← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.136 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050719.23 Arrest- Rolnummer: 136/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-02 07:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Tekst van de beslissing Rolnummer : 3199 Arrest nr. 136/2005 van 19 juli 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en L. Lavrysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 9 december 2004 in zake G. Vanderauwera tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 15 december 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 105 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen [lees : Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen] de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het enkel voorziet in de mogelijkheid van een ontheffing van de belasting op de inverkeerstelling van met name de voertuigen bedoeld in artikel 94, 1°, van hetzelfde Wetboek wanneer die voertuigen binnen zes maanden na inschrijving worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap, waardoor de mogelijkheid van een ontheffing van de voormelde belasting uitgesloten is voor de gevallen waarin die voertuigen, binnen zes maanden na inschrijving, niet meer op naam van dezelfde persoon zouden zijn ingeschreven ten gevolge van de overbrenging ervan binnen de grenzen van het Rijk of naar een andere Staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Gemeenschap, en meer bepaald wanneer de doorhaling van de inschrijving het gevolg zou zijn van de (definitieve of relatief lange) buitengebruikstelling ervan die te wijten is aan een gebeurtenis die onafhankelijk is van de wil van die persoon ? ». Memories zijn ingediend door : - de Waalse Regering; - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. A.-V. Stainier loco Mr. M. Eloy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; . Mr. N. Martens, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J.-F. Jeunehomme, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; . Mr. K. Lammens loco Mr. W. Huber, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik betwist dat zij een belasting op de inverkeerstelling is verschuldigd voor een voertuig dat zij nooit in haar bezit heeft gehad, daar de verkoop van dat voertuig niet kon plaatshebben wegens technische gebreken die bij de levering zijn gebleken. De Rechtbank stelt vast dat, met toepassing van artikel 99, § 1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de belasting op de inverkeerstelling verschuldigd is door louter de inschrijving van het voertuig, en verworven blijft door de Staat, ongeacht de duur van de inschrijving. De Rechtbank merkt op dat artikel 105 van hetzelfde Wetboek voorziet in een enkele mogelijkheid van ontheffing van de belasting op de inverkeerstelling, namelijk wanneer het voertuig definitief wordt overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap binnen zes maanden na de inschrijving ervan. Zij is van mening dat een discriminatie zou kunnen voortvloeien uit het feit dat geen ontheffing mogelijk is wanneer het voertuig ofwel binnen het Rijk wordt overgebracht, ofwel naar een Staat die geen lidstaat is van de Europese Gemeenschap, of nog, wanneer het voertuig buiten gebruik wordt gesteld binnen zes maanden na de inschrijving ervan, en stelt bijgevolg de voormelde vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.

  1. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de gestelde vraag niet onder de bevoegdheid van het Hof valt, omdat zij erop neerkomt aan het Hof te vragen of een onthouding van de wetgever bestaanbaar is met de Grondwet. A.1.
  2. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de door de verwijzende rechter beoogde categorie te bijzonder is om de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te kunnen toepassen. Hij onderstreept bovendien dat de vraag een niet onbelangrijk deel van de bepaling waarop zij betrekking heeft, ontwijkt, namelijk de voorwaarde volgens welke de overdracht in het buitenland moet worden gevolgd door een inschrijving onder een definitieve regeling. A.1.
  3. De Ministerraad voert aan dat in de vraag wordt gewezen op een mogelijke discriminatie die niet kan worden toegeschreven aan artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, maar die zou voortvloeien uit een lacune in de wetgeving. Ook al zou het Hof een onverantwoord verschil in behandeling vaststellen, dan nog zou het daaruit dus niet moeten besluiten dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord. A.1.
  4. In meer ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de betwiste bepaling een objectieve en redelijke verantwoording omvat die tegemoet komt aan het door de wetgever nagestreefde doel. Hij wijst erop dat uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat het belang van de voertuigenmarkt voor de export binnen de Gemeenschap en de Europese context van uniformering en vrije concurrentie de bestaansreden vormen voor de enige door de wetgever aanvaarde mogelijkheid van ontheffing. A.2.
  5. De Waalse Regering herinnert eraan dat de belasting op de inverkeerstelling een indirecte belasting is die niet een situatie van duurzame aard treft, maar handelingen, verrichtingen of feiten van voorbijgaande aard, die van nature alleenstaand zijn, waarvan de belastingplichtige de aangegeven of vermoedelijke dader is. Zij leidt daaruit af dat de gronden van ontheffing en terugbetaling van nature uit minder talrijk zijn dan voor de directe belastingen, en dat slechts een zeer bijzondere reden zou kunnen verantwoorden dat in gronden van ontheffing en terugbetaling wordt voorzien. A.2.
  6. De Waalse Regering is van mening dat het onderscheid verantwoord is door de wil om het vrij verkeer van goederen en werknemers of zelfstandigen, alsook de vrijheid van dienstverlening binnen de Europese Gemeenschap te bevorderen of op zijn minst niet te belemmeren. Zij besluit daaruit dat de mogelijkheid van ontheffing waarin is voorzien, slechts een uitzondering is en dat het beperkte karakter van die uitzondering verantwoord is door de zorg om tegemoet te komen aan de verplichtingen die voor de Belgische Staat uit het gemeenschapsrecht voortvloeien. 4 A.
  7. De Vlaamse Regering voert aan dat de wetgever, door de enige mogelijkheid van ontheffing aan te nemen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, rekening heeft gehouden met de doelstellingen van de eenmaking van de markt en met de noodzaak om het vrije verkeer in Europa niet te belemmeren. Zij herinnert eraan dat de uitvoer naar een derde land niet in het Europees recht is gereglementeerd en is bijgevolg van mening dat het onderscheid op een objectief criterium berust. Ten aanzien van de vergelijking met de voertuigen die binnen het Rijk worden overgebracht, voegt zij eraan toe dat zowel de federale wetgever als de gewestwetgevers erover hebben gewaakt een onevenredig zware fiscale druk in de interne Belgische situaties te vermijden. Zij verwijst in dat opzicht naar de circulaire van 17 september 1994, waarin wordt gepreciseerd dat de belasting in welbepaalde omstandigheden niet is verschuldigd. Ten slotte is zij van mening dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën niet met elkaar vergelijkbaar zijn, omdat de belasting op de inverkeerstelling betrekking heeft op een enkel feit, namelijk de inverkeerstelling of de inschrijving van het voertuig, en niet op het gebruik ervan door de belastingschuldige, dat door de verkeersbelasting wordt beoogd. -B- B.
  8. Artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen bepaalt : « Ontheffing van belasting wordt verleend voor de in artikel 94, 1°, 2° en 3°, vermelde voertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na inschrijving overeenkomstig artikel 99, §§ 1 en 2, of na uitreiking van een vlaggenbrief overeenkomstig artikel 99, § 3, worden overgebracht naar een andere lid-Staat van de Europese Gemeenschap en er onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief voorzien. De Koning regelt de uitvoering van dit artikel ». Artikel 94, 1°, van hetzelfde Wetboek vestigt een met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belasting op met name personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, voor zover zij van een nummerplaat voorzien zijn of moeten zijn. Het feit dat aanleiding geeft tot de belasting is de inverkeerstelling van het betrokken voertuig op de openbare weg. Artikel 99 van hetzelfde Wetboek stelt een vermoeden in dat het voertuig op de openbare weg in gebruik is genomen, wanneer het in het repertorium van de Dienst van het Wegverkeer ingeschreven is of moet zijn. Het Hof wordt niet ondervraagd over de grondwettigheid van die bepaling. Het dient dus zijn toetsing te beperken tot het in de prejudiciële vraag vermelde artikel
  9. 5 B.
  10. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 105 met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het de mogelijkheden van ontheffing van de belasting op de inverkeerstelling beperkt tot het geval waarin het voertuig wordt overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap en bijgevolg de ontheffing van de belasting uitsluit in andere gevallen waarin het voertuig binnen zes maanden na de inschrijving ervan niet meer op naam van de belastingschuldige zou zijn ingeschreven. B.3.
  11. De belasting op de inverkeerstelling is een eenmalige belasting, die geïnd wordt naar aanleiding van een alleenstaand feit, namelijk de inverkeerstelling van een voertuig. Zij treft niet het gebruik van een voertuig in de tijd, maar wel het enige feit van de inverkeerstelling ervan. Het is derhalve verantwoord dat zij door de Staat verworven blijft, ongeacht de duur van de inschrijving en ongeacht de latere gebeurtenissen met betrekking tot het voertuig. B.3.
  12. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling werd opgemerkt dat de invoering van de belasting op de inverkeerstelling kon leiden tot een aanzienlijke vermindering van de uitvoer van voertuigen, wat nadelige gevolgen zou hebben voor de Belgische ondernemingen (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 329-2, p. 8). Om dat gevolg te voorkomen, heeft de wetgever voorzien in de ontheffing van de belasting betaald voor de voertuigen die naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap worden overgebracht, « op voorwaarde dat [zij] aldaar onder een definitieve regeling [worden] geregistreerd » (ibid., p. 48). B.3.
  13. De wetgever vermocht rekening te houden met de vereiste om in België een voertuig in te schrijven dat voor de uitvoer naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap is bestemd en, gelet op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, te oordelen dat de voorwaarde dat het voertuig in het land van bestemming wordt ingeschreven, een ontheffing van de geïnde belasting verantwoordde teneinde die vorm van economische activiteit niet te bestraffen. Het criterium van onderscheid is objectief en relevant. 6 B.3.
  14. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de wetgever, door te voorzien in mogelijkheden van ontheffing van de belasting op de inverkeerstelling van een voertuig wanneer dat voertuig wordt overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap waar het opnieuw zal worden ingeschreven, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet heeft geschonden. B.
  15. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 juli
  16. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.