id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.182 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051207.10 Arrest- Rolnummer: 182/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-17 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-07-02 05:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 43, § 5, tweede lid, en 60, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - 43,§5,L2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet - 15-06-1935 - 60,§3 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Rolnummer 3637 Arrest nr. 182/2005 van 7 december 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 43, § 5, tweede lid, en 60, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 15 februari 2005 in zake de arbeidsauditeur tegen G. Ladang en de vennootschap naar Texaans recht NCH Belgium Inc., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 25 februari 2005, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 43, § 5, tweede lid, en 60, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in samenlezing met artikel 43, § 4, artikel 43quinquies en artikel 60, § 1, van diezelfde wet en met artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel vervat in artikel 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat zij aldus worden geïnterpreteerd dat het de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank [te Brussel] niet toegelaten is kennis te nemen van rechtsplegingen ten gronde in de andere taal dan die van zijn diploma van doctor of licentiaat in de rechten, hoewel hij het bewijs levert van de daartoe vereiste kennis van die taal terwijl de vrederechters en politierechters van het gerechtelijk arrondissement Brussel die dezelfde taalkennis bewijzen wel zitting mogen houden in de andere taal dan die van hun diploma en indien die bepalingen hem evenmin toelaten de bij artikel 322 Gerechtelijk Wetboek aan de voorzitter van de rechtbank verleende bevoegdheid uit te oefenen om met het oog op de behoeften van de dienst een verhinderd rechter van de Arbeidsrechtbank te vervangen die het rechtendiploma behaalde in de andere taal dan de zijne en die bevoegdheid aldus wordt beperkt in verhouding tot deze van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken in andere gerechtelijke arrondissementen ? ». De advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel en de Ministerraad hebben memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2005 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis van 4 februari 2003 deed de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel uitspraak over vorderingen ingeleid bij in het Nederlands gestelde dagvaardingen. Die kamer werd voorgezeten door de voorzitter van de Arbeidsrechtbank, die zijn diploma in het Frans behaalde en die over een certificaat beschikt waaruit een grondige kennis van het Nederlands blijkt. De arbeidsauditeur te Brussel stelde derdenverzet in tegen dat vonnis teneinde : 3 « - het bestreden vonnis te horen vernietigen in al zijn beschikkingen en te horen zeggen voor recht dat in toepassing van artikel 43, par. 5, lid 2, tweede zinsnede, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de Nederlandse rechtsplegingen ten gronde voor de Arbeidsrechtbank te Brussel enkel kunnen gevoerd worden voor magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van doctor, respectievelijk licentiaat in de rechten hebben afgelegd in het Nederlands; - voor recht te horen zeggen dat deze bepaling ook van toepassing is op de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel wanneer hij in toepassing van artikel 322, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van Nederlandse rechtsplegingen ten gronde; - voor recht te horen zeggen dat de samenstelling van de zetel van de tweede kamer […] van de Arbeidsrechtbank te Brussel om taalredenen van openbare orde niet toelaat om de zaak ten gronde te beslechten ». De Arbeidsrechtbank, in dezelfde samenstelling als bij de behandeling van de vordering ten gronde, verklaarde bij een vonnis van 4 juli 2003 het derdenverzet niet ontvankelijk op grond van de artikelen 1122 en 1130 van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen dat vonnis dient de arbeidsauditeur op 23 juli 2003 een verzoekschrift tot hoger beroep in bij de verwijzende rechter op grond van dezelfde overwegingen als uiteengezet in het derdenverzet. De verwijzende rechter stelt vast dat de Arbeidsrechtbank een mogelijke schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft opgeworpen, doordat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank, hoewel hij overeenkomstig de wet het bewijs levert dat hij de vereiste kennis van het Nederlands heeft om een rechtspleging in die taal te kunnen behandelen, en hoewel artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek hem de bevoegdheid verleent een verhinderde rechter van de arbeidsrechtbank te vervangen, die bevoegdheid niet kan uitoefenen wanneer het om de vervanging van Nederlandstalige rechters gaat, en zijn bevoegdheid bijgevolg wordt beperkt, in tegenstelling tot die van zijn collega’s in andere rechtsgebieden, en doordat hij bovendien geen zitting kan houden in Nederlandstalige rechtsplegingen, terwijl vrederechters en politierechters van het gerechtelijk arrondissement Brussel die dezelfde taalkennis bewijzen wel kennis kunnen nemen van rechtsplegingen in een andere taal dan die van hun diploma. Alvorens uitspraak te doen over de door de arbeidsauditeur opgeworpen nietigheid van het bij derdenverzet bestreden vonnis en van het in beroep bestreden vonnis, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van het openbaar ministerie bij het Arbeidshof te Brussel A.1.
- In zijn memorie stelt D. Soetemans, handelend in zijn hoedanigheid van openbaar ministerie bij het Arbeidshof te Brussel, dat de prejudiciële vraag twee onderdelen bevat. Het eerste onderdeel van de vraag heeft betrekking op de vergelijking van de situatie van, enerzijds, de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel en, anderzijds, de vrederechters en de politierechters van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Met verwijzing naar artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 stelt die partij vast dat dezelfde voorwaarden inzake taalkennis gelden voor een benoeming in het gerechtelijk arrondissement Brussel tot, enerzijds, voorzitter van onder meer de arbeidsrechtbank en, anderzijds, vrederechter of politierechter. Daaruit evenwel afleiden dat de voorzitter van onder meer de arbeidsrechtbank, zoals de vrederechters, gerechtigd is de rechtspleging te voeren in een andere taal dan die van zijn diploma en dat bijgevolg artikel 43, § 5, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, komt volgens die partij neer op een fundamentele miskenning van de rechterlijke organisatie en van de specificiteit van de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende rechtbanken, zoals die in het Gerechtelijk Wetboek zijn vastgelegd. 4 Die partij wijst erop dat voor de vrederechter, bedoeld in artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935, de taal van een rechtszaak het Nederlands of het Frans kan zijn. Die vrederechter is verplicht recht te spreken, ongeacht of zijn diploma in het Nederlands of het Frans werd behaald, aangezien er per kanton slechts één vrederechter is. Die specifieke situatie geldt evenwel niet voor de voorzitters en de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel die hun zetel te Brussel hebben. Zo telt de Arbeidsrechtbank te Brussel, naast de voorzitter, 25 rechters, van wie 9 rechters Nederlandstalig zijn. Bovendien zijn er plaatsvervangende rechters. Mits een goede interne organisatie is het volgens die partij steeds mogelijk de Nederlandstalige of de Franstalige rechtspleging te voeren voor magistraten die een Nederlandstalig of een Franstalig diploma hebben. Van het fundamentele beginsel dat de rechters recht spreken in de taal van hun diploma, neergelegd in de wet van 15 juni 1935, bevestigd bij de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (vervanging van onder meer artikel 43, § 5, van de wet van 15 juni 1935), en herbevestigd bij de wet van 18 juli 2002, kan volgens die partij enkel worden afgeweken in uitzonderlijke omstandigheden die van die aard zijn dat het voeren van een rechtspleging nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt of ernstig wordt bemoeilijkt. Zulk een situatie doet zich voor wanneer in de loop van het gerechtelijk onderzoek de taal van de rechtspleging wordt gewijzigd, alsmede bij de vrederechters en de politierechters wier kanton zich in het gerechtelijk arrondissement Brussel bevindt. Die uitzonderlijke omstandigheden gelden volgens die partij evenwel niet voor een voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg of van de Arbeidsrechtbank te Brussel, aangezien die laatste uit 25 effectieve rechters is samengesteld. Bovendien mag volgens die partij niet uit het oog worden verloren dat het in het geding zijnde onderscheid tussen, enerzijds, de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel en, anderzijds, de vrederechters en de politierechters wier kanton in het gerechtelijk arrondissement Brussel is gelegen, uitsluitend in het belang van de rechtzoekende werd ingesteld, zodat dat onderscheid het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet kan schenden. A.1.
- Het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag heeft betrekking op de vergelijking van de situatie van, enerzijds, de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel en, anderzijds, de voorzitters van de andere arbeidsrechtbanken wier gerechtelijk arrondissement in een eentalig Nederlandstalig of een eentalig Franstalig landsgedeelte is gelegen. Volgens het openbaar ministerie bij het Arbeidshof is er een wezenlijk verschil tussen de bevoegdheden van beide categorieën van voorzitters op het vlak van de toebedeling van de aanhangig gemaakte zaken aan de rechters van hun arbeidsrechtbank. In tegenstelling tot de tweede vermelde categorie, zal de eerstgenoemde categorie rekening moeten houden met de taal van de rechtspleging en met de taal van het diploma van elke rechter van haar rechtbank. De verklaring van dat verschil is volgens die partij uitsluitend gelegen in het wettelijk tweetalig karakter van het gerechtelijk arrondissement Brussel, met als gevolg dat de rechtspleging er zowel in het Nederlands als in het Frans wordt gevoerd, wat niet het geval is voor de arbeidsrechtbanken die in een eentalig landsgedeelte zijn gelegen. Standpunt van de Ministerraad A.2.
- Volgens de Ministerraad is de situatie van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel niet voldoende vergelijkbaar met die van, enerzijds, de vrederechters en de politierechters te Brussel, en, anderzijds, de voorzitters van de arbeidsrechtbanken van de andere gerechtelijke arrondissementen. Wat de vergelijking met de vrederechters en de politierechters betreft, betoogt de Ministerraad dat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel als korpsoverste aan het hoofd staat van een uitgebreide groep magistraten. Een dergelijke organisatievorm maakt meerdere combinaties mogelijk. De vrederechters en de politierechters te Brussel daarentegen functioneren in veel kleinere korpsen, wat gevolgen heeft voor de organisatie van de betrokken rechtbank. De Ministerraad is dan ook van mening dat de werkomstandigheden waarin de beide categorieën van magistraten hun bevoegdheden uitoefenen dermate verschillend zijn dat een onderlinge vergelijking niet mogelijk is. Wat de vergelijking met de voorzitters van de arbeidsrechtbanken van de andere gerechtelijke arrondissementen betreft, merkt de Ministerraad op dat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel zijn bevoegdheden in een tweetalige omgeving bij uitstek uitoefent. Zulk een verregaande graad van tweetaligheid is 5 in geen enkel ander gerechtelijk arrondissement voorhanden, aangezien - enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten - in die arrondissementen het beginsel van de eentaligheid geldt. Indien de situatie van het gerechtelijk arrondissement Brussel toch zou worden vergeleken met die van de andere gerechtelijke arrondissementen, zou volgens de Ministerraad noodzakelijkerwijze abstractie worden gemaakt van het voormelde essentiële kenmerk dat het Brusselse gerechtelijke arrondissement van de andere onderscheidt. A.2.
- Zelfs in de hypothese dat de voormelde categorieën vergelijkbaar zouden zijn - quod non -, is het verschil in behandeling volgens de Ministerraad niet discriminerend. Het onderscheid berust op een objectief criterium. Het onderscheid tussen de vrederechters en de politierechters, enerzijds, en de arbeidsrechtbank, anderzijds, is te situeren in de rechterlijke organisatiestructuur van de rechterlijke macht : de eerstgenoemde categorie is op het niveau van het gerechtelijk kanton georganiseerd, de laatstgenoemde op het niveau van het gerechtelijk arrondissement. Het onderscheid tussen de Arbeidsrechtbank te Brussel en de andere arbeidsrechtbanken van zijn kant is te situeren op het territoriale vlak, namelijk de lokalisatie van de arbeidsrechtbank in of buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel. Vervolgens betoogt de Ministerraad dat het verschil in behandeling verantwoord is in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk het beginsel van de eentaligheid van de rechtspleging verzoenen met het tweetalige karakter van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Hij wijst erop dat bij de opeenvolgende wijzigingen van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken de grondige kennis van de taal van de rechtspleging nooit ter discussie werd gesteld. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de in het geding zijnde maatregel evenredig is met het nagestreefde doel. Volgens hem staat het aan de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel om zijn korps zodanig te organiseren dat Nederlandstalige zaken ten gronde door magistraten met een Nederlandstalig diploma en Franstalige zaken door magistraten met een Franstalig diploma kunnen worden behandeld. De Ministerraad wijst erop dat de vrederechters en de politierechters niet over die organisatorische mogelijkheid beschikken, gelet op het beperkte aantal magistraten die van die korpsen deel uitmaken. Bijgevolg is het voor die rechters verantwoord dat zij, mits aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, zowel Nederlandstalige als Franstalige zaken ten gronde kunnen behandelen. De Ministerraad is voorts van oordeel dat het probleem van de tweetaligheid niet rijst in de eentalige gerechtelijke arrondissementen. In die arrondissementen kan een elementaire kennis van de andere taal volstaan om kennis te kunnen nemen van documenten, getuigenissen, enz. Indien de rechter de taal van het geding niet machtig is, dient hij de zaak te verwijzen overeenkomstig artikel 60, § 3, van de wet van 15 juni
- De gevolgen van zulk een verwijzing kunnen volgens de Ministerraad evenmin als onevenredig worden beschouwd. -B- B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 43, § 5, tweede lid, en artikel 60, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in samenhang gelezen met artikel 43, § 4, artikel 43quinquies en artikel 60, § 1, van dezelfde wet en met artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek. Die wetsbepalingen luiden : - Artikel 43, § 5, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 : 6 « De verhouding tussen het totaal aantal magistraten met een diploma van doctor in de rechten in het Nederlands en het aantal magistraten met een diploma van doctor in de rechten in het Frans, wordt voor iedere rechtbank en voor ieder parket vastgesteld volgens het aantal kamers die kennis nemen van de zaken in het Nederlands en het aantal kamers die kennis nemen van de zaken in het Frans. [De] Nederlandse, respectief Franse rechtsplegingen [worden] steeds gevoerd voor magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het doctoraat in de rechten in het Nederlands, respectievelijk in het Frans hebben afgelegd ». - Artikel 60, § 3, van de wet van 15 juni 1935 : « Ieder lid van een rechtscollege wordt aangezien als belet, wanneer hij de taal niet kent welke, overeenkomstig deze wet, dient te worden gebruikt. Indien, om reden van dit belet, het onmogelijk is, in een rechtscollege, de zetel samen te stellen, wordt de zaak verwezen naar een andere rechtbank van dezelfde rang en van hetzelfde beroeprechtsgebied. De verwijzing geschiedt overeenkomstig de artikelen 7 en 20; de beslissing is noch voor verzet noch voor beroep vatbaar ». - Artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 : « Onverminderd de bepalingen van § 3 kan niemand, in het arrondissement Brussel, tot het ambt van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank, van procureur des Konings, arbeidsauditeur, werkend of plaatsvervangend vrederechter, werkend of plaatsvervangend rechter in een politierechtbank of van toegevoegd rechter in een vredegerecht of een politierechtbank, benoemd worden, indien hij niet bewijst Nederlands en Frans te kennen. Bovendien moeten de opeenvolgende voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank en de opeenvolgende procureurs des Konings, luidens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel. Onverminderd de bepalingen van het voorgaande lid moeten, bij wijze van overgang, in voorkomend geval, bij hun eerste aanwijzing bedoeld in artikel 102, § 1, eerste lid, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de procureur des Konings, luidens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel ». - Artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 : « §
- De kennis van de andere taal dan die waarin de examens van doctor of licentiaat in de rechten werden afgelegd, wordt bewezen door te slagen in een examen, aangepast aan de vereisten van de betrokken functie, al naar gelang deze al dan niet een geschreven actieve taalkennis inhoudt. 7 Daartoe wordt voorzien in twee soorten examens. Het eerste examen is een examen handelend over zowel de actieve en passieve mondelinge kennis als de passieve schriftelijke kennis van de andere taal. Het bewijs van deze kennis wordt vereist, onverminderd hetgeen is bepaald in het volgende lid, in al die gevallen waarin deze wet de kennis van de andere taal vereist. Het tweede examen is een examen handelend over zowel de actieve en passieve mondelinge kennis als de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal. Het bewijs van deze kennis wordt vereist in hoofde van de magistraten bedoeld in de artikelen 43, § 4, eerste lid, 43, § 4bis, tweede lid, 43bis, § 4, eerste lid, 45bis en 49, § 2, eerste en derde lid; evenals in hoofde van de magistraten die, overeenkomstig artikel 43, § 5, vierde en vijfde lid, de procedure verder zetten, alsook in hoofde van de magistraten bedoeld in de artikelen 43bis, § 1, tweede lid, 43bis, § 3, derde lid, 43ter, § 1, tweede lid, 43ter, § 3, tweede lid, 43quater, vierde lid, 46 en 49, § 3, wanneer zij, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, zetelen in de andere taal dan de taal van hun diploma en in hoofde van de vrederechters bedoeld in artikel 7, § 1bis van deze wet. Diezelfde kennis van het tweede type wordt vereist in de hoofde van de magistraten die tijdelijk de functie uitoefenen van de korpsoversten waarvan de kennis van de andere taal wordt vereist. §
- Alleen de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid is bevoegd om de bewijzen uit te reiken van de kennis van de andere taal dan die waarin de kandidaat examens van de graad van doctor of licentiaat in de rechten heeft afgelegd. §
- De samenstelling van de examencommissies en de voorwaarden waaronder de bewijzen van de kennis van de andere taal mogen worden uitgereikt worden bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad ». - Artikel 60, § 1, van de wet van 15 juni 1935 : « De in artikel 43 voorziene beschikkingen zijn niet toepasselijk op hen die, vóór 1 januari 1938, het diploma van doctor in de rechten of het diploma van kandidaat-notaris of van licenciaat in het notariaat behaalden en zich gevoegd hebben of zullen gevoegd hebben hetzij naar artikel 49 van de wet van 10 april 1890-3 juli 1891 op de toekenning der academische graden en het programma der universiteitsexamens, zoals dat aangevuld werd bij artikel 7 van de wet van 31 juli 1923 op het gebruik der talen in de Universiteit, te Gent, hetzij naar artikel 40 van de wet van 21 mei 1929 op de toekenning der academische graden en het programma der universiteitsexamens ». - Artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek : « In de rechtbanken van eerste aanleg kan de verhinderde rechter vervangen worden door een andere rechter, door een toegevoegd rechter of door een plaatsvervangend rechter. Zijn er niet genoeg plaatsvervangende rechters, dan kan de voorzitter van de kamer, om de rechtbank voltallig te maken, een of twee, op het tableau van de Orde ingeschreven advocaten die ten minste dertig jaar oud zijn, oproepen om zitting te nemen. 8 In de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst, door een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter. De verhinderde rechter in sociale zaken of in handelszaken wordt vervangen door een plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank een andere rechter in sociale zaken, naar gelang van het geval, werkgever, arbeider, bediende of zelfstandige, een rechter, een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen; in hetzelfde geval kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel een andere werkende of plaatsvervangend rechter in handelszaken, een rechter, een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen ». B.
- De prejudiciële vraag bevat twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepalingen aldus worden geïnterpreteerd dat zij de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel niet toestaan kennis te nemen van rechtsplegingen ten gronde in de andere taal dan die van zijn diploma van doctor of licentiaat in de rechten, hoewel hij het bewijs levert van de daartoe vereiste kennis van die taal, terwijl de vrederechters en de politierechters van het gerechtelijk arrondissement Brussel die dezelfde taalkennis bewijzen, wel zitting mogen houden in de andere taal dan die van hun diploma. Het tweede onderdeel betreft de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepalingen aldus worden geïnterpreteerd dat zij de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel evenmin toestaan de bij artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek aan de voorzitter van de rechtbank toegekende bevoegdheid uit te oefenen om een verhinderd rechter van de arbeidsrechtbank te vervangen die het rechtendiploma behaalde in de andere taal dan de zijne, zodat zijn bevoegdheid wordt beperkt, terwijl zulks niet geval is voor de voorzitters van de arbeidsrechtbanken in de andere gerechtelijke arrondissementen. B.
- Volgens de Ministerraad is de situatie van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel niet voldoende vergelijkbaar met die van, enerzijds, de vrederechters en de politierechters te Brussel - eerste onderdeel van de vraag - en, anderzijds, de voorzitters van 9 de arbeidsrechtbanken van de andere gerechtelijke arrondissementen - tweede onderdeel van de vraag. B.
- In de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 2002 tot vervanging van artikel 43quinquies en tot invoeging van artikel 66 in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden de historische achtergrond en de doelstelling van het beginsel dat een rechter recht spreekt in de taal van zijn diploma, alsmede de uitzonderingen op dat beginsel, als volgt toegelicht : « Vooraf moet, meer in het algemeen, worden opgemerkt dat de wetgever wanneer hij het gebruik der talen in gerechtszaken regelt, de fundamentele vrijheid van het individu om zich van de taal van zijn keuze te bedienen dient te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. De wetgever dient daarbij rekening te houden met de taalkundige verscheidenheid die bevestigd is in de Grondwet, die vier taalgebieden vastlegt, waarvan één tweetalig is (A.H., 4 november 1998, n° 111/98). Bovendien, vereist de uitoefening van het rechterlijk ambt een zeer grondige taalkennis. Om die reden heeft de wetgever reeds in 1935 als regel gesteld dat een rechter recht spreekt in de taal van zijn diploma. De wetgever heeft, met de gerechtelijke hervorming van 1967, deze regel bevestigd en geoordeeld dat alléén de taal van het diploma als determinerend criterium kon worden aanvaard. Dit ontwerp strekt ertoe voormelde regel te bevestigen, evenals, zoals de wetgever van 1935 en deze van 1970 had beslist, dat slechts in enkele uitzonderlijke gevallen van deze regel kan worden afgeweken (zie hierna); en zulks dan slechts onder de strikte voorwaarde dat de betrokken magistraat in dat geval vooraf het bewijs heeft geleverd dat hij zowel actief als passief, schriftelijk én mondeling, de kennis van de andere taal beheerst. Evenwel, ook buiten die enkele uitzonderlijke gevallen waarin de magistraat recht moet spreken in de andere taal dan de taal van zijn diploma, is in sommige rechtsgebieden, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, in hoofde van de magistraat een zekere kennis van de andere taal dan de taal van het diploma vereist. Die kennis is onontbeerlijk omdat de magistraten ingevolge de taalspecificiteit van het betrokken rechtsgebied - onder andere de twee derden van de magistraten te Brussel - in de te behandelen dossiers de stukken en verklaringen gesteld of geuit in de andere taal, moeten kunnen begrijpen en behandelen. Inderdaad, niettegenstaande de regel van de eentaligheid van de rechtspleging, kunnen - ingevolge het vrij taalgebruik - de partijen die in persoon voor de rechter verschijnen, evenals getuigen alsook documenten in het dossier in de andere taal zijn gesteld. Het spreekt voor zich dat dergelijke situaties veelvuldig of frequenter zullen voorkomen in het tweetalig gebied Brussel of in eentalige rechtsgebieden waarin gemeenten met een bijzonder taalregime zijn gelegen. Om tegemoet te komen aan deze finaliteit, is in hoofde van de betrokken magistraten, zowel een passieve schriftelijke kennis als een passieve én actieve mondelinge kennis (inzonderheid een gesprek over een onderwerp in verband met dagelijkse leven) van de andere taal vereist. Teneinde de aanwezigheid van de met die finaliteit overeenstemmende kennis te toetsen wordt het examen van het eerste type ingericht. 10 De enkele uitzonderlijke gevallen waarin, ingevolge de grondwettelijke situatie zoals hiervoor geschetst, daarenboven is vereist dat de magistraat recht spreekt in de andere taal dan de taal van zijn diploma betreffen inzonderheid de vrederechters of de politierechters zetelend in het gerechtelijk arrondissement Brussel, de magistraten zetelend in de rechtscolleges van de gerechtelijke kantons van het Duitstalige taalgebied of bepaalde magistraten in de rechtscolleges van de Frans-Duitse taalgroep of nog de vrederechters die kennis moeten nemen van dossiers van rechtsonderhorigen woonachtig in een van de gemeenten van de gerechtelijke kantons van Sint-Martens-Voeren, Moeskroen en Komen. In al deze gevallen en telkens wanneer de rechtsonderhorige om taalwijziging van de rechtspleging verzoekt, moet de rechter niet alleen kennis nemen van de documenten en verklaringen in de andere taal dan de taal van het diploma gesteld maar moet hij daarenboven recht spreken in die taal. Het bewijs van de kennis van de andere taal omvat in die gevallen, bovenop hetgeen hiervoor is bepaald, een proef over de actieve geschreven kennis van de andere taal. […]. Teneinde te kunnen voorzien in de hiervoor beschreven objectief verschillende situaties ingevoerd door de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, is het noodzakelijk de vereiste taalkennis in redelijkheid aan te passen aan de vereisten van de betrokken functie. Opdat geen twijfel zou bestaan omtrent de aard van beide examens wordt de inhoud ervan uitdrukkelijk in de tekst van dit ontwerp vermeld. Zoals uit die inhoud blijkt, zullen de taalvereisten derhalve verschillen naargelang de magistraat er al dan niet toe gehouden is om in de uitoefening van zijn functie akten van rechtspleging te redigeren in de andere taal dan de taal van zijn diploma. Daarenboven, wordt, rekening houdende met de verscheidenheid van de taalgebieden, eenzelfde passieve én actieve van zowel de mondelinge als geschreven kennis van de andere taal vereist in hoofde van sommige korpsoversten evenals van diegenen die tijdelijk deze functies voor deze korpsoversten uitoefenen. Ook zij moeten vooraf het bewijs leveren over de kennis van de andere taal te beschikken conform het examen van het tweede type. Dergelijke kennis is in hun hoofde vereist met het oog op de redactie van richtlijnen, dienstorders, evenals voor het uitoefenen van de bevoegdheden verbonden aan de presidentiële functie » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1459/001, pp. 4-6). Het verslag namens de Commissie voor de Justitie vermeldt : « In dat verband is het nuttig de essentiële bepalingen van de wet van 15 juni 1935, evenals de bedoeling van de wetgever wat het gebruik der talen in gerechtszaken betreft, in herinnering te brengen. Dit alles uiteraard door tevens rekening te houden met de wijzigingen die de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken heeft ondergaan tijdens de gerechtelijk[e] hervorming in
- Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, precies omdat de uitoefening van het rechterlijk ambt een zeer grondige taalkennis vereist, de wetgever heeft geoordeeld dat alleen de taal van het diploma als determinerend criterium kon worden aanvaard. 11 Dit betekent concreet dat, behoudens een beperkt aantal uitzonderingen, een rechter recht spreekt in de taal van zijn diploma (Parl. St., Kamer, 1965-66, nr. 59/ 49, p. 284). Dit geschiedt ook zo in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Aldus bepaalt artikel 43, § 5, derde [lees : tweede] lid, dat Nederlandstalige respectievelijk Franstalige rechtsplegingen (zowel wat de zetel als het parket betreft), onverminderd het bepaalde in artikel 43, § 5, vierde en vijfde lid, steeds worden gevoerd door magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het doctoraat (thans licentiaat) in de rechten in het Nederlands, respectievelijk in het Frans hebben afgelegd » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1459/004, p. 4). B.
- Uit die overwegingen blijkt dat de wetgever, met de bepalingen betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, een drievoudige doelstelling heeft nagestreefd : allereerst, aan de rechtzoekende de fundamentele vrijheid te waarborgen om de taal van zijn keuze te gebruiken en te worden berecht door een magistraat die een grondige kennis heeft van de taal waarin hij zich uitdrukt; vervolgens, rekening te houden met de arrondissementen waarin sommige rechtzoekenden zich uitdrukken in het Nederlands en anderen in het Frans; ten slotte, te waken over de goede werking van de openbare dienst justitie, wat onder meer het recht inhoudt om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Zo ook bevat artikel 322, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek een specifieke bepaling voor de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel waar alle zittende beroepsmagistraten het ambt van kamervoorzitter uitoefenen, die tot doel heeft te vermijden dat de verhindering van een rechter de oplossing van de geschillen zou vertragen. B.
- De regels die vervat zijn in de in het geding zijnde bepalingen hebben dus niet tot doel aan de betrokken magistraten rechten toe te kennen, maar in de eerste plaats de fundamentele rechten te waarborgen van degenen over wie zij oordelen. Om te oordelen over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het derhalve niet relevant de persoonlijke situatie van de in de prejudiciële vraag vermelde magistraten te vergelijken. B.
- Gesteld dat de prejudiciële vraag in die zin zou kunnen worden gelezen dat het Hof daarin wordt ondervraagd over de verschillende manier waarop de rechtzoekenden zouden worden behandeld wanneer zij voor een verhinderde magistraat moeten verschijnen, dan nog zou zij het niet mogelijk maken hen zinvol te vergelijken. 12 Tussen de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel, enerzijds, en de vrederechters en politierechters te Brussel, anderzijds, bestaan er inzake de samenstelling en de bevoegdheid van hun rechtscolleges, zowel territoriaal als materieel, verschillen die van die aard zijn dat zij niet zinvol kunnen worden vergeleken. B.
- De voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel kan inzake het gebruik der talen evenmin worden vergeleken met de voorzitters van de andere arbeidsrechtbanken. Hoewel de rechtscolleges die zij leiden, vergelijkbaar zijn wat hun bevoegdheden betreft, vertoont hun situatie een essentieel verschil dat een vergelijking niet mogelijk maakt : de eerstgenoemde oefent zijn bevoegdheden uit in een tweetalig taalgebied en leidt, om die reden, een rechtscollege dat is samengesteld uit magistraten van wie sommigen hun diploma van licentiaat in de rechten in het Nederlands en anderen in het Frans hebben behaald; de in tweede instantie genoemden houden zitting in een eentalig rechtsgebied en leiden een rechtscollege dat is samengesteld uit magistraten die allen hun diploma in dezelfde taal hebben behaald en die allen hun ambt in die taal moeten uitoefenen. B.
- Aangezien het Hof wordt ondervraagd over verschillen in behandeling tussen categorieën van personen die in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet vergelijkbaar zijn, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.182 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.070 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div