← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.139

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.139 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050913.45 Arrest- Rolnummer: 139/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-07-02 06:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het het openbaar ministerie ertoe verplicht het beroep in cassatie te betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummer 3110 Arrest nr. 139/2005 van 13 september 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 oktober 2004 in zake het openbaar ministerie tegen P. Smits, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 25 oktober 2004, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het openbaar ministerie ertoe verplicht het beroep in cassatie te betekenen aan de partij tegen wie het is gericht, terwijl de door die partij ingestelde voorziening niet aan een dergelijke vormvereiste is onderworpen ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - is verschenen : Mr. P. Louage loco Mr. B. Bronders, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 31 maart 2004 wijst de Correctionele Rechtbank te Nijvel, uitspraak doende in hoger beroep, een vonnis waartegen het openbaar ministerie cassatieberoep instelt. Het Hof van Cassatie stelt vast dat het openbaar ministerie de verplichting niet is nagekomen waarin artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziet, namelijk de betekening van zijn voorziening aan de partijen. Volgens de rechtspraak van dat Hof is de niet-naleving van dat vormvoorschrift een grond van onontvankelijkheid van de voorziening. Aangezien het Arbitragehof in een arrest nr. 120/2004 van 30 juni 2004 heeft geoordeeld dat de voormelde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij de burgerlijke partij ertoe verplicht haar voorziening te betekenen, terwijl zij die verplichting niet aan de inverdenkinggestelde oplegt, heeft het Hof van Cassatie echter ambtshalve beslist de hiervoor geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. 3 III. In rechte -A– Standpunt van de Ministerraad A.

  1. Volgens de Ministerraad schendt artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre die bepaling het openbaar ministerie ertoe verplicht de voorzieningen in cassatie die het instelt te betekenen. De beklaagde of de beschuldigde, enerzijds, en het openbaar ministerie, anderzijds, hebben immers sterk onderscheiden belangen als partijen in het strafgeding, in tegenstelling tot de belangen van respectievelijk de beklaagde of de beschuldigde en de burgerlijke partij, die persoonlijk zijn. Gelet op die verschillende belangen « bestaat er een redelijke verantwoording voor het feit dat het in de prejudiciële vraag beoogde artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in een identieke procedurele waarborg van een betekening ten behoeve van het openbaar ministerie door diegene die cassatieberoep instelt, los van de vaststelling dat de laatstgenoemde de waarborg van een dergelijke kennisgeving door het openbaar ministerie kan genieten ». De Ministerraad vervolgt dat, gelet op hetgeen het Hof in zijn arrest nr. 116/98 heeft geoordeeld, en rekening houdend met het buitengewone karakter van het beroep in cassatie, de onderscheiden belangen van de verschillende bij de strafrechtspleging betrokken partijen, de verschillende draagwijdte van de door hen ingestelde cassatieberoepen en de verschillende gevolgen van de eventueel door hen verkregen cassatie, niet in redelijkheid kan worden gesteld dat het feit dat het openbaar ministerie, in tegenstelling tot de bij het strafgeding betrokken beklaagde of beschuldigde, zijn beroep in cassatie moet laten betekenen aan de persoon tegen wie het is gericht, op onevenredige wijze zijn rechten zou beperken. Het openbaar ministerie en de beklaagde of de beschuldigde dienen, als verschillende bij een strafgeding betrokken partijen, in het kader van de modaliteiten met betrekking tot de betekening van het cassatieberoep aan de persoon tegen wie het is gericht, mede gelet op hun onderscheiden belangen, immers niet noodzakelijk op gelijke voet te worden behandeld; het openbaar ministerie streeft, in tegenstelling tot de beklaagde of de burgerlijke partij, immers geen persoonlijk belang na, maar de veroordeling van de beklaagde in het algemeen belang. -B– B.
  2. Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : « Wanneer het beroep in cassatie tegen een arrest of een vonnis in laatste aanleg gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, ingesteld wordt, hetzij door de burgerlijke partij, indien er een is, hetzij door het openbaar ministerie, wordt dit beroep niet alleen ingeschreven zoals bepaald in het vorige artikel, maar tevens binnen een termijn van drie dagen betekend aan de partij tegen wie het gericht is ». B.
  3. Het Hof dient te onderzoeken of artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een inverdenkinggestelde, beklaagde of beschuldigde onontvankelijk kan worden verklaard wegens niet-naleving van het in artikel 418 vervatte vormvoorschrift, terwijl de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die een cassatieberoep instelt niet aan een soortgelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde is onderworpen. 4 B.
  4. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens verzuim van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vragen van een beslissing gewezen in laatste aanleg. Het recht op een eerlijk proces, meer bepaald het beginsel van gelijkheid van wapens, houdt in dat de wetgever, wanneer hij in buitengewone rechtsmiddelen voorziet, bij de nadere uitwerking ervan het gelijkheidsbeginsel moet respecteren. Het gelijkheidsbeginsel impliceert evenwel niet dat de wetgever bij het bepalen van de modaliteiten de verschillende bij een strafzaak betrokken partijen, mede gelet op de onderscheiden belangen die zij behartigen, op dezelfde voet moet behandelen. Er is enkel vereist dat die modaliteiten niet leiden tot een discriminerende beperking van de bij de wet aan de partijen toegekende mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen. B.
  5. Het vormvoorschrift van de betekening, vervat in artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering, is voor het Hof van Cassatie een ontvankelijkheidsvoorwaarde, die ambtshalve wordt onderzocht en waarvan het bewijs van naleving binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering moet worden neergelegd. De betekening strekt ertoe het cassatieberoep ter kennis te brengen van de partij tegen wie het is gericht, teneinde die partij toe te staan haar verdediging voor te bereiden. Weliswaar zou die kennisgeving ook op andere wijzen kunnen geschieden, maar wanneer de wetgever in de betekening van het cassatieberoep voorziet, vermag hij niet, zonder objectieve en redelijke verantwoording, bepaalde partijen de waarborg van dat vormvoorschrift te ontzeggen. Het beginsel van de wapengelijkheid houdt immers de verplichting in om aan elke partij de mogelijkheid te bieden om haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van de tegenpartij. B.
  6. In zijn arrest nr. 120/2004 heeft het Hof geoordeeld dat er geen reden was om, enerzijds, de burgerlijke partij en, anderzijds, de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde verschillend te behandelen ten aanzien van hun recht om in kennis te worden gesteld van de hen betreffende voorzieningen. Tussen beide categorieën van partijen in een 5 strafproces bestaan geen verschillen die voldoende groot zijn opdat hun rechten van verdediging verschillend worden behandeld wat die kennisgeving betreft. B.
  7. Een dergelijke redenering kan niet worden toegepast op de door het openbaar ministerie ingestelde voorziening. De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde vereisten dat die partij in het strafproces op zekere wijze in kennis zou worden gesteld van de voorziening die is ingesteld tegen de strafbepalingen van een haar betreffende beslissing, zonder dat zij dezelfde verplichting tot betekening zou hebben ten aanzien van het openbaar ministerie, dat zich in een wezenlijk verschillende situatie bevindt. B.
  8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het het openbaar ministerie ertoe verplicht het beroep in cassatie te betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 september
  9. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.