id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.160 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051026.45 Arrest- Rolnummer: 160/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-27 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-07-02 06:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 664, 665 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre zij in het kader van een gerechtelijke expertise waartoe werd beslist om een medisch geschil te beslechten dat betrekking had op socialezekerheidsprestaties, aan een sociaal verzekerde die niet over voldoende financiële middelen beschikt, geen rechtsbijstand toestaan om een adviserend geneesheer aan te wijzen en om zijn kosten en honoraria ten laste te nemen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 664, 665, 672 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 3364 Arrest nr. 160/2005 van 26 oktober 2005 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 664, 665, 672 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 januari 2005 in zake L.C. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 januari 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 664, 665, 672 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, en/of artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, doordat zij, in het kader van een gerechtelijke expertise waartoe werd beslist om een medisch geschil te beslechten dat betrekking had op socialezekerheidsprestaties, aan een sociaal verzekerde die niet over voldoende financiële middelen beschikt, geen rechtsbijstand toestaan om een adviserend geneesheer aan te wijzen en om zijn kosten en honoraria ten laste te nemen, terwijl de sociaal verzekerde die over meer financiële middelen beschikt, de mogelijkheid heeft om zich door een adviserend geneesheer te laten bijstaan ? ». Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - L.C. Op de openbare terechtzitting van 14 september 2005 : - zijn verschenen : . Mr. J. Mommerency, advocaat bij de balie te Antwerpen, loco Mr. E. Huisman, advocaat bij de balie te Brussel, voor L.C.; . Mr. V. Rigodanzo, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Aan L.C. wordt de uitbetaling geweigerd van tegemoetkomingen aan gehandicapten nadat de geneesheer-inspecteur van de Belgische Staat had geoordeeld dat zij niet voldeed aan de vereiste medische voorwaarden. Zij maakt de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, die bij vonnis van 9 juni 2004 een geneesheer-deskundige aanwijst met als opdracht de Rechtbank advies uit te brengen over het verlies aan 3 verdienvermogen en de vermindering van zelfredzaamheid van de betrokkene. Bij verzoekschrift van 30 juli 2004 vordert de betrokkene de aanwijzing van een geneesheer die zij als adviserend geneesheer heeft gekozen, alsmede het voordeel van de rechtsbijstand voor de kosten en honoraria van laatstgenoemde. De Rechtbank stelt vast dat de eiseres voldoet aan de voorwaarden van artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek en dat zij bijgevolg kan worden toegelaten tot het voordeel van de rechtsbijstand. Zij stelt echter vast dat in de wetsbepalingen in verband met rechtsbijstand niet is voorzien in het optreden van een adviserend geneesheer, want volgens haar kan een adviserend geneesheer, wiens optreden facultatief is, niet worden beschouwd als iemand die een « proceshandeling » stelt. Zij merkt verder op dat het risico dat de eiseres in het raam van het medisch debat dat voor de deskundige zal worden gevoerd, zich in een duidelijk nadeligere situatie bevindt dan de Belgische Staat, niet louter theoretisch is en dat enkel de bijstand van een adviserend geneesheer een dergelijk risico kan vermijden. Bijgevolg stelt de Rechtbank aan het Hof de voormelde vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De eiseres voor de verwijzende rechter - hierna de eiseres - suggereert een herformulering van de prejudiciële vraag teneinde te preciseren dat, in zoverre zij de handelingen vaststellen die door de Staat ten laste moeten worden genomen teneinde aan eenieder de toegang tot het gerecht te verzekeren, de artikelen 664, 665 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek worden beoogd, dat die bepalingen rechtstreeks kunnen worden getoetst aan artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, en dat aan het Hof wordt gevraagd na te gaan of die bepalingen de Grondwet zouden schenden, indien zij het geenszins mogelijk zouden maken de aanvraag tot hulp in te willigen. A.1.
- De eiseres is van mening dat de artikelen 664, 665, 672 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek de tenlasteneming door de Staat mogelijk maken van de kosten en honoraria van de adviserend geneesheer in het kader van een procedure van gerechtelijk deskundigenonderzoek. Zij zet uiteen dat de wetgever, met de aanneming van die bepalingen, duidelijk elke rechtzoekende, ongeacht zijn inkomsten, in staat wilde stellen toegang te hebben tot het gerecht om er daadwerkelijk de erkenning van zijn rechten te laten gelden. Zij preciseert dat algemeen wordt aangenomen dat via de rechtsbijstand de kosten voor een deskundigenonderzoek, met inbegrip van de honoraria van de door de rechtbank aangewezen deskundigen, ten laste kunnen worden genomen, en dat het optreden van een adviserend geneesheer, die ermee wordt belast een partij bij te staan tijdens een procedure van deskundigenonderzoek op tegenspraak, als een rechtstreekse bijdrage tot het deskundigenonderzoek kan worden beschouwd. Zij onderstreept dat in bepaalde gevallen de bijstand van een raadsman tijdens het deskundigenonderzoek het enige middel vormt aan de hand waarvan een partij haar argumenten daadwerkelijk kan doen gelden, en zij merkt op dat het, in het raam van een medisch deskundigenonderzoek op tegenspraak, kan gebeuren dat bepaalde elementen die onder het medisch geheim vallen enkel worden besproken onder artsen. A.1.
- De eiseres is van oordeel dat, indien de in het geding zijnde artikelen de tenlasteneming door de Staat van de kosten en honoraria van de adviserend geneesheer in het raam van een procedure van gerechtelijk deskundigenonderzoek niet mogelijk zouden maken, zij de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zouden schenden, in zoverre die het gelijkheidsbeginsel, het recht op een eerlijk proces en de rechten op sociale zekerheid en toegang tot het gerecht garanderen. Zij citeert de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met het recht op toegang tot het gerecht en het beginsel van de wapengelijkheid tussen partijen en wijst erop dat het Hof, op grond van artikel 6.3 van het voormelde Verdrag, het recht van elke rechtzoekende erkent om aanspraak te kunnen maken op de kosteloze bijstand van een toegevoegd advocaat, in zoverre hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen en het belang van de rechtspraak een dergelijke bijstand vereist. A.1.
- Ten slotte doet de eiseres gelden dat te dezen de aanvraag tot rechtsbijstand betrekking heeft op een beslissende fase van de rechtspleging en dat de partij die tijdens die fase van de rechtspleging niet de bijstand van een adviserend geneesheer zou genieten niet daadwerkelijk aanwezig of vertegenwoordigd zou zijn in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Gerechtelijk Wetboek en de Grondwet. 4 A.
- De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof wat betreft de gestelde prejudiciële vraag. -B- B.1.
- De eiseres voor de verwijzende rechter vraagt aan het Hof om de prejudiciële vraag te herformuleren. B.1.
- De partijen voor het Hof vermogen niet de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te doen wijzigen. De gesuggereerde herformulering lijkt evenwel in de prejudiciële vraag preciseringen aan te brengen die de inhoud ervan niet wijzigen en waarmee het Hof, als argumenten, rekening zal kunnen houden. B.
- De vraag heeft betrekking op de artikelen 664, 665, 672 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek die bepalen : « Art.
- Rechtsbijstand bestaat erin degenen die niet over de nodige inkomsten beschikken om de kosten van rechtspleging, zelfs van een buitengerechtelijke rechtspleging, te bestrijden, geheel of ten dele te ontslaan van de betaling van de zegel-, registratie-, griffie- en uitgifterechten en van de andere kosten welke deze rechtspleging medebrengt. Hij verschaft aan de betrokkene ook kosteloos de tussenkomst van openbare en ministeriële ambtenaren onder de hierna bepaalde voorwaarden. Art.
- Rechtsbijstand kan worden verleend: 1° voor alle handelingen betreffende vorderingen die voor een rechter van de rechterlijke orde, een administratieve rechtbank of een scheidsgerecht moeten worden gebracht of er aanhangig zijn; 2° voor handelingen betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten; 3° voor rechtsplegingen op verzoekschrift; 4° voor de proceshandelingen die behoren tot de bevoegdheid van een lid van de rechterlijke orde of waarbij een openbare of een ministeriële ambtenaar moet optreden; 5° voor de procedure van de bemiddeling in familiezaken. […] 5 Art.
- De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen rechtsbijstand aanvragen bij een, zelfs mondeling gedaan, verzoek aan de rechter voor wie de vervolging aanhangig is. […] Art.
- De reis- en verblijfkosten van de magistraten, openbare of ministeriële ambtenaren, de kosten en het ereloon van de deskundigen, het getuigengeld, overeenkomstig de regels in de hoofdstukken betreffende het deskundigenonderzoek en het getuigenverhoor gesteld de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in familiezaken aangewezen krachtens artikel 734bis, de kosten van opneming in de nieuwsbladen, wanneer de wet zulks voorschrijft of de rechter daartoe verlof geeft, de uitgaven en een vierde van het loon van de gerechtsdeurwaarders, alsmede de uitgaven van de andere openbare of ministeriële ambtenaren worden, ter ontlasting van hem die bijstand geniet, voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. De Koning stelt zo nodig regels omtrent de toepassing van dit artikel ». B.3.
- Aan het Hof wordt gevraagd of de voormelde bepalingen, in zoverre zij niet voorzien in de tenlasteneming door de rechtsbijstand van de kosten van de adviserend geneesheer die een partij bijstaat in een geschil waarvan de afloop grotendeels zal worden bepaald door het resultaat van een medisch deskundigenonderzoek, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. B.3.
- In tegenstelling tot de andere in de prejudiciële vraag bedoelde bepalingen heeft artikel 672 van het Gerechtelijk Wetboek niet tot doel de toepassingssfeer van de rechtsbijstand te bepalen. Het is dus vreemd aan het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem. B.
- Artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet garandeert aan eenieder het recht op juridische bijstand. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt elke rechtzoekende het recht om een eerlijk proces te genieten, wat, teneinde te verschijnen voor een rechtscollege, de bijstand van een raadsman kan impliceren, wanneer uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de betrokken persoon 6 zijn eigen zaak naar behoren kan verdedigen (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Airey t/Ierland, 9 oktober 1979, serie A, nr. 32, p. 13). B.
- Wanneer het geschil betrekking heeft op een voornamelijk medische kwestie, zullen, zoals de verwijzende rechter opmerkt, de conclusies van het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek, nu zij laatstgenoemde niet binden, niettemin een doorslaggevende invloed hebben op haar beslissing. Het recht op een eerlijk proces moet bijgevolg eveneens worden gewaarborgd tijdens de procedure van het deskundigenonderzoek. De partij die tijdens die procedure niet de bijstand van een adviserend geneesheer kan genieten, bevindt zich echter niet op voet van gelijkheid met de tegenpartij die door een adviserend geneesheer wordt bijgestaan. Zij wordt dus op discriminerende wijze geraakt in haar recht op een eerlijk proces. B.
- Die partij is tevens het slachtoffer van een verschil in behandeling dat niet kan worden verantwoord, vermits het berust op haar vermogenssituatie, terwijl de openbare dienst van het gerecht op gelijke wijze toegankelijk moet zijn voor alle rechtzoekenden. B.
- Het bekritiseerde verschil in behandeling doet ten slotte afbreuk aan het recht op juridische bijstand dat wordt gewaarborgd in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat « naast het recht op maatschappelijke dienstverlening en dat op geneeskundige bijstand, […] dit artikel in eerste instantie de mens in nood [beoogt] te beschermen » en dat de Grondwetgever is afgeweken van de vroegere opvatting van de rechtsbijstand die « het caritatieve pro deo » nog niet was ontgroeid : « Het artikel beoogt echter meer, namelijk een groter welzijn. Het gebrek aan juridische kennis of maatschappelijke weerbaarheid mag de particulier het genot van een recht niet ontnemen noch hem de formulering van een verweer ontzeggen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/1°, p. 11, en nr. 10-2/3°, p. 19). B.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 664, 665 en 692 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre zij in het kader van een gerechtelijke expertise waartoe werd beslist om een medisch geschil te beslechten dat betrekking had op socialezekerheidsprestaties, aan een sociaal verzekerde die niet over voldoende financiële middelen beschikt, geen rechtsbijstand toestaan om een adviserend geneesheer aan te wijzen en om zijn kosten en honoraria ten laste te nemen. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div