id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.146 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050921.12 Arrest- Rolnummer: 146/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-26 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-02 06:48 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, zegt voor recht : De prejudiciële vraag is klaarblijkelijk onontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 36 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gesteld door de Jeugdrechtbank te Luik. Tekst van de beslissing Rolnummer 3693 Arrest nr. 146/2005 van 21 september 2005 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 36 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gesteld door de Jeugdrechtbank te Luik. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit waarnemend voorzitter P. Martens en de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 april 2005 in zake L. Tabury tegen de directeur van de dienst gerechtelijke bescherming en F. Tabury, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 april 2005, heeft de Jeugdrechtbank te Luik het Hof gevraagd : « te preciseren of minderjarigen, zonder dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, verschillend kunnen worden behandeld - naargelang zij al dan niet gehandicapt zijn - bij een aanvraag tot individuele hulpverlening waarin het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 30 juni 1998 ‘ tot vaststelling van de limieten van de uitgaven bestemd voor individuele hulpverlening in verband met de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming ’ voorziet, volgens hetwelk de hulpverlening die de Franse Gemeenschap toekent aan de jongeren die onder de hulpverlening aan de jeugd vallen, ten opzichte van de door de O.C.M.W.’s toegekende hulpverlening een aanvullend en complementair karakter moet hebben, dat in artikel 36 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd uitdrukkelijk wordt ingevoerd, en volgens hetwelk de gehandicapte minderjarigen die buiten hun familiaal milieu worden geplaatst, voor de bevoegde rechtscolleges beroepen moeten instellen die de niet-gehandicapte minderjarigen die buiten hun familiaal milieu worden geplaatst, niet moeten instellen, daar de hulpverlening van de Franse Gemeenschap stelselmatig wordt toegekend en bijgevolg sneller en gemakkelijker kan worden verkregen ». Op 12 mei 2005 hebben de rechters-verslaggevers, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Jeugdrechtbank te Luik is een beroep aanhangig gemaakt - ingesteld door een minderjarige ten aanzien van wie een maatregel is genomen van plaatsing in een instelling die afhangt van het Waals Agentschap voor de integratie van gehandicapte personen - tegen een beslissing van het Directoraat-generaal voor de hulpverlening aan de jeugd waarbij een tegemoetkoming om de onderhoudskosten van de minderjarige ten laste te nemen wordt geweigerd om reden dat die tegemoetkoming tot de bevoegdheid behoort van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; dat had eerder geweigerd om die kosten ten laste te nemen omdat ten aanzien van de minderjarige een maatregel van plaatsing was genomen. De verwijzende rechter oordeelt, met verwijzing naar artikel 36, § 6, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en naar het arrest nr. 168/2002 van het Hof, dat de decreetgever expliciet heeft bepaald dat de hulpverlening vanwege het O.C.M.W. voorrang had op de hulpverlening die bijkomend, voorlopig, uitzonderlijk en aanvullend kan worden verleend door toedoen van de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd. Hij is van mening dat hij, krachtens artikel 3 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 30 juni 1998 tot vaststelling van de limieten van de uitgaven bestemd voor individuele hulpverlening in verband met de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming, moet nagaan of de in het geding zijnde kosten niet kunnen worden afgewenteld op een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de Franse Gemeenschap en leidt daaruit af dat de verzoekende partij beroep had moeten instellen tegen de beslissing van het O.C.M.W. 3 Het aanvullende karakter van de hulpverlening van de Gemeenschap ten aanzien van de hulpverlening van het O.C.M.W. impliceert, volgens de verwijzende rechter, dat de gehandicapte minderjarige die afhangt van het Waals Agentschap voor de integratie van gehandicapte personen benadeeld wordt in vergelijking met de niet-gehandicapte minderjarige die onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap valt, aangezien eerstgenoemde ertoe gehouden is de negatieve beslissing van het O.C.M.W. te betwisten, terwijl laatstgenoemde systematisch de hulp geniet die door het Directoraat-generaal voor de hulpverlening aan de jeugd wordt toegekend. De verwijzende rechter merkt op dat de hulpverlening vanwege de Gemeenschap aan de minderjarige zou kunnen worden toegekend in afwachting dat uitspraak wordt gedaan over het beroep dat tegen de beslissing van het O.C.M.W. is ingesteld, maar dat de minderjarige, zolang hij de hulpverlening van de Franse Gemeenschap geniet, geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft om die beslissing te betwisten. Bijgevolg is hij van mening dat aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag moet worden gesteld. III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies op grond van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat de prejudiciële vraag kennelijk onontvankelijk was, omdat de erin beoogde bepalingen het niet mogelijk maken het verschil in behandeling vast te stellen dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt. A.2. Geen enkele memorie met verantwoording werd ingediend. -B- B.1. Artikel 27, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat de beslissing tot verwijzing de bepalingen van de wet vermeldt die het onderwerp uitmaken van de prejudiciële vraag. Te dezen beoogt de vraag het voormelde besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 30 juni 1998, dat niet onder de bevoegdheid valt van het Hof, en artikel 36 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd dat, zoals in de vraag en de motivering van het verwijzingsvonnis wordt aangegeven, het aanvullende en bijkomende karakter verankert van de hulpverlening die wordt toegekend door de Franse Gemeenschap in vergelijking met de hulpverlening die wordt toegekend door het O.C.M.W. Paragraaf 6 ervan bepaalt immers : « Wanneer aan al de voorwaarden bedoeld in artikel 7, lid 1, van dit decreet voldaan is, kan de adviseur, nadat hij heeft vastgesteld dat geen andere dienst of particulier er op dat ogenblik in staat toe is een aangepaste hulp aan de jongere te verlenen, uitzonderlijk en voorlopig, zolang de stappen bedoeld in § 2 niet tot resultaten hebben geleid, aan de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en aan de particulieren en diensten die hun medewerking verlenen voor de toepassing van dit decreet, opdracht geven de aangepaste hulp te verlenen gedurende de nodige periode ». 4 Die bepaling heeft echter niets te maken met de beroepen waaromtrent de verwijzende rechter van mening is dat de minderjarigen op een verschillende wijze worden behandeld naargelang zij al dan niet gehandicapt zijn, aangezien het beroep tegen de beslissing van het O.C.M.W., volgens de verwijzende rechter, zich enkel in het eerste geval opdringt. B.2. De in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen maken het niet mogelijk om het verschil in behandeling vast te stellen dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt, in de veronderstelling dat dit verschil zou zijn gebaseerd op normen die het Hof vermag te toetsen. Daaruit volgt dat de prejudiciële vraag niet de vereiste elementen bevat opdat het Hof uitspraak kan doen. B.3. Bovendien zou het antwoord op een dergelijke prejudiciële vraag het contradictoire karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang brengen, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen niet in de gelegenheid zouden worden gesteld om zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepalingen en alsdan geen dienstig verweer zou kunnen voeren. B.4. De prejudiciële vraag is klaarblijkelijk onontvankelijk. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, zegt voor recht : De prejudiciële vraag is klaarblijkelijk onontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 september 2005. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.