id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.148 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050928.15 Arrest- Rolnummer: 148/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-07-02 05:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, ingesteld door de v.z.w. Belgische Vereniging van Artsensyndicaten en het Verbond der Belgische Beroepsvereningen van Geneesheren-specialisten. Tekst van de beslissing Rolnummer 3127 Arrest nr. 148/2005 van 28 september 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 20 juli 2004 tot oprichting van een Commissie belast met de hernieuwing van de organen van de islamitische eredienst, ingesteld door de v.z.w. « Federale Raad van de Moslims van België » en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 november 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 november 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 20 juli 2004 tot oprichting van een Commissie belast met de hernieuwing van de organen van de islamitische eredienst (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2004, derde uitgave) door de v.z.w. « Federale Raad van de Moslims van België », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Rouppeplein 16, de v.z.w. « Federatie van Moskeeën en Socio-culturele Verenigingen », met maatschappelijke zetel te 2140 Borgerhout, Montenstraat 27, de v.z.w. « Union des mosquées de la province de Liège », met maatschappelijke zetel te 4020 Luik, rue de Pitteurs 39, de v.z.w. « Fédération Islamique de Belgique », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 124, de v.z.w. « Ligue des Imams de Belgique », met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Scheutlaan 212, de v.z.w. « Association Islamique de la Mosquée Ettaouba d’Evere », met maatschappelijke zetel te 1140 Brussel, P. Van Obberghemstraat 1-3, de v.z.w. « Association islamique de la Mosquée Almohajirin d’Ixelles », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Malibranstraat 72, de v.z.w. « Ligue d’entraide islamique - Mosquée Al Khalil », met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Delaunoystraat 40, de v.z.w. « Union des associations islamiques Mosquée Al Azhar », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Sint- Franciscusstraat 72, de v.z.w. « Centre culturel de Cheratte », met maatschappelijke zetel te 4602 Cheratte, rue de Visé 194-196, de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », met maatschappelijke zetel te 3550 Heusden-Zolder, Paquaylaan 77, de v.z.w. « Temse Sultan Ahmet – moskee », met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Paterstraat 17/19, de v.z.w. « Moskee Eyyub sultan », met maatschappelijke zetel te 2890 Sint-Amands, Borgstraat 143/B, de v.z.w. « Sociaal–Culturele Ontmoetingscentrum Leopoldsburg », met maatschappelijke zetel te 3970 Leopoldsburg, Couwenbergstraat 13, de v.z.w. « Actief », met maatschappelijke zetel te 3920 Lommel », Stationsstraat 92, de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », met maatschappelijke zetel te 3581 Beverlo, Leysestraat 130, de v.z.w. « Association de l’union de l’Islam », met maatschappelijke zetel te 6000 Charleroi, boulevard J. Bertrand 77, de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », met maatschappelijke zetel te 3290 Diest, Eduard Robeynslaan 61, de v.z.w. « Mosquée Sultan Ahmet de Verviers », met maatschappelijke zetel te 4800 Verviers, rue Lucien Defays 39, de v.z.w. « Union de l’Islam », met maatschappelijke zetel te 6031 Monceau-sur-Sambre, rue de Trazegnies 4, de v.z.w. « Union de l’Islam de Bruxelles », met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 124, de v.z.w. « Centre culturel et de rencontre JML (Jeunesse musulmane de Liège) », met maatschappelijke zetel te 4420 Saint-Nicolas, rue de Tilleur 140, de v.z.w. « Islamitische Culturele Ontmoetingscentrum », met maatschappelijke zetel te 2400 Mol, Ginderbuiten 49, de v.z.w. « Association culturelle et de solidarité », met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Zwarte Vijversstraat 36, de v.z.w. « Kebdana », met maatschappelijke zetel te 2140 Borgerhout, Ranststraat 26, de v.z.w. « El Bichara », met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue En Neuvice 52, de v.z.w. « Jongeren Centrum Rissala », met maatschappelijke zetel te 2060 Antwerpen, Tulpstraat 51, B. Ngadi, wonende te 1030 Brussel, Schaarbeekse Haardstraat 85, Bencheika Kebir, wonende te 1140 Brussel, Fernand Légerstraat 50, I. Batakli, wonende te 4000 Luik, Chemin du Bois 59, El Mellali Daoud, wonende te 4020 Luik, rue du Carmel 6, A. Bouziane Guarti, wonende te 1030 Brussel, Van Schoorstraat 46, A. Kebdani, wonende te 1080 Brussel, Sint- Martinusstraat 79/7, K.-J. Geirnaert, wonende te 1080 Brussel, Jules Delhaizestraat 8, M.M. Hassan, wonende te 1140 Brussel, E. Stuckensstraat 65, A. Benomar, wonende te 1000 Brussel, Zennestraat 28, M. Archich, wonende te 1020 Brussel, Roodhuisplein 5, 3 M. Herbineaux, wonende te 6031 Monceau-sur-Sambre, place J. Hanrez 1/2/1, en M. Boulif, wonende te 1701 Dilbeek, Zakstraat
- Memories zijn ingediend door : - de v.z.w. « Union des Mosquées de Bruxelles – Brabant wallon », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1000 Brussel, François Navezstraat 60-62, de i.v.z.w. « Fondation Religieuse Islamique Turque en Belgique », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1210 Brussel, Haachtsesteenweg 67, de v.z.w. « Union des Mosquées de Limbourg », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 3680 Maaseik, Rescuisstraat 12, de v.z.w. « Unie van Moskeeën en Islamitische verenigingen van Oost- en West-Vlaanderen », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 9160 Lokeren, Schoolstraat 51, de v.z.w. « Unie der Moskeeën en Islamitische Verenigingen van Antwerpen », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 2018 Antwerpen, Plantin en Moretuslei 202, de v.z.w.« Centre socioculturel euro-marocain », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1070 Brussel, Ropsy-Chaudronstraat 7, de v.z.w. « Espace Avenir », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1210 Brussel, Molenstraat 206, en K. Ben Jelloul, wonende te 1060 Brussel, Bethlehemplein 5; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. G.-H. Beauthier en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de tussenkomende partijen, de v.z.w. « Union des Mosquées de Bruxelles – Brabant wallon » en anderen; . Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord. Mr. G.-H. Beauthier heeft aan het Hof verklaard dat de hierna vermelde verzoekende partijen hebben beslist afstand te doen van hun beroep tot vernietiging : de v.z.w. « Federatie van Moskeeën en Socio-culturele Verenigingen », de v.z.w. « Fédération Islamique de Belgique », de v.z.w. « Centre culturel de Cheratte », de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », de v.z.w. « Temse Sultan Ahmet – moskee », de v.z.w. « Moskee Eyyub sultan », de v.z.w. « Sociaal-Culturele Ontmoetingscentrum Leopoldsburg », de v.z.w. « Actief », de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », de v.z.w. « Association de l’union de l’Islam », de v.z.w. « Islamitische Ontwikkelingsvereniging », de v.z.w. « Mosquée Sultan Ahmet de Verviers », de v.z.w. « Union de l’Islam », de v.z.w. « Union de l’Islam de Bruxelles », de 4 v.z.w. « Centre culturel et de rencontre JML (Jeunesse musulmane de Liège) » en de v.z.w. « Islamitische Culturele Ontmoetingscentrum »; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De eerste verzoekende partij beweert van een belang te doen blijken bij de vernietiging van de aangevochten wet, in zoverre zij tot opdracht heeft de islamitische gemeenschap te vertegenwoordigen bij het beheer van de islamitische eredienst in België en in zoverre zij niet kan aanvaarden dat de Belgische Staat zich in de organisatie van de verkiezingen van haar algemene vergadering mengt. Als moskeeën, verenigingen van moskeeën, islamitische verenigingen of natuurlijke personen die lid zijn van de algemene vergadering of van het Executief van de moslims, zouden de andere verzoekende partijen eveneens rechtstreeks betrokken zijn bij de organisatie van de islamitische eredienst. A.1.2.
- Volgens de Ministerraad zouden de statuten van de eerste verzoekende partij bij het Belgisch Staatsblad zijn neergelegd ongeveer één jaar na de aanneming ervan en twee dagen na de aanneming van de bestreden wet, zodat die vereniging geen duurzame werking zou vertonen. De beslissing om het beroep tot vernietiging in te stellen, zou bovendien niet door haar raad van bestuur maar wel door haar algemene vergadering zijn genomen en buiten het medeweten van het merendeel van haar leden. Bovendien zouden sommige leden niet op de hoogte zijn van hun lidmaatschap van die rechtspersoon terwijl niemand gedwongen mag worden deel uit te maken van een vereniging. A.1.2.
- De v.z.w.’s « Fédération Islamique de Belgique » (vierde verzoekende partij), « Temse Sultan Ahmet – moskee » (twaalfde verzoekende partij), « Moskee Eyuub sultan » (dertiende verzoekende partij), « Actief » (vijftiende verzoekende partij), « Islamitische Ontwikkelingsvereniging » (zestiende en achttiende verzoekende partij), « Islamitische Culturele Ontmoetingscentrum » (drieëntwintigste verzoekende partij) en « Jongeren Centrum Rissala » (zevenentwintigste verzoekende partij) zouden bovendien hun statuten hebben gewijzigd naar aanleiding van de aanneming van de bestreden wet, teneinde te voldoen aan de voorwaarden te voldoen in verband met het belang om in rechte te treden voor het Arbitragehof. A.1.2.
- Bovendien zou het maatschappelijk doel van de v.z.w.’s « Centre culturel de Cheratte » (tiende verzoekende partij), « Mosquée Sultan Ahmet de Verviers » (negentiende verzoekende partij) en « Kebdana » (vijfentwintigste verzoekende partij) te algemeen zijn, terwijl de v.z.w.’s « Centre culturel et de rencontre JML (Jeunesse musulmane de Liège) » (tweeëntwintigste verzoekende partij) en « El Bichara » (zesentwintigste verzoekende partij) een maatschappelijk doel zouden nastreven zonder enig verband, zij het indirect, met de aangevochten wet. A.1.2.
- De Ministerraad is verder van mening dat geen enkele bepaling van de bestreden wet de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de verzoekende partijen op negatieve wijze kan raken, vermits de wet zich hoofdzakelijk ertoe beperkt te voorzien in de oprichting van een commissie belast met de vernieuwing van de organen van de islamitische eredienst, waarvan de beslissingen bovendien zouden zijn onderworpen aan de toetsing van de Raad van State. De organen die tot stand komen na die verkiezingen zouden geen maatregelen kunnen nemen die bestemd zijn voor de moslimcultuur van België. Ten slotte zou de aangevochten wet noch een precies vastgestelde wijze van verkiezing, noch een bepaalde samenstelling opleggen. 5 A.1.2.
- De omstandigheid dat de verzoekende natuurlijke personen functies uitoefenen binnen de algemene vergadering van de « Federale Raad van de Moslims van België » zou die verzoekende partijen evenmin het recht verlenen om de belangen van die vereniging te behartigen. Hun persoonlijk belang zou bovendien samenvallen met dat van die rechtspersoon. A.1.3.
- De tussenkomende partijen beweren van een belang bij de zaak te doen blijken, in zoverre zij moskeeën vormen die verbonden zijn met de uitoefening van de islamitische eredienst. Hoe dan ook, zij zouden het recht genieten om de bewering van de eerste verzoekende partij te betwisten dat zij uit hun naam en voor hun rekening optreedt. A.1.3.
- De regelmatigheid van de indiening van het beroep door verscheidene verzoekende verenigingen zou tot controversen leiden, aangezien verscheidene onder hen zouden hebben beweerd dat zij nooit een dergelijke beslissing om in rechte te treden hebben genomen. Wat meer specifiek de eerste verzoekende partij betreft, zou een dergelijke beslissing zijn genomen buiten het medeweten van de meeste leden van haar algemene vergadering. Bovendien zou de eerste verzoekende partij in werkelijkheid het resultaat zijn van de algemene vergadering van de moslims van België en het Executief van de moslims van België, oorspronkelijk opgericht bij een koninklijk besluit van 3 juli
- Hoewel bepaalde leden van die groepering niet het verbod kan worden opgelegd zich in een nieuwe structuur te verenigen, zou te dezen de samenstelling van die nieuwe vereniging echter op dusdanige wijze zijn bepaald dat alle leden die door de islamitische gemeenschap zijn verkozen of gecoöpteerd teneinde de vertegenwoordiging van de islamitische eredienst te verzekeren, daarvan lid zouden zijn. De meeste onder hen zouden evenwel niet op de hoogte zijn geweest van de oprichting van een dergelijke vereniging. Overigens zou het maatschappelijk doel van die vereniging identiek zijn met datgene dat bij de wet was toegekend aan het vertegenwoordigend orgaan van de moslims en dat daardoor niet zou kunnen worden overgenomen door een privaatrechtelijke rechtspersoon. Verscheidene leden van de raad van bestuur van de verzoekende vereniging zouden overigens ontslagnemend zijn of niet langer in België verblijven, zodat die vereniging niet als zijnde wettig samengesteld zou kunnen worden beschouwd. A.1.3.
- De andere verzoekende verenigingen zouden niet de precieze redenen uiteenzetten waarom de aangevochten bepalingen hun een rechtstreeks nadeel zouden kunnen berokkenen. A.1.4.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, in geval van meerdere verzoekers, het voldoende is wanneer één enkele onder hen van het vereiste belang doet blijken en dat de Ministerraad niet de ontvankelijkheid betwist van de door de natuurlijke personen ingestelde beroepen. Die personen zouden daadwerkelijk lid zijn van de algemene vergadering of van het Executief van de moslims, zodat zij als eersten betrokken zouden zijn bij de aangevochten bepalingen. A.1.4.
- Een vereniging kan overigens niet worden verweten dat zij haar statuten in overeenstemming heeft gebracht met de nieuwe procedure-eisen die van toepassing zijn voor het Hof. De verzoekende verenigingen zouden overigens langer bestaan dan de meeste verenigingen zonder winstoogmerk. Aangezien zij dezelfde doelstellingen nastreven, konden zij op wettige wijze overleg plegen om hun statuten in overeenstemming te brengen met hun activiteiten en de vigerende wetgeving. A.1.4.
- De omstandigheid dat sommige verenigingen culturele centra zijn, zou hun niet hun belang om voor het Hof in rechte te treden ontnemen. De aan gang zijnde verkiezingsprocedure zou de hele islamitische gemeenschap aanbelangen, vermits de op basis van die verkiezing aangestelde vertegenwoordigers alle aangelegenheden zouden dienen te beheren die te maken hebben met de islamitische eredienst en de vertegenwoordiging ervan. Aangezien de verzoekende natuurlijke personen, functies bekleden binnen de algemene vergadering of het Executief van het Orgaan hoofd van eredienst, zij daarin verkozen zijn en zij tot de islamitische eredienst behoren, kan hun belang bij de vernietiging van de aangevochten wet niet ernstig worden betwist. Het feit dat een van de partijen afstand heeft gedaan van het geding, in omstandigheden waarbij overigens niet kan worden uitgesloten dat op haar druk is uitgeoefend, kan geen element vormen dat het belang van de verzoekende partijen bij dit beroep beïnvloedt. 6 De beslissing van de algemene vergadering van de moslims van België om het beroep in te stellen zou ten slotte zijn genomen bij meerderheid van de aanwezige leden van de raad van bestuur. A.1.4.
- De verzoekende partijen betwisten verder dat de tussenkomende partijen de hoedanigheid hebben om op te treden in het raam van deze zaak. Die verenigingen zouden immers geen enkele beslissing van hun raden van bestuur hebben voorgelegd. A.1.
- In zijn memorie van wederantwoord brengt de Ministerraad in herinnering dat hij het belang om in rechte te treden van de verzoekende natuurlijke personen betwist. Zij zouden niet aantonen hoe de betwiste norm afbreuk zou doen aan hun belang, zij het functioneel, terwijl sommigen zelfs niet specifiek tot doel zouden hebben de moslimcultuur te verspreiden of te bevorderen. Bovendien zouden de verzoekende partijen niet betwisten dat alle verzoekende rechtspersonen hun statuten hebben gewijzigd vóór de indiening van hun beroep. Ten gronde A.2.1.
- Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 181 van de Grondwet en met de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de bestreden wet een commissie opricht die belast is met de vernieuwing van de organen van de islamitische eredienst en ze haar ermee belast de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de organisatie van algemene en vervroegde verkiezingen. In een eerste onderdeel van hun middel zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de voormelde grondwettelijke bepalingen het beginsel van de niet-inmenging in de interne organisatie van de erediensten verankeren. Daaruit zou volgen dat tot benoeming en afzetting van bedienaren van een eredienst alleen maar kan worden beslist door de bevoegde geestelijke overheid, overeenkomstig de regels van de eredienst. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou eveneens, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, de inmenging van de Staat in de uitoefening van de vrijheid van eredienst verbieden. Krachtens die beginselen kan de wetgever niet een commissie oprichten belast met de vernieuwing van de organen van de islamitische eredienst. Het zou aan die eredienst zelf toekomen zijn eigen organen te vernieuwen. In een tweede onderdeel van hun middel zijn de verzoekers, in ondergeschikte orde, van oordeel dat de inmenging van de Staat in de vrijheid van godsdienst te dezen geen wettig doel nastreeft en niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Noch de geschillen binnen de islamitische gemeenschap, noch het ontslag van bepaalde leden van het Executief, en zelfs niet de rechtsvorderingen die in dat verband zijn ingesteld vóór de aanneming van de wet, zouden buitengewone omstandigheden vormen die de inmenging van de Staat kunnen verantwoorden. Bovendien zou de wetgever, zonder enige objectieve en redelijke verantwoording, hebben verzaakt aan de regel die voorzag in de gedeeltelijke vernieuwing van de leden van de vergadering. A.2.1.
- De Ministerraad is van oordeel dat de aangevochten wet geenszins afbreuk doet aan de vrijheden van denken en eredienst. Het organiseren van verkiezingen en de financiering door de wetgever van een commissie die de goede organisatie ervan verzekert, zouden integendeel een steun vormen voor de islamitische gemeenschap, wier specifieke karakter de wetgever nog meer erkend en gerespecteerd wenst te zien. De toekomstige leden van de vertegenwoordigende organen van de islamitische eredienst zouden allen moslims zijn en totaal onafhankelijk van de federale overheden. De aangevochten wet zou bovendien voorzien in de ontbinding van rechtswege van de commissie zodra het nieuwe Executief van de moslims van België zal zijn erkend. De verkozen organen van de islamitische gemeenschap mogen niet worden verward met de organen van een godsdienstige gemeenschap in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat opvat. In werkelijkheid zou het erom gaan een gesprekspartner van de Staat te identificeren bij het beheer van dossiers in verband met het temporele aspect van de eredienst. Er zou op geen enkele wijze inmenging zijn vanwege de Staat bij het uitdrukken van een gedachte of een religie. 7 In ondergeschikte orde zou de aangevochten wet geen inmenging vormen in de vrijheid van godsdienst, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die opvat. De mogelijkheid voor de commissie om alle instrumenten te gebruiken die noodzakelijk zijn voor het houden van die verkiezingen stelt haar niet in staat zich te ontdoen van haar verplichting tot neutraliteit ten aanzien van de vrijheid om zijn godsdienst of overtuiging te belijden. Die mogelijkheid zou dus geen inmenging vormen in de zin van artikel 9.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In meer ondergeschikte orde zou aan de wetgever een zekere beoordelingsmarge moeten worden toegekend om te oordelen over het bestaan en de noodzaak van een inmenging. De aangevochten wet zou een wettig doel nastreven. Rekening houdend met het verontrustende karakter van de situatie en het gebrek aan samenwerking van sommige bestaande organen zou de wetgever de interne conflicten hebben willen oplossen die tot een verstarring leidden van de vrijheid van meningsuiting van de moslims binnen de organen belast met hun vertegenwoordiging en zou hij het mogelijk hebben willen maken dat de moslimgemeenschap overheidsfinanciering geniet. De aangevochten wet zou verder noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en bijgevolg evenredig. Die wet zou zijn aangenomen naar aanleiding van de mislukking van talrijke verzoeningspogingen en zou overeenstemmen met de wil om zich zo weinig mogelijk in de zaak te mengen. Rekening houdend met de onmogelijkheid voor de islamitische eredienst om zelf een orgaan voor te dragen dat als representatief kan worden erkend, en met de consensus omtrent de verkiezingsprocedure binnen de islamitische gemeenschap, vermocht de wetgever op wettige wijze de voorkeur te geven aan die wijze van aanwijzing. A.2.1.
- Volgens de tussenkomende partijen zou de doelstelling van de wetgever erin hebben bestaan te zorgen voor een context en structuren waarin een orgaan kan worden opgericht dat zowel wettig als representatief is, zonder daarom een inmenging in de eredienst zelf te begaan. De aangevochten wet zou overigens niet zozeer het temporele aspect van de eredienst beogen dan wel de oprichting van een administratief orgaan, als geprivilegieerde vertegenwoordiger bij de overheden. A.2.1.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, krachtens het beginsel van de organisatorische autonomie van de erediensten, de personen die verantwoordelijk zijn voor de contacten met de overheid exclusief moeten worden aangewezen door de bevoegde religieuze overheid. Enkel een matig optreden van de Staat, voor zover dat absoluut noodzakelijk is voor de aanwijzing van de gesprekspartner van de overheid, zou kunnen worden getolereerd. Te dezen zou dat optreden echter te rechtstreeks en te alomvattend zijn, terwijl de talrijke onderhandelingen die plaats hebben gehad tussen het huidige Executief en de bevoegde minister niet een dermate radicale unilaterale benadering vanwege de overheid zouden verantwoorden. Bovendien zou het verkeerd zijn te beweren dat het Executief van de moslims zich enkel zou bezighouden met de temporaliën van de islamitische eredienst. Dat orgaan zou in werkelijkheid belast zijn met alle aangelegenheden die te maken hebben met de islamitische eredienst en de vertegenwoordiging ervan. De verzoekende partijen beweren verder dat, zowel in rechte als in feite, de door de Ministerraad aangehaalde motieven niet de gedane inmenging verantwoorden waarbij zou worden teruggekomen op de oorspronkelijk tot stand gekomen regels van samenstelling van het Executief. De gedeeltelijke vernieuwing van de vergadering van de moslims had kunnen verlopen onder objectieve en haalbare voorwaarden. De alternatieve voorstellen die zijn ingediend door de organen van de islamitische eredienst zouden niet voldoende in aanmerking zijn genomen door de wetgever. De door de Ministerraad aangevoerde interne meningsverschillen zouden evenmin de analyse doorstaan. De crisis die het voorzitterschap van het Executief van de moslims heeft aangetast, zou zich nooit hebben uitgebreid tot de algemene vergadering. Die crisis zou overigens hebben geleid tot de oprichting van een nieuw Executief dat normaal zou werken. Bovendien zou het ontslag van sommige leden van het Executief niet het teken zijn van een chronische instabiliteit, maar wel de vrucht van individuele beslissingen of deloyale houdingen. 8 De ontevredenheid ten aanzien van de werking van het Executief zou ten slotte slechts betrekking hebben op een minderheid van deloyale personen, terwijl de wetgever geenszins rekening zou hebben gehouden met gunstige getuigenissen in verband met het huidige Executief van de moslims. A.2.1.
- De Ministerraad repliceert dat het optreden van de overheid een tweevoudig indirect karakter heeft. De benoeming en de afzetting van de bedienaars van de eredienst zouden in de eerste plaats tot de bevoegdheid van het verkozen orgaan en niet tot die van de overheid behoren. De vertegenwoordigers van de islamitische gemeenschap zelf zouden vervolgens door die gemeenschap worden aangewezen en niet door de wetgever. De aangevochten wet zou in werkelijkheid een hindernis opwerpen voor de algehele verwezenlijking van de vrijheid van eredienst. De wetgever zou bij zijn optreden een strikte neutraliteit hebben bewaard teneinde het principe van verkiezing toe te passen waarover de islamitische gemeenschap het eens was geworden. Over de gedeeltelijke vernieuwing van de leden van de vergadering zou bovendien geen consensus zijn bereikt binnen de islamitische gemeenschap terwijl de wettigheid van de criteria voor het vaststellen van de openstaande posten bij die gedeeltelijke verkiezingen twijfelachtig zou blijven. De verzoekende partijen zouden zich ten slotte tegenspreken in verband met het bestaan en het actuele karakter van de interne meningsverschillen binnen de islamitische gemeenschap. A.2.2.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet en de artikelen 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten wet een commissie in het leven roept die belast is met de organisatie van de vernieuwing van de organen van de islamitische eredienst, terwijl een dergelijke procedure niet wordt ingevoerd ten aanzien van andere erediensten. In de veronderstelling dat de wetgever op objectieve en redelijke wijze zijn inmenging in de vrijheid van godsdienst zou kunnen verantwoorden, zou hij nog steeds niet in staat zijn de discriminerende regeling te verantwoorden die hij heeft voorbehouden aan de islamitische eredienst in vergelijking met de andere erediensten die waarschijnlijk soortgelijke meningsverschillen en betwistbare representativiteiten kennen. A.2.2.
- De Ministerraad is van mening dat het specifieke karakter van de islamitische godsdienst, die wordt gekenmerkt door de afwezigheid van een vooraf vastgestelde en universeel erkende hiërarchische structuur en door de afwezigheid van de clerus, verantwoordt dat een beroep wordt gedaan op de procedure van verkiezing om de representatieve organen van die eredienst samen te stellen. A.2.2.
- De tussenkomende partijen zijn van mening dat het verschil in behandeling perfect verantwoord is ten aanzien van de specifieke kenmerken van de islamitische eredienst. De beginselen van wettigheid en evenredigheid zouden overigens in acht zijn genomen, zoals werd gesuggereerd in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.2.2.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de islamitische eredienst niet alleen de enige is waarvan de vertegenwoordigers verkozen worden maar tevens de enige is ten aanzien waarvan de wetgever optreedt in de procedure van aanwijzing van zijn vertegenwoordigers. Het beginsel van gelijkheid onder de erkende erediensten zou een gelijke behandeling vereisen, een beginsel dat zou zijn geschonden door een wet die de enkele islamitische eredienst beoogt. A.2.3.
- Een derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet en de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten wet een commissie opricht die belast is met de organisatie van de vernieuwing van de organen van de islamitische eredienst vóór het verstrijken van het mandaat van tien jaar dat de leden van de algemene vergadering genoten. De hiervoor vermelde bepalingen zouden de wetgever verbieden de vigerende regels te wijzigen, tenzij hij zich beroept op een wettig doel en op het noodzakelijke karakter van de door hem aangenomen maatregel. Te dezen zou geen enkel aanneembaar element dat vervroegde optreden van de wetgever verantwoorden. A.2.3.
- De Ministerraad betwist dat de in het middel aangevoerde bepalingen het vervroegde optreden van de wetgever verbieden. In elk geval zou niet kunnen worden betwist dat er binnen de islamitische gemeenschap hevige spanningen bestonden in verband met de omvang van de vernieuwing van de vergadering, zodat het verkeerd zou zijn te beweren dat een eerdere oplossing had kunnen worden toegepast zonder verdere moeilijkheden. 9 A.2.3.
- De tussenkomende partijen onderstrepen dat de huidige samenstelling van de representatieve organen van de islamitische eredienst klaarblijkelijk niet langer beantwoordt aan de verwachte criteria van representativiteit en legitimiteit, zodat een gedeeltelijke vernieuwing van haar leden, zonder objectieve criteria om vast te stellen welke mandaten vacant zouden worden verklaard, de bestaande spanningen enkel op de spits zou hebben gedreven. De integrale vernieuwing van de leden zou daarentegen de mogelijkheid bieden om alle kandidaten opnieuw aan het oordeel van de kiezers te onderwerpen. A.2.3.
- De verzoekende partijen brengen in een memorie van antwoord in herinnering dat de verdeeldheid binnen de islamitische gemeenschap tot haar juiste proporties moet worden teruggebracht en dat de legitimiteit van het huidige Executief voortvloeit uit het resultaat van de verkiezing van
- A.2.3.
- In zijn memorie van wederantwoord is de Ministerraad van mening dat er geen enkel algemeen beginsel bestaat dat een overheid ertoe verplicht een normatieve regeling te handhaven. Hij onderstreept overigens dat de wetgever aan de mogelijkheid van een gedeeltelijke vernieuwing van de algemene vergadering slechts heeft verzaakt naar aanleiding van de mislukking van de dialoog die met de vertegenwoordigers van de islamitische gemeenschap tot stand was gekomen. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De aangevochten wet strekt ertoe, door de oprichting van een commissie ad hoc, het goede verloop te waarborgen van de verkiezingen om de algemene vergadering van de moslims van België integraal te hernieuwen. B.1.
- De islamitische eredienst is een erkende eredienst krachtens de wet van 19 juli 1974 tot erkenning van de besturen belast met het beheer van de temporaliën van de islamitische eredienst. Krachtens artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten », ingevoegd bij artikel 2 van de voormelde wet, worden « de betrekkingen met de burgerlijke overheid […] verzorgd door het representatief orgaan van de islamitische eredienst ». B.1.
- Het Executief van de moslims van België, opgericht bij een koninklijk besluit van 3 juli 1996, heeft in 1998 bij consensus geopteerd voor de verkiezing van een representatief orgaan van de islamitische eredienst, eveneens genaamd « Executief van de moslims van België ». Dat Executief wordt aangewezen door een algemene vergadering, die zelf wordt 10 verkozen door de leden van de moslimgemeenschap van België en die na vijf jaar gedeeltelijk moest worden hernieuwd. Een ministerieel besluit van 24 september 1998 voorzag in de oprichting van een « Begeleidingscommissie voor de organisatie van de verkiezingen van een representatief orgaan van de islamitische eredienst ». Zij werd onder meer ermee belast toe te zien op de regelmatigheid van de verkiezingen. De eerste algemene verkiezingen hadden plaats op 13 september
- Een koninklijk besluit van 3 mei 1999 erkende het Executief van de moslims van België, dat na die verkiezingen door de algemene vergadering werd aangewezen, als representatief orgaan van de islamitische eredienst. Op 6 februari 2003 dienden de leden van het Executief echter hun ontslag in naar aanleiding van een motie van wantrouwen van de algemene vergadering. Bij een koninklijk besluit van 18 juli 2003 werd, op voorstel van de voorzitter van de algemene vergadering, een nieuw Executief benoemd, bekleed met een mandaat tot 31 mei
- B.1.
- De aangevochten wet richt een commissie op belast met de hernieuwing van de organen van de islamitische eredienst. Die commissie is samengesteld uit twee ere-magistraten of emeritus magistraten, twee door de Minister van Justitie aangestelde leden van de moslimgemeenschap van België en een deskundige op het gebied van verkiezingswetgeving (artikel 3). De commissie is belast met het nemen van alle nodige maatregelen voor de organisatie van de algemene verkiezingen, het toezicht op de regelmatigheid van de kiesverrichtingen, de organisatie van bemiddeling over geschillen die tijdens de kiesverrichtingen kunnen ontstaan, het goedkeuren van de aanstelling van de voorzitters en bijzitters van de kiesbureaus en het nemen van de nodige maatregelen voor de samenstelling van een afvaardiging van waarnemers op de dag van de verkiezingen (artikel 5). De commissie is van rechtswege ontbonden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit houdende erkenning van de leden van het Executief van de moslims van België (artikel 12). 11 Ten aanzien van de afstand van sommige verzoekende partijen B.
- Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 hebben de advocaten van de verzoekende partijen verklaard dat de tweede, de vierde en de tiende tot de drieëntwintigste verzoekende partij afstand deden van hun beroep. Niets verzet zich te dezen ertegen dat het Hof de afstanden toewijst. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.
- De verzoekende natuurlijke personen zijn in verschillende graden betrokken bij het beheer en de vertegenwoordiging van de moslimgemeenschap. Zij doen aldus blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van een wet die de verplichting oplegt om binnen die gemeenschap verkiezingen te organiseren teneinde de gesprekspartner van de overheden aan te wijzen en die een commissie ermee belast de modaliteiten daarvan vast te stellen. B.3.
- Nu sommige verzoekende partijen doen blijken van een voldoende belang bij hun beroep, is het niet nodig na te gaan of ook de andere verzoekende partijen het beroep op ontvankelijke wijze hebben ingesteld. B.3.
- Teneinde onder meer het Hof in staat te stellen na te gaan of de beslissing om tussen te komen in een zaak door het bevoegde orgaan van de rechtspersoon is genomen, verplicht de wetgever elke rechtspersoon die in een geding tussenkomt, op het eerste verzoek het bewijs voor te leggen van de beslissing om tussen te komen en, wanneer zijn statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking bij te voegen. Uit de bij de memorie van tussenkomst gevoegde stukken blijkt dat aan die voorwaarden is voldaan. 12 Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.4.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 181 ervan en met de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten wet de vrijheid van eredienst zou schenden door de oprichting van een commissie die ertoe is gemachtigd alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de organisatie van de verkiezing van de algemene vergadering van de moslims van België. B.4.
- Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 20 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden gedwongen op enigerlei wijze deel te nemen aan handelingen en aan plechtigheden van een eredienst of de rustdagen ervan te onderhouden ». Artikel 21, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking ». Artikel 181 van de Grondwet bepaalt : « §
- De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken. §
- De wedden en pensioenen van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele 13 levensbeschouwing, komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken ». B.4.
- Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
- De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.4.
- Artikel 11 van hetzelfde Verdrag bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
- De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ». B.5.
- Die bepalingen waarborgen de vrijheid van eredienst en het daaruit voortvloeiende verbod van inmenging. B.5.
- De vrijheid van eredienst impliceert de vrijheid om zijn individuele geloofsovertuiging te uiten, in besloten kring of op collectieve wijze, in het openbaar en samen met geloofsgenoten (E.H.R.M., 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t/ Bulgarije). De godsdienstige gemeenschappen bestaan traditioneel in de vorm van een georganiseerde structuur. De deelname aan het leven van een dergelijke gemeenschap is een uiting van de godsdienst, die de bescherming van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geniet. 14 De godsdienstige gemeenschappen moeten zich dus vrij kunnen vormen en organiseren, zonder dat de wetgever in beginsel gemachtigd is om ter zake op te treden. B.5.
- De artikelen 24, § 1, laatste lid, en 181, § 1, van de Grondwet verankeren de begrippen erkende godsdiensten of erediensten. De wetgever kan in redelijkheid eisen dat erkende erediensten een minimum aan structuur vertonen met het oog op de aanwijzing van een instantie die de gesprekspartner kan vormen voor de overheden in de geprivilegieerde betrekkingen die de erkende erediensten met de overheden onderhouden. Opdat een dergelijk optreden van de wetgever kan worden aangenomen, is het echter vereist dat dit optreden de vrijheid van eredienst niet schendt. B.5.
- De parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2004 verantwoordt de aanneming ervan als volgt : « […] de wet strekt ertoe de verkiezing van de algemene vergadering van de moslims van België mogelijk te maken, zodat de islamitische gemeenschap kan beschikken over organen die de islamitische eredienst in staat stellen de rechten te genieten die de Grondwet aan de erkende godsdiensten verleent » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1275/001, pp. 11 en 12). « De minister meent dat de huidige situatie heel nefast is voor de moslimgemeenschap. Er rijst immers een probleem betreffende de inachtneming van de grondwettelijke beginselen, aangezien de islamitische eredienst bij gebrek aan een legitiem representatief orgaan niet ‘ met gelijke wapens ’ tegenover de andere erkende erediensten staat. Om die gelijkheid te waarborgen en het beginsel van de neutraliteit van de Staat in acht te nemen en bij gebrek aan enige andere alternatieve en democratische oplossing, staat het aan de wetgever om op te treden » (Parl. St., Senaat, 2003-2004, nr. 3-815/2, p. 4). Door de aangevochten wet aan te nemen, wilde de wetgever dus een concrete draagwijdte verlenen aan de erkenning van de islamitische eredienst en het deze mogelijk maken, net zoals voor de andere erkende erediensten, de financiële voordelen te genieten die verbonden zijn aan een dergelijk statuut. 15 B.5.
- Er dient echter te worden onderzocht of de aangevochten wet geen onevenredige inbreuk inhoudt op de vrijheid van de verzoekende partijen om, samen met anderen, hun godsdienst te belijden. B.5.
- De aangevochten wet heeft niet tot doel het individuele of collectieve belijden van een godsdienst aan voorwaarden te koppelen of de vrije organisatie van een eredienst te beperken. Zij beperkt zich ertoe een commissie op te richten die belast is met de organisatie van de verkiezingsprocedure welke leidt tot de aanwijzing van een representatief orgaan dat de gesprekspartner van de overheden kan zijn met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel 181 van de Grondwet. B.5.
- Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de Minister van Justitie de gelegenheid gehad om te preciseren dat : « de opdracht van de in het ontwerp bedoelde commissie er uitsluitend in bestaat verkiezingen te organiseren met het oog op de hernieuwing van de representatieve organen van de islamitische eredienst. Zij mag zich dus niet in de plaats stellen van deze organen » (Parl. St., Senaat, 2003-2004, nr. 3-815/2, p. 28). De commissie moet meer in het bijzonder de aanbevelingen in acht nemen van het verslag over de « nadere regels betreffende de vorming van een orgaan Hoofd van Eredienst voor de moslims van België », dat is opgesteld door de vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap en dat zich uitspreekt voor een stelsel van verkiezingen en hierbij de verkiesbaarheidsvoorwaarden bepaalt (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1275/007, p. 8). De wetgever hoedt zich dus ervoor de legitimiteit van de geloofsovertuigingen of de vormen van uitdrukking daarvan te beoordelen en treedt niet rechtstreeks op bij de aanwijzing van de vertegenwoordigende instantie van de erkende eredienst, die rekening zal houden met de verschillende strekkingen binnen de islamitische godsdienst in België. B.5.
- Rekening houdend met het feit dat de moslimgemeenschap de verkiezing in aanmerking heeft genomen als een geldige methode van aanwijzing, en rekening houdend met de fundamentele democratische waarde van een dergelijk procédé, kan de wetgever niet 16 worden verweten dat hij bepaald heeft dat de leden van de algemene vergadering van de moslims van België worden verkozen door de leden van die gemeenschap, noch a fortiori dat hij die verkiezing heeft omgeven met waarborgen die het regelmatige karakter ervan dienen te verzekeren. B.5.
- De oprichting van een commissie belast met de hernieuwing van de organen van de islamitische eredienst heeft precies als rol het goede verloop te waarborgen zowel van de verkiezing als dusdanig als van de ermee gepaard gaande kiesverrichtingen. Die commissie vertoont vanwege haar samenstelling voldoende waarborgen van onafhankelijkheid en deskundigheid. Haar bevoegdheden zijn overigens beperkt tot de aanneming van maatregelen die strikt noodzakelijk zijn voor het regelmatige verloop van de verkiezingen en die bovendien geïnspireerd moeten zijn op de oplossingen die de moslimgemeenschap in aanmerking heeft genomen. B.5.
- Daaruit volgt dat de aangevochten wet niet op onevenredige wijze ingrijpt in de vrijheid van eredienst. B.5.
- Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.6.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 21 van de Grondwet en de artikelen 9 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten wet een onverantwoord verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen de islamitische eredienst, enerzijds, en de andere erkende erediensten, anderzijds. B.6.
- Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de islamitische eredienst, die noch een vooraf vastgestelde en universeel erkende structuur noch een clerus kent, alsmede met de keuze van het verkiezingsprocédé door de vertegenwoordigers van de diverse strekkingen van de moslimgemeenschap, heeft de wetgever redelijkerwijze een beroep 17 kunnen doen op het procédé van verkiezing van het orgaan dat die eredienst bij de overheden vertegenwoordigt. B.6.
- Het tweede middel is niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.7.
- Een derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 tot 21 van de Grondwet alsmede van de artikelen 9 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten wet een commissie opricht belast met de integrale hernieuwing van de algemene vergadering van de moslims van België, terwijl laatstgenoemde enkel zou zijn kunnen worden hernieuwd voor een derde van haar leden. B.7.
- Volgens het verslag dat in 1998 is opgesteld door het Executief van de moslims van België en dat is vermeld in B.5.7, moest de algemene vergadering gedeeltelijk worden hernieuwd na vijf jaar werking. Op die datum moest een derde van de mandaten vacant worden verklaard. B.7.
- Buitengewone omstandigheden, vermeld in B.1.3, hebben de wetgever echter ertoe gebracht vervroegde algemene verkiezingen te houden. B.7.
- Gelet op de noodzaak van de legitimering van het vertegenwoordigend orgaan van de islamitische eredienst, die te wijten is aan de afwezigheid van elke hiërarchische structuur binnen die eredienst, en gelet op het gebrek aan overeenstemming in de algemene vergadering over de wijze waarop haar gedeeltelijke vernieuwing diende te geschieden, vermocht de wetgever redelijkerwijze te oordelen dat enkel een algemene en vervroegde verkiezing van de leden van de algemene vergadering van de moslims van België die eredienst in staat zou stellen over een wettig representatief orgaan te beschikken die de gesprekspartner van de overheid kan vormen bij de tenuitvoerlegging van artikel 181, § 1, van de Grondwet. B.7.
- Het derde middel is niet gegrond. 18 Om die redenen, het Hof - wijst de afstanden toe; - verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div