id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.163 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051109.18 Arrest- Rolnummer: 163/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-27 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-07-02 06:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, zegt voor recht : De prejudiciële vraag valt klaarblijkelijk niet onder de bevoegdheid van het Hof. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 35 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, zoals vervangen bij artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 81 van 31 juli 1982 tot wijziging van sommige wetten betreffende het universitair onderwijs, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3703 Arrest nr. 163/2005 van 9 november 2005 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 35 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, zoals vervangen bij artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 81 van 31 juli 1982 tot wijziging van sommige wetten betreffende het universitair onderwijs, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 april 2005 in zake O. Frydman tegen de « Université de Mons-Hainaut », waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 mei 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 35 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het zonder onderscheid van toepassing zou zijn op de voltijds benoemde leerkrachten, en hen aldus een recht op bezoldiging zou ontzeggen, zonder een onderscheid te maken tussen diegenen die in dienst zijn en diegenen die zijn vrijgesteld van dienst ? ». Op 31 mei 2005 hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. O. Frydman, wonende te 1170 Brussel, Gemeentelijk Godshuisstraat 180, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil O. Frydman, eerste assistent aan de « Université de Mons-Hainaut », werd op 26 juni 2001 ermee belast tijdens het academiejaar 2001-2002 les te geven in de hoedanigheid van plaatsvervanger. Nadat hij op 14 augustus 2001 verlof voor persoonlijke aangelegenheden had aangevraagd voor zijn functie van eerste assistent van 1 oktober 2001 tot 15 september 2002, werd hij op 24 augustus 2001 door de Universiteit ervan op de hoogte gebracht dat hij, krachtens artikel 35 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, als voltijds vastbenoemd personeelslid van een universitaire instelling belast met een plaatsvervanging geen toelage zou ontvangen voor die vervanging. Hij daagt de Universiteit voor de verwijzende rechter teneinde met name, krachtens het beginsel volgens hetwelk elke arbeid dient te worden beloond, de betaling te verkrijgen van de bezoldiging voor de lessen die hij daadwerkelijk tijdens het academiejaar 2001-2002 als plaatsvervanger heeft gegeven. De verwijzende rechter acht het verantwoord om aan het Hof de door de eiser gesuggereerde en hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 3 III. In rechte -A- A.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.