id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.186 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051214.15 Arrest- Rolnummer: 186/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-26 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-07-02 06:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 358, b),
(2)de producent of invoerder van het betrokken product verantwoordelijk stellen voor de recuperatie en derhalve voor het beheer ervan (verwijdering, recyclage of hergebruik) (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 897/1, p. 75). Krachtens het vroegere artikel 372 van de gewone wet van 16 juli 1993 genoten de herbruikbare drankverpakkingen, onder bepaalde voorwaarden, een vrijstelling van de milieutaks, indien de drankverpakking was onderworpen aan een stelsel van statiegeld teneinde te worden hergebruikt. Die voorkeursbehandeling die de herbruikbare verpakkingen aanvankelijk genoten ten opzichte van de recycleerbare verpakkingen is echter tot de laatstvermelde uitgebreid bij een wet van 7 maart 1996. Artikel 373, § 4, van de gewone wet van 16 juli 1993, ingevoegd bij de voormelde wet, maakte bij wege van overgangsmaatregel een vrijstelling van de milieutaks mogelijk indien een recyclagepercentage per gebruikte grondstof werd bereikt. Daarbij werd evenwel geen onderscheid gemaakt naargelang het verkregen gerecycleerde materiaal werd gebruikt voor de vervaardiging van drankverpakkingen of voor de vervaardiging van andere producten. B.15.2. De wet van 30 december 2002 « houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen » stelde, zoals het Hof reeds aangaf in het arrest 20 nr. 195/2004, de herbruikbare verpakkingen vrij van de verpakkingsheffing, mits naleving van de in de wet bepaalde voorwaarden, maar onderwierp de niet-herbruikbare drankverpakkingen principieel aan de verpakkingsheffing. Er was evenwel in een vrijstellingsmogelijkheid voorzien voor de verpakkingen die een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen bevatten. Die vrijstellingsmogelijkheid was, vóór de opheffing ervan bij de bestreden wet, opgenomen in artikel 373, § 3, 3°, van de gewone wet van 16 juli 1993, zoals ingevoegd bij de wet van 30 december 2002, en werd opnieuw ingevoerd bij artikel 359 van de bestreden wet, zij het dat de inwerkingstelling van die vrijstelling aan de Koning werd toevertrouwd, na de toestemming van de Europese autoriteiten. Die mogelijkheid om de vrijstelling van de heffing uit te breiden, strekte blijkens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 30 december 2002 ertoe de « marktdeelnemers die zich ingespannen hebben om verpakkingen te gebruiken die gedeeltelijk uit gerecycleerde grondstoffen zijn samengesteld » niet aan de verpakkingsheffing te onderwerpen, teneinde « de systemen voor de sortering, terugwinning en het recycleren van verpakkingsafval [die] sinds meerdere jaren geïmplementeerd worden, [voort te zetten en te vergroten]. Dit recycleren zorgt voor secundaire grondstoffen die aangewend worden voor de vervaardiging van nieuwe verpakkingen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 27). B.15.3. Uit diezelfde parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat die vrijstellingsmogelijkheid tot stand is gekomen wegens het verstrijken van de overgangsperiode tijdens welke de recycleerbare verpakkingen van de milieutaks konden worden vrijgesteld en om te vermijden dat « sommige economische sectoren [worden benadeeld] » en een en ander zou leiden tot « het faillissement van een aanzienlijk aantal kleine en middelgrote ondernemingen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 6). B.15.4. Zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest nr. 195/2004 is het verschil in behandeling tussen herbruikbare en niet-herbruikbare drankverpakkingen niet zonder redelijke verantwoording. De wetgever heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat herbruikbare verpakkingen die onderworpen zijn aan een stelsel van statiegeld, op het vlak van het voorkómen van het ontstaan van afvalstoffen, meer waarborgen bieden dan de niet- herbruikbare verpakkingen, nu het risico dat zij op een onverantwoorde wijze zouden worden 21 verwijderd of in het huishoudelijk afval zouden terechtkomen, in vergelijking met niet- herbruikbare verpakkingen, aanzienlijk kleiner is, aangezien de consumenten door middel van het statiegeld ertoe worden aangezet de verpakkingen na gebruik terug in te leveren en de producenten gehouden zijn de herbruikbare verpakkingen minstens zeven maal te hervullen. B.15.5. Weliswaar wijzen diverse studies uit dat niet-herbruikbare verpakkingen, gesteld dat zij in hoge mate selectief worden ingezameld en gerecycleerd, tot een gelijkwaardig resultaat inzake de beperking van productie van restafval zouden kunnen leiden en dat, afhankelijk van de onderzochte hypothesen, de algemene milieubalans, waarbij met alle milieueffecten tijdens de gehele levensduur van de drankverpakking rekening wordt gehouden, onder bepaalde strikte voorwaarden positief zou kunnen uitvallen voor bepaalde niet-herbruikbare verpakkingen. Nu dat resultaat maar bereikt zou kunnen worden onder nader te bepalen voorwaarden, die door hun aard verschillen van die welke gelden voor herbruikbare verpakkingen, komt het de wetgever, rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke gegevens in dit verband, toe te bepalen onder welke voorwaarden de niet-herbruikbare verpakkingen voor vrijstelling van de verpakkingsheffing in aanmerking komen. B.16. Uit de bestreden bepaling en de vernietiging van artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003 (eerste middel) vloeit voort dat voor de niet-herbruikbare drankverpakkingen niet langer is voorzien in een vrijstellingsmogelijkheid. Gelet op hetgeen voorafgaat is het niet objectief en redelijk verantwoord dat de niet- herbruikbare drankverpakkingen onder geen enkele voorwaarde, zelfs niet wanneer bijzonder hoge recyclagepercentages zouden worden bereikt, vrijgesteld kunnen worden van de verpakkingsheffing. B.17. In zoverre het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het gegrond. Artikel 358, b), van de programmawet van 22 december 2003 dient derhalve te worden vernietigd, alsmede de litterae
- c)en
- d)ervan, die daarmee onlosmakelijk zijn verbonden. 22 Ten aanzien van het derde middel B.18. Uit de procedurestukken blijkt dat dit middel is gericht tegen artikel 358, b), en tegen artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003. Vermits de eerste twee middelen - gericht tegen die bepalingen - gegrond zijn en het onderzoek van het derde middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient dat middel niet te worden onderzocht. Ten aanzien van het vierde middel B.19.1. Uit de procedurestukken blijkt dat het vierde middel is gericht tegen artikel 358, a), van de programmawet van 22 december 2003 - in zoverre het de bij artikel 371, § 1, van de wet van 30 december 2002 ingevoerde verpakkingsheffing handhaaft - en tegen artikel 358, b), van dezelfde wet, in zoverre het het voordeel van de vrijstelling van die heffing uitsluitend tot de herbruikbare verpakkingen zou beperken. In zoverre het middel is gericht tegen de tweede bepaling is het zonder voorwerp, gelet op het gegronde karakter van het tweede middel. B.19.2. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 90 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De vrijstelling van de verpakkingsheffing die de herbruikbare verpakkingen genieten, zou in strijd zijn met artikel 90, eerste alinea, van het E.G.-Verdrag, dat elke binnenlandse belasting verbiedt die de nationale producten op discriminerende wijze zou bevoordelen ten opzichte van de soortgelijke ingevoerde producten, aangezien het hergebruik van de flessen voor de invoerders aanzienlijke vervoerskosten zal meebrengen, gelet op de wettelijke verplichting om aan de bron te bottelen. Die vrijstelling zou eveneens in strijd zijn met artikel 90, tweede alinea, van het E.G.-Verdrag, dat eveneens elke discriminatie tussen ingevoerde producten en andere nationale producten verbiedt. In dat opzicht zouden 23 ingevoerd mineraalwater en bronwater discriminerend worden behandeld ten opzichte van de andere nationale vervangingsproducten waarmee ze in concurrentie komen. B.20. Het middel komt neer op het bekritiseren van de vrijstelling van de verpakkingsheffing die de herbruikbare verpakkingen genieten. Dat aan het hergebruik toegekende voordeel zou in strijd zijn met het Europees recht en de verpakkingsheffing zelf onbestaanbaar maken met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.21.1. De Ministerraad voert aan dat het middel onontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen artikel 358, a), van de programmawet van 22 december 2003, aangezien dat artikel slechts een wijziging aanbrengt in artikel 371, § 1, van de gewone wet van 16 juli 1993, en bijgevolg niet de verpakkingsheffing instelt. B.21.2. Door in artikel 358, a), van de programmawet van 22 december 2003 het tarief van de verpakkingsheffing te verlagen, heeft de wetgever zijn wil getoond om die in artikel 371, § 1, van de gewone wet van 16 juli 1993 ingestelde heffing te behouden. In zoverre het middel is gericht tegen artikel 358, a), is het ontvankelijk. B.22.1. De richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, aangenomen op grond van artikel 95 (ex artikel 100 A) van het E.G.-Verdrag, strekt ertoe, zoals het Hof reeds heeft aangegeven in zijn arrest nr. 195/2004, de nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval te harmoniseren, om de milieueffecten daarvan te voorkomen of te verminderen, zodat een hoog niveau van milieubescherming wordt bereikt om de werking van de interne markt te waarborgen en handelsbelemmeringen, concurrentieverstoringen en -beperkingen binnen de Gemeenschap te voorkomen. Zij beperkt zich echter ertoe minimale doelstellingen vast te stellen, aangezien met name in artikel 5 ervan wordt bepaald dat « de Lid-Staten […] overeenkomstig het Verdrag systemen [mogen] bevorderen voor het hergebruik van verpakkingen die op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden hergebruikt ». 24 Het gemeenschapsrecht staat dus toe dat een nationale wetgeving systemen voor hergebruik bevoordeelt die op indirecte wijze afval voorkomen, op voorwaarde dat die systemen, ongeacht of zij van economische, financiële, fiscale of andere aard zijn, de goede werking van de interne markt niet belemmeren. Om de draagwijdte van die mogelijkheid na te gaan, dient voorafgaand te worden onderzocht of een nationale reglementering die de herbruikbare verpakkingen van de verpakkingsheffing vrijstelt, kan worden geacht in overeenstemming met het Verdrag te zijn, en meer specifiek met het door de verzoekende partijen aangevoerde artikel 90 van het E.G.-Verdrag. B.22.2. Teneinde aan te tonen dat de bestreden wetgeving valt onder het toepassingsgebied van artikel 5 van de richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval dient te worden nagegaan of de verpakkingsheffing - en de voorwaarden voor de vrijstelling ervan - geen belasting vormt met een gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 90 van het E.G.-Verdrag. B.23.1. Voorafgaand aan zijn onderzoek stelt het Hof in dat opzicht vast dat, hoewel de Europese Commissie verschillende bezwaren heeft geuit tegen de bepalingen van de wet van 30 december 2002, zij zich daarentegen niet verzet tegen het feit dat een Staat voor de herbruikbare verpakkingen en de andere verpakkingen een gedifferentieerd fiscaal stelsel invoert (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1912/001, p. 20). B.23.2. Artikel 90 heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale concurrentievoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (H.v.J., 3 maart 1988, zaak 252/86, Jur. 1988, pp. 1.343 en volgende). Die bepaling belet niet dat een lidstaat gedifferentieerde fiscale stelsels invoert, op voorwaarde dat die beantwoorden aan objectieve criteria en dat kan worden verantwoord dat zij noodzakelijk zijn om doelstellingen te verwezenlijken die verenigbaar zijn met de eisen van het primair en het afgeleid gemeenschapsrecht en dat de toepassingsvoorwaarden ervan elke vorm van discriminatie ten opzichte van de buitenlandse producten vermijden. 25 B.23.3. De bestreden wetgeving bevat een vrijstelling van de verpakkingsheffing die de Belgische en buitenlandse producenten die gebruik maken van herbruikbare verpakkingen op identieke wijze kunnen genieten. De bestreden wetgeving legt geen specifieke verpakking op voor de dranken, maar bevoordeelt het gebruik van bepaalde verpakkingen door die vrij te stellen. Die vrijstelling van de herbruikbare verpakkingen vormt een intrinsiek element van het systeem van de verpakkingsheffing dat het systeem van de milieutaksen vervangt. B.23.4. Die vrijstelling van de verpakkingsheffing kan noodzakelijk worden geacht om tegemoet te komen aan de dwingende vereisten inzake bescherming van het leefmilieu en kan niet als onevenredig worden beschouwd. Het blijkt overigens niet dat die maatregel, die zonder onderscheid van toepassing is op de binnenlandse en de geïmporteerde drankverpakkingen, is ingegeven door de zorg om de Belgische industrie te beschermen, noch dat hij kan worden vervangen door maatregelen die de intracommunautaire handel minder zouden belemmeren. B.23.5. De voormelde richtlijnen 80/777/EEG van 15 juli 1980 en 94/62/EG van 20 december 1994 en de richtlijn 89/109/EEG van de Raad van 21 december 1988 « betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen » bevatten geen enkele onvoorwaardelijke verplichting in verband met de keuze van een systeem voor de terugwinning van verpakkingsafval. Aldus blijkt dat, hoewel de richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval het de lidstaten mogelijk maakt zowel het hergebruik als de recyclage te bevorderen, zij zich echter niet verzet tegen een nationale reglementering - zoals de bestreden wetgeving - die in beginsel het hergebruik zou bevoordelen. Het hergebruik vormt immers, krachtens artikel 1 van die richtlijn, een van de grondbeginselen van die harmonisatierichtlijn, evenals de recyclage en de andere vormen van terugwinning van verpakkingsafval. Andere Europese landen dan België, namelijk 26 Denemarken, Duitsland, Finland, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal, voeren overigens een beleid om het hergebruik van de verpakkingen te bevorderen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/008, pp. 52 e.v., 64). Bovendien belet het ontbreken van enige wetenschappelijke zekerheid omtrent de respectieve mogelijke gevolgen van het hergebruik en de recyclage voor het leefmilieu thans een dergelijke harmonisatie. Een wetgeving die de herbruikbare verpakkingen vrijstelt, kan dus niet worden geacht in strijd te zijn met de dwingende vereisten inzake de bescherming van het leefmilieu. Die dwingende vereiste vormt overigens een doelstelling die is opgenomen in de Europese richtlijnen, overeenkomstig artikel 174, lid 1, van het E.G.-Verdrag. B.23.6. Hoewel het hergebruik aanzienlijke kosten, met name vervoerskosten, met zich kan brengen, blijkt dat die overweging het inherente gevolg is van de optie voor hergebruik, dat het Europees recht aanvaardt krachtens artikel 5 van de voormelde richtlijn 94/62/EG van 20 december 1994. Hoewel krachtens de voormelde richtlijn 89/109/EEG van 21 december 1988 aan voorwaarden inzake hygiëne moet worden voldaan teneinde de volksgezondheid te beschermen, kan die overweging niet ertoe leiden dat het bevoordelen van het hergebruik, zoals artikel 5 van de voormelde richtlijn 94/62/EG van 20 december 1994 dat toestaat, wordt belet. B.23.7. Het vierde middel is niet gegrond. Ten aanzien van het vijfde middel B.24. Uit de procedurestukken blijkt dat dit middel is gericht tegen artikel 358, b), - in zoverre het de vrijstelling van de voormelde heffing uitsluitend aan de herbruikbare verpakkingen zou voorbehouden - en tegen artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003. 27 Aangezien de twee eerste middelen - gericht tegen die bepalingen - gegrond zijn en het onderzoek van het vijfde middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient dat middel niet te worden onderzocht. Ten aanzien van het behoud van de gevolgen van de vernietigde bepalingen B.25. Rekening houdend, enerzijds, met de mogelijke budgettaire gevolgen van de terugwerkende kracht van de vernietiging van de artikelen 358, b),
- c)en d), en 359 van de programmawet van 22 december 2003 en, anderzijds, met het feit dat de regeling van de verpakkingsheffing tot gevolg heeft dat de ondernemingen die aan de verpakkingsheffing worden onderworpen de aan die heffing verbonden meerkosten hebben doorberekend aan de eindverbruiker, dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd. Het eventuele voordeel voor de verzoekende partijen van een terugwerkende kracht van de vernietiging is onevenredig ten aanzien van het nadeel dat zijzelf hebben geleden en is overigens niet van dien aard dat de heffing alsnog haar stimulerende functie zou kunnen vervullen. Vermits artikel 371 van de gewone wet van 16 juli 1993 werd vervangen bij artikel 25 van de programmawet van 9 juli 2004, dat in werking is getreden op 25 juli 2004, dienen de gevolgen van de vernietigde artikelen 358, b),
- c)en d), van de programmawet van 22 december 2003 te worden gehandhaafd tot en met 24 juli 2004. Teneinde de wetgever in staat te stellen een nieuwe regeling aan te nemen, na afweging van alle hierbij betrokken belangen, dienen de gevolgen van het vernietigde artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003 te worden gehandhaafd tot 30 juni 2006. De handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen heeft tot gevolg dat het beroep in de zaak nr. 2746, vermeld in B.5.3, van de rol dient te worden geschrapt. 28 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 358, b),
- c)en d), en 359 van de programmawet van 22 december 2003; - handhaaft de gevolgen van het vernietigde artikel 358, b),
- c)en d), tot en met 24 juli 2004; - handhaaft de gevolgen van het vernietigde artikel 359 tot en met 30 juni 2006; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 december 2005. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div