteruitgang niet is gemotiveerd in de parlementaire voorbereiding van het programmadecreet dat de bestreden bepalingen bevat. Bovendien stellen zij vast dat geen enkele andere maatregel tot bescherming van een gezond leefmilieu is genomen om die significante achteruitgang te compenseren, teneinde te voorzien in waarborgen die gelijkwaardig zijn aan die welke voordien bestonden (openbaar onderzoek op basis van een milieueffectrapport dat de vereisten inzake de bescherming van het Natura 2000-netwerk omvat, enz.). Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.11.
  19. Het doel dat met de bestreden bepalingen wordt nagestreefd, bestaat volgens de verzoekende partijen erin het openbaar onderzoek van het project van de CHB-verbinding te beperken tot de weggedeelten waarvan de aanleg een stedenbouwkundige vergunning zal vereisen, teneinde een beoordeling van het project in 6 zijn geheel beschouwd en een algemeen debat te vermijden over het opportune karakter ervan, de gevolgen ervan voor het leefmilieu of het mogelijke bestaan van een alternatief, minder milieubelastend tracé. De verzoekende partijen leiden daaruit af dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, in zoverre hun het recht wordt ontnomen om te worden geraadpleegd, alsook het recht om hun argumenten aan te voeren en elke mogelijkheid om op basis van een algemene, objectieve en volledige milieueffectrapportering alternatieven aan de administratie voor te leggen. Zij merken vervolgens op dat de aantasting van het leefmilieu die daaruit onvermijdelijk zal voortvloeien, niet zal kunnen worden verminderd, vermits de wil om de door de milieueffectrapportering onderzochte hinder te verminderen, geen wijziging van het tracé zal kunnen verantwoorden en rekening zal moeten houden met het feit dat het gaat om hinder van een vooraf bepaald tracé. De verzoekende partijen merken bovendien op dat het tracé van de autosnelwegverbinding gebieden doorkruist die aan de Europese overheden zijn voorgesteld als Natura 2000-gebied. A.11.
  20. Zij onderstrepen dat, indien de bestreden bepalingen niet worden geschorst, de milieueffectrapporten en de openbare onderzoeken betreffende de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen uitgaande van het Waalse Ministerie van Uitrusting en Vervoer alleen nog betrekking zullen hebben op het door een vergunningsaanvraag beoogde weggedeelte en niet op het project in zijn geheel beschouwd, waardoor de verzoekende partijen geen opmerkingen zullen kunnen formuleren over het opportune karakter van het project van de verbinding, over het bestaan van mogelijke alternatieven en over de wijze om de hinder van het project in zijn geheel beschouwd, te verminderen. A.11.
  21. Uit het onderzoek van het bijzonder bestek dat het Ministerie van Uitrusting en Vervoer op 14 januari 2005 heeft opgesteld met het oog op de aanwijzing van een studiebureau in het kader van de verwezenlijking van die autosnelwegverbinding, leiden de verzoekende partijen ook af dat de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen op zijn vroegst in augustus 2006 zullen worden opgesteld en dat de werken in augustus 2007 zullen aanvangen. Zij merken op dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen zal plaatshebben na de uitreiking van die vergunningen en wellicht na het einde van de onteigeningsprocedures en de aanvang van de werken. Zij voeren aan dat, in dergelijke omstandigheden, een algemene milieueffectrapportering het niet meer mogelijk zal maken de gevolgen van het project te evalueren en eventuele alternatieven te overwegen, gelet op de dan reeds gerealiseerde investeringen en gestelde handelingen. A.11.
  22. De meeste verzoekende partijen merken op dat zij wonen op minder dan 500 meter van het gebied dat bestemd is voor het tracé van de CHB-verbinding, waarvan de verwezenlijking voor hen hinder zal meebrengen. Zij vrezen dat dit project hun leefmilieu sterk zal aantasten en wensen dat maatregelen worden genomen om het « op een gelijkwaardig niveau te behouden ». Zij betreuren dat de bestreden bepalingen hun het voordeel ontzeggen van een studie met betrekking tot het opportune karakter van het ontworpen tracé, de evaluatie van de hinder als gevolg van de verwezenlijking ervan en de maatregelen om de negatieve impact te verminderen, en dat die bepalingen het hun niet mogelijk maken om in het kader van een openbaar onderzoek op basis van die studie te worden geraadpleegd. A.11.
  23. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de ontstentenis van een evaluatie van het project in zijn geheel hen ertoe zal verplichten voor de Raad van State alle vergunningen aan te vechten die met het oog op de aanleg van die autosnelwegverbinding zullen worden uitgereikt, wat een overbelasting van dat administratieve rechtscollege en een « economische en menselijke kostprijs » met zich zal meebrengen. Zij verwijzen in dat opzicht naar het arrest nr. 129/2002, waaruit zij afleiden dat de verplichting om voor de Raad van State handelingen aan te vechten die voortvloeien uit een wettelijke bepaling, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt. A.
  24. In verband met het feit dat zij wordt benadeeld, voegt de v.z.w Groupement Cerexhe- Heuseux/Beaufays eraan toe dat zij, gelet op haar maatschappelijk doel – de bescherming van het leefmilieu in de vier voormelde gemeenten -, geroepen is om deel te nemen aan de onderzoeken betreffende de autosnelwegverbinding die deze gemeenten doorkruist, en om haar standpunt ter zake te doen gelden na het milieueffectrapport en de studies betreffende de Natura 2000-gebieden te hebben onderzocht. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  25. Artikel 23, eerste lid, 2°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (W.W.R.O.S.P.), zoals het is vervangen bij het decreet van 18 juli 2002 tot wijziging van dat Wetboek, bepaalde : « Het gewestplan bevat : […] 2° het bestaande en het geplande tracé van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen. […] ». Na de wijziging ervan bij artikel 50, eerste lid, van het programmadecreet van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging bepaalt het voortaan : « Het gewestplan bevat : […] 2° het bestaande en het geplande tracé of de oppervlakte voor reservatie die daarvoor in de plaats staat van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen. […] ». B.1.
  26. Artikel 58 van het voormelde programmadecreet heft daarnaast artikel 39bis van het W.W.R.O.S.P. op, dat, zoals ingevoegd bij het voormelde decreet van 18 juli 2002, als volgt luidde : « Net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen. 8 De hoofdinfrastructuren waarvan het bestaande en vooropgestelde tracé in het gewestplan is opgenomen, zijn de autosnelwegen, de gewestelijke verbindingswegen, de spoorlijnen, de vliegvelden, de bevaarbare waterwegen, de boven- of ondergrondse hoogspanningslijnen, de leidingen met minstens een gewestelijk belang. De Regering kan de gewestelijke verbindingswegen, de boven- of ondergrondse hoogspanningslijnen en de leidingen met minstens een gewestelijk belang bepalen ». Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.2.
  27. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.2.
  28. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
  29. De bestreden bepalingen hebben onder meer betrekking op de gegevens die een plan van aanleg in verband met de autosnelwegen moet bevatten. De individuele verzoekende partijen wonen in de nabijheid van een gebied dat het gewestplan betreffende het grondgebied waar zij wonen, voorbehoudt voor de aanleg van een autosnelwegverbinding. B.3.
  30. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt in het huidige stadium van de rechtspleging niet dat die verzoekende partijen niet zouden doen blijken van het vereiste belang om de voormelde bepalingen aan te vechten. De bestreden bepalingen hebben immers betrekking op de gegevens betreffende het leefmilieu van de verzoekende partijen en lijken daarom hun situatie rechtstreeks en ongunstig te raken. 9 B.
  31. Nu het belang van de meeste verzoekende partijen lijkt vast te staan, dient niet te worden onderzocht of ook de verzoekende vereniging doet blijken van het vereiste belang. B.
  32. Het Hof stelt echter vast dat beide middelen die worden uiteengezet in het gezamenlijke verzoekschrift van de verschillende verzoekende partijen, uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 50, eerste lid, en 58 van het programmadecreet; het beperkt zijn onderzoek dus tot enkel die bepalingen. Ten aanzien van de grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing B.
  33. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  34. Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat een ernstig nadeel voor de verzoekende partijen voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de aangevochten norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. B.8.
  35. Om het bestaan van een risico voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, voeren de verzoekende partijen aan dat de gewestelijke overheden, door de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen, geen volledige 10 milieueffectrapportering zullen moeten uitvoeren alvorens, in het gebied waar zij wonen, een autosnelwegverbinding aan te leggen waarvan het tracé niet in het gewestplan is aangegeven. Zij voeren aan dat hen hierdoor het recht zal worden ontzegd om te worden geraadpleegd over het opportune karakter van die aanleg of het tracé ervan, alsook de mogelijkheid om, op basis van een volledig milieueffectrapport, voorstellen aan de gewestelijke overheden te formuleren teneinde de milieuhinder als gevolg van die infrastructuurwerken te beperken. Zij merken op dat de milieueffectrapportering en de openbare onderzoeken die vóór de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen betreffende de aanleg van die verkeersweg moeten worden uitgevoerd, een beperktere draagwijdte zullen hebben, in zoverre zij alleen betrekking zullen hebben op de door die aanvragen beoogde weggedeelten. Zij leiden daaruit af dat die rapporten en onderzoeken het slechts mogelijk zullen maken om al te « punctuele » maatregelen voor het beperken van de milieuhinder te overwegen, met uitsluiting van meer algemene maatregelen, zoals een wijziging van het tracé van de verkeersweg. B.8.
  36. De verzoekende partijen leiden daarnaast uit officiële documenten die bij hun verzoekschrift zijn gevoegd, af dat de bestreden bepalingen pas na de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen voor de aanleg van de voormelde weg zouden kunnen worden vernietigd, op een ogenblik dat de onteigeningsprocedures en de uitvoering van de werken op zijn minst zullen zijn aangevat. Zij beweren dat het, gelet op de investeringen die zullen zijn gerealiseerd en de handelingen die zullen zijn gesteld vóór de gevraagde vernietiging van de bestreden bepalingen, niet meer mogelijk zal zijn een volledige milieueffectrapportering uit te voeren op basis waarvan alternatieven voor het in uitvoering zijnde project kunnen worden overwogen. B.8.
  37. De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat de ontstentenis van een dergelijk rapport en van een openbaar onderzoek op basis van dat rapport hen ertoe zal verplichten alle vergunningen die met het oog op de aanleg van die autosnelwegverbinding zullen worden afgegeven, voor de Raad van State aan te vechten, wat een overbelasting van dat rechtscollege en een financieel en « menselijk » nadeel met zich zou meebrengen. B.
  38. Om aan te tonen dat zij het risico loopt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondergaan, voegt de v.z.w. Groupement Cerexhe-Heuseux/Beaufays aan de reeds aangegeven 11 elementen toe dat zij, gelet op haar maatschappelijk doel – de bescherming van het leefmilieu in de vier gemeenten die door het tracé van de voormelde autosnelwegverbinding worden doorkruist –, de taak heeft om deel te nemen aan de openbare onderzoeken met betrekking tot die infrastructuur, teneinde, op basis van de milieueffectrapporten betreffende dat project, haar standpunt daaromtrent bekend te maken. B.
  39. Krachtens artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de partijen die de schorsing vorderen, om aan de tweede vereiste van artikel 20, 1°, van die wet te voldoen, in hun verzoekschrift aan het Hof precieze gegevens voorleggen die voldoende bewijzen dat de toepassing van de bestreden bepalingen, op de datum van inwerkingtreding ervan, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.11.
  40. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken en uit de verklaringen ter terechtzitting blijkt dat het studiebureau dat moet worden aangewezen met het oog op de aanleg van de autosnelwegverbinding die de verzoekende partijen aanbelangt, zijn opdracht niet zou kunnen aanvatten vóór 1 september 2005; dat, in een eerste fase waarvan de duur op tien maanden wordt geschat, dat bureau met name zal worden belast met het opstellen van de eerste onteigeningsplannen en van de documenten op basis waarvan een ander gespecialiseerd bureau zal worden aangewezen om een milieueffectrapportering uit te voeren; en dat pas na afloop van die fase de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen zullen kunnen worden opgesteld, tijdens een tweede fase waarvan de duur op twee maanden wordt geschat. Het Hof merkt overigens op dat, volgens de verzoekende partijen, de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen niet vóór de maand augustus 2006 zullen zijn opgesteld, terwijl de werken niet vóór de maand augustus 2007 zullen worden aangevat, wat blijkt uit het onderzoek van de bij het verzoekschrift gevoegde documenten, gelezen in het licht van de ter terechtzitting verschafte preciseringen met betrekking tot het vermoedelijke begin van de opdracht van het studiebureau. B.11.
  41. Volgens artikel 109 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet het Hof zich over de beroepen tot vernietiging van de verzoekende partijen in beginsel uitspreken binnen zes maanden na de indiening ervan, die op 31 mei 2005 gebeurde. 12 Die termijn kan in voorkomend geval met zes maanden worden verlengd, wat het Hof in staat zou moeten stellen zijn arrest te wijzen vóór 1 juni
  42. B.12.
  43. Zonder dat het, in dit stadium van de rechtspleging, noodzakelijk is om na te gaan of een oorzakelijk verband bestaat tussen de bestreden bepalingen en het in B.8.1 en B.8.2 omschreven nadeel, staat het derhalve niet vast dat het, in geval van vernietiging, niet meer mogelijk zal zijn de milieueffectrapportering en het openbaar onderzoek te laten plaatsvinden, waarvan de ontstentenis volgens de verzoekende partijen nadelig is. B.12.
  44. Wat het in B.8.3 omschreven nadeel betreft, blijkt dat de vergunningen betreffende de autosnelwegverbinding die de verzoekende partijen zou kunnen raken, niet zullen worden toegekend vóór de uitspraak van het arrest van het Hof. B.
  45. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen. B.
  46. Aangezien niet is voldaan aan één van de voorwaarden vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli
  47. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.