← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.159

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.159 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051026.44 Arrest- Rolnummer: 159/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-27 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-07-04 08:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Zo geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., wat haar openbare dienstverlening betreft, uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, schenden de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Zo geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., wat haar openbare dienstverlening betreft, niet uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, schenden de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, gesteld door de Politierechtbank te Hoei. Tekst van de beslissing Rolnummer 3246 Arrest nr. 159/2005 van 26 oktober 2005 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, gesteld door de Politierechtbank te Hoei. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 december 2004 in zake het openbaar ministerie tegen M. Loumaye, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 december 2004, heeft de Politierechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de in samenhang gelezen artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij, zo geïnterpreteerd dat zij de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, wat betreft haar openbare dienstverlening uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, een discriminerende situatie in het leven kunnen roepen ten aanzien van de consumenten van diensten die worden aangeboden door andere bedrijven, en meer in het bijzonder in zoverre die interpretatie ertoe leidt dat de toepassing van de straffen waarin is voorzien in geval van wanprestatie vanwege de consument wordt uitgesloten van de toetsing door de rechter ? ». Memories zijn ingediend door : - M. Loumaye, wonende te 5000 Namen, rue des Brasseurs 48; - de n.v. van publiek recht Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (N.M.B.S.), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de N.M.B.S.; - de Ministerraad. Bij beschikking van 13 juli 2005 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 13 september 2005 na de partijen te hebben verzocht zich in een uiterlijk op 8 september 2005 in te dienen aanvullende memorie nader te verklaren over de volgende vraag : « Wat is de weerslag van de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 ‘ betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten ’ op het aan het Arbitragehof voorgelegde grondwettigheidsprobleem ? ». De Ministerraad en de N.M.B.S. hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2005 : - zijn verschenen : . Mr. K. Lemmens, tevens loco Mr. P. Hofströssler en Mr. H. Gilliams, advocaten bij de balie te Brussel, voor de N.M.B.S.; 3 . Mr. E. Balate, advocaat bij de balie te Bergen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Er wordt de beklaagde voor de Politierechtbank te Hoei verweten dat hij als reiziger plaats heeft genomen in een trein zonder in het bezit te zijn van een geldig biljet. De N.M.B.S. vordert een schadevergoeding van 193,90 euro. De Rechtbank brengt in de eerste plaats in herinnering dat zij reeds eerder kennis heeft moeten nemen van burgerlijke vorderingen vanwege de N.M.B.S. in soortgelijke zaken. Zij herinnert tevens aan de inhoud van vonnissen van de Correctionele Rechtbanken te Hoei en te Namen, zitting houdende in hoger beroep, in verband met dezelfde problematiek. Die rechtbanken oordelen dat de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument niet van toepassing is op de opdrachten van openbare dienstverlening van de N.M.B.S., zoals het personenvervoer in binnenlands verkeer. De toepassing van het algemeen reglement voor het reizigers- en bagagevervoer legt de reiziger die niet in het bezit is van een vervoerbewijs en die vóór het instappen het begeleidend personeel niet daarvan op de hoogte brengt, evenwel de verplichting op om bovenop de prijs van het biljet een forfaitair bedrag te betalen. Indien dat bedrag niet wordt betaald binnen een termijn van 14 kalenderdagen is hij verplicht een bijkomende forfaitaire toeslag te betalen. De Rechtbank merkt vervolgens op dat de toepassing van de artikelen 32.21 en 33 van de voormelde wet van 14 juli 1991 tot de vernietiging van het betwiste beding zou kunnen leiden. Zij ziet niet in hoe een verschil in behandeling tussen de gebruikers van de N.M.B.S. en andere consumenten die aan het gemeen recht zijn onderworpen, zou kunnen worden verantwoord en stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de beklaagde voor de verwijzende rechter A.1.1. De beklaagde voor de verwijzende rechter preciseert in de eerste plaats dat de rechtspraak van de Politierechtbank te Hoei, ter zake een vaste rechtspraak, de door de N.M.B.S. met toepassing van haar reglement vastgestelde verhoging als een onrechtmatig beding beschouwt, in de zin van de wet van 14 juli 1991. De Rechtbank vernietigt bijgevolg dat beding en veroordeelt de beklaagde tot een beduidend lagere som, die volgens de Rechtbank het door de burgerlijke partij geleden nadeel vormt. De N.M.B.S. stelt systematisch hoger beroep in tegen die beslissing en de Correctionele Rechtbank te Hoei neemt een andere vaste rechtspraak aan, waarin die verhoging wordt aangenomen, en weigert de wet van 14 juli 1991 toe te passen, omdat zij van oordeel is dat het vervoer van pendelaars een opdracht van openbare dienst is en dat de relaties tussen de N.M.B.S. en haar gebruikers van reglementaire aard zijn. Diezelfde gedifferentieerde rechtspraak vindt men ook terug in Namen. 4 De beklaagde voor de verwijzende rechter is van mening dat, teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden, een antwoord moet worden gegeven op twee belangrijke rechtsvragen, de ene in verband met de plaats van de N.M.B.S. in de summa divisio waarbij het publiek recht tegenover het privaatrecht wordt geplaatst, en de andere in verband met de contractuele of reglementaire relaties tussen de N.M.B.S. en haar gebruikers. De antwoorden op die vragen hebben een belangrijke weerslag op de bevoegdheid van de rechter en op het toepasbare recht. De partij merkt op dat het antwoord op die vragen ingewikkeld is om reden van de hybridische aard van de N.M.B.S. In de rechtspraak zijn aanzienlijke meningsverschillen gebleken : in verband met de eerste vraag hebben het Hof van Cassatie en de Raad van State standpunten aangenomen die diametraal tegenover elkaar staan; in verband met de tweede vraag wordt in de rechtspraak van de Correctionele Rechtbanken te Hoei en te Namen een foutieve analyse van het recht gemaakt, die tot een discriminatie leidt. A.1.2. De beklaagde voor de verwijzende rechter is van oordeel dat de N.M.B.S. een hybridisch karakter vertoont, aangezien ze is gesitueerd op een domein tussen het privaatrecht en het publiek recht. Daaruit volgt dat op dat overheidsbedrijf nu eens wetgevingen worden toegepast die zijn ontstaan uit het privaatrecht en het handelsrecht, zoals de wet op de handelspraktijken, en dan weer wetgevingen die zijn ontstaan uit het publiek en administratief recht. De N.M.B.S. is een gedecentraliseerd bestuur dat rechtspersoonlijkheid geniet en op grond hiervan aanspraak kan maken op beheersautonomie. Dat de N.M.B.S. deel uitmaakt van het publiek recht wordt eveneens verantwoord door het feit dat zij verscheidene opdrachten van openbare dienstverlening moet vervullen die uitdrukkelijk in de wet van 21 maart 1991 zijn opgesomd. Het administratief recht legt echter verplichtingen op die zich moeilijk laten verenigen met de steeds hardere economische realiteit waarop de N.M.B.S. dagelijks moet inspelen. Daarom heeft de wetgever in 1991 een wet op de autonome overheidsbedrijven aangenomen waarbij een evenwicht werd ingesteld tussen een autonoom commercieel beheer en de administratieve verplichtingen die verbonden zijn aan de opdrachten van openbare dienstverlening. De wetgever heeft in zijn wetten en in de parlementaire voorbereiding waardevolle aanwijzingen gegeven aan de hand waarvan duidelijk kan worden aangetoond dat hij de N.M.B.S. wilde onderwerpen aan de wet op de handelspraktijken, zoals dat blijkt uit een analyse van de wet van 21 maart 1991 en van de wet van 14 juli 1991. Volgens de partij houdt de rechtspraak van de Correctionele Rechtbank te Hoei geen rekening met die wil. Doordat de wetgever de handelingen van de N.M.B.S. als zijnde van commerciële aard beschouwt, heeft hij op dat autonoom overheidsbedrijf de wet op de handelspraktijken willen toepassen. Een ander autonoom overheidsbedrijf, namelijk Belgacom, is meermaals als verkoper aangemerkt in talrijke beslissingen. A.1.3. Blijft nog dat moet worden vastgesteld wat een onrechtmatig beding is in de zin van de artikelen 31 tot 34 van de wet van 14 juli 1991. Volgens de partij moeten niet alleen de bedingen met een contractueel karakter sensu stricto worden beoogd maar tevens de bedingen van reglementaire aard. Ontegenzeggelijk wordt dus het algemeen reglement van de N.M.B.S. beoogd en het hoge bedrag dat kan worden gevorderd en dat, na slechts twee herinneringen, 48 maal hoger ligt dan de kostprijs van het niet betaalde vervoerbewijs, leidt tot een klaarblijkelijk onevenwicht tussen het recht van de N.M.B.S. en de verplichting van de reiziger. Het gaat dus om een onrechtmatig beding. A.1.4. De partij weerlegt vervolgens de argumenten waardoor de aangeklaagde discriminatie zou kunnen worden verantwoord. De opdracht van openbare dienstverlening aanvoeren teneinde de toepassing van de wet van 14 juli 1991 te weigeren, druist in tegen de wil van de wetgever. Bovendien is er verwarring tussen openbare dienstverlening en publiek recht. Het nastreven van een opdracht van openbare dienstverlening omvat niet ipso facto de hoedanigheid van een administratie en de toepassing van het publiek recht. De opdracht van openbare dienstverlening van de N.M.B.S. hangt grotendeels af van de economische conjunctuur, wat het relatieve karakter ervan aantoont. De juridische aard van het reglement dat van toepassing is op de reizigers vormt evenmin een argument op basis waarvan kan worden besloten tot de ontstentenis van discriminatie. Dat algemeen reglement kan niet de hoedanigheid hebben van een wet, vermits het uitgaat van de enkele N.M.B.S., waaraan die « normerende bevoegdheid » werd toegekend krachtens een beheerscontract dat ze heeft afgesloten met de Belgische Staat. Het feit dat men aan een tekst met een typisch contractuele oorsprong een reglementair karakter en zelfs de hoedanigheid van wet wil verlenen, houdt bovendien een tegenstrijdigheid in. De partij brengt ten slotte in herinnering dat de wet op de handelspraktijken is bedoeld om de situatie te regelen waarin de consument wordt geconfronteerd met voorwaarden waarover hij niet kan onderhandelen, bijvoorbeeld een toetredingscontract. Het is precies om misbruiken die worden veroorzaakt door dergelijke contracten te vermijden dat de wetgever de wet op de handelspraktijken heeft aangenomen. A.1.5. De partij preciseert ten slotte dat het geschil een ander probleem in het licht stelt, namelijk de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde om kennis te nemen van betwistingen in verband met overheidsbedrijven. In dat verband moet volgens haar worden verwezen naar artikel 144 van de Grondwet. Het Hof van Cassatie heeft met betrekking tot die kwestie een interessant arrest gewezen in een geschil 5 waarin de N.M.B.S. tegenover sommige van haar werknemers stond en het heeft besloten dat het geschil betrekking had op burgerlijke rechten. Standpunt van de naamloze vennootschap van publiek recht N.M.B.S.-Holding, partij voor de verwijzende rechter A.2.1. De N.M.B.S. brengt in de eerste plaats in herinnering dat de « algemene voorwaarden voor het vervoer van reizigers, begeleide bagage en voor andere prestaties in binnenlands verkeer » van de N.M.B.S. een reglementaire waarde hebben. De wetgever heeft aan de N.M.B.S. de bevoegdheid gedelegeerd om dat vervoer te reglementeren. Die reglementen kunnen worden aangevochten volgens de procedures waarin daartoe is voorzien. Dat impliceert de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State en de toepassing van artikel 159 van de Grondwet door de gewone rechter. Bovendien heeft artikel 31 van de wet die ter toetsing aan het Hof wordt voorgelegd en waarin wordt gepreciseerd wat moet worden verstaan onder « onrechtmatig beding » de positie van de consument willen beschermen in het raam van standaardcontracten. Het kerngegeven van die beschermende benadering is het begrip contractueel evenwicht. Artikel 32 van diezelfde wet somt op beperkende wijze de onrechtmatige bedingen op. A.2.2. De N.M.B.S. is van oordeel dat het aangeklaagde verschil in behandeling redelijkerwijze verantwoord is en dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Twee objectieve, relevante en redelijke criteria kunnen verantwoorden dat de bepaling in verband met de onrechtmatige bedingen niet van toepassing is op de door de N.M.B.S. opgelegde forfaitaire vergoeding. In de eerste plaats is het verschil in behandeling gegrond op de hoedanigheid en de aard van de openbare dienst. Uit de toepassingssfeer van de in het geding zijnde wet, en met name uit artikel 1.6.b), blijkt dat de wet niet van toepassing is op de overheidsinstellingen of rechtspersonen waarin de overheid een overwegend aandeel heeft, op voorwaarde dat zij een commerciële, financiële of industriële activiteit aan de dag leggen en dat zij producten of diensten te koop aanbieden of verkopen. De wet op de handelspraktijken kan dus enkel op de N.M.B.S. worden toegepast voor zover zij commerciële diensten aanbiedt. Volgens de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals die van kracht was ten tijde van de feiten, wordt het reizigersvervoer evenwel beschouwd als een opdracht van openbare dienst. In zoverre de wetgever die activiteit aldus heeft willen aanmerken, heeft hij een opportuniteitskeuze gemaakt waarbij het niet aan het Hof staat die te beoordelen. Die keuze impliceert dat de activiteit aan het administratief recht en aan de regels van de openbare dienst is onderworpen. De aldus aan de N.M.B.S. toevertrouwde opdracht van openbare dienst beantwoordt aan een collectieve behoefte inzake mobiliteit, die een commerciële dienst niet aan alle burgers tegen dezelfde voorwaarden kan bieden. Daaruit volgt niet dat de N.M.B.S., in tegenstelling tot de private ondernemingen, volkomen vrij zou zijn om de voorwaarden vast te stellen waarbij die openbare dienstverlening wordt geregeld, vermits zij, krachtens artikel 11 van de wet van 25 augustus 1891, ertoe gehouden is het beheerscontract in acht te nemen. Haar eenzijdige rechtshandelingen zijn bovendien onderworpen aan de jurisdictionele toetsing die wordt uitgeoefend door de Raad van State of door de gewone rechter met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Het is dus niet juist te beweren dat de gebruiker van een openbare dienst niet over een beroepsmogelijkheid zou beschikken in geval van betwisting inzake zogenaamde buitensporige straffen. Het verschil is dus gegrond op een relevant en objectief criterium; er wordt evenmin afbreuk gedaan aan het evenredigheidsbeginsel vermits de aangeklaagde uitsluiting enkel geldt voor de door de N.M.B.S. aangeboden openbare diensten en niet voor de diensten van commerciële aard. De partij is overigens van mening dat het verschil gebaseerd is op de relatie tussen de consument en de dienstverlener en dus objectief en relevant is. Die relatie is immers van reglementaire aard omdat de wetgever een dergelijke dienst heeft beschouwd als een opdracht van openbare dienst die de N.M.B.S. moet uitvoeren. Over de voorwaarden van die dienstverlening kan niet worden onderhandeld door de partijen. De gebruiker geniet het juridisch stelsel waarbij de openbare dienst wordt geregeld en waarvan het beginsel van de gelijkheid van de gebruikers en de continuïteit van de dienst de kernelementen vormen. Daaruit volgt dat die toeslag niet moet worden beschouwd als een strafbeding dat, met toepassing van de wet op de handelspraktijken, kan worden verminderd, want die toeslag behoort niet tot de contractuele sfeer. Het gaat om een administratieve maatregel. Andere diensten daarentegen zijn van commerciële aard en stellen een contractuele band vast tussen de dienstverlener en de consument. Het verschil in behandeling berust dus op een objectief en relevant criterium en is verantwoord, aangezien er geen contractueel evenwicht is dat moet worden gevrijwaard. Het verschil in behandeling is ten slotte evenredig, aangezien de forfaitaire verhoging enkel wordt opgelegd indien de reiziger reeds tweemaal heeft geweigerd zijn situatie te regulariseren en aangezien het bedrag van die verhoging meer dan redelijk is, gelet op de kosten waaraan de N.M.B.S. het hoofd moet bieden (opstellen van een 6 proces-verbaal, burgerlijke partijstelling). Het spreekt voor zich dat de kosten ten gevolge van de schending van de gebruiksvoorwaarden van de dienst, enerzijds, en de gerechtelijke invordering die daaruit voortvloeit, anderzijds, zeker niet minder bedragen dan de toegepaste verhoging. Standpunt van de Ministerraad A.3.1. De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat hij zijn antwoord uitsluitend voorbehoudt in verband met de toepasbaarheid van de artikelen 1.6.

  1. b)en 31, met dien verstande dat kennelijk uitsluitend de artikelen 32 en 33 door de feitenrechter moeten worden toegepast, aangezien een oplossing in aanmerking zal worden genomen waarbij de N.M.B.S. niet wordt uitgesloten van de toepassingssfeer van de wet van 14 juli 1991, in de artikelen 1.6.
  2. b)en 31 ervan. De Ministerraad is van mening dat het voor het goede begrip van de ter toetsing aan het Hof voorgelegde teksten vereist is rekening te houden met de richtlijn van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (richtlijn 93/13/EEG). De artikelen 31 en volgende van de in het geding zijnde wet zetten immers die richtlijn in het nationaal recht om. De Ministerraad is van oordeel dat de ter toetsing aan het Hof voorgelegde bepalingen, en meer in het bijzonder artikel 1.6.
  3. b)van de wet van 14 juli 1991, geen enkel onderscheid bevatten dat verband houdt met de hoedanigheid van de naamloze vennootschap van publiek recht N.M.B.S., zoals de Politierechtbank te Hoei beweert. De Ministerraad, die zich baseert op de rechtsleer, op een arrest van het Hof van Cassatie van 13 september 2002, op de voormelde Europese richtlijn, op een advies van de Commissie voor onrechtmatige bedingen van 6 juni 2000 en op de duidelijke tekst van de in het geding zijnde bepalingen, besluit dat de artikelen 1.6.
  4. b)en 31 van de bestreden wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, doordat zij niet zo kunnen worden geïnterpreteerd dat zij de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, voor haar prestaties van openbare dienstverlening uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet. Net zoals de andere openbare of daarmee gelijkgestelde instellingen is die maatschappij onderworpen aan de wet wanneer zij producten of diensten aanbiedt in het raam van een commerciële, financiële of industriële activiteit. A.3.2. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat, wanneer de stelling volgens welke de N.M.B.S. geen verkoper is in de zin van de wet van 14 juli 1991 niet in aanmerking kan worden genomen, er evenwel dient te worden vastgesteld dat het algemeen reglement, en in het bijzonder de tarieven die van toepassing zijn op het personenvervoer in binnenlands verkeer in de zin van artikel 13 van de wet van 25 augustus 1891, zoals gewijzigd bij artikel 165, 2°, van de wet van 21 maart 1991, moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig de voormelde richtlijn van 5 april 1993, in die zin dat de rechter klaarblijkelijk de in dat reglement vastgestelde forfaitaire vergoeding mag controleren ingeval de reiziger zijn verbintenissen ten aanzien van de bepalingen van de genoemde richtlijn niet nakomt. A.3.3. De Ministerraad besluit bijgevolg in hoofdorde dat de vraag niet relevant is doordat zij ertoe strekt het Hof te verzoeken de artikelen 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 uit te leggen, en dat er geen schending is van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 1.6.
  5. b)en 31 van die wet, doordat zij de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, wat betreft haar prestaties van openbare dienst niet van hun toepassingssfeer uitsluiten. Hij verzoekt het Hof, in ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat indien de artikelen 1.6.
  6. b)en 31 van de in het geding zijnde wet niet ertoe kunnen leiden dat de N.M.B.S. in hun toepassingssfeer wordt opgenomen, geen enkele discriminatie zou moeten worden vastgesteld, in zoverre de interpretatie die zou moeten worden gegeven aan het algemeen reglement dat van toepassing is op de reizigers en de personen die zich in de installaties van de spoorwegen bevinden, in overeenstemming moet zijn met de bepalingen van de richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993. Antwoord van de naamloze vennootschap van publiek recht N.M.B.S. A.4.1. De N.M.B.S. antwoordt dat de beklaagde onterecht uit artikel 8 van de wet van 21 maart 1991 wil afleiden dat zelfs de opdrachten van openbare dienst zouden worden aangemerkt als commerciële activiteiten. Een dergelijke bewering vindt noch haar grondslag in de wet, noch in de parlementaire voorbereiding en zou afbreuk doen aan de algemene economie van de wet van 21 maart 1991. Door die wet aan te nemen, heeft de wetgever een compromis gewild tussen de administratieve strekking die voorstander is van de traditionele openbare dienst en de commercialistische strekking die een liberalisering en een bedrijfsaanpak voorstaat. De activiteit van de 7 overheidsbedrijven wordt dus opgesplitst in een deel « openbare dienst » waarvan de taken worden georganiseerd in het beheerscontract en een « commercieel » deel waarvan het beheer op volkomen autonome wijze zal worden voortgezet. De activiteiten van openbare dienstverlening zullen moeten worden uitgeoefend met inachtneming van de beginselen van het administratief recht waarvan de toepassing gekoppeld is aan een functioneel criterium. A.4.2. Wat betreft het verschil dat is gebaseerd op de relatie tussen de consument en de dienstverlener, preciseert de partij nog dat wanneer een vervoersovereenkomst wordt afgesloten de reglementaire voorwaarden niet daarvan deel uitmaken maar daaraan worden toegevoegd. In geval van ontstentenis van een vervoersovereenkomst, zoals te dezen, wordt in die voorwaarden het bedrag van de vergoeding vastgesteld, die daardoor een administratieve vergoeding is. Men kan zich overigens afvragen of de prejudiciële vraag niet volkomen van relevantie verstoken is, des te meer daar de toepassing zelf van de genoemde voorwaarden in dat geval, die geenszins wordt betwist, een toereikend bewijs van het reglementaire karakter ervan vormt. Men zal zich dus niet verbazen over het feit dat de wetgever het nuttig heeft geacht in het Belgisch Staatsblad, al was het bij uittreksel, de voorwaarden bekend te maken van de door de N.M.B.S. verleende dienst, noch over het feit dat diezelfde wetgever het nuttig heeft geacht het dwingende karakter van de voorwaarden van de door de N.M.B.S. verleende dienst, in geval van niet-naleving ervan, te versterken door de gelijktijdige toepassing van het strafrecht, terwijl daarin niet is voorzien in geval van niet-naleving van de voorwaarden waarbij de diensten worden geregeld die door andere bedrijven worden verleend. In die context is het weinig relevant om, zoals de beklaagde dat doet, te verwijzen naar de zogenaamde contractuele aard van het beheerscontract. Het reglement houdende algemene voorwaarden vindt zijn juridische grondslag niet in het beheerscontract maar wel in de wet van 25 augustus 1891, en de aard van het beheerscontract doet problemen rijzen. Ook al gaat het om een contract dat is afgesloten tussen de N.M.B.S. en de Staat, toch dient het te worden goedgekeurd bij koninklijk besluit. Bovendien sluit de wet van 21 maart 1991 de toepassing van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek op het beheerscontract uit. Dat beheerscontract wordt dus beschouwd als een overeenkomst sui generis van semi-reglementaire aard. Antwoord van de Ministerraad A.5.1. De Ministerraad antwoordt aan de N.M.B.S. dat het onderscheid tussen de activiteiten van openbare dienst en de gewone activiteiten niet betekent dat de als openbare dienst uitgeoefende activiteit geen commercieel, financieel of industrieel karakter vertoont, aangezien het om binnenlands vervoer gaat. De door de N.M.B.S. gemaakte analyse leidt tot de uitholling van het in het geding zijnde artikel 1.6.b), doordat elke activiteit met een commercieel, financieel of industrieel karakter die zou worden uitgeoefend door een overheidsinstelling of een rechtspersoon en waarin de overheid een overwegend aandeel heeft onmiddellijk aan de toepassing van de wet zou worden onttrokken. Zulks kan niet de betekenis zijn die moet worden gegeven aan de wet van 14 juli 1991; het in aanmerking genomen criterium strekt ertoe de gelijke behandeling te garanderen van de verkopers. De finaliteit van de activiteit van de verkoper kan niet de omstandigheid wegvlakken dat de diensten een commercieel karakter vertonen. Het is fout te oordelen dat het Hof ertoe zou worden gebracht een opportuniteitskeuze te maken. A.5.2. Wat het verschil onder de gebruikers betreft, betwist de Ministerraad de analyse van de N.M.B.S., in zoverre artikel 8 van de wet van 21 maart 1991 ertoe leidt te oordelen dat de handelingen en de verbintenissen van de autonome overheidsbedrijven geacht worden daden van koophandel te zijn. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat die bedrijven onderworpen zijn aan de wet van 14 juli 1991. Aldus worden naast de bedingen met een strikt contractueel karakter eveneens de leveringsvoorwaarden met reglementair karakter beoogd. A.5.3. Wat de verantwoording voor het verschil in behandeling betreft, is de Ministerraad van oordeel dat de door de N.M.B.S. aangevoerde argumenten teneinde de evenredigheid van de gedifferentieerde behandeling te staven aan de toetsing van het Hof moeten worden onttrokken, in zoverre de gestelde prejudiciële vraag eenvoudigweg ertoe strekt te vernemen of de ter toetsing aan het Hof voorgelegde bepalingen ertoe kunnen leiden dat de toepassing van de straffen waarin werd voorzien in geval van wanprestatie van de consument kunnen worden uitgesloten van de toetsing door de rechter. Het Hof kan geen uitspraak doen over die controle van de straffen. Er dient eenvoudigweg te worden onderzocht of de N.M.B.S. onder de toepassingssfeer valt van artikel 1.6.
  7. b)van de wet van 14 juli 1991. Elke andere interpretatie behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. 8 Aanvullende memories A.6.1. Bij beschikking van 13 juli 2005 heeft het Hof de partijen verzocht zich in een aanvullende memorie uit te spreken over de volgende vraag : « Wat is de weerslag van de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 ‘ betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten ’ op het aan het Arbitragehof voorgelegde grondwettigheidsprobleem ? ». A.6.2. De Ministerraad is van oordeel dat de voorrang van het Europees recht en de uniforme toepassing ervan in de lidstaten tot een superieure positie in de hiërarchie der bronnen leidt, met de verplichting voor elk rechtsprekend of administratief orgaan om strijdige interne bepalingen niet toe te passen of ze althans toe te passen of te interpreteren in overeenstemming met de richtlijnen. De Ministerraad is dus van mening dat in de eerste plaats in onderhavig geval moet worden onderzocht of de artikelen 31 en volgende van de in het geding zijnde wet overeenstemmen met een correcte omzetting van de richtlijn. De Ministerraad, die zich baseert op een studie van de Europese Commissie in verband met een offerteaanvraag, merkt op dat elke openbare of private persoon zo kan worden beschouwd dat hij onder de definitie van « verkoper » valt in de zin van de richtlijn. Ofschoon artikel 1, lid 2, van de richtlijn de contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen uit de toepassingssfeer ervan uitsluit, dient te worden opgemerkt dat, in overweging 13 ervan, die richtlijn stelt dat de uitsluiting van die bedingen wordt verantwoord door het feit dat dergelijke bepalingen geacht worden geen oneerlijke bedingen te bevatten. De Ministerraad brengt overigens in herinnering dat bij de aanneming van de wet van 14 juli 1991 op de kwestie van de toepasbaarheid van artikel 31 op de algemene voorwaarden die aan de gebruikers werden voorgesteld in de vorm van een reglementaire administratieve handeling werd vooruitgelopen. De Ministerraad doet gelden dat, aangezien de richtlijn zo moet worden geïnterpreteerd dat ze van toepassing is op de openbare diensten, het betaamt dat de interpretatie die door het Arbitragehof eraan zal worden gegeven bij de grondwettigheidstoets niet voorbijgaat aan het met de richtlijn te bereiken resultaat. Aangezien zeer zeker blijkt dat de wetgever heeft willen vooruitlopen op de omzetting, is het belangrijk te onderzoeken of hij voor alle beoogde gevallen bepalingen heeft aangenomen met een vergelijkbare doeltreffendheid. Zulks is evenwel niet het geval voor de beroepen die door de consumenten zouden kunnen worden ingesteld, indien men de stelling van de N.M.B.S. volgt. Ofschoon weliswaar theoretisch kan worden betoogd dat de interpretatie die door de gewone en administratieve rechtscolleges zou worden gegeven aan het algemeen reglement van de N.M.B.S. tot resultaten zou kunnen leiden die identiek zijn met die welke worden verkregen door toepassing van de artikelen 31 en volgende van de in het geding zijnde wet, dient nog in herinnering te worden gebracht dat het beginsel van rechtszekerheid moet leiden tot de volledige toepassing van de richtlijn. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen baseert zich overigens op dat beginsel van rechtszekerheid om de kwaliteit van de omzetting van de communautaire verplichtingen te toetsen. De Ministerraad besluit dat de verplichte inachtneming van de richtlijn een niet-discriminerende interpretatie opdringt waardoor tegelijkertijd tegemoet kan worden gekomen aan de met de richtlijn te bereiken resultaten en het beginsel van gelijke behandeling vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.6.3. De N.M.B.S. oordeelt in hoofdorde dat de in het geding zijnde richtlijn geen weerslag heeft op onderhavig geval. Er kan niet ernstig worden betwijfeld dat de N.M.B.S. moet worden beschouwd als een verkoper in de zin van de richtlijn, maar die vaststelling impliceert geenszins dat de richtlijn eveneens van toepassing is op de algemene voorwaarden van de N.M.B.S. De partij baseert zich in dat verband op artikel 1, lid 2, van de richtlijn alsmede op overweging 13, die het mogelijk maken te besluiten tot het bestaan van een vermoeden dat de reglementaire bedingen in overeenstemming zijn met de richtlijn. Dat standpunt wordt gedeeld door het « Institut national de la consommation » in een studie in opdracht van de Europese Commissie. Vermits de reglementaire aard van de algemene voorwaarden van de N.M.B.S. blijkt uit artikel 16 van de wet van 25 augustus 1891 « houdende herziening van de titel van het Wetboek van Koophandel betreffende de vervoerovereenkomst » alsmede uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, ontsnappen de algemene voorwaarden van de N.M.B.S. aan de toepassing van de richtlijn. Die richtlijn heeft dus geen weerslag op de grondwettigheidskwestie die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag. De N.M.B.S. oordeelt in ondergeschikte orde dat de Belgische rechtsorde de richtlijn in acht neemt. Het Belgisch recht biedt immers alle in dat opzicht vereiste waarborgen. De richtlijn laat de lidstaten de keuze om de 9 vereiste bescherming te organiseren, hetzij via een gerechtelijke procedure, hetzij via een administratieve procedure. In de contractuele sfeer verzekert de wet op de handelspraktijken de gewilde bescherming. Voor de reglementaire betrekkingen, te dezen die welke bestaan tussen de leverancier van een openbare dienst en de gebruiker ervan, wordt de bescherming op een andere wijze verzekerd. De consument beschikt dus over twee wegen indien hij het gebruik van « oneerlijke bedingen » wil doen stopzetten : een rechtstreeks beroep voor de Raad van State dat kan leiden tot de schorsing of de vernietiging van de in het geding zijnde akte en de mogelijkheid om in het raam van een procedure voor de justitiële rechter te vorderen dat die rechter de in het geding zijnde akte, indien ze strijdig is met de wet, niet toepast op grond van artikel 159 van de Grondwet. De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt zal zich kunnen baseren op het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van goede rechtsbedeling om eventueel een beding af te keuren dat oneerlijk zou zijn. Hoewel de bescherming van de consument van een openbare dienst niet wordt verzekerd door de inwerkingstelling van de wet op de handelspraktijken, wordt ze dus geconcretiseerd door een ander mechanisme, via het evenredigheidsbeginsel. De N.M.B.S. onderstreept ten slotte dat de bescherming van de belangen van de consument bovendien wordt verzekerd door het bestaan van mechanismen van preventieve controle waarin is voorzien in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Een regeringscommissaris waakt immers erover dat bij de beslissingen van de organen van de N.M.B.S. de wet en dus het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. De N.M.B.S. besluit dus dat de richtlijn geen weerslag heeft op de grondwettigheidskwestie. De doeleinden ervan worden immers bereikt, zelfs in de gevallen die ze niet zou beogen, zowel in de contractuele sfeer als in de reglementaire sfeer. -B– B.1. In de prejudiciële vraag gesteld door de Politierechtbank te Hoei wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, in zoverre, zo geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, wat betreft haar openbare dienstverlening uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, zij een discriminerende situatie in het leven kunnen roepen ten opzichte van consumenten van diensten die worden aangeboden door andere bedrijven, en meer in het bijzonder in zoverre die interpretatie ertoe leidt dat de toepassing van de straffen waarin is voorzien in geval van wanprestatie vanwege de consument wordt uitgesloten van de toetsing door de rechter. B.2. Artikel 1.6 van de voormelde wet van 14 juli 1991 bepaalt : « Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder : […] 6. Verkoper : 10
  8. a)elke handelaar of ambachtsman en elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, die produkten of diensten te koop aanbieden of verkopen in het kader van een beroepsactiviteit of met het oog op de verwezenlijking van hun statutair doel;
  9. b)de overheidsinstellingen of de rechtspersonen waarin de overheid een overwegend aandeel heeft, die een commerciële, financiële of industriële activiteit aan de dag leggen en die produkten of diensten te koop aanbieden of verkopen;
  10. c)de personen die, hetzij in eigen naam, hetzij in naam of voor rekening van een al dan niet met rechtspersoonlijkheid beklede derde, met of zonder winstoogmerk, een commerciële, financiële of industriële activiteit uitoefenen en die produkten of diensten te koop aanbieden of verkopen; […] ». Artikel 31 van dezelfde wet bepaalt : « § 1. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder onrechtmatig beding, elk beding of elke voorwaarde die, alleen of in samenhang met een of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen. § 2. Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder : 1° producten : niet enkel de lichamelijke roerende zaken, maar ook de onroerende zaken, de rechten en de verplichtingen; 2° verkoper : niet enkel de personen bedoeld in artikel 1, 6, maar ook iedere andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, uitgezonderd de titularissen van een vrij beroep zoals bepaald in artikel 2, 1°, van de wet van 3 april 1997 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen titularissen van vrije beroepen en hun cliënten, die bij een overeenkomst afgesloten met een consument handelt in het kader van zijn beroepsactiviteit. § 3. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. De beoordeling van het onrechtmatige karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren producten of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. § 4. Indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. 11 Ingeval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van vordering tot staking bepaald in artikel 95 ». Artikel 32 van dezelfde wet somt de bedingen en voorwaarden op die vervat zijn in de overeenkomsten gesloten tussen een verkoper en een consument en die als onrechtmatig worden beschouwd. Artikel 33 van dezelfde wet bepaalt : « § 1. Elk onrechtmatig beding in de zin van de bepalingen van deze afdeling is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen, indien de overeenkomst zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. De consument kan niet afzien van de rechten die hem bij deze afdeling worden toegekend. § 2. Een beding dat de wet van een Staat die geen lid is van de Europese Unie op de overeenkomst toepasselijk verklaart, wordt wat de in deze afdeling geregelde aangelegenheden betreft voor niet geschreven gehouden wanneer bij gebreke van dat beding de wet van een Lidstaat van de Europese Unie toepasselijk zou zijn en die wet de consument in de genoemde aangelegenheden een hogere bescherming verleent ». B.3. Aan het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepalingen, in zoverre zij zo worden geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, wat betreft haar openbare dienstverlening uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zijn memorie betwist de Ministerraad die interpretatie en baseert zich daarbij op de Europese richtlijn van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (richtlijn 93/13/EEG). Hij verzoekt het Hof de artikelen 1.6.
  11. b)en 31 van de in het geding zijnde wet te interpreteren overeenkomstig het Europees recht. In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil en die normen te interpreteren. 12 Aan het Hof wordt gevraagd of het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepalingen, zoals zij door de verwijzende rechter worden geïnterpreteerd, in het leven zouden roepen, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het is niet bevoegd om een rechtstreekse toetsing uit te oefenen ten aanzien van de regels van het Europees recht, maar het zal in voorkomend geval daarmee rekening moeten houden teneinde de in het geding zijnde bepalingen te interpreteren. B.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet betreffende de handelspraktijken blijkt dat de wetgever, door het begrip « verkoper » te gebruiken, « in aanzienlijke mate de toepassingssfeer van de wet [heeft willen uitbreiden], met een meer realistische opvatting van de concurrentieverhoudingen. Eveneens worden beoogd de openbare instellingen en de verenigingen zonder winstoogmerk » (Parl. St., Senaat, 1986-1987, nr. 464/2, p. 9). Meer algemeen heeft de wetgever « de maatregelen genomen in de wet van 14 juli 1971 betreffende de handelspraktijken [willen] vervolledigen ten einde zowel een eerlijke concurrentie [in] de handelstransacties te waarborgen, als de voorlichting en bescherming van de verbruiker ter gelegenheid van zijn meest gangbare handelsverrichtingen te verzekeren » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 947/1, p. 1). De wetgever heeft nadien de toepassingssfeer van sommige bepalingen in verband met de handelspraktijken en meer in het bijzonder de regels in verband met de oneerlijke bedingen verder verruimd. Hij heeft aldus « de consument een toegenomen juridische bescherming [willen] verlenen door het verbod af te kondigen, in de overeenkomsten tussen verkopers en consumenten, oneerlijke bedingen te voegen, die het normale evenwicht tussen de rechten en de plichten van de partijen verstoren » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1565/1, p. 1) met de wet van 7 december 1998 tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Hij heeft in dat opzicht de maatregelen willen nemen die absoluut noodzakelijk zijn om de omzetting te verzekeren van de richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en daarbij de voor de consument gunstigere bepalingen willen behouden, zoals artikel 8 van de richtlijn zulks mogelijk maakt (idem, pp. 2 en 3). Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever in artikel 31, § 1, de term « voorwaarde » wenste te gebruiken naast de term « beding », « teneinde niet alleen de bedingen met contractueel karakter sensu stricto maar eveneens de leveringsvoorwaarden met 13 reglementair karakter die gebruikt worden door de verkopers die deel uitmaken van de categorie der openbare diensten […] te omvatten » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1565/1, p. 4). Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt verder dat : « om een einde te stellen aan de discussies over dit punt, […] het ontwerp voor de toepassing van deze sectie de definitie van verkoper [uitbreidt], om op de ruimst mogelijke manier elke natuurlijke of rechtspersoon te beogen die in de overeenkomsten, afgesloten met de consumenten, handelt in het kader van zijn beroepsbezigheid » (ibid., p. 5). B.5.1. Zoals de in het geding zijnde bepalingen door de verwijzende rechter worden geïnterpreteerd, roepen zij een verschil in behandeling in het leven tussen de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, die, wat betreft haar openbare dienstverlening, zou worden uitgesloten van de toepassingssfeer van de artikelen 1.6.
  12. b)en 31, § 2, 2°, van de wet op de handelspraktijken, en de andere economische actoren. Dat objectieve criterium is niet relevant ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Het blijkt immers uit de in B.4 in herinnering gebrachte parlementaire voorbereiding dat de wetgever aan de wet op de handelspraktijken een zeer ruime toepassingssfeer heeft gegeven teneinde de consument te beschermen. Die bekommernis heeft hem ertoe gebracht de toepassingssfeer van de wet uit te breiden tot personen die geen handelaar of ambachtsman zijn (artikel 1.6.a)) of tot personen die geen winstoogmerk nastreven (artikel 1.6.c)). De toepassingssfeer van de wet is bovendien in 1998 nog verder uitgebreid teneinde de consument te beschermen tegen de oneerlijke bedingen. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens niet dat de wetgever de toepassingssfeer van de wet dusdanig heeft willen beperken dat de publiekrechtelijke rechtspersonen worden uitgesloten wanneer zij aan openbare dienstverlening doen. Zo geïnterpreteerd dat zij de N.M.B.S., een autonoom overheidsbedrijf, wat betreft haar openbare dienstverlening uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, zijn de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 14 B.5.2. Aangezien de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie ongrondwettig is, dient niet te worden onderzocht of, zoals de Ministerraad betoogt, die interpretatie eveneens onbestaanbaar is met de richtlijn 93/13/EEG. B.6. Zoals de Ministerraad opmerkt, kunnen de in het geding zijnde bepalingen evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat zij de N.M.B.S., wat haar openbare dienstverlening betreft, niet uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet. Artikel 1.6.
  13. b)van de in het geding zijnde wet beoogt immers de overheidsinstellingen of de rechtspersonen waarin de overheid een overwegend aandeel heeft, die een commerciële, financiële of industriële activiteit aan de dag leggen en die producten of diensten te koop aanbieden of verkopen. Die bepaling maakt geen onderscheid naargelang de beoogde activiteit al dan niet overeenstemt met een opdracht van openbare dienstverlening. Artikel 8 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt overigens dat de handelingen van de autonome overheidsbedrijven geacht worden daden van koophandel te zijn. Die bepaling maakt evenmin een onderscheid naargelang de uitgeoefende activiteit een activiteit van openbare dienstverlening of een andere activiteit is. In die interpretatie zijn de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Zo geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., wat haar openbare dienstverlening betreft, uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, schenden de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Zo geïnterpreteerd dat ze de N.M.B.S., wat haar openbare dienstverlening betreft, niet uitsluiten van de toepassingssfeer van de wet, schenden de artikelen 1.6.b), 31, 32 en 33 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2005. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.159 Gerelateerde publicatie(
  14. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.