← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.189

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.189 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051214.17 Arrest- Rolnummer: 189/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-26 Raadplegingen: 362 - laatst gezien 2026-07-03 06:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, rekening houdend met het vermelde in B.2.2, verwerpt de beroepen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004, ingesteld door de v.z.w. Net Sky en anderen en door R. Deneye en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummers 3183 en 3188 Arrest nr. 189/2005 van 14 december 2005 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004, ingesteld door de v.z.w. Net Sky en anderen en door R. Deneye en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 juni 2004, tweede uitgave), door de v.z.w. Net Sky, met maatschappelijke zetel te 4450 Juprelle, rue Joseph Martin 12, A. Bourgeois, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue du Centre 34, J. Starck, wonende te 4450 Lantin, rue Haut Cornillon 1, A. Lejeune, wonende te 4450 Juprelle, rue Joseph Martin 12, P. Leonard, wonende te 4340 Awans, rue du Domaine de Waroux 27, en H. Wegria, wonende te 4431 Ans, rue du Cheval d’Or

  1. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 juni 2004, tweede uitgave), door R. Deneye, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue Eloi Fouarge 40, G. Houbreckx, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue du Château d’eau 5, J.-L. Portier, wonende te 4400 Flémalle, rue des Awirs 226, F. Jans, wonende te 4537 Verlaine, Clos des Saules 3, S. Moureau-Pirotte, wonende te 4460 Horion-Hozémont, rue du Péry 26, en T. Vaes, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue du Vicinal 14/A. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3183 en 3188 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Waalse Regering heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2005 : - zijn verschenen : . Mr. L. Cambier en Mr. R. Born, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3183; . Mr. X. Close, tevens loco Mr. L. Misson, advocaten bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3188; . Mr. F. Guerenne, advocaat bij de balie te Nijvel, loco Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden bepalingen A.1.
  2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3188 schetsen de ontwikkeling van de maatregelen die de Waalse Regering heeft genomen (en van de betwistingen waartoe die hebben geleid) sinds de oprichting van de « Société de développement et de promotion de l’aéroport de Liège » in
  3. De eerste maatregelen ter bestrijding van geluidshinder, die pas vanaf 1998 werden aangenomen, hebben het voorwerp uitgemaakt van besluiten die regelmatig werden bestreden en nietig verklaard door de Raad van State. De daaropvolgende decreten zijn voorgelegd aan de toetsing van het Hof, dat in het arrest nr. 51/2003 het gemaakte onderscheid tussen de zones A en B discriminerend heeft bevonden en, in het arrest nr. 130/2004, de machtiging op grond waarvan de Regering de omtrek van de zones van het Plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder (hierna : P.B.G.) volgens stedenbouwkundige criteria kon aanpassen, niet heeft afgekeurd. A.1.
  4. Die verzoekende partijen voeren aan dat, ondanks het beperkte karakter van de vernietiging waartoe het arrest nr. 51/2003 heeft besloten, de wetgever, terwijl voor het Hof van Beroep te Luik een geschil hangende was waarbij honderden omwonenden waren betrokken, de hele wetgeving grondig heeft herzien door de geluidsindicator (die in het voormelde arrest niet werd bekritiseerd) te wijzigen en voortaan twee plannen naast elkaar te laten bestaan, namelijk het P.B.G., dat, op basis van vier zones, de maatregelen vaststelt die de omwonenden moeten beschermen, en het Ontwikkelingsplan op lange termijn (hierna : O.L.T.), dat, op basis van vier, gedeeltelijk verschillende zones, de maximale geluidsdrempels buiten de woningen vaststelt. Zij voeren ook aan dat de uitbaters van de luchthaven en de betrokken luchtvaartmaatschappijen de geluidsdrempels regelmatig hebben betwist, gelet op de geldboeten die de overschrijding ervan met zich meebrengt. Volgens de rechtspraak van zowel de Raad van State als het Hof van Beroep te Luik, biedt artikel 1bis, § 5, van de wet van 18 juli 1973 hun de mogelijkheid om die drempels te overschrijden. A.
  5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3183 voeren aan dat het bestreden decreet een nieuwe geluidsindicator vaststelt; die laatste houdt voortaan rekening met de vluchten die ’s avonds plaatshebben, wat voor de luchthaven Luik-Bierset slechts een geringe impact heeft, vermits het de nachtvluchten zijn die voor problemen zorgen. Het decreet wijzigt de plannen inzake de afbakening van de geluidszones en bepaalt voortaan dat de Regering het O.L.T. kan vaststellen, dat is berekend op basis van het streefjaar 2020 en overeenstemt met het vroegere « Plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder » (P.B.G.), alsook een nieuw P.B.G., dat is berekend op basis van het streefjaar
  6. De vier zones van het nieuwe P.B.G. zijn kleiner dan die van het O.L.T. wegens het vermoedelijk beperktere gebruik van de luchthaven in 2013 dan in
  7. Die grenzen zullen om de drie jaar worden herzien en geleidelijk samenvallen indien de voorspellingen voor het streefjaar 2020 juist blijken. De verzoekende partijen merken op dat die afbakening geen rekening ermee houdt dat sommige luchtvaartslots in Bierset reeds verzadigd zijn, dat zij gevolgen heeft voor de aan de omwonenden toegekende begeleidingsmaatregelen en dat het decreet op geen enkele wijze aangeeft hoe de zones moeten worden afgebakend, met name wat de ontwikkeling van de vliegtuigvloten of de informaticasoftware betreft. Ten slotte is voorzien in begeleidingsmaatregelen, die vergelijkbaar zijn met die van het oorspronkelijke decreet, maar niet aangeven hoe de Regering woningen in de betrokken zones kan aankopen, noch hoe de omkeerbare keuze wordt gemaakt tussen de isolatie en de aankoop van de woningen, waarnaar in de parlementaire voorbereiding wordt verwezen; de isolatiemaatregelen waarin is voorzien, stellen een maximaal niveau van geluidshinder vast, dat evenwel per 24 uur tien keer kan worden overschreden, wat vroeger niet was toegestaan; in de meest verwijderde zones zijn de begeleidingsmaatregelen op het gebied van isolatie niet langer verbonden aan in het decreet vastgestelde doelstellingen, terwijl dat vroeger wel het geval was, of nemen zij de vorm aan van forfaitaire premies, of zijn die verdwenen. 4 A.
  8. In haar memorie van antwoord zet de Waalse Regering de voorgeschiedenis van het decreet en de beginselen ervan uiteen. De indicator Lday-evening-night (hierna : Lden) kreeg de voorkeur boven de indicator Lday-night (hierna : Ldn) (die de arresten nrs. 50/2003 en 51/2003 niet hadden afgekeurd) teneinde vooruit te lopen op de invoering van een Europese richtlijn; hij maakt het mogelijk de geluidshinder over 24 uur te benaderen door de geluidsimpact van elk overvliegend luchtvaartuig te cumuleren en daarbij te voorzien in een bestraffing van 5 db (A) wanneer die overvlucht ‘s avonds plaatsheeft en van 10 db (A) wanneer die ‘s nachts plaatsheeft. De indicator Lmax maakt het niet mogelijk zones met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder af te bakenen, noch rekening te houden met de hinder als gevolg van het aantal vliegtuigen, de duur van de overvlucht van elk vliegtuig, de geluidshinder van elk type vliegtuig en de waarnemingsperiode (dag of nacht), noch bijgevolg de omvang van de bij de geluidshinder betrokken geografische zones te bepalen. Maar hij wordt gebruikt om het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de overvlucht van een vliegtuig vast te stellen en beïnvloedt de bescherming van de bevolking op het vlak van de isolatie van de woningen. Het decreet voorziet in verschillende begeleidingsmaatregelen : - de aankoop uit de hand of de isolatie van de gebouwen in de zones A’ en B’ van het P.B.G. (met uitzondering van de gebouwen gelegen in zone A’ die worden blootgesteld aan een geluidsniveau van 70 dB (A) Lden of meer, of die zijn gelegen in een bedrijvenzone, waarvoor alleen de aankoop mogelijk is), alsook de aankoop van de goederen gelegen in zone C’, indien de driejaarlijkse herziening van het plan wijst op een geluidsniveau van meer dan 66 dB (A) Lden; - de isolatie, waarvan het niveau varieert volgens de ligging van het goed. De werken worden uitgevoerd op kosten van het Waalse Gewest, dat het goed uit de hand kan aankopen wanneer het niet mogelijk is een technische oplossing te vinden om de woning op adequate wijze te isoleren. In zone D’ van het P.B.G. kunnen de omwonenden een forfaitaire bijstand aanvragen. Ten aanzien van het onderwerp van het beroep A.
  9. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3188 vorderen de vernietiging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973, maar, gelet op de nadelige gevolgen van een volkomen rechtsvacuüm dat een eventuele vernietiging met zich zou meebrengen, vragen zij dat het Hof de gevolgen van de bestreden bepaling handhaaft totdat een nieuwe bepaling is aangenomen. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.
  10. Teneinde haar belang aan te tonen om in de zaak nr. 3183 in rechte te treden, verwijst de v.z.w. Net Sky naar de arresten nrs. 50/2003 en 51/2003 van het Hof. A.6.
  11. De natuurlijke personen, verzoekende partijen in de zaak nr. 3183, voeren aan dat zij eigenaar zijn van gebouwen gelegen in zones waarvoor het nieuwe decreet voorziet in begeleidingsmaatregelen die minder gunstig zijn dan die waarin het vroegere decreet voorzag : de gebouwen in zone C’ van het P.B.G. (zone B van het vroegere P.B.G. en zone C van het O.L.T.) zullen niet meer kunnen worden verkocht aan het Waalse Gewest, terwijl dat op grond van het arrest nr. 51/2003 van het Hof wel zou moeten kunnen, zoals voor de gebouwen in zone A van het vroegere P.B.G. (A. Bourgeois). Zij voeren aan dat de eigenaar van een woning - in zone C’ van het P.B.G., naast zone B van het O.L.T., geen aanspraak kan maken op de aankoop van zijn woning (J. Starck); - in zone B’ zijn woning aan het Waalse Gewest kan verkopen en isolatiemaatregelen genieten, maar alleen volgens een procedure uit de hand, zonder de onteigeningsprocedure te kunnen genieten (A. Lejeune); 5 - in zone D van het O.L.T., maar buiten zone D’ van het P.B.G., geen aanspraak kan maken op de maatregelen waarin het decreet voorziet (P. Leonard); indien een driejaarlijkse herziening het gebouw in zone D’ van het P.B.G. zou klasseren, zou hij slechts een forfait genieten dat onvoldoende is om een correcte isolatie te waarborgen; - in zone C’ van het nieuwe P.B.G. en in zone B van het O.L.T. geen aanspraak kan maken op de aankoop van zijn woning door het Waalse Gewest, terwijl zijn woning in het verleden gelegen was in zone B van het vroegere P.B.G. (H. Wegria). A.6.
  12. De Waalse Regering zet de maatregelen uiteen waarop die omwonenden aanspraak kunnen maken. Zij wijst erop dat de woningen van A. Bourgeois en J. Starck aan het Waalse Gewest zouden kunnen worden verkocht indien zij bij een driejaarlijkse herziening worden geklasseerd in zone B’ van het P.B.G. J. Starck heeft niet te kennen gegeven dat hij de procedure voor de isolatie van zijn woning wil aanvatten en A. Lejeune heeft evenmin te kennen gegeven dat hij zijn woning aan het Waalse Gewest wil verkopen, noch een aanvraag ingediend om zijn woning te isoleren. A.6.
  13. De verzoekende partijen vragen zich af wat de Waalse Regering uit dergelijke vaststellingen wil afleiden, vermits geen enkele exceptie van onontvankelijkheid lijkt te worden aangevoerd. Zij wijzen erop dat A. Lejeune de procedure voor de isolatie van zijn woning op 12 juli 2002 heeft aangevat. De woningen van A. Bourgeois en J. Starck zijn gelegen in zone C van het O.L.T. en zullen dus nooit aan het Waalse Gewest kunnen worden verkocht. In beide gevallen doen zij blijken van een belang om in rechte te treden, vermits de vernietiging hen in staat stelt een gunstigere regeling van hun situatie te verkrijgen en de besluiten van de Waalse Regering van 27 mei 2004 de zones van het O.L.T. en van het P.B.G. waarin hun woningen zijn gelegen, hebben gedefinieerd. A.6.
  14. De Waalse Regering repliceert dat zij het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden, niet betwist. De procedure met betrekking tot de woning van A. Lejeune heeft evenwel pas in november 2004 het voorwerp uitgemaakt van een overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van het onroerend goed en het dossier is pas sinds april 2005 volledig. A.7.
  15. In de zaak nr. 3188 bevinden de woningen van de verzoekende partijen zich respectievelijk in : - zone B van het O.L.T. en in zone B’ van het P.B.G. (R. Deneye); - zone B van het O.L.T. en in zone C’ van het P.B.G. (G. Houbreckx); - zone C van het O.L.T. en in zone C’ van het P.B.G. (J.-L. Portier); - zone C van het O.L.T. en in zone D’ van het P.B.G. (F. Jans); - zone D van het O.L.T. en in zone D’ van het P.B.G. (S. Moureau-Pirotte); - zone D van het O.L.T., buiten het P.B.G. (T. Vaes). A.7.
  16. De Waalse Regering zet de maatregelen uiteen waarop die omwonenden aanspraak kunnen maken. Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 3188 A.8.
  17. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973, gewijzigd bij het bestreden decreet, een betekenisvolle achteruitgang vormt, die strijdig is met het standstill-beginsel, op het vlak van de bescherming van de gezondheid, van het leefmilieu en van het privé- en gezinsleven, die voordien aan de omwonenden werd geboden. In de andere middelen worden alle aantastingen van die rechten aangeklaagd, maar de verzoekende partijen zijn van mening dat die aantastingen tevens in hun geheel moeten worden onderzocht, en verwijzen voor het overige naar de andere middelen. A.8.
  18. De Waalse Regering voert aan dat artikel 23 van de Grondwet een programma vormt dat moet worden nageleefd en geen rechtstreekse werking heeft. De standstill-verplichting, zoals het Hof die met name in zijn arresten nrs. 33/92 en 169/2002 heeft beoordeeld, kan niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij een status-quo oplegt en is, volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 2004, geen algemeen rechtsbeginsel. De rechter beperkt zich ertoe de betekenisvolle verschillen af te keuren wanneer hij nieuwe regels met vroegere vergelijkt. 6 A.8.
  19. De Waalse Regering beweert dat het bestreden decreet de omwonenden beter beschermt dan de vroegere wetgeving en dus geenszins een achteruitgang inhoudt, en dit in verschillende opzichten. De nieuwe Lden-indicator is volgens haar immers gunstiger voor de omwonenden dan de vroegere Ldn-indicator, waarvan de keuze niet werd afgekeurd in het arrest nr. 51/2003, terwijl de omwonenden aanvoerden dat voor de Lden-indicator had moeten worden gekozen. Hetzelfde geldt voor het bestaan van twee plannen : het P.B.G. houdt rekening met de hinder op korte en middellange termijn en komt tegemoet aan de kritiek van de omwonenden die het vroegere plan verweten dat het niet met de werkelijkheid overeenstemde, daar het afhankelijk was van de geluidscurven op middellange en lange termijn; beide plannen maken het mogelijk de te nemen maatregelen aan te passen, waarbij het O.L.T. vooruitloopt op de geluidshinder op lange termijn, terwijl het P.B.G., dat om de drie jaar herzienbaar is, de begeleidingsmaatregelen vaststelt. Ook die laatste zijn gunstiger voor de omwonenden die, in zone A’, voortaan beschikken over de omkeerbare keuze tussen de isolatie (die een beperking van de geluidshinder mogelijk moet maken volgens de in het decreet vastgestelde waarden) en een verkoop van het gebouw aan het Waalse Gewest (behalve wanneer het is gelegen in een bedrijvenzone, waar een onteigening mogelijk is, of wanneer de omwonenden een geluidshinder van 70 dB (A) Lden of meer ondergaan). In zone B’ is dezelfde keuze mogelijk en verder zal blijken dat de mogelijkheid van tien overschrijdingen, gedurende een periode van 24 uur, van de gewaarborgde maximale geluidsniveaus geen achteruitgang inhoudt, te meer omdat de werken voortaan volledig ten laste van het Waalse Gewest komen. In zone C’ is het principe van de isolatie, volgens de in het decreet gepreciseerde waarden, voortaan opgenomen in dat decreet, dat de werken eveneens ten laste van het Waalse Gewest legt. Ten slotte wordt, in zone D’, de isolatiepremie voortaan toegekend voor de werken in de dagvertrekken (en niet alleen voor die in de nachtruimten) en is het bedrag ervan in het decreet vastgesteld. A.8.
  20. De Waalse Regering voert aan dat er evenmin sprake is van een achteruitgang wat de technische onmogelijkheid betreft om de woning te isoleren, vermits het decreet voortaan bepaalt dat, wanneer het technisch onmogelijk is de woning te isoleren of wanneer de kostprijs van de werken meer bedraagt dan 50 pct. van de verkoopwaarde van het gebouw, het Waalse Gewest die gebouwen volgens een procedure uit de hand zal verwerven, ongeacht of die in zone A’, zone B’ of zone C’ van het P.B.G. zijn gelegen, terwijl die mogelijkheid vroeger alleen bestond voor de gebouwen in zone B van het P.B.G. Ten slotte is het gelijkheidsbeginsel behouden en kunnen de maatregelen waarin het decreet voorziet, voortaan op veel meer woningen worden toegepast dan wat onder de vroegere wetgeving mogelijk was. Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 3183 A.9.
  21. Het middel is afgeleid uit de schending van de Grondwet, met name de artikelen 10, 11, 16, 22, 23, 39 en 142 ervan, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name de artikelen 6 en 8 ervan, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name artikel 1 ervan, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met name de artikelen 6, § 1, II, 1°, en X, 7°, en 78 ervan, van het beginsel van het gezag van gewijsde en van het standstill-beginsel. A.9.
  22. De verzoekende partijen voeren in een eerste onderdeel aan dat artikel 1bis, §§ 2 en 3, van de wet van 18 juli 1973 afbreuk doet aan de aan de decreetgever voorbehouden aangelegenheden, doordat het de Regering ertoe machtigt een O.L.T. en een P.B.G. vast te stellen, terwijl het aan de wetgever staat de bescherming van het leefmilieu, van de gezondheid van de omwonenden, van hun privé- en gezinsleven te regelen, alsook de wijze waarop zij van hun eigendom worden ontzet. De afbakening van de geluidszones is echter niet bindend verklaard bij het decreet en dat laatste stelt, behalve de verwijzing naar de Lden-indicator, noch de afbakeningscriteria (zoals de soorten vliegtuigen, de lengte van de banen …), noch de te gebruiken informaticasoftware vast. In hun memorie van antwoord voeren zij aan dat de Raad van State heeft gewezen op het ruime karakter van de machtiging. Zij waarborgt de fundamentele rechten van de verzoekende partijen niet, vermits zij niet inhoudt dat alle maatregelen worden getroffen om hun te verzekeren dat de gunstigste beslissingen worden genomen. Zo is de versie van de software voor de simulatie van de door vliegtuigen veroorzaakte geluidshinder op de grond (« I.N.M. ») die in mei 2004 is gebruikt, een versie van september 2001, die sinds de versie van maart 2003 is verouderd. Het verschil tussen beide informaticaprogramma’s bestaat met name erin dat voor de definitie van de nieuwe afbakeningen van de zones rond de luchthaven Luik-Bierset geen rekening is gehouden met de wijziging van de berekeningen van laterale verminderingen - die gevolgen hebben voor de berekening van het geluidscriterium « Lnight » en dus voor het geluidscriterium « Lden ». Die software bevatte overigens functies (verbonden aan de weersomstandigheden inzake de voortplanting van het geluid) die niet werden 7 geactiveerd bij de afbakening van de zones. Ten slotte maakt de keuze van de als referentie beschouwde luchtvloot het mogelijk de omvang van de zones naar believen te doen variëren. Wat de limieten in termen van Lmax betreft, beletten zij niet om bij de configuratie van het programma voor de afbakening van de zones, voor minder lawaaierige vliegtuigen te kiezen. A.9.
  23. De Waalse Regering antwoordt in het algemeen dat noch de Grondwet, noch de bijzondere wet tot hervorming der instellingen de decreetgever verbieden om de Regering ertoe te machtigen maatregelen te nemen, op voorwaarde dat de machtiging binnen de daarin vastgestelde perken wordt omschreven. Zij herinnert aan de draagwijdte van artikel 23 van de Grondwet en aan het standstill-beginsel (zie A.8.2.) en voert aan dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarnaar de verzoekende partijen, die de schending ervan in verband lijken te brengen met de vermeende schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003, verwijzen, de overheid niet verbiedt de vereiste maatregelen te nemen om zich in overeenstemming te brengen met een beslissing van het Hof. De Waalse Regering voert aan dat het aan de Regering staat om de zones van het O.L.T. en van het P.B.G. af te bakenen, zoals de Raad van State dat heeft geoordeeld in verband met artikel 1 van de wet van 18 juli 1973, vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet. De in het geding zijnde machtiging is voldoende omschreven, vermits het decreet zowel het onderwerp van beide plannen (O.L.T. en P.B.G.) als de geluidsindicator beschrijft. Het voorziet in een driejaarlijkse herziening van het P.B.G., die door de wetgever is onderworpen aan een minimale beperking (de zones van het P.B.G. mogen niet kleiner worden) en aan een maximale beperking (de zones mogen niet groter worden dan het O.L.T.). Wat de typen van vliegtuigen betreft, verbiedt het decreet, door de geluidspieken te beperken (artikel 1, § 7), het gebruik van de meest lawaaierige vliegtuigen en de Waalse Regering moet zich daaraan houden. Zij is in werkelijkheid alleen ertoe gemachtigd de vier zones van beide plannen die in het bestreden decreet « letterlijk » worden gedefinieerd, grafisch af te bakenen. Zij stelt een « planologie » van de geluidshinder vast, zoals zij door het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium daartoe gemachtigd is inzake de gewestplannen, waarbij met name met de bestaande situatie rekening wordt gehouden. Voor het overige is het decreet minder gericht op de afbakening van de zones dan op de definitie van de begeleidingsmaatregelen waarin is voorzien voor de omwonenden, die bovendien, via het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 1bis, § 4, tweede lid, van de wet van 18 juli 1973, de beschermingsregeling kunnen genieten die overeenstemt met het werkelijke geluidsniveau wanneer dat verschilt van het niveau dat op theoretische wijze met behulp van informaticasoftware is vastgesteld. A.9.
  24. In haar memorie van wederantwoord voegt de Waalse Regering eraan toe dat de Raad van State de aan de Regering verleende machtiging niet heeft bekritiseerd (in een voetnoot heeft hij erop gewezen dat het ontwerp van decreet « aan de Regering de ruimste vrijheid overlaat »; mocht het om kritiek gaan, dan zou die in de hoofdtekst zijn opgenomen) en erop heeft gewezen dat de Regering de zones van het O.L.T. en van het P.B.G. moet (en niet « mag ») afbakenen. Bovendien wordt de geldigheid van het P.B.G. dagelijks nagegaan door middel van de geluidsmetingen die continu worden uitgevoerd door de zestien sonometers in elke zone van het O.L.T. en van het P.B.G. van de luchthaven van Luik. Die metingen worden verwerkt voor elke periode van 24 uur. In het kader van de tenuitvoerlegging van het gelijkheidsbeginsel maken onafhankelijke erkende instellingen ten slotte om de drie jaar overzichten op van metingen van de geluidsniveaus op de verschillende plaatsen; ook particulieren kunnen die laten uitvoeren. De Regering kan dus haar eigen criteria of budgettaire doelstellingen niet laten primeren. A.9.
  25. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de zones afbakenen door ze op onverantwoorde wijze te beperken, doordat artikel 1bis voortaan een onderscheid maakt tussen een « ontwikkelingsplan op lange termijn », berekend op basis van het streefjaar 2020, en een « plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder », berekend op basis van het streefjaar 2013, doordat artikel 1bis, § 3, de minimale geluidsdrempels van de zones B’, C’ en D’ van het nieuwe P.B.G. respectievelijk vaststelt op 66, 61 en 56 dB (A) Lden en doordat artikel 1bis, § 4, tweede lid, bepaalt dat de al dan niet bebouwde onroerende goederen die, hoewel zij geen deel uitmaken van de zones B’, C’ en D’, aan dezelfde geluidshinder zijn blootgesteld, worden geacht deel uit te maken van die zones. Het onderscheid tussen het O.L.T. en het P.B.G. is echter zelf verkeerd, daar geen rekening wordt gehouden met de reeds verzadigde luchtvaartslots, namelijk tussen 23.30 uur en 1.30 uur en tussen 3 uur en 5 uur ’s morgens. Het onderscheid tussen de streefjaren 2013 en 2020 zal dus niets veranderen aan de benutting van die slots, maar de vroegere zones zullen, met constante geluidsoverlast, kleiner worden en de achteruitgang met één decibel van de minimale geluidsdrempel van elke zone van het nieuwe P.B.G. wordt niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding. 8 De nieuwe geluidsindicator Lden, die een weging van 5 dB ‘s avonds invoert, compenseert die achteruitgang niet, vermits die geen gevolgen heeft voor de nachtvluchten. Bovendien brengt het decreet een andere wijziging in de vroegere reglementering aan, in zoverre het voortaan bepaalt dat de vliegtuigen de voor ’s nachts vastgestelde maximale geluidsdrempels moeten naleven vanaf 23 uur en niet langer vanaf 22 uur, wat betekent dat, vóór 23 uur in zone B’ bijvoorbeeld, de vliegtuigen nog slechts de drempel van 93 dB (A) Lmax zullen moeten naleven in plaats van die van 87 dB, dat is een verschil van 6 dB; bijgevolg wordt, enerzijds, een bestraffing van 5 dB toegekend, maar wordt, anderzijds, 6 dB afgetrokken, zodat tussen 22 uur en 23 uur de eventuele vooruitgang door de toepassing van de Lden-indicator ruimschoots wordt tenietgedaan. Het voordeel van de begeleidingsmaatregelen zal des te meer beperkt zijn, daar de zones van het nieuwe P.B.G. aanzienlijk kleiner zijn, wat leidt tot een discriminerende behandeling van omwonenden die soms het voordeel verliezen van de maatregelen die zij onder de vroegere wetgeving konden genieten, en omwonenden die dat voordeel kunnen blijven genieten; aldus wordt aan de omwonenden van zone B van het vroegere P.B.G. voortaan de mogelijkheid ontzegd hun woning te verkopen aan het Waalse Gewest, mogelijkheid die nochtans voortvloeide uit het arrest nr. 51/2003 van het Hof. Die betekenisvolle achteruitgang is in strijd met zowel artikel 23 van de Grondwet, als met het gezag van gewijsde dat aan dat arrest moet worden toegekend. Op dezelfde wijze kunnen de omwonenden van de vroegere zone D, thans zone D’, op geen enkele begeleidingsmaatregel meer aanspraak maken. A.9.
  26. De Waalse Regering vraagt zich, in verband met de « verkleining » van de zones, af ten opzichte van welke vroegere zones de zones van het huidige P.B.G. kleiner zijn. Het huidige P.B.G. zou immers niet kunnen worden vergeleken met het vroegere P.B.G., daar dat uitging van een verzadigde exploitatie van de Waalse luchthavens, terwijl de in de besluiten van de Waalse Regering van 27 mei 2004 afgebakende P.B.G.-zones onder meer steunen op de geluidsniveaus die binnen tien jaar zullen worden geregistreerd, afhankelijk van de ontwikkeling van die activiteit. De Waalse Regering geeft toe dat de luchthaven voor de door de verzoekende partijen bedoelde tijdvlakken bijna een verzadiging heeft bereikt, maar voert aan dat de grenzen van het P.B.G. nog niet samenvallen met die van het O.L.T., omdat het verzadigingsniveau voor de andere tijdvlakken van de dag en van de avond nog niet is bereikt. Ten aanzien van de « verhoging » van de drempels van het P.B.G. voert zij aan dat, in werkelijkheid, de Lden-indicator, die 24 uur in drie periodes indeelt (dag/avond/nacht), voorziet in een bestraffing van 5 dB (A) voor alle vluchten die worden geregistreerd tussen 19 uur en 23 uur en in een bestraffing van 10 dB (A) tussen 23 uur en 7 uur. Hij is dus voordeliger voor de omwonenden dan de Ldn-indicator, die uitsluitend tussen 22 uur en 7 uur voorzag in een bestraffing van 10 dB (A). Hij bestrafte dus niet de ’s avonds geregistreerde vluchten, vanaf 19 uur, waarop de omwonenden van de luchthaven in de verschillende door hen ingestelde beroepen nadrukkelijk hebben gewezen. De twee indicatoren Ldn en Lden liggen mathematisch gezien zeer dicht bij elkaar en het gebruik van de tweede maakt het in werkelijkheid mogelijk de gemiddelde geluidsdrempels te verfijnen door de dag in drie periodes in plaats van in twee in te delen. Die verfijning van de methode leidt tot een lichte verhoging van de verkregen gemiddelde geluidswaarden, wat de verhoging van de Lden-drempels met één decibel verantwoordt. Een geluidsniveau van 65 dB (A) uitgedrukt door middel van de Ldn-indicator stemt dus overeen met een geluidsniveau van ongeveer 66 dB (A) wanneer datzelfde geluidsniveau wordt uitgedrukt door middel van de Lden-indicator. Hieruit volgt dat, in werkelijkheid, de drempels van de P.B.G.-zones die vóór de aanneming van de bestreden handeling zijn vastgesteld, niet werden gewijzigd. Er is dus geen betekenisvolle achteruitgang. De overgang van 22 naar 23 uur vloeit voort uit de Europese reglementering en doet de eventuele vooruitgang door de aanneming van de Lden-indicator geenszins teniet, zoals de verzoekende partijen ten onrechte beweren : de indicatoren Lden en Ldn houden immers rekening met verschillende parameters die de geluidsbron en de wijze waarop die wordt waargenomen, kenmerken, namelijk : - het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de overvlucht van elk vliegtuig. Het betreft het criterium van de « geluidspiek »; - de duur van de overvlucht van elk vliegtuig; - de periode tijdens welke de vlucht wordt geregistreerd (dag/avond (weging van 5 dB) of nacht (weging van 10 dB)), teneinde rekening te houden met de grotere hinder die de overvlucht van een vliegtuig ’s avonds of ’s nachts veroorzaakt. 9 Om de waarde van de Lden-indicator te berekenen, moet dus met name het maximale geluidsniveau dat bij de overvlucht van het vliegtuig wordt geregistreerd, in aanmerking worden genomen. Het geluidsniveau uitgedrukt door middel van de Lden-indicator zal dus hoger liggen wanneer de vliegtuigen een geluidsniveau van 93 dB (A) Lmax voortbrengen, dan wanneer zij een geluidsniveau van 87 dB (A) Lmax voortbrengen. Dat element heeft bijgevolg een invloed op de afbakening van de zones. A.9.
  27. De Waalse Regering betwist ook dat de bestreden handeling zou leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal omwonenden dat op de begeleidingsmaatregelen aanspraak kan maken. De omwonenden in zone B van het vroegere P.B.G. (thans in zone C’ van het nieuwe P.B.G.) hebben nooit de mogelijkheid gehad hun goed aan het Waalse Gewest te verkopen : het arrest nr. 51/2003 heeft weliswaar geoordeeld dat een verschil in behandeling tussen de omwonenden van zone A en de omwonenden van zone B niet verantwoord was wat de begeleidingsmaatregelen betreft, maar het arrest bevat geen kritiek ten aanzien van de waarde verbonden aan de geluidsindicator die de twee zones afbakent, heeft aanvaard dat de isolatiewerken het in beide zones mogelijk maakten tegemoet te komen aan de doelstelling van volksgezondheid en heeft niet verklaard dat de omwonenden van zone B een afkoopmaatregel moesten kunnen genieten. De Waalse Regering voert ook aan dat de zones van het P.B.G. te groot waren en dat het geluidsniveau van 65 dB (A) Ldn in verschillende gebieden van zone B niet was bereikt. De wetgever heeft dus niet de werkelijk door de omwonenden geleden geluidshinder in aanmerking willen nemen, maar heeft het P.B.G. niet alleen op de bestaande activiteit van de luchthaven willen baseren maar ook, met toepassing van het voorzorgsbeginsel, op de voorziene of voorzienbare activiteit van de luchthaven op middellange termijn (10 jaar). Hij heeft dus geenszins de intentie gehad de zones A’ en B’ van het P.B.G. van de Waalse luchthavens « maximaal » te beperken, en de omwonenden in zone C’ van het nieuwe P.B.G. ondergaan dus zeker niet de geluidshinder van 65 tot 70 dB (A) Ldn beoogd in het arrest nr. 51/2003, waarvan het gezag van gewijsde dus wordt gerespecteerd. Het standstill-beginsel wordt eveneens in acht genomen, vermits de omwonenden in die zone nooit is voorgesteld hun woning aan het Waalse Gewest te verkopen. A.9.
  28. Wat de omwonenden van de andere zones betreft, betwist de Waalse Regering eveneens de door de verzoekende partijen bekritiseerde achteruitgang. Naast het feit dat de zones van het vroegere P.B.G. nooit door de Waalse Regering zijn afgebakend - en dus niet kan worden nagegaan wie zich waar bevond -, voert zij aan dat de omwonenden die thans of op middellange termijn een geluidsniveau van 56 dB (A) Lden (ongeveer 55 dB (A) Ldn) of meer ondergaan, nog steeds de begeleidingsmaatregelen genieten die ten behoeve van de omwonenden in de zones C’ en D’ van het P.B.G. zijn aangenomen. De omwonenden buiten zone D’ van het nieuwe P.B.G. (maar in zone D van het O.L.T.) zullen, bij een driejaarlijkse herziening van het P.B.G., aanspraak kunnen maken op de isolatiemaatregelen. Voor het ogenblik zijn zij onderworpen aan geluidsniveaus van minder dan 56 dB (A) Lden, wat volgens de beschikbare wetenschappelijke studies onder de drempel blijft van de negatieve gevolgen van geluidshinder door vliegtuigverkeer. Ten slotte onderstreept de Waalse Regering dat de wijziging van de wet van 1973 bij het bestreden decreet in Luik het aantal gebouwen dat kan worden aangekocht, heeft doen toenemen van 1.412 tot 2.434 (en tot 3.860 in de toekomst), en het voortaan mogelijk maakt 14.172 gebouwen te isoleren, dat is bijna 2.000 meer dan vroeger. Het betreft dus een vooruitgang voor de omwonenden. A.9.
  29. De verzoekende partijen antwoorden dat het te gemakkelijk is te beweren dat het nieuwe decreet tegemoet is gekomen aan de kritiek van het arrest van het Arbitragehof van 30 april 2003, door aan de omwonenden van de zones A’ en B’ een vergelijkbare regeling toe te kennen, wanneer die twee zones overeenstemmen met slechts twee derden van het aantal woningen dat vroeger onder de twee zones A en B van het vroegere P.B.G. vielen. Ten onrechte wordt dus beweerd dat het nieuwe P.B.G. niet met het vroegere zou kunnen worden vergeleken, onder het voorwendsel dat ze van twee verschillende termijnen uitgaan. Dat onderscheid mag niet worden gemaakt en strekt integendeel ertoe verwarring te scheppen in een debat dat totaal verschillend is. Zij geven toe dat het nieuwe criterium Lden voor de omwonenden gunstig zou moeten zijn, maar dat het aantal woningen dat de nieuwe maatregelen geniet, niet 2.434 zou moeten bedragen zoals de Waalse Regering beweert, maar 3.637, omdat, teneinde het arrest nr. 51/2003 in acht te nemen, rekening moest worden gehouden met de zones A en B zoals die in die tijd bestonden. Wanneer beide plannen op elkaar worden gelegd, leidt dat tot een verkleining van de zones : de tijdvlakken tijdens welke de gezondheid van de omwonenden wordt bedreigd, zijn reeds verzadigd, zodat, hoewel de nieuwe 10 regeling leidt tot een verlaging van het Lden-niveau en bijgevolg tot een verkleining van de zones, de geluidshinder ’s nachts voor hen onveranderd en, wat zone B betreft, ondraaglijk zal blijven. De bewering van de Waalse Regering dat de twee plannen met elkaar zullen overeenstemmen wanneer de verzadiging voor elk tijdvlak wordt bereikt, is onjuist, gelet op het verschil van één decibel tussen het P.B.G. en het O.L.T. De omwonenden die een geluidshinder gelijk aan de drempels van het O.L.T. ondergaan, zullen dus nooit de maatregelen kunnen eisen die met die van het P.B.G. overeenstemmen. Bovendien zullen de omwonenden die een identieke geluidshinder in eenzelfde zone van het O.L.T. ondergaan, niet dezelfde begeleidingsmaatregelen kunnen genieten wanneer zij zich in verschillende zones van het P.B.G. bevinden. A.9.
  30. Volgens de verzoekende partijen werd het verschil van één decibel verantwoord op basis van een studie van Bradley. Die is evenwel uitgevoerd in een zeer verschillende context (Canada) en dateert van
  31. Over het onderwerp is geen enkele aanvullende studie verricht, maar Bradley heeft zich, in een aanvullende studie die hij in april 2002 op verzoek van het Waalse Gewest heeft uitgevoerd (waarnaar in de parlementaire voorbereiding zelfs niet wordt verwezen), strenger getoond voor de definitie van de zones van de Waalse luchthavens en geluidsdrempels vastgesteld die twee decibel lager liggen dan die van de recentste studie waarnaar het Waalse Gewest verwijst. De verhoging met één decibel die voortvloeit uit het bestreden decreet en in strijd is met het voorzorgsbeginsel, is dus zeer discutabel en verbergt met moeite de wil van het Waalse Gewest om de aanzienlijke gevolgen van de verplichting de juridische regeling van zone A van het vroegere P.B.G. tot zone B van datzelfde plan uit te breiden, op budgettair vlak te compenseren. Het kleine verschil tussen de indicatoren Lden en Ldn waarvan de Waalse Regering gewag maakt, wordt eveneens door de wetenschappelijke wereld betwist. Het verschil kan variëren tussen 0,3 dB (A) en 1 dB (A) en zou het verschil van 2 decibel tussen wat vroeger gold en wat vandaag van kracht is, dan ook nooit kunnen compenseren. Meer fundamenteel begrijpen de verzoekende partijen niet dat het Waalse Gewest, door gebruik te maken van het geluidscriterium Lden, wil vooruitlopen op een Europese richtlijn die pas binnen enkele jaren zou moeten worden omgezet, terwijl het tegelijk met alle middelen zoekt om de vooruitgang te beperken die het gebruik van een dergelijk criterium met zich meebrengt. A.9.
  32. De verzoekende partijen betwisten ook dat het vervroegen met één uur van de periode die als « de nacht » moet worden beschouwd, voortvloeit uit richtlijn 2002/49/EG, vermits de lidstaten daarin ertoe worden aangemoedigd gebruik te maken van het criterium Lnight, dat te dezen geschikter zou zijn. Evenzo begrijpen zij de tegenpartij niet wanneer die erop lijkt te wijzen dat het in het belang van de omwonenden zou zijn een hoger aantal Lmax te hebben - namelijk 93 dB (A) in plaats van 87 dB (A) tussen 22 uur en 23 uur -, vermits de Lmax-factor zou worden opgenomen in de berekening van de Lden en het Lden-niveau zou toenemen naarmate die factor hoger is. Die absurde redenering zou erop neerkomen dat de omwonenden geen enkel belang erbij hebben dat aan de vliegtuigen beperkingen worden opgelegd, want dat zou het mogelijk maken de afbakening van de zones, uitgedrukt in Lden, uit te breiden. A.9.
  33. De verzoekende partijen voeren aan dat 1.203 woningen op een totaal van 3.637 huizen zijn verdwenen uit zones waar die onmiddellijk hadden moeten worden aangekocht. De bestreden maatregelen zijn des te minder verantwoord, daar zij het gezag van het arrest nr. 51/2003 schenden, arrest dat weliswaar aanvaardde dat de woningen van zone B het voorwerp van isolatiemaatregelen konden uitmaken, maar tegen de prijs dat deuren en vensters dicht moesten blijven. Sinds het Hof dat arrest heeft gewezen, is de geluidshinder echter alleen nog toegenomen. De achteruitgang die deze maatregelen vormen, is vastgesteld door de Raad van State en aan bod gekomen tijdens de parlementaire voorbereiding. Die maatregelen schenden het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het standstill-beginsel. A.9.
  34. De Waalse Regering repliceert dat alleen vergelijkbare zaken met elkaar kunnen worden vergeleken, namelijk de grenzen van het vroegere P.B.G. en die van het O.L.T. Zij begrijpt het argument van de verzadiging niet, vermits het P.B.G., voor de in het geding zijnde tijdvlakken ’s nachts, rekening houdt met de thans geregistreerde geluidsniveaus, maar ook met de geluidsniveaus die zullen worden geregistreerd wanneer de luchthavenactiviteit zich binnen 10 jaar verder zal hebben ontwikkeld; talrijke omwonenden bevinden zich dus in een zone zonder thans te zijn onderworpen aan de daaraan verbonden geluidsniveaus. De bewering dat omwonenden die in twee verschillende zones van het P.B.G. zijn gesitueerd (en die verschillende begeleidingsmaatregelen genieten), doch in dezelfde zone van het O.L.T. (onderworpen aan dezelfde geluidsniveaus), zouden worden gediscrimineerd, is volgens haar onjuist, aangezien de geluidshinder van het vliegtuig afneemt naarmate het de zone overvliegt, en die verzoekende partijen bijgevolg niet aan dezelfde geluidsniveaus zijn onderworpen, niet vandaag, niet op middellange termijn, ongeacht of die in Lden of in Lmax worden uitgedrukt; hetzelfde geldt voor de analoge vergelijkingen die de omwonenden maken. Zij betwist ook 11 dat professor Bradley in zijn studie van 2002 de resultaten van zijn studie van 1996 ter discussie heeft gesteld, vermits hij daarin beweert dat er geen enkele reden is om die te herzien; hij onderstreept integendeel de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna : W.G.O.) voor de externe drempel (Ldn van 66-71 dB (A), dat is 67-72 dB (A) Lden), terwijl de Regering heeft aangetoond dat de 55, 60 en 65 dB (A) Ldn wel degelijk overeenstemmen met de niveaus 56, 61 en 66 dB (A) Lden. De Waalse wetgever heeft niet verwezen naar de studie van 2002, omdat de omwonenden die onophoudelijk hadden betwist en ze als een door welwillendheid ingegeven studie hadden beschouwd. Er dient niet te worden beschouwd dat de indicatoren Ldn en Lden gelijkwaardig zijn, maar het « Centre d’ingénierie acoustique » van de « Université de Liège » (hierna : « CEDIA ») heeft gesteld dat ze « wiskundig gezien dicht bij elkaar liggen », wat niet hetzelfde is; de wetgever heeft de bij artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 vastgestelde geluidsdrempels behouden, zodat er geen achteruitgang is. De Waalse Regering is ook van mening dat de indicator Lnight, die door de verzoekende partijen wordt geprezen, niet pertinent is, enerzijds, omdat de luchthaven van Bierset een luchthaven is met een dagactiviteit (45 %) en een nachtactiviteit (55 %), waarvoor de Lden-indicator volkomen geschikt is, en, anderzijds, omdat die indicator, in tegenstelling tot de Lnight-indicator, rekening houdt met een bestraffing van 10 decibel voor elke geregistreerde vlucht; dat maakt het mogelijk dat de zones van het P.B.G. groter zijn dan wanneer zij op basis van de Lnight-indicator zouden zijn afgebakend. Zij betwist ten slotte dat aan de omwonenden van zone B van het vroegere P.B.G. op grond van het arrest nr. 51/2003 een automatisch recht op de aankoop van hun woning door het Waalse Gewest moet worden toegekend. Dat arrest stelt immers vast dat geen enkel van de door deskundigen opgestelde rapporten zou toelaten te besluiten dat de omwonenden van de luchthaven Luik-Bierset in hun woning zouden kunnen leven zonder dat hun privé-leven op buitensporige wijze zou worden aangetast, « wanneer zij worden blootgesteld aan geluidshinder die tussen 60 en 70 dB (A) bedraagt » (punt B.8.7 van het arrest). Doordat rekening is gehouden met de hypothese van een verzadigde exploitatie van de Waalse luchthavens, binnen 20 jaar, was het geluidsniveau van 65 dB (A) Ldn echter niet bereikt op talrijke plaatsen van zone B van het P.B.G. Het Hof heeft met dat element geen rekening gehouden en moest daarmee geen rekening houden, in zoverre de wetgeving bedoeld was om op lange termijn te worden toegepast en, wanneer de exploitatie van de Waalse luchthavens daadwerkelijk verzadigd zou zijn, de in zone B van het « vroegere » P.B.G. geregistreerde geluidsniveaus uiteindelijk zouden overeenstemmen met de geluidsniveaus voor de afbakening van de zone. De omwonenden binnen zone C’ van het P.B.G., die bij het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2004 is afgebakend, zijn thans onderworpen aan geluidsniveaus, uitgedrukt door middel van de Lden-indicator, die lager zijn dan 65 dB (A) Lden. Dat zal voor hen ook het geval zijn op middellange termijn. Mochten de geluidsniveaus toenemen door een stijging van de activiteit op de luchthaven, dan zouden de omwonenden in zone C’ van het P.B.G. en in zone B van het O.L.T. na een driejaarlijkse herziening kunnen worden opgenomen in zone B’ en zou hen kunnen worden voorgesteld hun gebouw aan het Waalse Gewest te verkopen. Ten aanzien van het vierde middel in de zaak nr. 3188 A.10.
  35. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet van 18 juli 1973 de drempels, berekend in Lden, vaststelt op 56 dB, 61 dB, 66 dB en 70 dB, respectievelijk voor de zones D’, C’, B’ en A’ van het P.B.G. A.10.
  36. Vóór die wijziging waren de zones van het P.B.G. bepaald op basis van drempels uitgedrukt in Ldn en respectievelijk vastgesteld op 55 dB, 60 dB, 65 dB en 70 dB voor de zones D, C, B en A; die drempels, uitgedrukt in Lden, zijn overgenomen door het O.L.T. De voor het P.B.G. gekozen hoogste drempel leidt ertoe dat die zones verkleinen, terwijl de voor het O.L.T. gekozen laagste drempel tot gevolg heeft die uit te breiden. De verandering van geluidsindicator is verantwoord door het feit dat de Lden-indicator wordt gebruikt in richtlijn 2002/49/EG en dat die voor de omwonenden voordeliger is; de verandering van geluidsdrempels is verantwoord aan de hand van wetenschappelijke studies. De verhoging van de P.B.G.-drempels heeft echter tot gevolg dat het aantal woningen in de nieuwe zone B’ aanzienlijk is afgenomen ten opzichte van de vroegere zone B (idem voor de zones C’ en C). Het verlies van de voordeligste maatregelen voor de betrokken omwonenden kan niet worden aanvaard, enerzijds, omdat de overgang van de ene geluidsindicator naar een andere (die daar zeer dicht bij ligt) de verandering van de geluidsdrempels niet verantwoordt en, anderzijds, omdat wetenschappelijke referenties de vermindering van de bescherming die aan de omwonenden moet worden geboden, niet verantwoorden : de wet moet haar grondslag elders vinden en niet in het feit dat het wetenschappelijk bewezen zou zijn dat de omwonenden meer geluidshinder zouden kunnen verdragen. Zo niet schendt zij de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in het bijzonder omdat zij een achteruitgang ten opzichte van de vroegere wetgeving inhoudt. 12 A.10.
  37. De Waalse Regering antwoordt dat de Lden-indicator voordeliger is voor de omwonenden, vermits hij de avondvluchten vanaf 19 uur bestraft, terwijl de Ldn-indicator dat pas vanaf 22 uur deed. De wetenschappelijke studies tonen aan dat het niveauverschil tussen beide indicatoren hoogstens ongeveer een decibel bedraagt en dat zij dus wiskundig gezien zeer dicht bij elkaar liggen. De overgang van de ene naar de andere, om het mogelijk te maken de geluidsdrempels te verfijnen door de dag in drie periodes in te delen, leidt aldus tot een lichte stijging van de verkregen gemiddelde geluidswaarden, wat de verhoging van de Lden-drempels met één decibel verantwoordt, maar niet leidt tot een verminderde bescherming van de omwonenden. De Waalse Regering wijst ook erop, zoals zij dat elders reeds heeft gedaan, dat voortaan meer omwonenden dan vroeger de begeleidingsmaatregelen genieten; zij betwist dus dat het bestreden decreet ertoe strekt het aantal omwonenden te beperken dat de voordeligste maatregelen kan genieten. A.10.
  38. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij nooit hebben beweerd dat de Ldn-indicator een slechte geluidsindicator was, maar dat de Europese richtlijn 2002/49/EG, die voortaan op ongepaste wijze door de tegenpartij wordt aangevoerd, niet alleen de Lden (die met de Ldn vergelijkbaar is) oplegde, maar tevens de Lnight, namelijk een gemiddelde geluidsindicator die uitsluitend op basis van nachtlawaai is berekend. Dat argument heeft het Arbitragehof in zijn arrest nr. 51/2003 echter verworpen, overwegende dat de geluidsindicator Ldn op zich voldoende rekening hield met nachtlawaai. Daarnaast zijn zij van mening dat de Waalse Regering de intelligentie beledigt van de adressaten van haar procedurehandelingen door te beweren dat kleinere zones van het P.B.G. neerkomen op meer geïsoleerde of gekochte huizen. Het blijkt immers dat, volgens de vroegere afbakening van de zones, 3.637 gebouwen gelegen waren in de zones A en B van het P.B.G. Voortaan bevatten, volgens het nieuwe decreet, de zones A’ en B’ van het P.B.G. nog slechts 2.234 gebouwen. Bovendien neemt het Waalse Gewest, in zijn berekening, tweemaal de woningen op die zowel in zone B van het O.L.T. en in zone B’ van het P.B.G. zijn gesitueerd, die ofwel zullen worden gekocht, ofwel geïsoleerd, maar hoogstwaarschijnlijk niet beide. Om te verklaren dat voortaan 14.172 gebouwen zullen kunnen worden geïsoleerd, maakt het Waalse Gewest ten slotte gebruik van de afbakeningen van het O.L.T. Aangezien het O.L.T. volgens het decreet niet dient om de begeleidingsmaatregelen vast te stellen, had de berekening in kwestie op basis van het P.B.G. moeten gebeuren. Het vroegere P.B.G. omvatte in werkelijkheid 13.527 huizen (volgens het financieel plan van de « Société wallonne des aéroports » (hierna : « SOWAER ») van 20 maart 2003), terwijl het nieuwe P.B.G. nog slechts 11.120 huizen zal omvatten. Zij wijzen erop dat de verantwoording voor het verschil van één decibel steunt op een bewering die in geen enkel opzicht wetenschappelijk onderbouwd is. De Waalse wetgever heeft zijn analyse van de geluidshinder bevestigd en daaruit besloten dat die in werkelijkheid ongeveer een decibel hoger lag dan wat hij voordien had berekend. Rekening houdend met de aldus begane vergissing beslist het Waalse Gewest de drempels van de verschillende zones te verhogen en dus de omvang van de zones te verkleinen en het niveau van de bescherming van de omwonenden te verminderen. De maatregel is niet verantwoord. A.10.
  39. De Waalse Regering repliceert dat de indicator Lnight volkomen gepast is voor luchthavens met een activiteit die hoofdzakelijk ’s nachts plaatsheeft (wat niet het geval is in Bierset, waar de nachtvluchten 55 % uitmaken) en niet voordelig zou zijn voor de omwonenden, daar hij, door geen rekening te houden met een bestraffing van 10 decibel voor elke geregistreerde vlucht, noch met de tijdens de dag geregistreerde bewegingen, ertoe zou leiden dat de zones van het P.B.G. noodzakelijkerwijs kleiner zouden zijn. Zij geeft toe dat de door de verzoekende partijen genoemde cijfers in verband met het aantal gekochte en geïsoleerde woningen juist zijn, maar merkt op dat die uitgaan van een onjuiste vergelijking : aangezien het vroegere P.B.G. alleen rekening hield met de hypothese van de verzadigde exploitatie van de Waalse luchthavens, betrof het immers vanzelfsprekend een groter aantal woningen dan het huidige plan, dat steunt op de huidige geluidsniveaus en op die welke binnen 10 jaar zullen worden geregistreerd. De Waalse Regering herhaalt dat het aantal woningen dat kan worden gekocht, toeneemt van 1.230 tot 2.434, en later tot 3.680, en dat op lange termijn in totaal 1.875 extra woningen het voorwerp zullen kunnen uitmaken van begeleidingsmaatregelen. Er is dus geen enkele achteruitgang. Wat de keuze van de geluidsniveaus betreft, wijst de Waalse Regering erop dat de wetgever niet heeft getracht een vergissing te herstellen, maar niveaus te behouden die gelijk zijn aan die welke bepaald zijn bij artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet. CEDIA oordeelt dat de indicatoren Ldn en Lden « gelijkwaardig zijn » en de technische raad van het Waalse Gewest meent dat zij « dicht bij elkaar liggen ». 13 Ten aanzien van het vijfde middel in de zaak nr. 3188 A.11.
  40. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1bis, § 3, van de wet van 18 juli 1973 bepaalt dat het P.B.G. « overeenstemt met de over tien jaar geplande ontwikkeling van de luchthavens », zonder echter rekening te houden met de huidige geluidshinder van de luchthaven. A.11.
  41. Het voorziene informaticamodel - waarvan de parameters aan het oordeel van de Waalse Regering worden overgelaten - zou vanzelfsprekend geen rekening kunnen houden met de vliegtuigen die binnen tien jaar in werkelijkheid zullen worden gebruikt, noch met het tegen dan werkelijk geworden theoretisch aantal vluchten. De driejaarlijkse herziening van het P.B.G. vertoont, in tegenstelling tot wat de Waalse Regering tracht te doen geloven, hetzelfde theoretische kenmerk. De herziening van het P.B.G. in 2006 zal, bijvoorbeeld, overeenkomstig de tekst van het decreet, uitgaan van de omvang van de geluidshinder in
  42. Het staat vanzelfsprekend aan de wetgever om zich vooruitziend op te stellen, maar hij mag de huidige geluidshinder niet over het hoofd zien, noch beweren dat die kleiner is dan wat die binnen tien jaar zal zijn. Door die niet op concrete wijze in aanmerking te nemen, is het decreet niet in overeenstemming met de doelstellingen van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. A.11.
  43. De Waalse Regering voert aan dat, zoals in de parlementaire voorbereiding van het decreet wordt aangegeven, het P.B.G. zowel steunt op de gegevens met betrekking tot de huidige exploitatie van de luchthaven (aantal bewegingen, samenstelling van de vloot) als op die met betrekking tot de over tien jaar geplande ontwikkeling ervan. A.11.
  44. De verzoekende partijen zijn van mening dat de parlementaire voorbereiding van het decreet niet kan primeren op de inhoud van artikel 1bis, § 3, dat bepaalt dat het P.B.G. overeenstemt met de over tien jaar geplande ontwikkeling van de luchthavens en dus in geen enkel opzicht voorziet in de inaanmerkingneming van de werkelijke en huidige geluidshinder. De driejaarlijkse herziening zal volgens dezelfde theoretische voorwaarden gebeuren. A.11.
  45. De Waalse Regering repliceert dat de parlementaire voorbereiding van een norm het mogelijk maakt de wil van de wetgever te bepalen. De geluidsniveaus maken hoe dan ook het voorwerp uit van overzichten, die ofwel worden gemaakt met behulp van zestien sonometers die voor elke periode van 24 uur het geluidsniveau weergeven, ofwel, in het kader van de tenuitvoerlegging van het gelijkheidsbeginsel, op driejaarlijkse basis door erkende instellingen worden opgemaakt. Indien de Waalse Regering in het kader van de afbakening van de zones van het P.B.G. geen rekening zou houden met de bestaande geluidsniveaus die worden voortgebracht door de activiteit van de Waalse luchthavens, zouden de door de Waalse Regering in haar besluit van 27 mei 2004 vastgestelde afbakeningen bijgevolg niet overeenstemmen met de sonometrische metingen die elke dag worden gedaan door het netwerk van vaste sonometers waarmee SOWAER belast is, noch met de geluidsoverzichten die in het kader van de tenuitvoerlegging van het gelijkheidsbeginsel worden opgemaakt; zulks is evenwel niet het geval. Ten aanzien van het zevende middel in de zaak nr. 3188 A.12.
  46. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1bis, § 3, van de wet van 18 juli 1973 bepaalt dat de zones van het P.B.G., opnieuw afgebakend naar aanleiding van een driejaarlijkse herziening ervan, de in het ontwikkelingsplan op lange termijn vastgestelde grenzen niet mogen overschrijden. A.12.
  47. Dat verbod, dat in de parlementaire voorbereiding niet wordt verantwoord, houdt geen rekening ermee dat de voorspellingen van het O.L.T. zouden kunnen worden overschreden, ook al voorziet dat laatste in zones met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder die overeenstemmen met de maximale ontwikkelingsgrenzen van de luchthavens en liggen die maxima inderdaad hoog. Er dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat de gemiddelde geluidsindicator niet alleen door het aantal geluidsfeiten, maar tevens door de intensiviteit ervan, zoals het opstijgen van een jumbojet, opwaarts wordt beïnvloed. Het aantal keren dat dergelijke vliegtuigen opstijgen en landen is immers onvoorspelbaar en de voorspellingen van de Waalse Regering zijn zeer optimistisch; de verschillende zones van het P.B.G. zouden opwaarts kunnen worden beïnvloed, ook al bereikt het totale aantal bewegingen nooit het in het plan bepaalde aantal. Door geen rekening ermee te houden dat het P.B.G. het O.L.T. bijgevolg zou kunnen overschrijden, schendt de bestreden bepaling (die een verbod inhoudt waarvan de bestaansreden overigens niet wordt ingezien, indien het werkelijk materieel 14 onmogelijk is dat het P.B.G. het O.L.T. overschrijdt) de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, die een concrete bescherming van de aan de omwonenden erkende rechten oplegt. A.12.
  48. De Waalse Regering voert aan dat het O.L.T. een beperking vormt voor de ontwikkeling van de Waalse luchthavens en, zoals de Raad van State in zijn advies erop wijst, een beperking op het vlak van ontwikkeling waaraan de exploitatiemaatschappijen zich zullen moeten houden (krachtens de overeenkomsten die zij met het Waalse Gewest zullen sluiten) en waaraan zij de nieuwe activiteiten zullen moeten toetsen alvorens nieuwe handelsovereenkomsten te sluiten, teneinde na te gaan of het P.B.G. binnen de perken van het O.L.T. kan blijven. Zo niet zullen die nieuwe activiteiten niet worden toegestaan. Hoewel het juist is dat de samenstelling van de vloten theoretisch is en niet bindend is voor de beherende vennootschappen, zijn deze laatste echter gebonden door de in het O.L.T. bepaalde geluidsniveaus. Het bestreden decreet vormt geenszins een achteruitgang ten opzichte van de vroegere reglementering, aangezien het vroegere decreet niet voorzag in de afbakening van twee plannen die rekening houden met de bestaande geluidshinder, de geluidshinder binnen tien jaar en een verzadigde exploitatie van de luchthaven, noch in de mogelijkheid van een driejaarlijkse herziening, met niet te verwaarlozen positieve gevolgen voor de begeleidingsmaatregelen die de omwonenden kunnen genieten. Daarnaast heeft de Waalse Regering vragen bij de vermeende schending van artikel 11 van de Grondwet. Het in het geding zijnde herzieningsmechanisme komt integendeel tegemoet aan die bepaling, vermits het rekening houdt met de geluidshinder die de omwonenden concreet ondergaan. A.12.
  49. De verzoekende partijen stellen vast dat de Waalse Regering niet meer ontkent dat de vloot die in 2020 zal bestaan, lawaaieriger zou kunnen zijn dan de door het decreet in aanmerking genomen theoretische vloot. Zij voeren aan dat, volgens de tekst van het bestreden decreet en de parlementaire voorbereiding, het O.L.T. dus wel degelijk verondersteld is de verzadigde exploitatie van de luchthaven weer te geven en geenszins wordt beschouwd als een beperking van de ontwikkeling van de luchthaven. De tekst van het decreet bevat overigens geen enkel verbod ten aanzien van de Société de gestion de l’aéroport de Bierset, Brussels South Charleroi Airport of de Waalse Regering om het luchtvaartverkeer zich vrij te laten ontwikkelen en bevat geen enkele bepaling volgens welke de vennootschappen die de luchthaven beheren, vóór het sluiten van een handelsovereenkomst, moeten nagaan of de geluidshinder binnen de perken van het O.L.T. zal blijven. Uit het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 29 juni 2004 blijkt zelfs dat de aanpassingen van de luchthaven om nieuwe activiteiten te verwelkomen, geen milieueffectrapport vereisen. Geen enkele milieuvergunning is overigens nodig om de baan van de luchthaven te gebruiken. Aangezien er geen enkele verplichting bestaat om de gevolgen van een nieuwe activiteit voor de luchthaven te evalueren, houdt het argument van de Waalse Regering helemaal geen steek. A.12.
  50. De Waalse Regering repliceert dat uit artikel 1bis, § 3, van de wet van 18 juli 1973 voortvloeit dat het O.L.T. voor de ontwikkeling van de gewestelijke luchthavens een beperking vormt, waarbij de grenzen van het P.B.G. zich binnen die van het O.L.T. moeten situeren. Het omgekeerde kan niet worden beweerd, zonder zowel de tekst van het decreet als de parlementaire voorbereiding ervan tegen te spreken. Ten aanzien van het derde middel (tweede onderdeel) in de zaak nr. 3183 en ten aanzien van het zesde middel in de zaak nr. 3188 A.13.
  51. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3183 bekritiseren een achteruitgang en een discriminatie ten aanzien van de omwonenden van zone D’, in zoverre artikel 1bis, § 6, het optreden van het Waalse Gewest voortaan beperkt tot de betaling van een forfaitair bedrag van 7.400 euro voor de gebouwen gelegen in zone C van het O.L.T. en van 3.718 euro voor die in zone D van het voormelde O.L.T., waardoor de inachtneming van de W.G.O.-normen niet meer wordt gewaarborgd; dat is niet langer de doelstelling van de wetgever en het forfait zal het niet meer mogelijk maken de gebouwen voldoende te isoleren om dat doel te bereiken. Die beperking is bovendien discriminerend, daar geen enkel redelijk verantwoord motief verklaart waarom dat systeem van forfaitaire bedragen aan die omwonenden wordt toegekend, terwijl de omwonenden in de andere zones van het nieuwe P.B.G. een volledige vergoeding van hun isolatiewerken kunnen genieten en hun in elk geval de inachtneming van de W.G.O.-normen wordt gewaarborgd. A.13.
  52. In de zaak nr. 3188 is het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1bis, § 6, van de wet van 18 juli 1973 elke resultaatsverbintenis ten aanzien van de isolatie van de woningen in zone D’ opheft. Die resultaatsverbintenis had, vóór de aanneming van het bestreden 15 decreet, betrekking op de vermindering van de geluidsniveaus in de geïsoleerde ruimten, ook in zone D van het P.B.G. (voortaan zone D’). Het betreft een betekenisvolle achteruitgang ten opzichte van het evenwicht dat in het arrest nr. 51/2003 was vastgesteld. A.13.
  53. Ten aanzien van de zaak nr. 3183 voert de Waalse Regering aan dat de geluidshinder afneemt naarmate de afstand met de luchthaven groter wordt en dat, gelet op de natuurlijke isolatie van de woningen, de in zone D’ van het P.B.G. vereiste isolatiewerken vrij gering zijn en zich in de meeste gevallen beperken tot het vervangen van bestaande ramen en vensters. In zone C van het O.L.T. bedraagt het toegestane maximale geluidsniveau buiten, bij het overvliegen van een vliegtuig, 82 dB (A) Lmax tussen 23 uur en 7 uur en 88 dB (A) Lmax tussen 7 en 23 uur. In zone D van het O.L.T. bedragen de toegestane maximale geluidsniveaus 77 dB (A) Lmax tussen 23 en 7 uur en 83 dB (A) Lmax tussen 7 en 23 uur. Teneinde een maximaal geluidsniveau van 45 dB (A) Lmax « op het oorkussen » en van 55 dB (A) Lmax in de dagvertrekken te verkrijgen, moet de index van geluidsvermindering bijgevolg minstens 37 dB (A) in de nachtruimten en 33 dB (A) in de dagvertrekken van de woningen in zone D’ van het P.B.G. en in zone C van het O.L.T. bedragen. Voor de woningen van zone D’ in zone D van het O.L.T. moet die index van geluidsvermindering minstens 32 dB (A) in de slaapkamers en 28 dB (A) binnen de dagvertrekken bedragen. Gelet op het feit dat de natuurlijke geluidsisolatie van een woning ongeveer gemiddeld 26 tot 28 decibel bedraagt, moeten de isolatiewerken een zeer geringe verbetering van de geluidsvermindering waarborgen, namelijk, in zone C, van 9 tot 11 decibel in de nachtruimten en van 5 tot 7 decibel in de dagvertrekken, en, in zone D, van 4 tot 6 decibel in de slaapkamers en van 0 tot 2 decibel in de dagvertrekken. Bepaalde typen van geluiddempend glas leiden tot een vermindering van 40 decibel of meer, zodat de Waalse wetgever heeft beslist om aan de omwonenden van zone D’ niet de elders opgelegde isolatiemaatregelen op te leggen, maar hun een forfaitair bedrag toe te kennen voor de uitvoering van de werken bedoeld in artikel 1bis, § 3, derde lid, van de wet van 18 juli
  54. Het doel met betrekking tot de inachtneming van de W.G.O.-richtlijnen is hetzelfde als dat van die wet, vóór de wijziging ervan bij het bestreden decreet, zodat artikel 23 van de Grondwet niet is geschonden. Dat decreet voert geen discriminatie in, vermits het doel voor alle omwonenden hetzelfde is en de maatregelen die van zone tot zone verschillen, op een objectief en redelijk verantwoord criterium berusten, namelijk het geluidsniveau. A.13.
  55. In de zaak nr. 3188 voegt de Waalse Regering eraan toe dat de woningen in zone D’ van het P.B.G. en in zone C van het O.L.T. zijn onderworpen aan hogere geluidsniveaus dan die in zone D’ van het P.B.G. en in zone D van het O.L.T. Dat gegeven verantwoordt de toekenning van een grotere bijstand voor de isolatie ten behoeve van de eerstgenoemden. Zij verwondert zich overigens over het argument volgens hetwelk het bestreden decreet het in het arrest nr. 51/2003 vastgestelde evenwicht in de wetgeving zou schenden. In dat arrest is weliswaar beslist dat een verschil in behandeling bij de toepassing van de begeleidingsmaatregelen voor de zones A en B discriminerend was, maar is de keuze van het geluidscriterium Lden niet bekritiseerd, is aanvaard dat de isolatiewerken toelieten om, voor die zones, de door de W.G.O. nagestreefde doelstelling van volksgezondheid te bereiken, en zijn bijgevolg de bepalingen niet afgekeurd die werden bestreden op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.13.
  56. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3188 zijn van mening dat het antwoord van de Waalse Regering niet uitlegt waarom de resultaatsverbintenis ten aanzien van de geluidsisolatie van de gebouwen in zone D’ is verdwenen, terwijl tegelijk wordt beweerd dat het slechts om geringe werken zou gaan. A.13.
  57. De Waalse Regering repliceert dat de forfaitaire bijdrage gepaster is dan het opleggen van isolatiewerken aan de omwonenden. De geluidshinder van de vliegtuigen vermindert immers naarmate de afstand met de luchthaven groter wordt. Het plaatsen van geluiddempend glas heeft het op zich mogelijk gemaakt de geluidsniveaus voor de woningen in zone C van het O.L.T. en zone C’ van het P.B.G. in acht te nemen en het moet a fortiori mogelijk zijn dat resultaat te bereiken voor de omwonenden van zone D’. Ten aanzien van het derde middel (derde onderdeel) in de zaak nr. 3183 A.14.
  58. In een derde onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de afschaffing van de begeleidingsmaatregelen voor de omwonenden in zone D van het O.L.T., maar buiten zone D’ van het P.B.G. Zij voeren aan dat dit recht in de vroegere regeling bestond en dat de bestaande regeling hun alleen de mogelijkheid biedt om te wachten totdat zij naar aanleiding van de driejaarlijkse wijzigingen van het nieuwe P.B.G. in zone D’ 16 kunnen worden opgenomen, teneinde het forfaitaire bedrag van 3.718 euro te genieten. Een dergelijke regeling is echter willekeurig en beschermt die omwonenden niet op gepaste wijze tegen de geluidsoverlast die zij nu reeds moeten ondergaan. A.14.
  59. De Waalse Regering geeft toe dat de betrokken omwonenden in de onmiddellijke toekomst inderdaad geen begeleidingsmaatregelen kunnen genieten : aangezien zij worden onderworpen aan een geluidsniveau van minder dan 56 dB (A) Lden, staat het volgens de wetenschappelijke studies niet vast dat de geluidshinder van het luchtvaartverkeer voor hen nadelige gevolgen heeft. Indien naar aanleiding van een driejaarlijkse herziening zou blijken dat die situatie is gewijzigd, zouden zij die maatregelen genieten. De Waalse Regering herinnert overigens eraan dat het gelijkheidsbeginsel het thans voor iedereen die objectief gezien aan een zeker geluidsniveau wordt blootgesteld, met inbegrip van de omwonenden buiten zone D’, mogelijk maakt de regeling te genieten die voorziet in de bescherming die met dat geluidsniveau overeenstemt, en voegt eraan toe dat zone D van het vroegere P.B.G. door de Regering nooit grafisch is afgebakend, zodat niet kan worden beweerd dat de betrokken omwonenden in die zone waren gesitueerd, noch bijgevolg dat de bestaande situatie voor hen een betekenisvolle achteruitgang inhoudt. Ten aanzien van het derde middel in de zaak nr. 3188 A.15.
  60. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre artikel 1, § 7, van de wet van 18 juli 1973 gebruik maakt van de zones van het O.L.T. voor het bepalen van de op de grond voortgebrachte maximale geluidsdrempels, uitgedrukt in Lmax, die door de luchtvaartuigen die tussen 23 uur en 7 uur en 7 uur en 23 uur gebruik maken van de luchthavens van het Waalse Gewest, niet mogen worden overschreden. A.15.
  61. Terwijl het P.B.G. (zones A’, B’, C’ en D’) nog steeds in aanmerking wordt genomen om de begeleidingsmaatregelen voor de omwonenden van de luchthaven te bepalen (artikel 1bis, § 4, eerste lid, 1°, 2° en 3°), is het voortaan het O.L.T. (zones A, B, C en D) dat in aanmerking wordt genomen om de maatregelen vast te stellen die ertoe strekken de verstedelijking rond de luchthaven af te tekenen (idem, 4° en 5°), wat niet kan worden bekritiseerd. Maar voortaan is het ook het O.L.T. dat, op grond van artikel 1bis, § 7, wordt gebruikt voor het bepalen van de zones waarin de verschillende maximale geluidsdrempels van toepassing zijn. Bijgevolg, hoewel de omwonenden belang erbij hebben zich te bevinden in zone A’ of in zone B’ van het P.B.G., omdat hun woning door het Gewest kan worden gekocht, of in het andere geval in zone C’, omdat het volledig op kosten van het Waalse Gewest wordt geïsoleerd, hebben zij daarentegen belang erbij zich zo ver mogelijk in het O.L.T. te bevinden. Dat plan definieert immers, op afnemende wijze, de maximale geluidsdrempels die op een gegeven plaats kunnen worden bereikt. Een bewoner in zone D van het O.L.T. wordt aldus gewaarborgd dat hij geen hogere geluidsdrempel zal ondergaan dan 77 dB (A) LAmax (met evenwel tien overschrijdingen), terwijl een bewoner van zone B een geluidshinder zal ondergaan tot 87 dB (A) LAmax of meer. A.15.
  62. Wat verantwoord is om de verstedelijking af te tekenen, is dat volgens de verzoekende partijen echter niet om de maximale geluidsdrempels te bepalen, zoals het O.L.T. dat doet, dat veel ruimer is dan het P.B.G. Die koppeling van de geluidsdrempels aan het O.L.T., in plaats van aan het P.B.G., zoals vroeger, is niet verantwoord en is onopgemerkt gebeurd, terwijl het O.L.T., dat zeker niet alleen gevolgen voor de verstedelijking heeft, ook een invloed zal hebben op de toepassing van de administratieve sancties wanneer de drempels worden overschreden. Het O.L.T., dat veel groter is dan het P.B.G., is immers berekend volgens een maximaal gebruik van de luchthaven, waarbij de geluidsdrempels lager liggen dan die van het P.B.G. (55 dB, 60 dB en 65 dB, die respectievelijk van toepassing zijn op de zones D, C en B, in plaats van die van 56 dB, 61 dB en 66 dB die op de zones D’, C’ en B’ van toepassing zijn). Hieruit volgt dat het bestreden decreet de kans op geluidspieken maximaliseert, waarbij evenwel de zones waarin de maatregelen gelden die ten behoeve van de omwonenden zijn genomen, worden geminimaliseerd, zodat de omwonenden in de verschillende zones van het P.B.G. (die verschillende begeleidingsmaatregelen genieten) aan gelijke maximale geluidsdrempels kunnen worden onderworpen. De wetgever verantwoordt echter niet waarom de maximale geluidspieken kunnen worden vastgesteld op basis van toekomstige zones, terwijl de maatregelen ten behoeve van de omwonenden zijn beperkt door een meer actuele, met andere woorden, kleinere zone. In zoverre de isolatie en de aankoop van de woningen tot doel hebben de omwonenden te beschermen tegen de geluidspieken wanneer vliegtuigen overvliegen, zijn die verschillen in behandeling discriminerend (schending van de artikelen 10 en 11). Omwonenden die aan gelijke geluidspieken zijn onderworpen, genieten immers verschillende maatregelen. Die verschillen in behandeling, die 17 in de vroegere wetgeving niet bestonden, vormen een duidelijke achteruitgang ten opzichte van de bescherming die aan de omwonenden moet worden geboden (schending van artikel 23) en een inmenging in hun privé- en gezinsleven (schending van artikel 22). A.15.
  63. De Waalse Regering betwist dat omwonenden die aan gelijke geluidspieken zijn onderworpen, verschillende maatregelen kunnen genieten. Ook al bevinden zij zich in zone B van het O.L.T., zullen de omwonenden in zone B’ en die in zone C’ van het P.B.G. aldus nooit worden onderworpen aan hetzelfde geluidsniveau wanneer een vliegtuig overvliegt. Immers, « tussen 23 en 7 uur worden deze geluidsdrempels bepaald op 87 dB (A) Lmax recht tegenover de vaste geluidsmeters gelegen in zone B » (artikel 1bis, § 7, derde lid). Om het maximale geluidsniveau in acht te nemen dat hem in zone B van het O.L.T. wordt opgelegd, moet het opstijgend vliegtuig reeds de drempel van 87 dB (A) Lmax (’s nachts) in acht nemen wanneer hij de grens tussen zone A en zone B van het O.L.T. overvliegt. Naarmate het vliegtuig hoogte neemt en verder in zone B vliegt, vermindert het door hem voortgebrachte geluid in intensiteit tot 82 dB (A) Lmax op de grens tussen de zones B en C van het O.L.T. De omwonende in zone C’ zal bijgevolg nooit hetzelfde geluidsniveau ondergaan als de omwonende in zone B’, hoewel beide omwonenden zich bevinden in zone B van het O.L.T. De omwonenden van de zones B’ en C’ van het P.B.G., binnen het O.L.T. (en, mutatis mutandis, de omwonenden in de andere zones) worden bijgevolg nooit onderworpen aan gelijke geluidsniveaus (ongeacht of die in Lden of Lmax worden uitgedrukt) en bevinden zich dus nooit in gelijke situaties. A.15.
  64. De Waalse Regering is overigens van mening dat de geluidsniveaus Lmax niet konden worden gekoppeld aan de zones van het P.B.G.; anders zou het maximale geluidsniveau waaraan de omwonenden zouden kunnen worden onderworpen, toenemen bij elke driejaarlijkse herziening : aldus, indien de maximale geluidsniveaus, tussen 23 en 7 uur, op 87 dB (A) Lmax in zone B’, op 82 dB (A) Lmax in zone C’ en 77 dB (A) Lmax in zone D’ waren vastgesteld, zou de omwonende die zich thans bevindt in zone B van het O.L.T. en in zone C’ van het P.B.G. worden onderworpen aan een maximaal geluidsniveau van 82 dB (A) Lmax. Na een driejaarlijkse herziening van het P.B.G. zou de woning van die omwonende echter kunnen worden opgenomen in zone B’ van het P.B.G. Het maximale geluidsniveau waaraan hij zou kunnen worden blootgesteld, zou bijgevolg 87 dB (A) Lmax en niet meer 82 dB (A) Lmax bedragen. Het zou bijgevolg onmogelijk zijn doeltreffende beschermingsmaatregelen te nemen. A.15.
  65. Het loskoppelen van beide plannen kan, volgens de Waalse Regering, geen achteruitgang in de aan de omwonenden toegekende bescherming vormen, vermits het O.L.T., met toepassing van het bestreden decreet, is gedefinieerd op basis van een hypothese waarbij de luchthaven een verzadigde exploitatie kent, zoals dat vroeger voor het P.B.G. het geval was. Het geografisch gebied waarover het O.L.T. van de luchthaven Luik-Bierset, afgebakend bij de besluiten van 27 mei 2004, zich uitstrekt, is bijgevolg absoluut vergelijkbaar met dat waarover het P.B.G. van de luchthaven zich zou hebben uitgestrekt vóór de aanneming van het decreet van 29 april
  66. Dat is des te meer het geval, daar de zones B, C en D van het vroegere P.B.G. nooit door de Regering zijn gedefinieerd en een nauwkeurige vergelijking derhalve geenszins mogelijk is. A.15.
  67. De verzoekende partijen repliceren dat de redenering van de Waalse Regering betreffende de afnemende geluidshinder van de vliegtuigen na het opstijgen alleen juist is indien de situatie wordt bekeken van twee omwonenden waarbij de ene is gesitueerd aan de binnengrens van de beschouwde zone van het O.L.T. en de andere aan de buitengrens van diezelfde zone. Wanneer daarentegen twee omwonenden met elkaar worden vergeleken wier woningen zijn gesitueerd op enkele meters van elkaar, de ene op de binnengrens van zone C’ en de andere aan de buitengrens van zone B’, kunnen die bijvoorbeeld, bij het overvliegen van een vliegtuig, een geluidshinder van 85 dB (A) LAmax ondergaan, waarvan de intensiteit tussen hun respectieve woningen vanzelfsprekend niet is afgenomen. De omwonende wiens woning zich bevindt in zone B’ van het P.B.G. geniet echter een onmiddellijk recht op de aankoop van zijn woning en de omwonende in zone C’ van het P.B.G. heeft alleen recht op een vergoeding, terwijl het opportune karakter van de begeleidingsmaatregelen afhankelijk is van de geluidspieken. Vóór het bestreden decreet konden de omwonenden in de verschillende zones van het P.B.G. niet aan dezelfde geluidspieken worden onderworpen. De onmogelijkheid om doeltreffende beschermingsmaatregelen te nemen, waarnaar de Waalse Regering verwijst om aan te tonen dat het absurd zou zijn de maximale geluidsdrempels op basis van het P.B.G. vast te stellen, is alleen aanvaardbaar indien wordt uitgegaan van het beginsel dat twee verschillende plannen met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder moeten bestaan, zonder evenwel dat beginsel te trachten te verantwoorden en zonder het doel ervan aan te geven. Het is daarentegen absurd een woning te isoleren die misschien zal moeten worden aangekocht wanneer de zones van het P.B.G. in de toekomst worden uitgebreid. 18 Dat onderscheid tussen beide plannen vormt een achteruitgang in de aan de omwonenden toegekende bescherming, vermits de maximale drempels kunnen worden bereikt in een zone die nog steeds even groot is, terwijl de zones die de begeleidingsmaatregelen bepalen, kleiner zijn geworden. A.15.
  68. De Waalse Regering repliceert dat noch vandaag, noch op middellange termijn, omwonenden in verschillende zones van het P.B.G. aan hetzelfde geluidsniveau kunnen worden onderworpen, ongeacht of dat door middel van de Lden-indicator of door middel van de Lmax-indicator is uitgedrukt. De toepassing van drempels om een onderscheid te maken tussen toepasselijke regelingen is een idee dat in het algemeen wordt aanvaard; in het bijzonder wat betreft het O.L.T. en het P.B.G., die zijn afgebakend door middel van informaticasimulaties, wordt zij gecorrigeerd door het gelijkheidsbeginsel bepaald in artikel 1bis, § 4, tweede lid, van de wet van 18 juli
  69. Het bestaan van een P.B.G. en een O.L.T. afzonderlijk, komt tegemoet aan de kritiek van de verzoekende partijen, die de vroegere bepalingen verweten dat zij in het vroegere en unieke P.B.G. alleen rekening hielden met de hypothese van een verzadigde exploitatie van de Waalse luchthavens, die geen rekening hield met de werkelijk geleden geluidshinder, wat het Hof van Beroep te Luik in zijn arrest van 29 juni 2004 heeft vastgesteld. Het bestaan van twee plannen is goedgekeurd door de onafhankelijke overheid voor de controle en de opvolging inzake geluidshinder van luchthavens in het Waalse Gewest (hierna : A.C.N.A.W.) en houdt, gelet op het aantal betrokken bewoners, geen duidelijke achteruitgang in de bescherming van het leefmilieu in. Het beoogt evenmin een beperking van de budgettaire kosten, vermits het minder duur zou zijn uitgevallen om, zoals in Frankrijk, rekening te houden met de bestaande geluidshinder, in plaats van met gegevens betreffende de exploitatie binnen tien jaar. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 3183 A.16.
  70. Het middel is afgeleid uit de schending van de Grondwet, met name de artikelen 16, 17, 33, 39, 142, 144 en 145 ervan, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name de artikelen 6 en 8 ervan, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met name de artikelen 6, § 1, II, 1°, en X, 7°, en 78 ervan, van het beginsel van het gezag van gewijsde en van het evenredigheidsbeginsel. A.16.
  71. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 1bis, § 4, eerste lid, van de wet niet verplicht om gebruik te maken van de onteigeningsprocedure ten algemenen nutte, terwijl geen beroep kan worden gedaan op het vrijwillige karakter van het mechanisme om de niet-toepasselijkheid van artikel 16 van de Grondwet aan te voeren. De in het geding zijnde geluidshinder zorgt ervoor dat zone A’ niet voor bewoning geschikt is en brengt voor de omwonenden lasten met zich mee die overdreven zijn in het licht van de bescherming van de collectieve belangen en tegelijk kunnen worden gelijkgesteld met een werkelijke beroving van de wezenlijke prerogatieven van het eigendomsrecht, gelet op wat het Hof in de overwegingen B.8.8 en B.8.9 van het arrest nr. 51/2003 heeft besloten. Daar er geen alternatief bestaat, kan het stelsel van de toe-eigening uit de hand dus niet als vrijwillig worden gekwalificeerd en moest het dus plaats maken voor dat van de onteigening. A.16.
  72. De Waalse Regering herinnert eraan dat het Hof, op grond van artikel 16 van de Grondwet, erkent dat het algemeen belang primeert wanneer dat laatste in conflict treedt met het eigendomsrecht en, rekening houdend met het criterium van de buitenbezitstelling, beslist dat een beperking van het eigendomsrecht geen onteigening is waarvoor een vergoeding verschuldigd zou zijn en die een gedwongen eigendomsoverdracht veronderstelt. Op grond van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gaat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wanneer de inmenging een buitenbezitstelling inhoudt, na of er een reden van algemeen nut bestaat en of het verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel redelijk is; in dat opzicht houdt het rekening met de omstandigheden van de beroving van het goed en met de vergoedingsregeling. Wanneer de inmenging geen buitenbezitstelling inhoudt, gaat het Hof na of er een « billijk evenwicht » bestaat tussen het openbaar goed en het goed van elkeen. In beide gevallen laat het aan de Staten een ruime beoordelingsvrijheid. A.16.
  73. De Waalse Regering voert aan dat de omwonenden van de zones A’ en B’ beschikken over een omkeerbare keuze tussen de verkoop uit de hand en het voordeel van een isolatiemaatregel, zoals in de parlementaire voorbereiding van het decreet wordt aangegeven. Noch de Raad van State, noch het Hof van Beroep te Luik zijn ingegaan op hun vraag om de Regering ertoe te verplichten de onteigeningsprocedure toe te passen. 19 Zij is van mening dat de geluidshinder geen gedwongen buitenbezitstelling van het goed vormt, waarbij de verzoekende partijen dat overigens lijken toe te geven maar kritiek uiten op het feit dat de geluidshinder het onbeschikbaar maakt. Die beperking van het eigendomsrecht wordt echter ingevoerd in het kader van het openbaar belang. Bovendien heeft het Hof van Beroep te Luik rekening gehouden met de maatregelen die het Waalse Gewest heeft genomen inzake het beheer van de geluidshinder. Het heeft nooit het onbewoonbare karakter van zone A of A’ van het P.B.G. erkend en zowel de technische studies die het heeft besteld als het arrest nr. 51/2003 hebben aanvaard dat isolatiewerken het mogelijk maakten tegemoet te komen aan de doelstelling van volksgezondheid. Het gezag van gewijsde van dat arrest zou door het bestreden decreet niet kunnen worden geschonden, vermits het Hof het middel heeft verworpen dat was afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Aangezien de isolatiewerken het de omwonenden mogelijk maken ervoor te kiezen in hun woning te blijven, is het vrijwillige karakter van de verkoop onbetwistbaar. 424 van de 1.412 eigenaars in zone A hadden op 30 april 2004 niet kenbaar gemaakt dat zij hun woning aan het Waalse Gewest wilden verkopen, wat aantoont dat zij vrij zijn om dat al dan niet te doen. A.16.
  74. De verzoekende partijen geven toe dat, formeel gezien, het bestreden decreet de omwonenden vrij laat om hun gebouw te verkopen aan de persoon van hun keuze, met name het Waalse Gewest. In de praktijk echter doet de intensieve exploitatie van de luchthaven die vrijheid teniet, daar niemand goederen wil kopen die zijn gelegen in zone A van het vroegere P.B.G., noch, sinds het arrest nr. 51/2003, in zone B ervan, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat het bestreden decreet alleen een gedwongen afkoop mogelijk maakt. A.16.
  75. Zij voeren aan dat de rechtspraak van het Hof zich nooit heeft verzet tegen het beginsel van de onteigening de facto (arrest nr. 50/93). Dat is te dezen zeker het geval, vermits unaniem wordt beschouwd dat de gebouwen zijn gelegen in onbewoonbare zones en niet kan worden betwist dat de economische waarde ervan fors is gedaald. De beperking van het gebruik van het eigendomsrecht is dus voldoende groot om te beschouwen dat het de facto om een onteigening gaat. A.16.
  76. Zij verwijzen daarnaast naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om aan te voeren dat een beroving van het eigendomsrecht volstaat om van een onteigening te kunnen spreken, daar die geen overdracht van dat recht vereist. De omwonenden hadden dus de waarborgen moeten genieten die zowel door de Grondwet als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens worden geboden. Het is niet langer juist dat die argumentatie is verworpen door de Raad van State (die het besluit tot vaststelling van de juridische regeling van zone A van het vroegere P.B.G. nietig heeft verklaard, door te steunen op een ander argument dan het door de verzoekende partijen aangevoerde argument van de onteigening) of door het arrest van het Hof van Beroep te Luik, vermits dat laatste in feite uitspraak heeft gedaan en de vraag van de onteigening niet heeft onderzocht; zijn arrest maakt overigens het voorwerp uit van meerdere voorzieningen in cassatie. Het arrest nr. 51/2003 heeft zich evenmin over die kwestie uitgesproken, vermits artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol alleen was aangevoerd omdat de (door het Hof vernietigde) bepalingen tot gevolg hadden de omwonenden van de vroegere zone B ertoe te verplichten in hun woning te blijven leven, terwijl de geluidshinder die zij ondergingen, gelijkwaardig was aan die in zone A. Dat arrest heeft daarentegen vastgesteld dat de aan die omwonenden opgelegde lasten overdreven waren en konden worden gelijkgesteld met een daadwerkelijke beroving van de wezenlijke prerogatieven van het eigendomsrecht. A.16.
  77. De verzoekende partijen geven toe dat sommige eigenaars de procedure voor de aankoop van hun gebouw door het Waalse Gewest niet hebben aangevat. Maar zij voeren aan dat hun niet kan worden verweten dat zij geen procedures aanvatten waarvan de eigenaars de gegrondheid bekritiseren, anders zouden die eigenaars daarna niet meer alle waarborgen kunnen genieten waarop zij in beginsel recht zouden moeten hebben. De omkeerbare keuze tussen de afkoop en de isolatie is niet opgenomen in het decreet. Ten slotte blijft de geluidshinder onveranderd en heeft het arrest nr. 51/2003 ten aanzien daarvan, voor zone B van het vroegere P.B.G., beslist dat isolatiemaatregelen ontoereikend waren om die te verhelpen. A.16.
  78. De Waalse Regering repliceert dat bijna honderdvijftig gebouwen (gelegen in alle zones van het O.L.T. en het P.B.G.), waarvoor een dossier « aankoop » of « isolatie » was ingediend, sinds 1998 door derden zijn aangekocht, wat erop wijst dat die goederen nog steeds kunnen worden verkocht. Zij geeft cijfergegevens waaruit zij afleidt dat goederen onder particulieren zijn verkocht, wat aantoont dat de omwonenden van de zones A’ en B’ van het P.B.G. niet verplicht zijn om in hun woning te leven « met de deuren en ramen dicht ». Wellicht kunnen sommige goederen in de zones A’ en B’ van het P.B.G. niet worden verhuurd als privé-woningen, maar een en ander vloeit voort uit de ligging ervan in de bedrijvenzone van het gewestplan 20 Luik-Bierset, en niet uit de ligging ervan in de voormelde zones. Voor het overige tonen de verzoekende partijen de waardevermindering van hun goederen niet aan. Ten aanzien van het derde middel (eerste onderdeel) in de zaak nr. 3183 en het tweede middel in de zaak nr. 3188 A.17.
  79. In de zaak nr. 3183 is het middel afgeleid uit de schending van de Grondwet, met name de artikelen 10, 11, 16, 22, 23 en 142 ervan, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name de artikelen 6 en 8 ervan, van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van het beginsel van het gezag van gewijsde en van het evenredigheidsbeginsel. A.17.
  80. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 3183 aan dat de toestemming voor tien overschrijdingen in de zones B’ en C’ van het nieuwe P.B.G. (maar buiten zone A van het O.L.T.), bepaald in artikel 1bis, § 5, onverantwoord is. Die mogelijkheid heeft nooit bestaan, omdat de vroegere regeling, door na te laten de naleving van de niveaus van 45 en 55 dB (A) als maximaal geluidsniveau voor respectievelijk de voornaamste nachtruimten en voornaamste dagvertrekken (niveaus waarvoor de W.G.O. pleit) uitdrukkelijk als een resultaatsverbintenis op te leggen, zo was opgevat dat het Gewest isolatiewerken moest laten uitvoeren die moesten leiden tot een bepaalde geluidsvermindering, berekend volgens elk van de zones van het vroegere P.B.G. en ook volgens de voor elke zone specifieke op de grond voortgebrachte maximale geluidsdrempels; het verschil tussen die maximale geluidsdrempels en de vermindering verkregen dankzij de isolatiewerken moest in beginsel stelselmatig leiden tot de inachtneming van de voormelde W.G.O.-normen. Het Hof had in zijn arrest nr. 51/2003 echter uitdrukkelijk rekening gehouden met de W.G.O.-normen om een middel te verwerpen dat het gebruik van de geluidsindicator Ldn bekritiseerde en had gesteld dat de Lmax-index een extra waarborg vormde, daar het met enkel de Ldn-index zou kunnen dat tien vliegtuigen die zeer lawaaierige nachtvluchten uitvoeren en omwonenden zeer zeker zouden wekken, zelfs indien hun woningen geïsoleerd zijn, die drempel niet overschrijden. Door af te wijken van de W.G.O.-normen, houdt het decreet een achteruitgang in die in strijd is met artikel 23 van de Grondwet en doet het afbreuk aan zowel de eerbiediging van het privé-leven en van de woning, als aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003, dat noodzakelijkerwijs steunde op het feit dat geen enkele overschrijding was toegestaan. A.17.
  81. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 3188 moest het decreet van 29 april 2004 door het Waalse Gewest worden aangenomen teneinde zich te gedragen naar de lering van het arrest nr. 51/2003 van 30 april 2003 van het Hof. Zij voeren aan dat zulks niet het enige doel van het bestreden decreet was, dat voor het eerst in de Waalse wetgeving betreffende de bestrijding van de geluidshinder het beginsel van de wettigheid van tien overschrijdingen van de drempel van 45 decibel (dB) tijdens de nacht in geïsoleerde ruimten heeft opgenomen. Terwijl het Hof de kritiek op een afbakening van zones op basis van de gemiddelde geluidsindicator Ldn niet in aanmerking had genomen, wijzigt het bestreden decreet van 29 april 2004 de gehanteerde geluidsindicator en legt het de nieuwe zones, die het naast elkaar laat bestaan, namelijk het P.B.G. en het O.L.T., vast volgens de gemiddelde geluidsindicator Lden. De verzoekende partijen preciseren aldus dat de verschillende zones van het P.B.G. voortaan zijn vastgesteld volgens een strikt theoretische geluidshinder (op basis van een theoretische luchtvloot en een theoretisch aantal bewegingen) die de omwonenden in 2013 zouden ondergaan. De zones van het O.L.T. zijn daarentegen vastgesteld « op grond van de zones m.b.t. de blootstelling aan geluidshinder overeenstemmend met de maximale ontwikkelingsgrenzen van de luchthavens en vliegvelden in het Waalse Gewest ». A.17.
  82. In die zaak wordt het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. De verzoekende partijen zijn van mening dat het deel van het decreet waarvan zij de vernietiging vorderen, in strijd is met het standstill-beginsel inzake de bescherming van de gezondheid en van het leefmilieu, dat het het recht op de bescherming van de gezondheid en het recht op de bescherming van het leefmilieu van de omwonenden van de Waalse luchthavens niet waarborgt en dat het het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de omwonenden van de Waalse luchthavens op onevenredige wijze aantast. A.17.
  83. Ten aanzien van de schending van het standstill-beginsel onderstrepen die verzoekende partijen dat het decreet van 8 juni 2001, dat door het bestreden decreet wordt gewijzigd, niet voorzag in een overschrijding van de voor de verschillende zones opgelegde externe geluidsdrempels en dat het een isolatie van 21 de slaapkamers, op kosten van het Waalse Gewest, waarborgde, op zodanige wijze dat de geluidspieken ’s nachts binnen de slaapkamers de drempel van 45 dB Lmax nooit overschrijden. Het bestreden decreet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van tien overschrijdingen van de drempel van 45 dB Lmax tijdens de nacht, binnen de slaapkamers, die te wijten zijn aan de overschrijdingen buiten. De verzoekende partijen leiden hieruit logischerwijze af dat het decreet tien overschrijdingen van de externe geluidsdrempels toestaat. Terwijl het decreet van 8 juni 2001 werd verantwoord door de wil om de omwonenden te verzekeren dat de richtlijnen van de W.G.O. worden nageleefd en dat zij dus tijdens hun slaap, in hun slaapkamer, niet zouden worden onderworpen aan geluidspieken van meer dan 45 dB, verwijst de memorie van toelichting bij het bestreden decreet naar een uittreksel uit het rapport van de W.G.O. en verantwoordt het de bekritiseerde overschrijdingen in de volgende bewoordingen : « In haar rapport Guidelines for Community Noise pleit de W.G.O. voor een geluidsniveau, binnen de woningen, tijdens de nacht, van minder dan 30 dB (A) LAeq voor continue geluidshinder. Voor tijdelijke of alleenstaande geluidshinder wijst de W.G.O. erop dat geluidsniveaus van meer dan 45 dB (A) Lmax zouden moeten worden vermeden. In hoofdstuk III (Sleep disturbance) van datzelfde rapport preciseert de W.G.O. echter dat dit geluidsniveau van 45 dB (A) Lmax niet meer dan tien tot vijftien keer per nacht zou mogen worden overschreden. » (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 661/1, p. 3) Die verzoekende partijen betwisten, na de gegevens van dat rapport van de W.G.O. te hebben geanalyseerd, de interpretatie die de auteurs van het decreet eraan hebben gegeven. A.17.
  84. Om hun bewijsvoering te staven, voeren die verzoekende partijen voorts aan dat het decreet van 29 april 2004 het algemeen evenwicht waarover het Hof zich in zijn arrest nr. 51/2003 heeft uitgesproken, tenietdoet; zij verwijzen in het bijzonder naar de overwegingen B.5.12 tot B.5.14, waaruit blijkt dat het Hof de wettigheid van het hanteren van een gemiddeld geluidscriterium, zoals de Ldn of de Lden, heeft erkend, maar dat het bij zijn beoordeling rekening heeft gehouden met de vaststelling van de aan de luchtvaartmaatschappijen opgelegde maximale geluidsdrempels. A.17.
  85. Los van de schending van het in die bepaling vervatte standstill-beginsel voeren die verzoekende partijen aan dat artikel 23 van de Grondwet eveneens is geschonden, in zoverre de bestreden norm het recht op de bescherming van de gezondheid en het recht op de bescherming van het leefmilieu op onevenredige wijze zou aantasten. A.17.
  86. Volgens die verzoekende partijen zou de bestreden norm kennelijk ook artikel 22 van de Grondwet schenden, geïnterpreteerd in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre hij geen billijk evenwicht tot stand zou brengen tussen het recht van de omwonenden van de Waalse luchthavens op de bescherming van het privé- en gezinsleven, en het economisch belang van de Staat. A.17.
  87. De verzoekende partijen voeren aan dat de decreten van 1999, 2001 en 2002 weliswaar twee soorten maatregelen hebben vastgesteld, de ene om maximale geluidsdrempels vast te stellen en de geluidshinder aldus aan de bron te beperken, de andere om de woningen te kopen die in de meest blootgestelde zones zijn gelegen en de isolatie te financieren van de woningen die in minder blootgestelde zones zijn gelegen. De economische kostprijs van die maatregelen beperkt het gewicht van het economisch belang van de nachtelijke ontwikkeling van de luchthaven, maar na de aanneming van de voormelde decreten is een wetgevend evenwicht bereikt. Het is met dat evenwicht dat het arrest nr. 51/2003 rekening heeft gehouden, wanneer het, zonder de maximale geluidsdrempels (die het mogelijk maken de lawaaierigste vliegtuigen uit te sluiten) te bekritiseren, een bepaling vernietigt die, op discriminerende wijze, de bewoners van zone B anders behandelt dan die van zone A. Hoewel die vernietiging slechts betrekking had op een zeer klein deel van het hele decreet, heeft het Waalse Gewest, terwijl het verklaart het decreet na dat arrest te willen verbeteren en vooruit te lopen op de toepassing van een Europese richtlijn met betrekking tot de grote luchthavens, artikel 1 van de wet van 1973 drastisch gewijzigd. Beide verantwoordingen vertonen geen enkel verband met het toestaan van tien overschrijdingen van de geluidsdrempels; in de parlementaire voorbereiding wordt die toestemming evenmin verantwoord, daar de wetenschappelijke verantwoording die daarin wordt gegeven om aan te tonen dat de overschrijding mogelijk is, niet volstaat om te aanvaarden dat die overschrijding verantwoord is. Het feit dat zeer lichte overschrijdingen toevallig kunnen voorvallen, verantwoordt op dezelfde wijze niet dat hieraan een formeel karakter wordt gegeven, zoals het decreet dat doet, omdat die overschrijdingen verschillende gevolgen hebben voor de binnen de woningen vastgestelde geluidsgrenzen. De economische noodzaak van die maatregel is dus 22 niet aangetoond; zij lijkt alleen te zijn ingegeven door de invloed van de luchtvaartmaatschappijen en de uitbaters van de luchthaven of door budgettaire vereisten, maar er kan niet worden aanvaard dat dergelijke motieven dienen om de aan de omwonenden te bieden bescherming te beperken : indien extra geluidshinder onvermijdelijk is voor de ontwikkeling van de luchthaven, moet ofwel die bescherming worden verhoogd, ofwel van die ontwikkeling worden afgezien. A.17.
  88. In haar memorie in de zaak nr. 3183 voert de Waalse Regering aan dat het bestreden decreet de bescherming van de omwonenden geenszins beperkt : artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 29 april 2004, voorzag immers in de naleving van een niveau van geluidsvermindering van minder dan 42 dB (A) in de nachtruimten en van minder dan 38 dB (A) binnen de dagvertrekken van de woningen gelegen in zone B van het P.B.G. van de Waalse luchthavens. Het decreet van 29 april 2004 legt de waarde van een dergelijk niveau van geluidsvermindering niet meer vast, maar waarborgt een niveau van geluidsvermindering dat voldoende groot is om een maximaal geluidsniveau van 45 dB (A) « op het oorkussen » te verkrijgen, zonder dat dit niveau meer dan tien keer gedurende een periode van 24 uur kan worden overschreden, overeenkomstig de aanbevelingen van de W.G.O. In tegenstelling tot de vroegere reglementering bevat het bestreden decreet zelf de waarborg dat de W.G.O.-normen worden nageleefd. Om aan te tonen dat het bestreden decreet die normen schendt, voeren de verzoekende partijen ten onrechte een rapport van de W.G.O. aan dat is opgesteld door professor Berglund, alsook een advies dat zij aan haar hebben gevraagd. Uit de analyse ervan blijkt immers dat de W.G.O. de conclusies van Vallet en Vernet heeft overgenomen, volgens welke wordt gesteld dat, om een goede slaap te garanderen, de niveaus van geluidsdruk binnen de woning een maximaal geluidsniveau (Lmax) van 45 dB bij benadering niet meer dan 10 tot 15 keer per nacht mogen overschrijden. Het decreet gaat zelfs minder ver dan die adviezen, vermits het slechts tien overschrijdingen toestaat, en de daarin gemaakte keuzes zijn in overeenstemming met de maatregelen vermeld in de hele wetenschappelijke literatuur waarmee het deskundigenverslag rekening heeft gehouden. In zijn arrest van 29 juni 2004 is het Hof van Beroep te Luik tot dezelfde conclusie gekomen. A.17.
  89. In de memorie in de zaak nr. 3188 voegt de Waalse Regering eraan toe dat de verzoekende partijen de W.G.O.-normen, die in werkelijkheid aanbevelingen zijn die geen enkele bindende kracht hebben, op zeer beperkende wijze interpreteren en dat zij het deskundigenverslag tevergeefs betwisten door een verzoek tot wraking in april 2004 in te stellen tegen twee leden van het deskundigencollege : dat verslag is immers in alle onafhankelijkheid opgesteld en steunt op een overzicht van de hele beschikbare wetenschappelijke literatuur. De Waalse Regering betwist ook dat de W.G.O. aanbeveelt om het geluidsniveau van 45 dB Lmax binnen de slaapkamers, met de vensters open, niet te overschrijden en, gelet op een natuurlijke externe geluidsvermindering van 15 dB in een slaapkamer met de vensters open, het niveau van 60 dB buiten de woningen ’s nachts niet te overschrijden. Het gaat hier immers om een wens om met het venster op een kier te kunnen slapen, waarbij wordt uitgegaan van veronderstellingen. Indien hierop wordt ingegaan, zouden miljoenen mensen in stedelijke gebieden moeten verhuizen en zou elke verplaatsing met de wagen of met de trein of elke industriële activiteit moeten worden verboden. Slapen met het venster op een kier is zonder twijfel verantwoord om de kamer te laten verluchten. Het decreet voorziet echter in de plaatsing van een mechanische ventilatie in het kader van de isolatiewerken (cf. artikel 1bis, § 5, vijfde lid, van de wet van 18 juli 1973). Er kan dus geen betekenisvolle achteruitgang zijn in de ten behoeve van de omwonenden genomen maatregelen. A.17.
  90. In de zaak nr. 3188 voert de Waalse Regering ook aan dat het Gewest en zijn deskundigen niet alleen rekening hebben gehouden met de aanbevelingen van de W.G.O., maar ook met verschillende wetenschappelijke en medische studies (Griefhan, Vallet en Muzet, Bradley, Ohrström, Porter, Pearson, Berglund en Lindvall) en dit sinds
  91. Elk van die studies leidt tot verschillende conclusies, waaruit blijkt hoe moeilijk het is het geluidsniveau te bepalen waaronder geen enkele verstoring van de slaap als gevolg van geluidshinder zal worden betwist. Die conclusies zijn overigens allemaal minder bindend dan de aanbevelingen van de W.G.O., wat aantoont dat de decreetgever, door op die laatste te steunen, elke voorzorg heeft genomen. A.17.
  92. De Waalse Regering voert in haar twee memories ook aan dat het arrest nr. 51/2003, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, in werkelijkheid de keuze voor het criterium Ldn heeft gevalideerd, omdat die keuze niet steunde op een kennelijk onredelijke beoordeling : slechts ten overvloede is in dat arrest vervolgens vastgesteld dat de Waalse decreetgever, in het toen in het geding zijnde decreet, had gekozen voor een combinatie van de indicatoren Ldn en Lmax, want met enkel de Ldn-indicator zou het kunnen dat tien vliegtuigen die zeer lawaaierige nachtvluchten uitvoeren en de omwonenden zeer zeker wekken (zelfs indien hun woningen 23 geïsoleerd zijn) de drempel van Ldn 70 dB (A) niet overschrijden. Het bestreden decreet schendt het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003 derhalve niet. A.17.
  93. In haar memorie in de zaak nr. 3188 voegt zij eraan toe dat dit argument het ook mogelijk maakt aan te tonen dat artikel 22 van de Grondwet niet is geschonden, daar het Hof nooit heeft geoordeeld dat die bepaling alleen door de invoering van het Lmax-criterium werd nageleefd. De maximale geluidsdrempels werden, wat de nachtvluchten betreft, niet gewijzigd door het bestreden decreet, dat die drempels integendeel voor de dagvluchten vaststelt. Dat element, zoals die welke reeds zijn uiteengezet betreffende de isolatiemaatregelen en de verwijzingen naar zowel de aanbevelingen van de W.G.O. als de wetenschappelijke en medische literatuur, tonen aan dat de Waalse decreetgever het billijke evenwicht tussen het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de omwonenden, en het economisch belang van het Gewest in acht heeft genomen. A.17.
  94. In hun memorie van antwoord in de zaak nr. 3188 zijn de verzoekende partijen van mening dat het Waalse Gewest het bestaan van de regel van de tien overschrijdingen van externe maximale geluidsdrempels niet verantwoordt, maar zich ertoe beperkt die regel te ontkennen, terwijl hij wordt erkend door zowel het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2004 « betreffende de administratieve straffen in het kader van de bestrijding van de geluidshinder die toe te schrijven is aan de luchtvaartuigen die van de onder het Waalse Gewest ressorterende luchthavens gebruik maken », als het arrest van de Raad van State nr. 135.397 van 24 september 2004 en het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 29 juni
  95. A.17.
  96. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3188 betwisten de interpretatie van de Waalse Regering in verband met het rapport van de W.G.O. Dat laatste steunt op verschillende studies en gaat ervan uit dat de geluidsdruk binnen de slaapkamer de drempel van 45 dB niet meer dan 10 tot 15 keer per nacht zou mogen overschrijden. De aanbevelingen pleiten ervoor een gemiddeld geluidsniveau, binnen de slaapkamers, van 30 dB Laeq te behouden en de geluidspieken van meer dan 45 dB (A) Lmax te voorkomen, en raden vanzelfsprekend niet aan om het niveau van 45 dB binnen de slaapkamers meerdere malen per nacht te overschrijden. Het rapport van de W.G.O. vermeldt gewoon, naast vele andere, een studie die waarschuwt tegen te veel overschrijdingen van die drempel. Zij voeren daarnaast aan dat de W.G.O. aanbeveelt het niveau van 45 dB (A) Lmax niet te overschrijden met de vensters open. Gelet op een natuurlijke externe geluidsvermindering van 15 dB in een slaapkamer met het venster open, beveelt de W.G.O. dus aan om het niveau van 60 dB buiten tijdens de nacht niet te overschrijden. Een en ander houdt zeker niet in dat het Waalse Gewest ertoe zou zijn gehouden de door de W.G.O. aanbevolen norm van 60 dB buiten toe te passen. Het staat echter vast dat, in Bierset, de drempel van 45 dB Lmax binnen de slaapkamers alleen met de vensters dicht kan worden bereikt. Het Waalse Gewest verplicht de omwonenden dus ertoe in een van hun omgeving afgesloten ruimte te slapen, wat in tegenspraak is met de tekst en de geest van de richtlijnen van de W.G.O. en wat bovendien alleen betrekking heeft op de W.G.O.-norm inzake de geluidshinder binnen de slaapkamers, vermits de normen « met de vensters open » worden opgegeven ten voordele van het nachtelijk luchtvervoer. Zij voeren ook aan dat de vroegere bepalingen van de wet van 18 juli 1973 (in de redactie die eraan was gegeven bij het decreet van 8 juni 2001) wel degelijk ertoe strekten dat de drempel van 45 dB binnen de slaapkamers nooit zou worden overschreden. De parlementaire voorbereiding vermeldde dat duidelijk. Thans beweert het Waalse Gewest dat het steunt op de aanbevelingen van de W.G.O., terwijl het in werkelijkheid de conclusies volgt van één enkele wetenschappelijke studie (Vallet en Vernet) die in het rapport van de W.G.O. in aanmerking is genomen. Het staat vanzelfsprekend niet aan het Hof een geschil van wetenschappelijke aard te beslechten, maar vast te stellen dat de bescherming erop is achteruitgegaan, vermits de norm van 45 dB zonder overschrijding binnen de slaapkamers ’s nachts, die door de vroegere bepalingen werd gewaarborgd, niet langer wordt gewaarborgd door de nieuwe, vermits het zich niet voordoen van overschrijdingen van de drempels teneinde de omwonenden te beschermen tegen een exploitatie die geluidshinder met zich meebrengt, vanzelfsprekend nog altijd beter is dan een toestemming om die drempels te overschrijden. Die vaststelling van een achteruitgang is in strijd met artikel 23 van de Grondwet, met het recht van de omwonenden op de bescherming van hun leefmilieu, dat door dezelfde bepaling wordt gewaarborgd, en met artikel 22 van de Grondwet, daar de afweging van het economisch belang van de natie en het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de omwonenden niet correct is uitgevoerd. De nieuwe norm is niet verantwoord, vermits het Waalse Gewest verkiest om te ontkennen dat zijn wetgeving een achteruitgang inhoudt ten opzichte van de vorige wetgeving. In plaats van zijn demarche toe te lichten, verkiest het Waalse Gewest te beweren dat de regel van de tien overschrijdingen altijd deel heeft uitgemaakt van zijn wetgeving. Die regel vormt echter een objectief gezien grote achteruitgang, aangezien het decreet de overschrijding van de interne of externe geluidsdrempels zelfs niet beperkt en de nieuwe bepalingen de meerderheid van de bevolking niet langer een ongestoorde slaap waarborgen. 24 A.17.
  97. In hun memorie van antwoord geven de verzoekende partijen in de zaak nr. 3183 toe dat het bestreden decreet uitdrukkelijk voorziet in de naleving van de W.G.O.-normen, maar zij verwijten dat decreet dat het niettemin een achteruitgang in de aan de omwonenden geboden bescherming inhoudt, in zoverre het voorziet in de mogelijkheid om die normen tien keer in 24 uur te overschrijden, wat het vorige decreet niet toestond. A.17.
  98. Zij betwisten overigens dat de W.G.O.-normen in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat zij die overschrijding toestaan. In tegenstelling tot wat de Waalse Regering beweert, zijn zij van mening dat, volgens mevrouw Berglund, het rapport van de W.G.O. niet aanbeveelt dat de door die organisatie vastgestelde normen worden overschreden. Mevrouw Berglund voegt eraan toe dat er een consensus bestaat om te stellen dat de in hoofdstuk IV van datzelfde rapport vermelde waarden voor de geluidshinder tijdens de nacht zonder meer niet zouden moeten worden overschreden, daar het doel erin bestaat dat de omwonenden een goede nachtrust kunnen genieten. Bovendien herinnert zij eraan dat de geluidshinder, buiten de slaapkamers, niet meer zou mogen bedragen dan 60 dB (A) Lmax, zodat het venster open kan blijven, terwijl de geluidshinder binnen de kamers niet meer dan 45 dB (A) Lmax zou mogen bedragen. Maar zij preciseert meteen dat in specifieke gevallen, zoals dat van Bierset, waar het gaat om geluidshinder met een lage frequentie, het rapport van de W.G.O. verder gaat. Zij bekritiseert dus de analyse van de Waalse Regering - die sommige passages uit het rapport van de W.G.O. haalt om het in haar voordeel te interpreteren (door aan te voeren dat het de in het geding zijnde overschrijdingen aanvaardt) - die door de W.G.O. vastgestelde doelstellingen die door het vorige decreet ten uitvoer waren gelegd en waarop het bestreden decreet nochtans terugkomt, thans als doelstellingen op lange termijn kwalificeert, en die, terwijl zij verwijst naar de passages uit dat rapport die die doelstellingen als doelstellingen op lange termijn kwalificeren, nalaat om te verwijzen naar passages uit datzelfde rapport waarin de Staten worden verzocht de geluidshinder buiten de woningen te beperken tot een niveau van 60 dB (A) Lmax, teneinde het de omwonenden mogelijk te maken te slapen met het venster op een kier, of waarin wordt aanbevolen strengere maatregelen te nemen, daar gevoeligere personen een betere bescherming nodig hebben. De Waalse Regering laat eveneens na te verwijzen naar de studie die ingenieur Bradley in 2002 heeft uitgevoerd, die de vroegere bepalingen bevestigde, maar eraan toevoegde dat zij het mogelijk zouden maken dat de slaap van de omwonenden niet wordt verstoord, op voorwaarde dat de externe geluidsniveaus de in het plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder vermelde waarden niet overschrijden en de isolatie van de door de omwonenden bewoonde kamers voldoet aan de in datzelfde plan gedefinieerde minimumnormen. De parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet toont eveneens aan dat het Waalse Gewest zich bewust was van het probleem dat de aanneming ervan met zich meebracht. A.17.
  99. De verzoekende partijen geven toe dat sommige studies de mogelijkheid aanvaarden dat de norm van 55 dB (A) (en die van 45 dB (A)) Lmax in de nachtruimten (en in de dagvertrekken) wordt (worden) overschreden, maar dat verantwoordt niet dat het Gewest de in het geding zijnde achteruitgang invoert, temeer omdat op dat gebied een wetenschappelijke onzekerheid heerst, vermits andere studies het tegendeel beweren. In dat opzicht rijst de vraag hoelang het Waalse Gewest, dat nooit een ernstige studie heeft ondernomen alvorens zijn luchthavenbeleid ten uitvoer te leggen, nog verder maatregelen zal aannemen die dat beleid onophoudelijk wijzigen. A.17.
  100. Volgens de verzoekende partijen doet die achteruitgang op verregaande wijze afbreuk aan de eerbiediging van het privé-leven en van de gezinswoning, en schendt hij het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003, dat steunt op het feit dat geen enkele overschrijding is toegestaan. A.17.
  101. De Waalse Regering repliceert in de zaak nr. 3183 dat het bestreden decreet in geen geval een achteruitgang vormt, vermits het de door de W.G.O. aanbevolen geluidsniveaus waarborgt, terwijl de verzoekende partijen de vroegere bepalingen verweten dat zij dat niet deden. De W.G.O.-aanbevelingen zijn duidelijk en werden niet door de Waalse decreetgever geïnterpreteerd, maar het rapport is veel genuanceerder dan wat de verzoekende partijen en mevrouw Berglund beweren. De overschrijdingen van 45 Lmax moeten weliswaar worden beperkt, maar ze zijn niet verboden. De Regering geeft toe dat de Waalse decreetgever, naast de aanbevelingen van de W.G.O., rekening heeft gehouden met studies die vanaf 1995 werden besteld en onderstreept dat de deskundigen zeer grote moeilijkheden ondervinden om « het » geluidsniveau te bepalen (waaronder geen enkele verstoring van de slaap als gevolg van geluidshinder zal worden aanvaard), daar de conclusies van die studies zeer uiteenlopend zijn. Ze zijn echter minder streng dan de aanbevelingen van de W.G.O., waarmee de Waalse decreetgever in het bijzonder rekening heeft gehouden. A.17.
  102. Volgens de Waalse Regering houden de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en die van het Hof van Cassatie in dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, op negatieve wijze, veronderstelt dat de overheid ervan afziet afbreuk te doen aan het erkende recht en, op 25 positieve wijze, veronderstelt dat zij de informatie zo ruim mogelijk verspreidt en concrete maatregelen neemt om de door de inmenging veroorzaakte hinder te beperken. Het bestreden decreet vormt geen inmenging, maar een gewone maatregel die het Waalse Gewest heeft genomen in het kader van zijn positieve verplichtingen om een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de tegengestelde belangen van de maatschappij en de omwonenden van de luchthaven Luik-Bierset. Het Gewest is zijn informatieplicht nagekomen, alsook zijn plicht om begeleidingsmaatregelen aan te nemen, die volgens het arrest Hatton van 8 juli 2003 ressorteren onder de uitgebreide beoordelingsruimte van de Staat. In dat opzicht onderstreept de Regering dat het decreet sinds 1995 werd voorafgegaan door gepaste studies (die veel grondiger zijn dan die welke, volgens het voormelde arrest Hatton, werden uitgevoerd met betrekking tot de luchthaven van Heathrow) en dat de in het decreet overwogen maatregelen, zoals de vroegere maatregelen (die het Hof op grond van artikel 22 van de Grondwet niet heeft afgekeurd), gepast zijn om tegemoet te komen aan de vereisten inzake de bescherming van de gezondheid : zij steunen op grondigere studies dan die welke voor Heathrow zijn uitgevoerd, die veel minder strenge parameters vaststelden dan die waarmee voor Bierset rekening is gehouden. A.17.
  103. Ten aanzien van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 51/2003 (B.5.12) voert de Waalse Regering in de zaak nr. 3183 aan dat het Hof zich niet heeft uitgesproken over de kwestie van de door de isolatiewerken nagestreefde doelstellingen inzake geluid en dus niet heeft geoordeeld dat de keuze voor de Lmax-indicator een kennelijk onredelijke keuze was om reden dat het decreet van 8 juni 2001 geen enkele overschrijding van de geluidsdrempel van 45 dB (A) Lmax in de slaapkamers, na de isolatiewerken, zou toestaan, zoals de verzoekende partijen dat beweren. Voor een dergelijke interpretatie zou het Hof zich noodzakelijkerwijs hebben gebogen over de verschillende beschikbare wetenschappelijke studies, teneinde te bepalen welk extern of intern geluidsniveau niet kon worden overschreden, wat het niet heeft gedaan. Wellicht onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 juni 2001 heeft het Hof onderstreept dat de Lmax-indicator « een bijkomende waarborg [moest] vormen, want met de enkele Ldn-indicator zou het kunnen dat 10 vliegtuigen die zeer lawaaierige nachtvluchten uitvoeren en de omwonenden zeer zeker wekken (zelfs indien hun woningen geïsoleerd zijn) de drempel van Ldn 70 dB (A) niet overschrijden ». De Waalse Regering onderstreept evenwel dat het gaat om een overweging van algemene aard om te illustreren dat het gebruik van het criterium Ldn (of Lden) moet worden gecombineerd met het gebruik van de Lmax-indicator en aldus de externe en interne geluidsniveaus moeten worden beperkt. Om het geluidsniveau, uit

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.