id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.150 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050928.17 Arrest- Rolnummer: 150/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-07-02 06:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet », ingesteld door de n.v. Electrabel Customer Solutions en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3193 Arrest nr. 150/2005 van 28 september 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet », ingesteld door de n.v. Electrabel Customer Solutions en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2004), door de n.v. Electrabel Customer Solutions, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 8, de n.v. Electrabel, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 8, de vennootschap naar Duits recht RWE Solutions AG, die keuze van woonplaats doet te 1160 Brussel, Tedescolaan 7, en de vennootschap naar Duits recht RWE Trading GmbH, die keuze van woonplaats doet te 1160 Brussel, Tedescolaan
- De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2005 : - zijn verschenen : . Mr. E. Jacubowitz loco Mr. T. Vandenput en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. S. Vernaillen, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partijen zijn als elektriciteitsleveranciers onderworpen aan de verplichting tot het voorleggen van groenestroomcertificaten. Zij hebben de administratieve geldboeten die hun door de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna : VREG) werden opgelegd wegens niet-naleving van die verplichting voor de kalenderjaren 2002 en 2003 aangevochten voor de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg. A.
- De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen omdat het vermeende nadeel niet uit de bestreden bepaling maar uit artikel 37, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : elektriciteitsdecreet) zou voortvloeien. Voorts zouden de verzoekende partijen ten onrechte ervan uitgaan dat hun elke beroepsmogelijkheid ten aanzien van de opgelegde geldboeten zou worden ontnomen. Volgens de Vlaamse Regering moet het Hof bovendien voor elk van de verzoekende partijen nagaan of de door hen voorgelegde beslissingen ertoe kunnen leiden dat het verzoekschrift ontvankelijk zou zijn wat de procesbevoegdheid betreft. A.
- Als antwoord op de exceptie van de Vlaamse Regering verwijzen de verzoekende partijen naar B.6 van het arrest nr. 25/2005, dat eveneens op hen toepasselijk zou zijn. Zij wijzen bovendien erop dat zij worden benadeeld door een gebrek aan appreciatiebevoegdheid van de VREG, nu dat gebrek automatische sancties tot gevolg heeft. Wat de procesbevoegdheid betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de stukken die zij bij het verzoekschrift hebben gevoegd. A.
- De Vlaamse Regering repliceert dat de verwijzing naar het arrest nr. 25/2005 niet relevant is, nu de interpretatieve bepaling door dat arrest niet langer retroactieve werking heeft. Zij merkt ook op dat de tweede verzoekende partij voor het kalenderjaar 2004 aan haar verplichting heeft voldaan. Ten slotte zouden de verzoekende partijen geen nadeel ondervinden aangezien zij de financiële gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling afwentelen op de klanten. Ten aanzien van het eerste middel A.
- Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat de terugwerkende kracht ervan tot gevolg heeft dat de procedures voor de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg worden beïnvloed. Wat dit aspect van hun grief betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de arresten nrs. 193/2004 en 25/2005 van het Hof. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de bestreden bepaling de voormelde artikelen schendt doordat zij in de toekomst tot gevolg heeft dat de rechtsonderhorigen die een boete opgelegd krijgen op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet zich niet tot een rechter met volle rechtsmacht kunnen wenden. Aan laatstgenoemden zouden het recht op toegang tot een rechter, het recht om te worden gehoord en het recht op een eerlijk proces worden ontnomen terwijl de rechtsonderhorigen aan wie een boete wordt opgelegd wegens schending van een andere plicht uit het elektriciteitsdecreet wel die jurisdictionele waarborgen zouden genieten. Volgens de verzoekende partijen ontzegt de bestreden bepaling aan de eerste categorie van rechtsonderhorigen het recht om naar de rechtbank van eerste aanleg te stappen indien zij de administratieve beslissing waarbij geldboeten worden opgelegd, wenst aan te vechten. Uit de parlementaire voorbereiding van de bepaling zou blijken dat hun ook de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd. Het verschil in behandeling wordt naar het oordeel van de verzoekende partijen nog aangescherpt door het strafrechtelijk karakter van de geldboeten, dat tot gevolg heeft dat aan de waarborgen inzake rechtsbescherming, 4 vervat in de internationale mensenrechtenverdragen, in de Grondwet en in de algemene beginselen van het strafrecht, moet worden voldaan. De verzoekende partijen refereren inzonderheid aan het recht om te worden gehoord vooraleer de sanctie wordt opgelegd, waaraan slechts in uitzonderlijke gevallen afbreuk zou mogen worden gedaan, en aan het recht op toegang tot een rechter met volle rechtsmacht, waarbij de rechter zou kunnen toezien op de wettigheid en de opportuniteit van de bestreden beslissingen. A.
- Aangezien het Hof zich over de eerste grief reeds met gezag van gewijsde erga omnes heeft uitgesproken, beperkt de Vlaamse Regering zich tot het weerleggen van de tweede grief. Zij merkt in dat verband op dat de bestreden bepaling niet verhindert dat de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg zich zouden uitspreken over de aanhangig gemaakte vorderingen, noch dat nieuwe procedures aanhangig worden gemaakt. Indien zowel de rechtbank van eerste aanleg als de Raad van State zich onbevoegd zouden verklaren, dient artikel 158 van de Grondwet te worden toegepast. Op grond van die bepaling doet het Hof van Cassatie uitspraak over conflicten van attributie. Volgens de Vlaamse Regering is er evenmin sprake van discriminatie van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen omdat de decreetgever fundamenteel verschillende systemen van administratieve geldboeten heeft ingevoerd, elk met eigen doelstellingen, toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die een onderscheiden behandeling verantwoorden : - een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet kan worden opgelegd, terwijl een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet moet worden opgelegd; - een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 1, betreft de sanctie van tenlasteleggingen die voor discussie vatbaar zijn en waaromtrent de VREG een appreciatiebevoegdheid uitoefent, terwijl een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 2, de sanctie betreft van voor eenvoudige constatering vatbare feiten waaromtrent de VREG geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft; het houden van een hoorzitting zou in dat laatste geval dan ook weinig zin hebben aangezien het tekort een louter feitelijke vaststelling betreft die niet voor discussie vatbaar is; - het aanhangig maken van een beroep tegen een beslissing waarbij een geldboete wordt opgelegd op grond van artikel 37, § 1, schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing, terwijl het aanhangig maken van een beroep tegen een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd op grond van artikel 37, § 2, de tenuitvoerlegging van de beslissing niet schorst; - de beroepsmodaliteiten voor de administratieve geldboeten op grond van artikel 37, § 1, zijn opgenomen in artikel 37, § 4, terwijl de verweermodaliteiten voor de administratieve geldboeten op grond van artikel 37, § 2, zijn opgenomen in artikel 37, § 5; - de opbrengsten van de administratieve geldboeten op grond van artikel 37, § 1, worden in de Vlaamse middelenbegroting gestort, terwijl de opbrengsten van de administratieve geldboeten op grond van artikel 37, § 2, naar het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen gaan, waarmee projecten in het algemeen belang moeten worden ondersteund. Ten slotte betwist de Vlaamse Regering de stelling van de verzoekende partijen volgens welke de administratieve geldboeten een strafrechtelijk karakter zouden hebben. Ten aanzien van het tweede middel A.
- Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet juncto artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat zij ertoe strekt dat het vorderingsrecht van rechtsonderhorigen aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens het voorleggen van een onvoldoende aantal groenestroomcertificaten, volledig wordt ontnomen in vergelijking met de rechtsonderhorigen aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd wegens het niet naleven van een andere verplichting uit het elektriciteitsdecreet. 5 De verzoekende partijen leiden uit de aangehaalde artikelen af dat een eigenaar door de overheid slechts in zijn eigendomsrecht kan worden aangetast nadat de overheid hiervoor voorafgaandelijk een volledige vergoeding heeft gegeven en dat het eigendomsrecht ook op een immaterieel vorderingsrecht kan slaan. Omdat de bestreden bepaling het recht zou ontnemen de opgelegde geldboeten te betwisten, zou het eigendomsrecht van de verzoekende partijen zijn aangetast en zou het evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het individueel recht zijn verstoord. A.
- De Vlaamse Regering herhaalt dat de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg door de bestreden bepaling niet wordt uitgesloten. Bovendien zou de interpretatie door de verzoekende partijen van het begrip « immaterieel vorderingsrecht » te ruim zijn, aangezien dat vorderingsrecht steeds een zekere patrimoniale waarde moet hebben. Een vordering waarbij de wettigheid van een beslissing wordt betwist, zou niet als zodanig kunnen worden beschouwd. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt immers dat een voorwaardelijk vorderingsrecht, waarvan vaststaat dat niet alle voorwaarden zijn vervuld, op zich niet kan worden beschouwd als een vorderingsrecht dat de bescherming geniet van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. -B- Situering van de bestreden bepaling B.
- Het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : elektriciteitsdecreet) heeft ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen een systeem van groenestroomcertificaten ingesteld. Een groenestroomcertificaat is een overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een producent in een bepaald jaar een bepaalde hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen. B.
- De verzoekende partijen zijn elektriciteitsleveranciers die onderworpen zijn aan de verplichting tot het voorleggen van groenestroomcertificaten. Zij hebben evenwel voor de kalenderjaren 2002 en 2003 die verplichting niet nageleefd. B.
- Artikel 37 van het elektriciteitsdecreet bepaalt : « §
- Onverminderd de andere door dit decreet of in een uitvoeringsbesluit ervan bepaalde maatregelen, kan de reguleringsinstantie elke in het Vlaamse Gewest gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de door haar bepaalde termijn. Indien deze natuurlijke persoon of rechtspersoon bij het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft, kan de reguleringsinstantie, op voorwaarde dat deze natuurlijke of rechtspersoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen. 6 Deze administratieve geldboete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan duizend tweehonderd vijftig euro, noch hoger zijn dan honderdduizend euro, noch, in totaal, hoger zijn dan twee miljoen euro of 3 procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de Vlaamse elektriciteitsmarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. Strafvervolging in de zin van artikel 36 sluit administratieve geldboete uit, voor wat betreft de vervolgde feiten, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid. §
- Onverminderd § 1, bedraagt het bedrag van de administratieve geldboete voor een overtreding van artikel 23, § 1, 75 euro per ontbrekend certificaat op 31 maart 2003 en 100 euro per ontbrekend certificaat op 31 maart
- Vanaf 31 maart 2005 wordt de boete bepaald op 125 euro per ontbrekend certificaat. […] ». B.
- Overeenkomstig artikel 37, § 2, besliste de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna : VREG) de verzoekende partijen een administratieve boete op te leggen per ontbrekend groenestroomcertificaat voor de kalenderjaren 2002 en 2003, namelijk in totaal ongeveer 24,2 miljoen euro. De VREG was van oordeel dat de voormelde bepaling haar ter zake geen appreciatieruimte verleende. De verzoekende partijen hebben de beslissing van de VREG aangevochten voor de Raad van State en de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij zijn van oordeel dat artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet de uit artikel 37, § 1, afgeleide discretionaire bevoegdheid van de VREG om al dan niet een boete op te leggen onaangetast liet. Artikel 37, § 2, zou enkel het bedrag van de boete hebben bepaald voor het niet naleven van de verplichting een bepaalde hoeveelheid groenestroomcertificaten voor te leggen. B.
- De thans bestreden bepaling luidt : « In artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet wordt het woord ‘ onverminderd ’ uitgelegd als volgt : ‘ met uitsluiting van ’ ». In het arrest nr. 25/2005 heeft het Hof vastgesteld dat die interpretatieve bepaling terugwerkende kracht had zonder dat uitzonderlijke omstandigheden zulks verantwoordden en heeft het die bepaling vernietigd in zoverre zij van toepassing was op de kalenderjaren voorafgaand aan
- 7 B.
- In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering heeft aangevoerd, doen de verzoekende partijen blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van een bepaling die een invloed kan hebben op het bedrag van de geldboeten waaraan zij kunnen worden onderworpen. Ook de exceptie die is afgeleid uit het gebrek aan procesbevoegdheid stelt het Hof, na het onderzoek van de door de verzoekende partijen voorgelegde stukken, niet ertoe in staat tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep te besluiten. Ten aanzien van het eerste middel B.
- Het eerste middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, door haar terugwerkende kracht, ertoe strekt de uitkomst van hangende rechtsgedingen te beïnvloeden en dat zij ook in de toekomst tot gevolg heeft dat de rechtsonderhorigen die een boete opgelegd krijgen op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen. B.
- Als gevolg van het in B.5 vermelde arrest nr. 25/2005 is de grief die de bestreden bepaling terugwerkende kracht verwijt zonder voorwerp. B.9.
- Krachtens de bestreden bepaling, zoals zij gedeeltelijk werd vernietigd, moet artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet, vanaf het kalenderjaar 2004, worden toegepast zonder rekening te houden met artikel 37, § 1, van hetzelfde decreet. Dat betekent dat, vanaf 31 maart 2005, de boete voor elk ontbrekend certificaat wordt vastgesteld op 125 euro. Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 25/2005, wordt in de parlementaire voorbereiding van het oorspronkelijke artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 het doel ervan als volgt omschreven : « Artikel 37, § 2, regelt de oplegging van een administratieve geldboete, waarbij geen enkele appreciatiebevoegdheid wordt gegeven aan de overheid, aangezien de hoogte van de geldboete en de manier waarop deze wordt berekend, expliciet in het decreet wordt vermeld. Zodoende werd geen beroepsprocedure voorzien en staat beroep open bij de Raad van State, die deze beslissing dan al dan niet kan vernietigen. In voorkomend geval kan de opschorting 8 van de maatregel worden gevorderd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 285/1, p. 29). Uit de parlementaire voorbereiding betreffende die norm volgt eveneens dat de termijn van tien dagen die krachtens artikel 37, § 5, van het decreet wordt toegekend aan de betrokken persoon of rechtspersoon om zijn tegenargumenten te laten gelden bij de reguleringsinstantie indien hij het niet eens is met de volgens paragraaf 2 opgelegde sanctie, het hoogstens mogelijk maakt technische fouten te vermijden, zoals een verkeerde telling van de certificaten, zonder dat daaruit voor de reguleringsinstantie een of andere beoordelingsbevoegdheid volgt (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 285/1, p. 29). Naar aanleiding van de wijziging van artikel 37, § 2, die door het bestreden decreet werd doorgevoerd, heeft de decreetgever aan het volgende herinnerd : « Wanneer de VREG over geen gebonden bevoegdheid zou beschikken om al of niet een administratieve geldboete op te leggen, dan zou dat de rechtszekerheid verminderen, zou de efficiëntie van het systeem, noodzakelijk vanuit de opgenomen internationale verplichting, en aldus de doelstelling van het decreet ondermijnd worden en zou de stimulans tot de productie van groene stroom op de helling komen te staan. Dit zou geheel ingaan tegen de wil van de decreetgever en het opzet van het groenestroomcertificatensysteem zoals opgenomen in het Elektriciteitsdecreet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2188/1, p. 9). B.9.
- In weerwil van het gebruik van de termen « administratieve geldboete » en « overtreding » in artikel 37, § 2, heeft de decreetgever met die bepaling een regulerende maatregel die aangepast is aan de eisen van de elektriciteitsmarkt ingesteld, die de betrokkenen ertoe moet aanzetten hun verplichtingen op het vlak van de distributie van elektriciteit die opgewekt is door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, na te komen, zodat de voor België en voor het Vlaamse Gewest geldende internationale en Europese doelstellingen inzake het aandeel van hernieuwbare energie kunnen worden bereikt. Het bedrag van de « administratieve geldboete » is niet alleen bepaald op grond van de verwachte meerkosten voor de productie van groene stroom in vergelijking met andere stroom, maar ook op grond van de noodzaak de betrokkenen op blijvende wijze aan te zetten voldoende groenestroomcertificaten te verwerven, veeleer dan genoegen te nemen met het betalen van de « geldboete ». De maatregel heeft niet alleen een incitatief, maar ook een compenserend karakter, in zoverre de opbrengst ervan wordt gestort aan het Fonds 9 Hernieuwbare Energiebronnen, dat die middelen aanwendt ter financiering van projecten en maatregelen ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie. B.9.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, doet de bestreden bepaling geen afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter om een beslissing van de VREG genomen op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet aan te vechten. Tegen die beslissing bestaat geen specifiek jurisdictioneel beroep, maar de beroepsmogelijkheden van het gemeen recht blijven bestaan. B.9.
- Aangezien, teneinde concurrentievervalsing te vermijden tussen ondernemingen die aan hun verplichtingen inzake het inleveren van groenestroomcertificaten voldoen en die welke niet aan die verplichtingen voldoen, aan de VREG geen enkele appreciatiebevoegdheid is gegeven wat het opleggen van de in artikel 37, § 2, bedoelde « administratieve geldboeten » betreft, zal de rechterlijke controle op een dergelijke beslissing noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot het nagaan of aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen ervan, met inbegrip van de afwezigheid van overmacht, al dan niet is voldaan, zonder die « boeten » op enigerlei wijze te kunnen moduleren. Een dergelijk rechterlijk toezicht kan niet worden geacht onbestaanbaar te zijn met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.
- Ten slotte voeren de verzoekende partijen nog aan dat zij, anders dan de rechtsonderhorigen die beboet worden wegens het niet naleven van een andere verplichting uit het elektriciteitsdecreet dan het niet voorleggen van voldoende groenestroomcertificaten, niet voorafgaandelijk door de VREG worden gehoord. Vanaf het kalenderjaar 2004 is de VREG verplicht de door de decreetgever bepaalde boete op te leggen wanneer zij een tekort aan voorgelegde groenestroomcertificaten vaststelt. Indien de betrokken persoon of rechtspersoon het oneens is met de sanctie, kan hij binnen tien dagen na de kennisgeving de VREG van zijn tegenargumenten in kennis stellen door middel van een aangetekende brief. De VREG kan haar beslissing herroepen of het bedrag van de « administratieve geldboete » aanpassen indien de tegenargumenten gegrond blijken te zijn (artikel 37, § 5, van het elektriciteitsdecreet). 10 Nu de VREG, als gevolg van de bestreden bepaling, enkel bij het opleggen van « administratieve geldboeten » op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet niet langer over een appreciatiebevoegdheid beschikt, biedt de schriftelijke procedure waarin artikel 37, § 5, voorziet, een voldoende waarborg om materiële vergissingen bij de berekening van het bedrag van die boeten uit te sluiten. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel B.
- Het tweede middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling hun eigendomsrecht aantast doordat zij hun het recht zou ontnemen de opgelegde geldboeten te betwisten. B.
- Zonder te moeten onderzoeken of het eigendomsrecht te dezen in het geding is, blijkt uit het antwoord op het eerste middel dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan het recht van de verzoekende partijen om de op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet opgelegde boeten aan de rechter voor te leggen, zodat de grief grondslag mist. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div