← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.140 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050913.46 Arrest- Rolnummer: 140/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-07-02 06:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 3, § 2, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 3136 Arrest nr. 140/2005 van 13 september 2005 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3, § 2, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 3 november 2004 in zake A. Roux tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 november 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, § 2, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, zoals die artikelen van toepassing waren op de belasting voor het aanslagjaar 1998, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre artikel 3, § 2, in een vrijstelling van de door het gezinshoofd verschuldigde gewestbelasting voorziet voor de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent in zijn privé-woning, terwijl de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit via een eenpersoonsvennootschap in zijn privé-woning uitoefent, niet die vrijstelling geniet, met name rekening houdend met het feit dat artikel 3, § 2, een verschillende fiscale behandeling invoert van situaties die ten aanzien van het door de gewestwetgever beoogde doel als zijnde in wezen identiek dienen te worden beschouwd ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - A. Roux, wonende te 1030 Brussel, Emile Maxlaan 182; - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Bij beschikking van 1 juni 2005 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 22 juni 2005, enkel om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de vraag. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. M. Marlière, advocaat bij de balie te Brussel, voor A. Roux; . Mr. B. Réard, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel is door A. Roux een vordering ingesteld tegen een dwangbevel tot betaling van de belasting die is ingesteld bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, en die te zijnen laste is ingekohierd voor het belastingjaar

  1. De eiser is taxibestuurder in Brussel. Overeenkomstig de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten, voldeed hij niet aan de voorwaarden om die activiteit als natuurlijke persoon uit te oefenen. Hij heeft dan ook de gewone commanditaire vennootschap (g.c.v.) Taxis Roux Alain & Cie moeten oprichten om een vergunning te verkrijgen voor het exploiteren van een taxidienst door middel van één voertuig. De maatschappelijke zetel van die vennootschap is gevestigd in het gebouw dat tevens het domicilie van de eiser is. Volgens artikel 3, § 1, a, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992, zoals het van toepassing was op de in het geding zijnde belasting, wordt de belasting geïnd ten laste van ieder gezinshoofd dat een op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen bebouwde eigendom als eerste of tweede verblijfplaats bewoont. Het bedrag van die belasting werd forfaitair vastgesteld op 1.750 oude frank. De belasting is eveneens verschuldigd door eenieder die een op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen bebouwde eigendom betrekt en er voor eigen rekening een al dan niet winstgevende activiteit uitoefent, en door elke rechtspersoon of feitelijke vereniging die in zulk een gebouw zijn maatschappelijke, administratieve, exploitatie- of bedrijfszetel heeft. Het bedrag van die belasting werd vastgesteld op 6.600 oude frank voor het belastingjaar 1993, en op 1.750 oude frank voor het volgende belastingjaar. Volgens artikel 3, § 2, van de voormelde ordonnantie, is de eerste belasting niet verschuldigd door het gezinshoofd dat het gebouw of een gedeelte van het gebouw betrekt wanneer hijzelf of een lid van zijn gezin de tweede belasting verschuldigd is uit hoofde van de beroepsactiviteit die hij er uitoefent. Voor de jaren 1992 tot 1996 werd de in het geding zijnde belasting uitsluitend ingekohierd ten laste van de g.c.v. Taxis Roux Alain & Cie, en werd geen enkele belasting geïnd ten laste van de eiser in zijn hoedanigheid van gezinshoofd. Voor de jaren 1997 en 1998 werd de belasting ingekohierd zowel ten laste van de g.c.v. Taxis Roux Alain & Cie als ten laste van de eiser. De eiser betwist de vestiging van de in het geding zijnde belasting te zijnen laste, in zijn hoedanigheid van gezinshoofd, wegens de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Rechtbank merkt op dat de voorwaarden waarin artikel 3, § 2, van de ordonnantie voorziet, werden gewijzigd bij een ordonnantie van 3 april
  2. De gewestwetgever heeft immers geoordeeld dat die bepaling discriminerend was « voor zover een gezinshoofd dat thuis als natuurlijke persoon een zelfstandige activiteit uitoefende, werd vrijgesteld, terwijl dezelfde activiteit uitgeoefend via een kleine vennootschap twee keer werd belast ». De Rechtbank heeft dan ook vragen bij de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3, § 2, van de ordonnantie, zoals het van toepassing was op de in het geding zijnde belasting, en stelt de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is in de eerste plaats van mening dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat de eiser niet aantoont dat hij deel uitmaakt van de tweede categorie van belastingplichtigen, aangezien een gewone commanditaire vennootschap in principe minstens twee vennoten telt. De eiser voor de verwijzende rechter heeft niet het bewijs geleverd van het feit dat de g.c.v. Alain Roux & Cie op 1 januari 1998 slechts één enkele vennoot had, in dit geval hijzelf. A.
  4. De eiser voor de verwijzende rechter is van mening dat hij doet blijken van zijn belang om de prejudiciële vraag te laten stellen, waarbij die vraag in voorkomend geval door het Hof kan worden geherformuleerd rekening houdend met de feiten en met de memorie. Het staat vast dat een gewone commanditaire vennootschap een kleine handelsonderneming is waarin het verschil 4 tussen de natuurlijke persoon en de rechtspersoon gering is. Dat geldt ontegenzeglijk veel meer voor een gewone commanditaire vennootschap dan voor een b.v.b.a. Ook al is het juist dat de eerstgenoemde vennootschap daadwerkelijk uit minstens twee personen bestaat en dus als zodanig geen eenpersoonsvennootschap is, toch is de beherende vennoot onbeperkt aansprakelijk, net zoals een natuurlijke persoon, terwijl de stille vennoot enkel aansprakelijk is ten belope van zijn kapitaalinbreng. Een gewone commanditaire vennootschap is dus heel zeker « een kleine familiale vennootschapsstructuur » in de betekenis die de wetgever eraan geeft. Het gaat in de eerste plaats om de vraag of het gezinshoofd dat de vrijstelling aanvraagt, wel degelijk de zaakvoerder is, de werkende vennoot van de vennootschap waarvan de maatschappelijke zetel zich op dezelfde plaats bevindt als het domicilie van die vennoot. Het is in die zin dat de termen « kleine familiale vennootschap » en « eenpersoonsvennootschap » moeten worden begrepen. De partij voegt als bijlage de statuten van haar vennootschap toe. Zij stelt voor de prejudiciële vraag te herformuleren om, enerzijds, de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent in zijn privé-woning en, anderzijds, de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit via een b.v.b.a. - categorie waartoe de eenpersoonsvennootschap behoort - of via een gewone commanditaire vennootschap in zijn privé-woning uitoefent, te vergelijken. -B- B.
  5. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3, § 2, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, in zoverre die bepaling in een vrijstelling van de door het gezinshoofd verschuldigde gewestbelasting voorziet voor de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefent in zijn privé-woning, terwijl de natuurlijke persoon die zijn beroepsactiviteit via een eenpersoonsvennootschap in zijn privé-woning uitoefent, niet die vrijstelling geniet. B.
  6. Uit de feiten van de zaak blijkt dat de eiser voor de verwijzende rechter zijn beroepsactiviteit uitoefent via een gewone commanditaire vennootschap. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is dan ook van mening dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat een gewone commanditaire vennootschap in principe minstens twee vennoten telt, en dus niet als een eenpersoonsvennootschap kan worden beschouwd. De eiser voor de verwijzende rechter erkent dat een gewone commanditaire vennootschap geen eenpersoonsvennootschap is, maar verzoekt het Hof de vraag te herformuleren rekening houdend met de feiten en met de memorie. B.
  7. Het staat niet aan het Hof een verschil in behandeling te onderzoeken waarbij het zelf de te vergelijken categorieën zou moeten omschrijven. Het komt de verwijzende rechter 5 toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen. De partijen vermogen de inhoud van de vraag niet te wijzigen. Aangezien de vergelijking die ter toetsing aan het Hof is voorgelegd, klaarblijkelijk niet pertinent is rekening houdend met de feiten van het geschil, en aangezien het Hof niet vermag de termen ervan te wijzigen op verzoek van de partijen, behoeft de vraag geen antwoord. Het komt de verwijzende rechter toe te oordelen of hij een nieuwe prejudiciële vraag moet stellen. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 september
  8. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.