← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.138

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juli 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.138 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050719.16 Arrest- Rolnummer: 138/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 367 - laatst gezien 2026-07-02 08:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, dat een artikel 69bis heeft ingevoegd in de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het van toepassing is op misdrijven die vóór 1 maart 2004 zijn gepleegd. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 69bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Namen en de Correctionele Rechtbank te Dinant. Tekst van de beslissing Rolnummers 3711, 3712, 3719 en 3721 Arrest nr. 138/2005 van 19 juli 2005 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 69bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Namen en de Correctionele Rechtbank te Dinant. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij drie vonnissen van 24 mei en 7 juni 2005 in zake het openbaar ministerie tegen verschillende beklaagden, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 1 en 14 juni 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, inzonderheid artikel 33 ervan, dat artikel 69bis van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer (gecoördineerde wetten) heeft ingevoerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, doordat de persoon die voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank in beroep wordt vervolgd wegens feiten die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 en die zou moeten verschijnen na de inwerkingtreding van die wet, ter vervanging van een geldboete zou kunnen worden veroordeeld tot een verval van het recht tot sturen van acht dagen tot een maand, overeenkomstig artikel 69bis van het koninklijk besluit van 16 maart 1968, in plaats van de gevangenisstraf waarin artikel 40 van het Strafwetboek voorziet ? ». b. Bij vonnis van 23 mei 2005 in zake het openbaar ministerie tegen T.J., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 juni 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Dinant dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3711, 3712, 3719 en 3721 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Op 22 juni 2005 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - B.B., beklaagde in de zaak nr. 3721; - de Ministerraad. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Voor de Correctionele Rechtbank te Namen zijn beroepen aanhangig gemaakt tegen vonnissen van de Politierechtbank te Namen waarbij een beklaagde in twee gevallen is veroordeeld tot een geldboete en een vervangende gevangenisstraf (zaken nrs. 3711 en 3721) en in een ander geval tot een geldboete en een vervangend verval van het recht tot sturen van 20 dagen (zaak nr. 3712). 3 Voor de Correctionele Rechtbank te Dinant is beroep ingesteld tegen een vonnis van de Politierechtbank te Dinant waarbij een beklaagde is veroordeeld tot een geldboete en een vervangende gevangenisstraf (zaak nr. 3719). Na te hebben herinnerd aan het arrest van het Hof nr. 45/2005 van 23 februari 2005 en aan een arrest van het Hof van Cassatie van 20 april 2005 merken de verwijzende rechters op dat, voor feiten die dateren van vóór 1 maart 2004, het Hof van Cassatie beslist dat de aan de beklaagde op te leggen straf ter vervanging van de geldboete, de straf is die is bepaald in artikel 69bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, omdat de vervangende straf van het verval van het recht tot sturen minder zwaar is dan de vervangende gevangenisstraf waarin voorheen was voorzien. Overwegende dat het niet aan hen staat zelf uitspraak te doen over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling, niettegenstaande de duidelijke gelijkenis van de problematieken, stellen de verwijzende rechters de hiervoor vermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A– Memorie met verantwoording van B.B. (zaak nr. 3721) A.

  1. In haar memorie met verantwoording voert B.B. aan dat haar grondwettelijke rechten zouden zijn geschonden indien de nieuwe bepalingen die zijn ingevoerd bij de wet van 7 februari 2003, en in het bijzonder artikel 33 ervan, op haar zouden worden toegepast. Zij vraagt het Hof dan ook voor recht te zeggen dat artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op vóór 1 maart 2004 gepleegde misdrijven. Memorie met verantwoording van de Ministerraad A.
  2. De Ministerraad merkt op dat de motivering van het arrest nr. 45/2005 van 23 februari 2005, dat ten grondslag ligt aan de redenering van de rechters-verslaggevers, erop neerkomt te verklaren dat, vanaf het ogenblik dat de wetgever tijdens de parlementaire voorbereiding heeft verklaard een strengere bestraffing te willen invoeren door in nieuwe misdrijven te voorzien, ervan moet worden uitgegaan dat de straffen die op die misdrijven worden gesteld, ongeacht de intensiteit ervan ten opzichte van de vroeger bestaande straffen, ipso facto zwaardere straffen zouden zijn dan de vorige. Te dezen wordt echter de vraag gesteld of de gevangenisstraf moet worden beschouwd als een strengere of mildere straf dan het verval van het recht tot sturen. De Ministerraad is van mening dat de door de rechters-verslaggevers in hun conclusies gekozen interpretatie dient te worden genuanceerd. Ten eerste spreekt het voormelde arrest nr. 45/2005 zich niet uit over artikel 69bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer. Daarnaast dient te worden herinnerd aan de algemene context van de wet van 7 februari 2003, waaruit blijkt dat de wetgever, in plaats van blindelings strengere sancties te willen opleggen, doeltreffendere sancties heeft willen opleggen om de nagestreefde algemene doelstelling te bereiken, die erin bestaat het aantal overlijdens ten gevolge van verkeersongevallen te verminderen. Het verval van het recht tot sturen werd verkozen boven de gevangenisstraf, omdat het veel meer evenredig met en aangepast aan het verkeerscontentieux bleek te zijn. Hoewel de wetgever gebruik heeft gemaakt van de bewoordingen « strengere sanctie » met betrekking tot het verval van het recht tot sturen ten opzichte van de gevangenisstraf, moet die « strengheid » bijgevolg in die zin worden geïnterpreteerd dat die niet noodzakelijk de strengste straf in de zin van de zwaarste straf beoogt, maar enkel en alleen de meest doeltreffende straf. Vanuit juridisch standpunt en rekening houdend met de beginselen inzake de interpretatie van de strafwet in de tijd, wordt een rechtzoekende die vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 feiten heeft gepleegd, terecht een verval van het recht tot sturen opgelegd, terwijl de vroegere wetgeving, die alleen voorzag in de gevangenisstraf, niet in die straf voorzag, omdat de afschaffing van de gevangenisstraf moet worden 4 beschouwd als zijnde gunstiger voor de beklaagde, niettegenstaande de tegenstrijdige bewoordingen in de parlementaire voorbereiding. De Ministerraad preciseert ten slotte dat in elk geval, om het strenge karakter van een strafsanctie te beoordelen, in concreto de intensiteit van de twee desbetreffende straffen dient te worden onderzocht. Een gevangenisstraf met uitstel kan niet worden beschouwd als een straf die minder zwaar is dan een verval van het recht tot sturen, aangezien de subjectieve beoordeling van de beklaagde of van de veroordeelde ten aanzien van de ernst van zijn straf in dat opzicht zonder weerslag is. Objectief gezien ontneemt de gevangenisstraf de persoon elke vrijheid van beweging, terwijl het verval van het recht tot sturen hem alleen het recht tot sturen ontneemt. De vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 van toepassing zijnde regeling doet dus op absolute wijze afbreuk aan een fundamentele vrijheid die in de Grondwet is verankerd. -B– B.
  3. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motieven van de verwijzingsvonnissen blijkt dat de verwijzende rechters het Hof, in de onderhavige zaken, ondervragen over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 33 van de wet van 7 februari 2003, dat in de wetten betreffende de politie over het wegverkeer een artikel 69bis invoegt, in zoverre het van toepassing is op misdrijven die vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 zijn gepleegd. Dat artikel 69bis bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet en, in afwijking van artikel 40 van het Strafwetboek kan de boete, bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of het arrest van veroordeling, en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn ». Artikel 40 van het Strafwetboek bepaalt : « Bij gebreke van betaling binnen twee maanden te rekenen van het arrest of van het vonnis, indien het op tegenspraak, of te rekenen van de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan de geldboete worden vervangen door gevangenisstraf, waarvan de duur bij het vonnis of het arrest van veroordelingen wordt bepaald en die zes maanden niet zal te boven gaan voor hen die wegens misdaad, drie maanden voor hen die wegens wanbedrijf, en drie dagen voor hen die wegens overtreding zijn veroordeeld. Veroordeelden die aan vervangende gevangenisstraf zijn onderworpen, kunnen in de inrichting worden gehouden waar zij de hoofdstraf hebben ondergaan. 5 Indien alleen geldboete is uitgesproken, wordt de gevangenisstraf, te ondergaan bij gebreke van betaling, gelijkgesteld met correctionele gevangenisstraf of met politiegevangenisstraf, al naar de aard van de veroordeling ». B.
  4. Artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt : « Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast ». B.
  5. De verwijzende rechters, voor wie misdrijven aanhangig zijn gemaakt die vóór 1 maart 2004 (datum van inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003) zijn gepleegd, en die ertoe worden gebracht na die datum een vonnis te wijzen, merken op dat het Hof van Cassatie, voor feiten die dateren van vóór 1 maart 2004, beslist dat de aan de beklaagden opgelegde straf ter vervanging van de geldboete, de straf is waarin artikel 69bis van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, voorziet, omdat de vervangende straf van het verval van het recht tot sturen minder zwaar is dan de vervangende gevangenisstraf waarin artikel 40 van het Strafwetboek voorziet. B.
  6. Artikel 2 van het Strafwetboek voert een verschil in behandeling in tussen rechtsonderhorigen, naargelang hun zaak wordt berecht vóór of na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Dat verschil in behandeling zou, te dezen, onevenredige gevolgen hebben, in zoverre de rechter, om de minst zware wet te bepalen die hij op grond van het voormelde artikel 2 moet toepassen, rekening moet houden met de rechtspraak betreffende die bepaling, volgens welke de wet die als straf ter vervanging van een geldboete voorziet in een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig wordt beschouwd als minder zwaar dan de vroegere wet die in een vervangende gevangenisstraf voorzag. B.5.
  7. Vermits een verschil in behandeling dat afhankelijk is van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, in het geding is, onderzoekt het Hof of, bij ontstentenis van een overgangsregeling, de in het geding zijnde bepalingen al dan niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 6 B.5.
  8. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen, in beginsel, niet dat een nieuwe wet gepaard gaat met overgangsmaatregelen. B.5.
  9. Te dezen blijkt echter, zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 45/2005 van 23 februari 2005, dat de wetgever heeft vastgesteld dat de straffen bepaald in de door hem gewijzigde wet niet op adequate wijze beantwoordden aan de noodzaak om een einde te maken aan de stijging van het aantal slachtoffers van verkeersongevallen en dat die een strengere bestraffing vereiste van de misdrijven die daaraan ten grondslag liggen. In de memorie van toelichting wordt immers vermeld : « De tekst van dit ontwerp schrapt een groot aantal gevangenisstraffen en maakt van het verval van het recht tot sturen of de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs de voornaamste tot onbekwaamheid leidende straffen » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1915/001, p. 12; in dezelfde zin p. 15, alsook Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1915/001, pp. 12 en 15; DOC 50-1915/006, pp. 34 en 80; Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1402/3, p. 13). B.5.
  10. Al kende de wetgever de draagwijdte van artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals in B.4 in herinnering is gebracht, volgens welke de nieuwe wet niettemin als de minst zware moet worden beschouwd, aangezien zij niet langer voorziet in de gevangenisstraf die in de vroegere wet was opgenomen, toch heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat rechtsonderhorigen, na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor de feiten gepleegd vóór die inwerkingtreding worden bestraft op een wijze die de wetgever zelf strenger heeft gewild dan wanneer die rechtsonderhorigen vóór die inwerkingtreding zouden zijn berecht. De retroactieve toepassing van de nieuwe wet op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding ervan, is bijgevolg discriminerend. B.
  11. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, dat een artikel 69bis heeft ingevoegd in de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het van toepassing is op misdrijven die vóór 1 maart 2004 zijn gepleegd. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 juli
  12. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.