id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.152 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051005.19 Arrest- Rolnummer: 152/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-02 07:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, ingesteld door A. Geensen en anderen en door M. Roeland. Tekst van de beslissing Rolnummers 3185 en 3186 Arrest nr. 152/2005 van 5 oktober 2005 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, ingesteld door A. Geensen en anderen en door M. Roeland. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2004) door A. Geensen, wonende te 2900 Schoten, Fort Baan 11, en M.-C. Jackson, wonende te 9000 Gent, Koning Leopold II-laan
- b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 10 van voormeld decreet door M. Roeland, wonende te 9040 Sint- Amandsberg, Kriekerijstraat 42, G. Allegaert, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Victor Braeckmanlaan 261, O. Reynebeau, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Oscar Colbrandtstraat 93, J. Raes, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Jos Verdegemstraat 86, H. De Vos, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Joannes Hartmannlaan 19, en L. Raes, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Klinkkouterstraat
- De vorderingen tot schorsing van voormelde decretale bepalingen, ingediend door dezelfde verzoekende partijen, zijn verworpen bij arrest nr. 33/2005 van 9 februari 2005, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 maart
- Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3185 en 3186 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 september 2005 : - zijn verschenen : . Mr. P. Aerts, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen; . Mr. I. Vanden Bon loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– A.
- Verzoekende partijen in de zaken nrs. 3185 en 3186 zijn leden van kerkfabrieken van respectievelijk anglicaanse en rooms-katholieke parochies. Zij stellen een beroep tot vernietiging in van de respectievelijke bepalingen in het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten naar luid waarvan een aangesteld of verkozen lid van de kerkraad van rechtswege ontslagnemend is wanneer dat lid de leeftijd van 75 jaar bereikt (artikelen 10 en 126 van voormeld decreet). Vijf van de acht verzoekende partijen hebben inmiddels die leeftijdsgrens bereikt zodat zij vanaf 1 maart 2005, datum van inwerkingtreding van het decreet, niet meer konden worden aangesteld als lid van de kerkraad van hun parochie en, a fortiori, bij de eerste verkiezing na drie jaar, niet meer zullen kunnen worden verkozen. De verzoekende partijen voeren tegen de bestreden bepalingen drie middelen aan. A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van eredienst bedoeld in de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen het zonder enige verantwoording - ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe vanwege de Raad van State - onmogelijk maken, enerzijds, voor kerkfabrieken om een beroep te doen op personen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt om de functie van lid van de kerkraad op zich te nemen waarvan de vervulling noodzakelijk is voor de werking van de eredienst, en, anderzijds, voor personen vanaf die leeftijd, om zich als lid van de kerkraad nog verder in te zetten voor de organisatie van de eredienst, en die bepalingen aldus ingrijpen in de vrije organisatie van de erediensten. De vrijheid van eredienst reikt overigens verder dan het enkel belijden van een godsdienst; zij houdt ook de vrijheid in om de eigen organisatie in te richten, en niet alleen met betrekking tot de bedienaren van de eredienst, maar ook met betrekking tot de organen die de materiële organisatie ervan mogelijk maken. Ofschoon een zekere regelingsbevoegdheid van de decreetgever wordt erkend, reikt die niet zo ver dat hij zelf kan bepalen wie de materiële aspecten van de eredienst zal verzorgen. De invoering van een leeftijdsgrens, waarvan geen afwijking mogelijk is, is geen pertinente maatregel om de doelstelling van efficiënt en doelmatig beheer te verwezenlijken, omdat niet de leeftijd maar andere persoonlijkheidskenmerken daartoe bijdragen. De verzoekende partijen wijzen in dat verband ook op de organisatie van de (provinciale) instellingen voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, waarvan de leden van de raden van bestuur niet aan een maximumleeftijd zijn gebonden. In ieder geval waren er minder vergaande alternatieven die de vrijheid van eredienst meer zouden hebben geëerbiedigd. A.
- De Vlaamse Regering situeert de « leeftijdsregel » in het beperkte gebied van de materiële en financiële organisatie van de erkende erediensten; de leeftijdsregel betreft bijgevolg niet het wezen van de eredienst zelf. De decreetgever kan, met het oog op de doelmatige aanwending van de financiële middelen die met gemeentelijke toelagen worden bijgepast en met het oog op het rationele en zo efficiënt mogelijke beheer, voorzien in een bepaalde, beperkte regelgeving met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan diegenen die deel uitmaken van de kerkraden die over publieke middelen beschikken. De decreetgever vermag, zonder de vrijheid van eredienst te schenden, voorwaarden te stellen aan de toekenning van een financiële tegemoetkoming ten voordele van erkende erediensten, zoals op het vlak van het efficiënte en doelmatige beheer van de materiële goederen, dat op een transparante en rationele wijze dient te gebeuren. De leeftijdsgrens is volstrekt redelijk want voldoende hoog in verhouding tot de doelstelling, namelijk een efficiënt en doelmatig beheer te bewerkstelligen. Leeftijdsvereisten - zowel minimale als maximale - vormen objectieve criteria die in het recht vaak worden gesteld aan het opnemen van functies en betrekkingen, wat geenszins wordt betwist. In rechte dienen steeds abstracte criteria te worden gehanteerd, ook al kunnen kwaliteiten van individuen worden aangehaald waardoor de ratio van het abstracte criterium misschien niet opgaat. Volgens de Vlaamse Regering is de vrijheid van eredienst geenszins geschonden : het geloof kan, ongeacht de leeftijd, worden beleden. Evenmin worden door de maatregel de inhoudelijke organisatie en de participatie in het gedrang gebracht. De Vlaamse Regering verwijst overigens naar het standpunt van de vertegenwoordiger van de katholieke eredienst tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet, die zich akkoord kon verklaren 4 met de leeftijdsgrens, zodat niet kan worden volgehouden dat de maatregel zou hebben geleid tot organisatorische moeilijkheden. A.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het politiek recht om een mandaat in een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid op te nemen, gewaarborgd door artikel 8 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen personen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt, het - als een politiek recht te beschouwen - recht ontzeggen om zich kandidaat te stellen of nog verder zitting te nemen als lid van het beraadslagend orgaan van een dergelijke instelling, die moet worden beschouwd als een bestuursrechtelijke lokale overheid. Het feit dat de invoering van een leeftijdsgrens zou kunnen bijdragen tot een efficiënt en doelmatig beheer, is geen voldoende verantwoording voor de beperking van de politieke rechten van personen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt. Ook hier wordt opgemerkt dat die leeftijdsbeperking niet geldt voor leden van de instellingen voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, noch voor leden van andere lokale publiekrechtelijke instellingen. A.
- Volgens de Vlaamse Regering is ook het tweede middel niet gegrond, om dezelfde redenen als aangehaald bij de behandeling van het eerste middel. Geen enkele decretale bepaling verbiedt de verzoekende partijen om politieke rechten uit te oefenen; enkel het dragen van verantwoordelijkheden bij het materiële en financiële beheer is aan een beperkte regelgeving onderworpen. Het is niet arbitrair erin te voorzien dat een orgaan niet mag zijn samengesteld uit personen die weliswaar bijzonder veel ervaring zouden kunnen hebben verworven, maar wier leeftijd de zin voor modernisering en rationalisering in de weg zou kunnen staan. Zij wijst erop dat de leeftijdsgrens overigens hoger is gesteld dan in elke andere regelgeving. A.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die de vrijheid van eredienst waarborgen, en met artikel 8 van de Grondwet en artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die het recht waarborgen om mandaten in publiekrechtelijke instellingen op te nemen, doordat de bestreden bepalingen, zonder enige redelijke verantwoording, een verschil in behandeling tussen gelovigen van eenzelfde parochie in het leven roepen dat enkel steunt op de leeftijd. Dat geldt a fortiori met betrekking tot de uitoefening van de fundamentele rechten en vrijheden die in het middel worden opgesomd. Ook hier laten de verzoekende partijen opmerken dat de finaliteit van de maatregel - het efficiënte beheer - geen afdoende verantwoording biedt. Er wordt een verschil in behandeling ingevoerd tussen gelovigen binnen een parochie die, op grond van uitsluitend het leeftijdscriterium, al dan niet lid kunnen zijn van de kerkraad, terwijl niet de leeftijd, maar wel andere kenmerken bepalen of iemand geschikt is om mee te werken aan een efficiënt en deugdelijk bestuur. Ook in andere organieke wetgeving bestaat dat verschil op grond van het leeftijdscriterium niet. Aan kerkbesturen wordt de mogelijkheid ontzegd om een beroep te doen op bestuurders die getuigden van inzet, zodra zij de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt. Zelfs als de maatregel pertinent zou zijn, is hij nog onevenredig met de nagestreefde doelstelling door het absolute karakter ervan. Andere oplossingen, zoals een meer evenredige samenstelling van de kerkraden op grond van de leeftijd van de gelovigen, zouden evenzeer hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van die doelstelling, zonder één leeftijdscategorie van gelovigen op absolute wijze uit te sluiten van deelneming aan het beheer, waardoor hun de uitoefening van de in het eerste en het tweede middel aangevoerde fundamentele rechten wordt ontzegd. Ook hier wijzen de verzoekende partijen nogmaals op het verschil op het vlak van de leeftijdsvoorwaarde, die niet geldt voor de instellingen voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad. Het feit dat die aangelegenheid federaal wordt geregeld, ontslaat de Vlaamse decreetgever niet ervan voor de invoering van een leeftijdsgrens voor de leden van de kerkraden te voorzien in een afdoende verantwoording, die thans ontbreekt. A.
- Ten aanzien van het derde middel herhaalt de Vlaamse Regering dat wordt voorzien in een specifieke regelgeving die ertoe strekt de tekorten te laten dekken door publieke fondsen en dienvolgens in een specifieke regelgeving voor een efficiënt beheer, in het kader waarvan, overigens voor elke erkende eredienst, een leeftijdsgrens wordt opgelegd. Een dergelijke regelgeving wordt niet opgelegd met betrekking tot de interne organisatie van de eredienst, zodat de vrijwilliger ouder dan 75 jaar zich hier nog steeds ten volle kan engageren. De decreetgever is uitgegaan van de redelijke aanname dat bij de overschrijding van een zeer ruim bepaalde leeftijdsgrens, efficiënt en modern beheer minder mogelijk wordt. 5 De Vlaamse Regering wijst verder op de autonomie van de federale wetgever om de aangelegenheid voor de Centrale Vrijzinnige Raad te regelen, die, door een bepaald onderscheid niet te maken, geenszins de eigen autonomie van de decreetgever kan beperken. Overigens doet het probleem van de maximale leeftijd zich veeleer voor bij organen die reeds bijzonder lang bestaan dan bij nieuw te creëren organen. -B- B.
- De verzoekende partijen stellen een beroep tot vernietiging in van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. De artikelen 10 en 126 van dat decreet bepalen : « Een aangesteld of verkozen lid is van rechtswege ontslagnemend wanneer het de leeftijd van 75 jaar bereikt ». B.
- De invoering van een leeftijdsgrens voor de leden van de kerkraden, die de bestuursorganen van de kerkfabrieken van de rooms-katholieke en de anglicaanse eredienst zijn, werd, naar aanleiding van de bespreking van verschillende amendementen tot afschaffing ervan, als volgt verdedigd : « De minister vraagt de amendementen niet te aanvaarden. Hij merkt op dat de bedienaars van de katholieke eredienst gepensioneerd moeten zijn op 75 jaar. Uit de voorbereidende besprekingen is gebleken dat die eredienst het moeilijk heeft om de opvolging te verzekeren van respectabele en notabele leden van de kerkraad. Deze vaststelling heeft mee aanleiding gegeven tot het inschrijven in dit artikel van een stimulans tot verjonging en vernieuwing in de kerkraden. Het heeft zeker niet te maken met een gebrek aan andere kandidaten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2100/10, p. 56). Aanvankelijk werd niet gedacht aan het invoeren van een leeftijdsbeperking, niet in het minst omdat het om vrijwilligers gaat : « Er was echter een uitdrukkelijke vraag naar rationalisering en modernisering. Vandaar moet er een zeker evenwicht zijn inzake leeftijd in de kerkbesturen. Het is vandaag een feit dat die besturen worden bevolkt door veel oudere mensen die daar gedurende hun gehele leven in blijven zetelen. Uiteindelijk zijn dat niet de mensen die graag veranderingen, moderniseringen en rationaliseringen doorvoeren. In die zin vond men de leeftijdsgrens van 75 jaar aanvaardbaar. Bovendien moeten ook de bedienaars van de katholieke eredienst gepensioneerd zijn op 75 jaar. Een tweede element dat een rol heeft gespeeld is dat er nog 6 verschillende andere mandaten in de kerkgemeenschap kunnen worden opgenomen, waarvoor er geen leeftijdsgrens bestaat. De leeftijdsgrens geldt enkel voor het bestuur dat zich bezighoudt met het beheer van de materiële bezittingen van de kerkfabriek » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2100/10, p. 57). De minister verwees ook naar de noodzakelijke veranderingen die in de toekomst noodzakelijk zouden worden inzake het beheer van de goederen van de erkende erediensten : « Om tot die noodzakelijke evolutie in het denken te komen, is het nodig dat er een vernieuwing in de kerkbesturen gebeurt. De minister kan begrip opbrengen voor de psychologie van die mensen die lang in de kerkfabrieken en kerkraden gezeteld hebben. Het gaat bij die mensen vaak om hun levensinhoud. Dat betekent dat zij zich bijna van nature verzetten tegen veranderingen die er zich in het kader van de kerkfabrieken moeten voltrekken. Een van de middelen om die stappen naar de toekomst te zetten is het invoeren van de leeftijdsgrens. De kerkelijke hiërarchie is het hier overigens mee eens. De minister vindt het een beetje vreemd dat de Hoge Raad aandringt op veel ingrijpender wijzigingen inzake de kerkbesturen, terwijl de hinderpalen om verder te gaan vooral te maken hebben met tradities en vasthoudendheid aan de bestaande parochiale situaties. De leeftijdsgrens is precies een instrument om vooruit te gaan » (ibid.). B.
- Het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de vrijheid van eredienst, moet samen worden behandeld met het eerste onderdeel van het derde middel, dat de schending aanvoert van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, afzonderlijk maar ook in samenhang gelezen met andere bepalingen betreffende de vrijheid van godsdienst. Er dient dus eveneens rekening te worden gehouden met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Artikel 19 van de Grondwet luidt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 21 van de Grondwet bepaalt : « De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking. 7 Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn ». Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
- De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : «
- Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.
- Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden.
- De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
- De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ». B.
- De vrijheid van godsdienst omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst tot uiting te brengen. Geloofsgemeenschappen bestaan traditioneel in de vorm van georganiseerde structuren. De deelname aan het leven van de geloofsgemeenschap is een uiting van de geloofsovertuiging die de bescherming geniet van de vrijheid van godsdienst. Mede in het perspectief van de vrijheid van vereniging, houdt de vrijheid van godsdienst in dat de 8 geloofsgemeenschap vreedzaam kan functioneren, zonder willekeurige inmenging van de overheid. De autonomie van de geloofsgemeenschappen is immers onmisbaar voor het pluralisme in een democratische samenleving en raakt derhalve de kern zelf van de vrijheid van godsdienst. Zij vertoont niet alleen een rechtstreeks belang voor de organisatie van de geloofsgemeenschap op zich maar ook voor het daadwerkelijke genot van de vrijheid van godsdienst voor alle actieve leden van de geloofsgemeenschap. Indien de organisatie van het leven van de geloofsgemeenschap niet door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou zijn beschermd, zouden alle andere aspecten van de vrijheid van godsdienst van het individu hierdoor kwetsbaar worden (E.H.R.M., 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t. Bulgarije, § 62). De in artikel 21, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van eredienst erkent diezelfde organisatorische autonomie van de godsdienstige gemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten. B.
- De vrijheid van godsdienst en de vrijheid van eredienst staan niet eraan in de weg dat de overheid positieve maatregelen neemt waardoor de daadwerkelijke uitoefening van die vrijheden mogelijk wordt gemaakt. De zorg die de decreetgever betoont door de oprichting van publiekrechtelijke instellingen die worden belast met de materiële aspecten van de erkende erediensten en het beheer van de temporaliën, kan worden geacht bij te dragen tot het effectieve genot van de vrijheid van eredienst. Het voorgaande belet evenwel niet dat een dergelijke maatregel moet worden beschouwd als een inmenging in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. Ofschoon de overheid ter zake over een appreciatiemarge beschikt, dient het Hof na te gaan of die inmenging verantwoord is. Opdat de inmenging verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst en met de vrijheid van eredienst, is derhalve vereist dat de maatregelen het voorwerp uitmaken van een voldoende toegankelijke en precieze regeling, dat ze een rechtmatig doel nastreven en dat ze nodig zijn in een democratische samenleving, wat inhoudt dat de inmenging moet beantwoorden aan « een dwingende maatschappelijke behoefte » en dat er een redelijk verband van evenredigheid moet bestaan tussen het nagestreefde wettige doel, enerzijds, en de beperking van die vrijheden, anderzijds. 9 B.
- De bestreden decretale maatregel stelt een leeftijdsgrens voor de leden van de kerkraden in. Aldus zorgt hij voor een verjonging van die leden, aangezien zittende leden die de leeftijdsgrens hebben bereikt, moeten worden vervangen. De wijziging van de samenstelling van de kerkraden die daaruit voortvloeit, maakt het mogelijk nieuwe leden te betrekken bij het bestuur, wat kan bijdragen tot de beoogde rationalisering en modernisering van het beheer van goederen door de kerkfabrieken, waarvan de tekorten ten laste van de overheid zijn. Uit het voorgaande kan worden besloten dat de maatregel geen onverantwoorde beperking van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van eredienst inhoudt. B.
- De maatregel dient evenwel ook te worden getoetst aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die onder meer discriminatie op grond van leeftijd verbieden. B.
- Het opleggen van een leeftijdsgrens aan de leden van de kerkraden berust op een objectief criterium, namelijk de leeftijd van de leden van de kerkraden. Die maatregel is pertinent om de door de decreetgever nagestreefde doelstelling van verjonging met het oog op een efficiënt en rationeel beheer van de materiële bezittingen van de geloofsgemeenschappen te verwezenlijken. Er moet evenwel worden vastgesteld dat de bestreden maatregel uitgaat van de veronderstelling dat personen die de door hem bepaalde leeftijd hebben bereikt, geenszins nog kunnen beschikken over de vereiste kwaliteiten om een dergelijk beheer te voeren. Zelfs wanneer zij, ondanks hun leeftijd, niet zouden beschikken over een staat van dienst in de kerkfabrieken en voor het eerst zouden worden betrokken bij het bestuur, worden zij niet in staat geacht open te staan voor een rationeel en modern beheer van de materiële bezittingen van hun geloofsgemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. Door een leeftijdsgrens in te stellen die op absolute wijze geldt, wordt een hele categorie van bejaarde gelovigen, die in de geloofsgemeenschap steeds groter wordt, uitgesloten van elk medebeheer van de materiële goederen. De maatregel is dan ook onevenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling. 10 B.
- Het middel afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie is gegrond. B.
- Vermits de andere middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen zij niet te worden onderzocht. 11 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div