id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.184 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051207.9 Arrest- Rolnummer: 184/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-08-23 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-07-02 08:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-1966 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1966062802 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3639 Arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en L. Lavrysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 februari 2005 in zake G. De Vos tegen het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 maart 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door een onderscheid te maken tussen enerzijds werknemers die tewerkgesteld worden in België en in dienst zijn van een onderneming die geen zetel of technische bedrijfseenheid in België heeft en anderzijds werknemers [die] in België tewerkgesteld worden en in dienst zijn van een onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid beschikt, waar enkel de werknemers van de tweede categorie aanspraak kunnen maken op de vergoedingen krachtens deze wet, alhoewel in beide gevallen sociale bijdragen van het loon van de werknemers worden afgehouden die ertoe strekken om ondermeer het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, te spijzen ? ». G. De Vos, wonende te 2600 Berchem, Victor Jacobslei 50, en de Ministerraad hebben memories ingediend; de Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2005 : - is verschenen : Mr. A. Lindemans, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eiser voor de Arbeidsrechtbank was tewerkgesteld in België, in dienst van een Nederlandse onderneming die in 1996 failliet werd verklaard. Het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers weigert hem een vergoeding omdat niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, nu de betrokken onderneming geen technische bedrijfseenheid in België had. De Arbeidsrechtbank sluit zich aan bij de visie van het Fonds en stelt vast dat de betrokken onderneming in België geen bedrijfseenheid in de zin van de wet had. Ze besluit daarop, na verzoek van de eiser, tot het stellen van de hiervoor vermelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- Standpunt van de eiser voor de Arbeidsrechtbank A.1.
- Volgens de eiser voor de Arbeidsrechtbank bestaat het doel van de sluitingswet erin een vergoeding toe te kennen aan werknemers van een failliete onderneming die op grond van hun bewezen diensten en moeilijke wedertewerkstelling bepaalde rechten ten aanzien van het bedrijf kunnen doen gelden. A.1.
- In het licht van die doelstelling is er geen rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen werknemers die in België werkzaam zijn, naargelang ze al dan niet deel uitmaken van een in België gelokaliseerde economische bedrijfseenheid. Ter ondersteuning van zijn stelling verwijst de eiser naar de Europese richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980, gewijzigd bij de richtlijn 2002/74/EG van 23 september
- Standpunt van de Ministerraad A.2.
- Volgens de Ministerraad kan er maar sprake zijn van de sluiting van een onderneming wanneer die onderneming een zekere identiteit heeft en kan worden gelokaliseerd en geïdentificeerd. De notie technische bedrijfseenheid is ingevoerd ter bescherming van de werknemers. De bedoeling van de wetgever is de onderneming als werkgever te identificeren op basis van haar feitelijke autonomie, aan de hand van economische en sociale criteria en niet op basis van de juridische structuur, die niet altijd de feitelijke bedrijfssituatie weergeeft. Het is niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is op ondernemingen die in België als een technische bedrijfseenheid functioneren. A.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat de verwijzende rechter uitgaat van een verkeerde veronderstelling, wanneer hij werknemers die tewerkgesteld zijn bij een technische bedrijfseenheid en werknemers die niet tewerkgesteld zijn bij een technische bedrijfseenheid, vergelijkbaar acht omdat in beide gevallen sociale bijdragen van het loon worden afgehouden die dienen om het Sluitingsfonds te stijven. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de gewone algemene werkgeversbijdragen voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.) en de bijzondere bijdrage bestemd voor het Sluitingsfonds. Deze laatste is enkel verschuldigd wanneer de onderneming een technische bedrijfseenheid heeft in België en werknemers tewerkstelt op Belgisch grondgebied, waarvoor zij R.S.Z.-bijdragen betaalt. A.2.
- Aangaande de verwijzing van de eiser voor de Arbeidsrechtbank naar het Europese recht, merkt de Ministerraad op dat alleen de richtlijn 2002/74/EG bepalingen bevat aangaande situaties met een grensoverschrijdend karakter. Die regeling kan echter maar van toepassing worden wanneer de richtlijn zal zijn omgezet in het Belgische recht. -B- B.1.
- Volgens artikel 1 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, geldt de wet met betrekking tot de ondernemingen waar gedurende het laatste verlopen kalenderjaar gemiddeld ten minste twintig werknemers waren tewerkgesteld. Luidens artikel 2 geldt voor de toepassing van de wet als onderneming « de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven ». 4 Volgens die laatste bepaling is een onderneming « een technische bedrijfseenheid, bepaald op grond van de economische en sociale criteria; ingeval van twijfel primeren de sociale criteria ». B.1.
- Doordat de wet van 28 juni 1966 haar toepassingsgebied afbakent met behulp van het begrip onderneming, is zij slechts van toepassing bij de sluiting van in België gevestigde ondernemingen. B.1.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door een onderscheid te maken tussen, enerzijds, werknemers die worden tewerkgesteld in België en in dienst zijn van een onderneming die geen zetel of technische bedrijfseenheid in België heeft en, anderzijds, werknemers die in België worden tewerkgesteld en in dienst zijn van een onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid beschikt, waarbij enkel de werknemers van de tweede categorie aanspraak kunnen maken op de vergoedingen waarin de wet voorziet. B.2.
- De wet van 28 juni 1966 beoogt de bescherming van de werknemers bij de sluiting van een onderneming. Ze geeft de paritaire comités, enerzijds, de opdracht om de aan de sluiting voorafgaande informatieverplichtingen te regelen en verleent aan de ontslagen werknemers, anderzijds, het recht op een vergoeding ten laste van de werkgever. De wet voorziet in de oprichting, bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. Het Fonds heeft tot opdracht aan de betrokken werknemers de sluitingsvergoeding uit te betalen indien de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt (artikel 9). De werkgever die zijn onderneming sluit, moet aan het Fonds het bedrag der vergoedingen terugbetalen die dit laatste heeft uitgekeerd (artikel 18). B.2.
- Alleen de werkgevers die onder de toepassing van de wet vallen, en niet de werknemers, worden verplicht een jaarlijkse bijdrage aan het Fonds te betalen. Die werkgeversbijdrage wordt vastgesteld bij koninklijk besluit en wordt geïnd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.) (artikelen 14 en 15). 5 B.3.
- De territoriale gelding van de wet verhindert de Belgische wetgever om op het vlak van de sociale bescherming bij ontslag ten gevolge van de sluiting van een onderneming eenzijdig verplichtingen op te leggen aan buitenlandse ondernemingen die in België werknemers tewerkstellen, maar hier geen zetel of technische bedrijfseenheid hebben. B.3.
- Dat ook het Belgische Sluitingsfonds niet gehouden is om tegemoet te komen bij de sluiting van een dergelijke onderneming is redelijkerwijze verantwoord door de wijze waarop de werking van die overheidsinstelling wordt georganiseerd. Er bestaat een rechtstreekse en noodzakelijke band tussen de op het Fonds rustende verplichting tot betaling in de plaats van de werkgever en de plaats van vestiging van de werkgever die ertoe verplicht kan worden in de financiering van het Fonds bij te dragen. Het financiële evenwicht van het Fonds zou worden verstoord indien het tegemoet zou moeten komen bij de sluiting van in het buitenland gevestigde ondernemingen die in België personeel tewerkstellen, terwijl het zich tegen dat risico niet heeft kunnen indekken met de wettelijk voorgeschreven bijdragen van de werkgever. B.4.
- De eiser voor de Arbeidsrechtbank verwijst ter ondersteuning van zijn vordering tegen het Belgische Sluitingsfonds naar de Europese richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980, gewijzigd bij de richtlijn 2002/74/EG van 23 september
- B.4.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de grondwettigheid van de wet van 28 juni 1966 zoals zij van toepassing is op de feiten in het bodemgeschil, die dateren van
- Men zou de wetgever niet kunnen verwijten geen rekening te hebben gehouden met de Europese richtlijn 2002/74/EG, die volgens artikel 2 slechts verplichtingen oplegt bij insolventie van een werkgever, die na de datum van inwerkingtreding van de wetgeving tot omzetting van die richtlijn intreedt. B.4.
- De richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever beoogt de werknemers een minimumbescherming te bieden bij sluiting van ondernemingen. Ze verplicht de lidstaten ertoe een instelling op te richten die bij insolventie van de werkgever de betaling van onvervulde aanspraken van de werknemers 6 waarborgt. Het Belgische Fonds, bedoeld in artikel 9 van de wet van 28 juni 1966, is een waarborgfonds in de zin van de richtlijn. B.4.
- De vermelde richtlijn regelt niet welk waarborgfonds bij sluiting van ondernemingen verplicht is de aanspraken te voldoen van werknemers die in de ene lidstaat wonen en werken, jegens een werkgever die in een andere lidstaat is gevestigd. B.4.
- Ten aanzien van die richtlijn heeft het Hof van Justitie in zijn arrest Mosbaek (zaak nr. C-117/96) van 17 september 1997 gesteld : «
- Vervolgens zij opgemerkt, dat het garantiestelsel dat de richtlijn beoogt in te voeren, ingevolge artikel 5, sub b, wordt gefinancierd door de werkgevers tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt. Bij gebreke van enige andersluidende bepaling in de richtlijn, strookt het met het opzet van de richtlijn, dat het waarborgfonds dat de bijdragen van de insolvabele werkgever heeft geïnd of althans had moeten innen, ook bevoegd is voor de voldoening van onvervulde aanspraken van werknemers. Het fonds in de Lid-Staat waar de werknemer woont en heeft gewerkt, en waar de werkgever niet over enige vestiging of commerciële vertegenwoordiging beschikt, is dus niet bevoegd.
- Artikel 5, sub b, van de richtlijn bevestigt dus, dat er een band bestaat tussen de op het waarborgfonds rustende verplichting tot betaling en de plaats van vestiging van de werkgever, die in de regel in de financiering van het fonds bijdraagt. Zoals in rechtsoverweging 23 van het onderhavige arrest reeds is beklemtoond, is de staat van vestiging van de werkgever in de meeste gevallen de staat waar om inleiding van de procedure wordt verzocht.
- Ten slotte lijkt ook het ontbreken in de richtlijn van een onderlinge verrekenings- of terugbetalingsregeling tussen de garantiefondsen van de verschillende Lid-Staten te bevestigen dat de gemeenschapswetgever bij insolventie van een werkgever de tussenkomst van het waarborgfonds van één enkele Lidstaat heeft gewenst, en wel ter voorkoming van nodeloze verwarring tussen de respectieve nationale stelsels, en met name van situaties waarin een werknemer in verschillende Lid-Staten een beroep op de richtlijn kan doen ». B.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de wetgever een objectief en pertinent criterium van onderscheid hanteert wanneer hij de bescherming bij ontslag slechts waarborgt ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn bij een in België gevestigde onderneming, nu enkel die ondernemingen tot bijdrage aan het Fonds kunnen worden verplicht. Het onderscheid in behandeling dat daaruit voortvloeit, leidt niet noodzakelijk ertoe dat de 7 werknemer die in België werkzaam is in dienst van een buitenlandse onderneming, bij sluiting van die onderneming van enige sociale bescherming verstoken blijft. Minstens in lidstaten van de Europese Gemeenschap is in een dergelijk geval in beginsel steeds een waarborgfonds verplicht de werknemers te vergoeden bij insolventie van de werkgever. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div