id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.172 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051123.15 Arrest- Rolnummer: 172/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-27 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-07-02 06:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 82, eerste en tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 24, 25, 26 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 3481 Arrest nr. 172/2005 van 23 november 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 24, 25, 26 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 februari 2005 in zake de n.v. KBC Lease Belgium tegen M. Ledur, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 februari 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Zijn de artikelen 24, 25, 26 en 82 van de wet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gefailleerde vanaf het vonnis van faillietverklaring gevrijwaard is tegen elke gerechtelijke procedure en procedure van tenuitvoerlegging tot op de dag van het vonnis waarbij uitspraak zal worden gedaan over zijn verschoonbaarheid, terwijl de echtgenoot van die gefailleerde, die zich persoonlijk heeft verbonden tot diens schuld en die daarvan zou kunnen worden bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid die aan zijn echtgenoot zou worden toegekend, niet gevrijwaard is tegen elke gerechtelijke procedure en procedure van tenuitvoerlegging tot op de dag van het vonnis waarbij uitspraak zal worden gedaan over de verschoonbaarheid van de echtgenoot ? ». Memories zijn ingediend door : - de n.v. KBC Lease Belgium, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 3000 Leuven, Parijsstraat 52; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2005 : - zijn verschenen : . Mr. V. Rigodanzo loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. A. Meganck loco Mr. J. Mombaers en Mr. S. Verbeke, advocaten bij de balie te Leuven, voor de n.v. KBC Lease Belgium; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De n.v. KBC Lease Belgium, eisende partij voor de verwijzende rechter, vordert de veroordeling van de verweerster, echtgenote van een gefailleerde, tot de betaling van een schuldvordering ten gevolge van de opzegging van leasingcontracten. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelt vast dat de verweerster niets anders kon dan zich persoonlijk te verbinden tot de schuld van haar echtgenoot. Zoals het is gewijzigd bij de wet 3 van 4 september 2002, bepaalt artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 dat de echtgenoot die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van zijn echtgenoot ten gevolge van de verschoonbaarheid van die verplichting wordt bevrijd. In tegenstelling tot wat geldt voor de gefailleerde, die het voordeel van de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging kan genieten vanaf het vonnis van faillietverklaring, werd echter op wettelijk vlak in niets dergelijks voorzien voor de echtgenoot van de gefailleerde. De ontstentenis van een wettelijke schorsingsgrond voor de middelen van tenuitvoerlegging ten voordele van de echtgenoot van de gefailleerde heeft tot gevolg dat laatstgenoemde de facto het risico loopt niet van de verplichting te worden bevrijd ten gevolge van de verschoonbaarheid. De Rechtbank merkt vervolgens op dat het Hof van Beroep te Luik in zijn arrest van 22 april 2004 twee prejudiciële vragen heeft gesteld in soortgelijke zaken. Zij ziet geen reden die zou verantwoorden de door de verweerster voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen, een vraag die te dezen relevant en dienstig blijkt. De Rechtbank stelt bijgevolg de hiervoor vermelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. III. In rechte -A– Standpunt van de n.v. KBC Lease Belgium A.
- De n.v. KBC Lease Belgium is van mening dat de verbintenis die door de verweerster hoofdelijk werd aangegaan met de gefailleerde, voor haar een persoonlijke verplichting in het leven heeft geroepen, die een verschil in behandeling verantwoordt. Om reden van het karakter van « eigen schuld » van de echtgenoot, zijn er geen onevenredige gevolgen in verband met de behandeling van, enerzijds, de gefailleerde en, anderzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die zich hoofdelijk heeft verbonden. Met toepassing van de artikelen 24, 25 en 26 van de faillissementswet wordt de gefailleerde buiten bezit gesteld en worden, in samenhang daarmee, de middelen van tenuitvoerlegging en van rechtsvordering vanwege de schuldeisers te zijnen aanzien geschorst. De schuldeisers kunnen immers niet ertoe worden gemachtigd de collectieve procedure onwerkzaam te maken, wat zeker het geval zou zijn indien zij hun rechten individueel konden uitoefenen. Bijgevolg is er een objectief en redelijkerwijze verantwoord criterium dat het verschil in behandeling verklaart tussen de gefailleerde en de personen die hoofdelijk met die gefailleerde een verbintenis hebben aangegaan of zich borg hebben gesteld. Ten aanzien van de gefailleerde vindt dat criterium zijn grondslag in de collectieve procedure. In ondergeschikte orde doet de n.v. KBC Lease Belgium opmerken dat de faillissementswetgeving enkel betrekking heeft op de handelaars en dat de beschermende maatregelen ten aanzien van de gefailleerde passen in het kader van de behoorlijke afhandeling van het faillissement. De echtgenoot, die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld en die geen handelaar is, kan de procedure van collectieve schuldenregeling genieten. Die onderscheiden procedure zou hem in voorkomend geval van elke uitvoeringsmaatregel vrijwaren. Er zijn dus geen buitensporige gevolgen te zijnen aanzien. Standpunt van de Ministerraad A.
- Zoals in de samengevoegde zaken nrs. 2893 en 2986 gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Arbitragehof. -B- B.1.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de artikelen 24, 25, 26 en 82 van de faillissementswet 4 van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, in zoverre de gefailleerde vanaf het vonnis van faillietverklaring gevrijwaard is tegen elke gerechtelijke procedure en procedure van tenuitvoerlegging tot op de dag van het vonnis waarbij uitspraak zal worden gedaan over zijn verschoonbaarheid, terwijl de echtgenoot van die gefailleerde, die zich persoonlijk heeft verbonden tot diens schuld en die daarvan zou kunnen worden bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid die aan zijn echtgenoot zou worden toegekend, niet gevrijwaard is tegen elke gerechtelijke procedure en procedure van tenuitvoerlegging tot op de dag van het vonnis waarbij uitspraak wordt gedaan over de verschoonbaarheid van de echtgenoot. B.1.
- Artikel 24 van de voormelde wet bepaalt : « Na hetzelfde vonnis kan een roerende of onroerende rechtsvordering of een middel van tenuitvoerlegging op de roerende of onroerende goederen niet voortgezet, ingesteld of aangewend worden dan tegen de curators. De rechtbank kan de gefailleerde niettemin als tussenkomende partij toelaten. De beslissingen die worden gewezen omtrent de rechtsvorderingen voortgezet of ingesteld tegen de gefailleerde persoonlijk, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen ». B.1.
- Artikel 25 van de voormelde wet bepaalt : « Het vonnis van faillietverklaring doet elk beslag gelegd ten verzoeke van de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers ophouden. Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds voor dat vonnis was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt die verkoop voor rekening van de boedel. Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaan ». B.1.
- Artikel 26 van dezelfde wet bepaalt : « Alle middelen van tenuitvoerlegging strekkende tot betaling van de schuldvorderingen die bevoorrecht zijn op de roerende goederen die tot de failliete boedel behoren, worden geschorst tot aan de sluiting van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, behoudens alle maatregelen tot bewaring van recht en het door de eigenaar verkregen recht om verhuurde goederen weer in bezit te nemen. 5 In dit laatste geval houdt de bij dit artikel bepaalde schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging van rechtswege op ten voordele van de eigenaar. Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist en op voorwaarde dat een tegeldemaking van de roerende goederen kan worden verwacht die de bevoorrechte schuldeisers niet benadeelt, kan de rechtbank op verzoekschrift van de curators, na de betrokken bijzonder bevoorrechte schuldeiser bij gerechtsbrief te hebben opgeroepen, de schorsing van de tenuitvoerlegging bevelen en dit voor een maximumtermijn van een jaar te rekenen van de faillietverklaring ». B.1.
- Artikel 82 van de wet, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, bepaalt : « De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen. De echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft ». B.1.
- De wet van 2 februari 2005 heeft artikel 82, tweede lid, als volgt vervangen : « De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ». Die wijziging heeft geen weerslag op de aan het Hof voorgelegde rechtsvragen. B.2.
- Bij het arrest nr. 114/2004 van 30 juni 2004 heeft het Hof de artikelen 81, 1°, en 82, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, vernietigd. Het heeft echter de gevolgen van de vernietigde bepalingen gehandhaafd totdat nieuwe bepalingen in werking treden, en uiterlijk tot 31 juli
- Artikel 81 is hersteld bij artikel 8 van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen ». Artikel 82, eerste lid, is vervangen bij artikel 9 van diezelfde wet. Artikel 3 van die wet voegt overigens in de wet van 8 augustus 1997 een artikel 24bis in, dat bepaalt : 6 « Vanaf hetzelfde vonnis worden, tot de sluiting van het faillissement, de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, opgeschort ». B.2.
- Aangezien de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen zijn gehandhaafd, moet de verwijzende rechter die bepalingen toepassen bij het beslechten van het voor hem hangende geschil. Het Hof moet dus antwoorden op de vraag zoals ze is gesteld. B.
- Bij zijn arrest nr. 69/2002 heeft het Hof geoordeeld dat het onverantwoord was « dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om [de borg eveneens] te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is ». Het heeft dezelfde redenering gevolgd voor de echtgenoot van de gefailleerde in zijn arrest nr. 78/
- B.
- De wetgever heeft die situatie rechtgezet door de natuurlijke persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld, automatisch van zijn verplichtingen te ontslaan en door de echtgenoot automatisch te bevrijden wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard. Dat automatisme is niet van die aard dat de in de arresten nrs. 69/2002 en 78/2004 vastgestelde discriminatie op adequate wijze wordt weggewerkt, zoals het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 114/2004 waarbij het Hof artikel 82, eerste lid, heeft vernietigd, met handhaving van de gevolgen tot uiterlijk 31 juli
- Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 september 2002 werd gesuggereerd dat « de opschorting van de vervolging die voortvloeit uit het vonnis van faillietverklaring, wordt uitgebreid tot de echtgenoot van de gefailleerde » (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-877/8, p. 86). Die bekommernis werd echter niet weergegeven in de tekst van de wet. Op dezelfde wijze heeft de Minister van Justitie, tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, opgemerkt dat « er tijdens de procedure een ware wedloop vanwege de schuldeisers op de borg [kan] ontstaan, waardoor de doelstelling van het voorstel volledig zou worden uitgehold » en dat er « dan ook [diende] te worden voorzien in een dergelijke opschortingsmogelijkheid ten gunste van de borg ». Zij heeft bijgevolg voorgesteld die kwestie opnieuw te bespreken « naar aanleiding van het onderzoek van het wetsontwerp dat de Regering later zal indienen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1320/002, p. 9). 7 B.
- Door niet te voorzien in de mogelijkheid dat de rechter - en dat terwijl de voormelde artikelen 25 en 26 de vervolging tegen de gefailleerde opschorten - kan oordelen of, en onder welke voorwaarden, de vervolging moet worden opgeschort ten aanzien van de echtgenoot van de gefailleerde in afwachting van de sluiting van het faillissement en in voorkomend geval van de beslissing over de verschoonbaarheid van de gefailleerde, heeft de wetgever de werking van de bepalingen van artikel 82 grotendeels tenietgedaan. Bij artikel 22 van de wet worden de niet-vervallen schulden van de gefailleerde opeisbaar gemaakt en, aangezien die laatste in staking van betaling is, kan de schuldeiser zich onmiddellijk wenden tot de medeverbondene die deze schulden binnen de perken van zijn verbintenis moet betalen. De verschoonbaarheid die achteraf aan de gefailleerde zou worden toegekend, kan niet tot gevolg hebben dat de medeverbondene van zijn verplichtingen wordt ontslagen indien de schuldeiser intussen een in kracht van gewijsde gegane beslissing tegen hem heeft verkregen, zodat die medeverbondene het slachtoffer zou zijn van de discriminatie die het Hof in zijn arrest nr. 78/2004 heeft vastgesteld. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 82, eerste en tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div