id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.191 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20051214.14 Arrest- Rolnummer: 191/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-19 Raadplegingen: 250 - laatst gezien 2026-07-02 07:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 135, § 1, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer die overeenstemde met zijn vorderingen. - Artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering schendt niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling, mits naleving van de rechten van de verdediging, een persoon ambtshalve in verdenking kan stellen en hem naar de correctionele rechtbank kan verwijzen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 135 en 235 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 135 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 135,§1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 09-12-1808 - 235 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 3480 Arrest nr. 191/2005 van 14 december 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 135 en 235 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 3 februari 2005 in zake het openbaar ministerie tegen F.C. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 februari 2005, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : - « Schendt artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aldus geïnterpreteerd dat het openbaar ministerie een onbeperkt recht van hoger beroep heeft tegen de beschikking van de raadkamer onafhankelijk of het openbaar ministerie al dan niet bekomen heeft wat het gevorderd had voor de raadkamer gelezen in het licht van het algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat een appellant een rechtstreeks en persoonlijk belang moet kunnen aantonen bij het instellen van hoger beroep ? »; - « Schendt artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling eigenmachtig een persoon in verdenking kan stellen die noch door de procureur des Konings, noch door de burgerlijke partij, noch door de onderzoeksrechter als persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan werd beschouwd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens doordat het de betrokken inverdenkinggestelde onmogelijk wordt gemaakt gebruik te maken van de rechten bepaald in de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering terwijl een persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld, van dergelijke rechten wel gebruik kan maken ? »; - « Schendt artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling een persoon die noch door de procureur des Konings, noch door de burgerlijke partij, noch door de onderzoeksrechter als persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan werd beschouwd, eigenmachtig in verdenking kan stellen en naar de correctionele rechtbank verwijzen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens doordat het deze voor de eerste maal door de Kamer van Inbeschuldigingstelling inverdenkinggestelde onmogelijk wordt gemaakt eventuele nietigheden, vormverzuimen of onregelmatigheden voor de Raadkamer en voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling, zoals voorzien bij artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, aan te voeren terwijl een persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld dergelijke dubbele aanleg wel bezit ? »; - « Schendt artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling een persoon die noch door de procureur des Konings, noch door de burgerlijke partij, noch door de onderzoeksrechter als persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan werd beschouwd, eigenmachtig in verdenking kan stellen artikel 13 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens doordat het deze voor de eerste maal door de Kamer van Inbeschuldigingstelling inverdenkinggestelde onmogelijk wordt gemaakt eventuele nietigheden, vormverzuimen of onregelmatigheden voor de Raadkamer en voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling aan te voeren terwijl een persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld dergelijke dubbele aanleg wel bezit en een persoon die door de Kamer van Inbeschuldigingstelling in verdenking wordt gesteld derhalve tegen zijn wil wordt afgetrokken van de Raadkamer ? ». 3 Memories zijn ingediend door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, H.C., N.D., L. D.M., de n.v. V.C. en de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door L. D.M., de n.v. V.C. en de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2005 : - zijn verschenen : . Mr. R. Verstringhe, advocaat bij de balie te Gent, voor N.D.; . Mr. C. De Baets loco Mr. R. Verstraeten, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. P. Van Malleghem, advocaat bij de balie te Gent, voor L. D.M.; . Mr. P. Traest, advocaat bij de balie te Brussel, voor de n.v. V.C.; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de kamer van inbeschuldigingstelling is hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de raadkamer waarbij, overigens op gelijkluidende vordering van de procureur des Konings, één inverdenkinggestelde werd verwezen naar de correctionele rechtbank en vier inverdenkinggestelden buiten vervolging werden gesteld wegens valsheid in geschriften, gebruik van een vals stuk en passieve omkoping. In de vordering die door de procureur-generaal in dat verband is neergelegd, wordt niet alleen de inverdenkingstelling van een zesde persoon gevorderd, maar worden de tenlasteleggingen eveneens uitgebreid, zowel naar de aard ervan (eveneens wegens actieve omkoping) als ten aanzien van de inverdenkinggestelden. Verschillende inverdenkinggestelden betwisten de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat de raadkamer in haar beschikking volledig is ingegaan op de vordering van de procureur des Konings, zowel wat betreft de kwalificaties als wat betreft de verwijzing naar de correctionele rechtbank met aanneming van verzachtende omstandigheden. De kamer van inbeschuldigingstelling stelt vast dat er in de vordering van de procureur-generaal bijkomende tenlasteleggingen zijn, zonder dat er wijzigingen of bijkomende gegevens in het volledige strafdossier zijn opgetreden sedert de oorspronkelijke vordering van de procureur des Konings. Ofschoon de bewoordingen van artikel 135, § 1, van het Wetboek van Strafvordering duidelijk zijn, meent het verwijzende rechtscollege dat die bepaling moet worden gelezen met inachtneming van de fundamentele procesregel dat het aanwenden van een rechtsmiddel vereist dat de betrokken partij een belang heeft. Hieromtrent wordt de eerste prejudiciële vraag gesteld. 4 De voor het eerst in de procedure betrokken zesde persoon, een rechtspersoon, voert aan dat, ofschoon artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering erin voorziet dat in alle zaken de hoven van beroep ambtshalve vervolgingen kunnen gelasten, door het hoger beroep, met uitbreiding van de vordering, de bijkomende inverdenkingstelling haar rechten van verdediging schendt. Zij is immers niet in staat geweest de haar bij de wet van 12 maart 1998 toegekende rechten in het vooronderzoek uit te oefenen vóór de regeling van de rechtspleging. De kamer van inbeschuldigingstelling zou daarom geen onbeperkt recht meer hebben om personen in verdenking te stellen die zich voor de raadkamer niet hebben kunnen verdedigen nopens de hun ten laste gelegde feiten. Alvorens te beslissen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling de drie andere prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A- Wat artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering betreft Standpunt van de Ministerraad A.
- Volgens de Ministerraad bestaan omtrent de draagwijdte van artikel 135, § 1, van het Wetboek van Strafvordering twee interpretaties. Volgens de ene beschikt het openbaar ministerie over een onbeperkt recht om hoger beroep in te stellen, maar wordt aldus de fundamentele regel geschonden dat voor het aanwenden van een rechtsmiddel een juridisch erkend belang nodig is. Volgens een andere stelling mag die bepaling niet letterlijk worden begrepen en moet er een juridisch erkend belang bestaan om een rechtsmiddel aan te wenden. De Ministerraad staat die laatste interpretatie voor, ook al blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het openbaar ministerie tegen alle beschikkingen hoger beroep kan instellen, met inbegrip van de verwijzingsbeschikkingen, zonder dat recht te beperken tot de beslissingen die de uitoefening van de strafvordering verhinderen. De Ministerraad beklemtoont dat het algemeen rechtens vereiste belang van toepassing blijft, ook voor het openbaar ministerie, en dat in de interpretatie op grond waarvan het hoger beroep van het openbaar ministerie aan geen enkel belang meer verbonden is, de bepaling discriminerend zou zijn. Dat standpunt betekent evenwel niet dat het openbaar ministerie nooit hoger beroep zou mogen instellen tegen de beschikking van de raadkamer waarbij het verkregen heeft wat werd gevorderd. Een beschikking van buitenvervolgingstelling maakt immers een einde aan de vervolging, zodat het openbaar ministerie er belang bij heeft hiertegen op te komen, indien het inmiddels, met betrekking tot de buitenvervolgingstelling, tot een ander besluit is gekomen. De inverdenkinggestelden kunnen immers nog steeds hun buitenvervolgingstelling vragen aan de kamer van inbeschuldigingstelling, met volle vrijwaring van hun rechten van verdediging. Het openbaar ministerie moet bij het instellen van het hoger beroep dus nog wel een belang hebben, maar dat belang is niet meer uitsluitend verbonden aan het wegwerken van een verhindering van de strafvordering. Sedert de wet van 12 maart 1998 kan de verhindering van de strafvordering niet meer als het enige criterium voor de beoordeling van de aanwezigheid van het rechtens vereiste belang van het openbaar ministerie worden gehanteerd. In dat opzicht is er ook geen schending van het beginsel van de wapengelijkheid, vermits het vereiste van het belang wordt erkend, ofschoon de concrete invulling daarvan verschillend is gelet op de bijzondere opdracht die het openbaar ministerie in het algemeen belang vervult. Die opdracht wijzigt niet na afloop van het onderzoek, maar blijft bestaan voor de onderzoeks- en de vonnisgerechten. Het is juist dat het algemeen belang kan bestaan zowel in het vervolgen als in het niet vervolgen van personen voor de vonnisgerechten, doch het openbaar ministerie alleen beslist hierover soeverein. Wat de evenredigheid betreft, merkt de Ministerraad op dat het openbaar ministerie slechts een tweede mogelijkheid krijgt om vervolgingen te vorderen, maar dat de inverdenkinggestelden al hun rechten van verdediging behouden, zodat bezwaarlijk tot onevenredigheid kan worden besloten. Van een schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake omdat het openbaar ministerie zich niet ten opzichte van de andere partijen verbindt om zijn standpunt niet te wijzigen. Zekerheid kan er overigens nooit bestaan zolang de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, niet is verstreken. 5 Standpunt van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent A.
- Volgens de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord omdat niet precies wordt aangegeven wie op welke wijze wordt gediscrimineerd ten aanzien van een andere categorie van personen. Verder wijst hij op de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling, in het licht van de feiten van de zaak en van het verloop van de procedure waarbij hoger beroep werd ingesteld op vordering van zijn ambt. Ten onrechte wordt ervan uitgegaan dat elke appellant steeds een rechtstreeks en persoonlijk belang moet aantonen bij het instellen van hoger beroep. Het openbaar ministerie is ter zake niet aan dezelfde regels of beginselen onderworpen als alle andere partijen in het strafproces. De procureur des Konings dient hoger beroep in te stellen tegen de beschikkingen die de strafvordering benadelen of stremmen, en ze dus geheel of gedeeltelijk verhinderen, wat zeker het geval is wanneer bezwaren blijken te bestaan tegen personen ten aanzien van wie de procureur des Konings heeft nagelaten de verwijzing naar het vonnisgerecht te vorderen. Het openbaar ministerie kan tijdens de regeling van de rechtspleging steeds zijn standpunt aanpassen, wat niet wordt betwist, en a fortiori wanneer de procureur-generaal een strafdossier anders beoordeelt dan de procureur des Konings. De ondeelbaarheid van het openbaar ministerie bestaat immers in principe niet voor parketten bij verschillende gerechten. Standpunt van de inverdenkinggestelde N.D. A.
- Inverdenkinggestelde N.D. wijst erop dat de inverdenkinggestelde geen beroep kan instellen tegen een beschikking van de raadkamer indien hij geen belang kan aantonen, bijvoorbeeld wanneer hij buiten vervolging wordt gesteld omdat er te zijnen aanzien geen reden tot vervolging is. Het openbaar ministerie voert evenwel aan dat het in alle omstandigheden het recht heeft beroep in te stellen zonder te moeten aantonen dat de beschikking van de raadkamer hem nadeel berokkent. Het is dan ook strijdig met het gelijkheidsbeginsel dat het openbaar ministerie wel beroep kan instellen tegen een beslissing die nochtans overeenkomstig zijn vordering is genomen en dat het bijgevolg niet van enig belang kan getuigen. Standpunt van de inverdenkinggestelde L. D.M. A.
- Inverdenkinggestelde L. D.M. wijst op de algemene draagwijdte van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, dat het instellen van een rechtsvordering onderwerpt aan de voorwaarde van een belang van de eiser bij het instellen van de vordering. Die bepaling geldt eveneens bij de aanwending van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing. In strafzaken wordt het beginsel van het belang op dezelfde wijze toegepast ten aanzien van de burgerlijke partij, zowel voor de onderzoeksgerechten als voor de vonnisgerechten. Het verschil in behandeling tussen de burgerlijke partij en het openbaar ministerie schendt het gelijkheidsbeginsel. Het verschil in behandeling tussen de burgerlijke partij en het openbaar ministerie berust niet op een relevant of pertinent onderscheidingscriterium. Ook het openbaar ministerie dient, na afsluiting van het onderzoek, bij zijn optreden voor het onderzoeks- en vonnisgerecht te worden beschouwd als een daadwerkelijke procespartij. Het openbaar belang valt op procesrechtelijk vlak samen met het rechtstreeks en persoonlijk belang van het openbaar ministerie, dat de ontvankelijkheid van de rechtsvordering, en in het bijzonder van de rechtsmiddelen van het openbaar ministerie determineert. Het belang van de maatschappij wordt overigens niet noodzakelijk gediend door het feit dat alle zaken voor het vonnisgerecht worden gebracht; soms heeft een samenleving er ook belang bij dat een zaak wordt geseponeerd of dat een inverdenkinggestelde buiten vervolging wordt gesteld, wanneer er geen of onvoldoende elementen zijn die wijzen op het bestaan van een misdrijf of bepaalde omstandigheden een dagvaarding voor de strafrechter inopportuun maken. Ten slotte is ook de structuur van het openbaar ministerie geen relevant criterium vermits het openbaar ministerie één en ondeelbaar is en het in beginsel de procureur des Konings en niet de procureur-generaal toekomt om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de raadkamer. Zelfs wanneer het onderscheidingscriterium objectief en pertinent zou zijn, dan nog is de maatregel onevenredig met de beoogde doelstelling. Het algemeen belang vereist niet dat elke inverdenkinggestelde voor een vonnisgerecht wordt gebracht noch dat elke beklaagde wordt veroordeeld. Er is geen dwingende noodzaak om, in naam van het algemeen belang, voor het openbaar ministerie een uitzondering te maken op artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek door het openbaar ministerie de mogelijkheid te geven hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling die op vordering van het openbaar ministerie zelf 6 is gewezen. Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel staan eraan in de weg dat het openbaar ministerie, na afsluiting van het onderzoek, eerst oordeelt dat er geen bezwaren bestaan om te verwijzen, en vervolgens dat oordeel herziet en het rechtsmiddel van hoger beroep aanwendt. Die mogelijkheid gaat in tegen het in de artikelen 128 en 246 van het Wetboek van Strafvordering vervatte beginsel dat het bestaan van nieuwe bezwaren is vereist om op een beslissing van buitenvervolgingstelling terug te komen. A.
- De argumenten die de Ministerraad aanhaalt, overtuigen die partij niet. Een tweede lezing van het dossier zou ook als argument kunnen worden aangevoerd door de andere partijen voor het onderzoeksgerecht ter staving van hun hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer waarbij hun vordering werd ingewilligd. Bovendien kan een beschikking tot buitenvervolgingstelling evenzeer als een beschikking tot verwijzing het algemeen belang dienen. Een beschikking tot buitenvervolgingstelling levert ipso facto niet het vereiste belang op omdat ze een einde maakt aan de vervolging. Na afsluiting van het onderzoek, zoals te dezen, is er geen reden om het openbaar ministerie anders te behandelen dan een andere procespartij in het geding. Dat de inverdenkinggestelde zijn rechten van verdediging ten volle kan uitoefenen voor de kamer van inbeschuldigingstelling, doet niet ter zake. De regel dat elke partij in hoger beroep zich opnieuw kan verdedigen, heeft de wetgever en de rechtscolleges niet belet om de mogelijkheden van hoger beroep te beperken tot de gevallen waarin een procespartij door de beslissing van de eerste rechter werd geschaad doordat zij niet heeft verkregen wat zij had gevraagd. A.
- Die partij verwerpt ook uitdrukkelijk het standpunt van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent. Zij erkent dat het parket-generaal, op basis van artikel 274 van het Wetboek van Strafvordering, bij het parket kan tussenkomen en opdrachten kan geven om te vervolgen, doch dat verantwoordt geenszins dat aan het openbaar ministerie meer mogelijkheden tot het instellen van hoger beroep worden verleend. De ondeelbaarheid van het openbaar ministerie vereist dat het openbaar ministerie bij het hoger gerecht tijdig moet optreden, in casu vóór de uitspraak van de raadkamer. Volgens die partij is het ook voldoende duidelijk dat de situatie van het openbaar ministerie moet worden vergeleken met die van elke andere appellant, op wie het vereiste van een belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het instellen van hoger beroep van toepassing is. Het belang van het openbaar ministerie als appellant tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling hangt enkel af van de vraag wat de procureur des Konings voor de raadkamer heeft gevorderd, en niet van de vraag of die vordering al dan niet strookte met het dossier. Zodra het onderzoek is afgerond, en zowel de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie als de raadkamer dat onderzoek volledig hebben geacht, verzet niets zich ertegen dat een definitief standpunt wordt ingenomen. Standpunt van de inverdenkinggestelde H.C. A.
- Inverdenkinggestelde H.C. sluit zich aan bij de memorie van de partij L. D.M. en wijst verder in het bijzonder naar het beginsel van de wapengelijkheid, dat in het strafprocesrecht een fundamentele waarborg is. Dat beginsel waarborgt dat elke partij in het geding een redelijke kans moet krijgen om haar zaak voor de rechter uiteen te zetten in omstandigheden die haar niet in een nadelige positie plaatsen tegenover de tegenpartij, dat er een processuele gelijkheid bestaat tussen de vervolgende partij en de vervolgde, en dat aan geen enkele partij een voordeel mag worden toegekend waarover de andere partij niet kan beschikken. Wat artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering betreft Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad voert aan dat de inverdenkinggestelden steeds inzage kunnen hebben in de stukken van het dossier dat hen aanbelangt, zelfs voor de kamer van inbeschuldigingstelling, en dat zij steeds bijkomende onderzoeksmaatregelen kunnen vorderen. Uit artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering blijkt ook dat de kamer van inbeschuldigingstelling alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden die aan de raadkamer kunnen worden voorgelegd, kan onderzoeken en vernietigen, alsook alle dergelijke gebreken die aan de verwijzingsbeslissing zouden kleven, zelfs ambtshalve, aangezien zij een volledig toezicht op het gerechtelijk onderzoek moet uitoefenen en zelfs een zaak naar zich kan toetrekken. 7 Verder herinnert de Ministerraad eraan dat er geen algemeen rechtsbeginsel van dubbele aanleg bestaat en dat het in artikel 14.5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten opgenomen beginsel niet van toepassing is in de fase van de regeling van de rechtspleging. Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is kennelijk vreemd aan de voorliggende zaak en artikel 6 van hetzelfde Verdrag is niet noodzakelijk geschonden door gebreken in de onderzoeksfase indien de beperkingen in die fase later efficiënt worden gecompenseerd. Er is ten slotte ook geen sprake van onttrekking aan de bevoegde rechter aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling alle bevoegdheden van de raadkamer - en meer - kan uitoefenen. Tot slot laat de Ministerraad gelden dat de situatie van de persoon die voor het eerst voor de kamer van inbeschuldigingstelling wordt vervolgd, hoe dan ook gunstiger is dan de situatie van de persoon die rechtstreeks voor het vonnisgerecht wordt gedagvaard, terwijl nergens wordt gesteld dat de rechtstreekse dagvaarding door het parket of de burgerlijke partij, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou schenden. Standpunt van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent A.
- De tweede, de derde en de vierde vraag betreffen de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om een persoon in verdenking te stellen die niet door de onderzoeksrechter, het onderzoek of een vordering van de procureur des Konings in verdenking werd gesteld. Volgens de procureur- generaal zijn de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ter zake niet dienend, dat laatste omdat het niet van toepassing is op onderzoeksgerechten. Hij wijst erop dat iemand ook ambtshalve door de procureur des Konings als verdachte bij het strafproces kan worden betrokken wanneer hij op basis van het dossier oordeelt dat er voldoende bezwaren bestaan om een verdachte naar het vonnisgerecht te laten verwijzen, in welk geval die persoon evenmin tijdens het gerechtelijk onderzoek een beroep kan doen op de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering. Die partij merkt op dat alle personen - zoals te dezen diegenen van wie de inverdenkingstelling voor het eerst wordt gevorderd - inzage kunnen hebben van hun dossier en aanvullende onderzoeksdaden kunnen vragen aan de kamer van inbeschuldigingstelling, die erover moet waken dat de rechten van verdediging van elkeen naar behoren kunnen worden uitgeoefend. A.
- Met betrekking tot de derde prejudiciële vraag wijst de procureur-generaal erop dat, voor zover wordt aangevoerd dat de voor het eerst voor de kamer van inbeschuldigingstelling in verdenking te stellen persoon voor de raadkamer geen nietigheden, vormverzuimen of onregelmatigheden in de zin van artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering kan aanvoeren, die persoon zich kan beroepen op artikel 235bis, § 6, van hetzelfde Wetboek, dat inzake nietigverklaring van handelingen, aangetast door vormverzuimen of onregelmatigheden, op verschillende punten een nog ruimere rechtsbescherming biedt. Het recht op dubbele aanleg maakt bovendien geen algemeen rechtsbeginsel uit. A.
- Ten slotte is die partij van oordeel dat artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering geen schending uitmaakt van artikel 13 van de Grondwet. Artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering geeft de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid om ambtshalve vervolgingen in te stellen, zodat zij de strafvordering kan uitbreiden tot personen die nog geen verdachte waren, door hen in verdenking te stellen, wat een bijkomende waarborg inhoudt voor het recht op een behoorlijke rechtsbedeling ten opzichte van iedereen. Artikel 13 van de Grondwet, dat aan eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt, het recht waarborgt om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht, komt niet in het gedrang, nu allen die - op welke wijze zij ook zijn verwezen - als inverdenkinggestelde voor het vonnisgerecht verschijnen, op precies dezelfde wijze hun verdediging kunnen voeren, zelfs diegene die, in geval van een opsporingsonderzoek, rechtstreeks door het openbaar ministerie voor het vonnisgerecht wordt gedagvaard. Standpunt van de n.v. V.C. A.
- De n.v. V.C. is van oordeel dat de vergelijking moet worden gemaakt tussen de persoon die voor het eerst voor de kamer van inbeschuldigingstelling wordt gebracht, en de persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking wordt gesteld en die, vóór de regeling van de rechtspleging, inzage in zijn dossier kan vragen en bijkomende onderzoeksdaden kan vorderen. 8 A.
- Er bestaat volgens die partij geen redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling tussen de personen die door de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering naar de correctionele rechtbank worden verwezen, en de tijdens het gerechtelijk onderzoek in verdenking gestelden die, anders dan eerstgenoemden, de in de artikelen 61ter en 61quinquies van hetzelfde Wetboek vermelde rechten kunnen laten gelden tijdens dat onderzoek en de loop ervan kunnen beïnvloeden. In het kader van het wetgevende streven naar gestage invulling van het recht van verdediging kan artikel 235 niet op absolute wijze gelden. In geen geval is die bepaling een grond om de toepassing van de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering te ontzeggen aan de rechtzoekende. De rol van de kamer van inbeschuldigingstelling om controle uit te oefenen op het verloop van het gerechtelijk onderzoek vormt geen redelijke verantwoording om afbreuk te doen aan de rechtsgoederen van de waarheidsvinding en de bescherming van de rechten van de inverdenkinggestelde. Bovendien kan de inverdenkingstelling van een persoon die voorheen nog niet als een verdachte is aangewezen, op grond van artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering zeker niet redelijk verantwoord worden geacht indien die enkel steunt op een andere appreciatie van een volstrekt ongewijzigd dossier, zodat minstens in die mate de voormelde grondrechten zijn geschonden. A.
- Op identieke argumenten besluit die partij tot schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie door artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering, doordat de inverdenkinggestelde niet meer de mogelijkheid heeft om zowel voor de raadkamer als voor de kamer van inbeschuldigingstelling nietigheden, vormverzuimen of onregelmatigheden aan te voeren en derhalve een dubbele aanleg ontbeert. Zij is verstoken gebleven van de dubbele aanleg bij de beoordeling van onregelmatigheden en vormverzuimen overeenkomstig artikel 127 van het Wetboek van Strafvordering. A.
- De inverdenkingstelling overeenkomstig artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering heeft tot gevolg dat de inverdenkinggestelde de mogelijkheid ontbeert om reeds voor de raadkamer onregelmatigheden, vormverzuimen en nietigheden aan te voeren, waardoor hij tegen zijn wil wordt afgetrokken van de raadkamer en artikel 13 van de Grondwet wordt geschonden. A.
- Inverdenkinggestelde H.C. heeft zich bij het standpunt van de n.v. V.C. aangesloten. -B- Wat artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering betreft B.
- De eerste prejudiciële vraag betreft artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en waarvan de eerste paragraaf bepaalt : « Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer ». De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer zij aldus wordt geïnterpreteerd dat het openbaar ministerie een onbeperkt recht van hoger beroep heeft tegen een beschikking van de raadkamer, zelfs wanneer het heeft verkregen wat het had gevorderd voor de raadkamer, en 9 dit in het licht van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een appellant een rechtstreeks en persoonlijk belang moet kunnen aantonen. B.
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geval waarin door het openbaar ministerie hoger beroep wordt ingesteld tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de raadkamer die overeenstemde met zijn vorderingen. B.
- Tussen het openbaar ministerie, enerzijds, en de andere partijen in een strafproces, anderzijds, bestaat een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : het openbaar ministerie vervult, in het belang van de gemeenschap, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van de misdrijven (artikelen 22 tot 47bis van het Wetboek van Strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl de andere partijen hun persoonlijk belang verdedigen. B.
- De specifieke situatie van het openbaar ministerie biedt een redelijke verantwoording voor het feit dat, wanneer het onderzoek eindigt met een beschikking van buitenvervolgingstelling die een einde maakt aan de strafvordering waarmee het openbaar ministerie is belast, dit laatste bij de uitoefening van zijn wettelijke opdracht in hoger beroep onder meer het bestaan kan doen gelden van bezwaren die het voldoende acht om de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht te verwijzen, terwijl de inverdenkinggestelde niet over hetzelfde rechtsmiddel beschikt tegen een verwijzingsbeschikking. De beschikking van buitenvervolgingstelling maakt immers een einde aan de strafvordering en het openbaar ministerie kan ze enkel hervatten door de heropening van het onderzoek te vorderen wegens nieuwe bezwaren. De verwijzingsbeschikking biedt de inverdenkinggestelde daarentegen de mogelijkheid al zijn verweermiddelen voor de feitenrechter te doen gelden. B.
- De aard van de belangen die het openbaar ministerie verdedigt, verantwoordt eveneens dat zijn beroep ontvankelijk is, zelfs wanneer de beschikking van de raadkamer die het aanvecht, overeenstemt met zijn vorderingen. Bovendien voeren de leden van het openbaar ministerie hun opdrachten uit onder gezag van de procureur-generaal bij het hof van 10 beroep, waarbij zij toch de onafhankelijkheid genieten die hun bij artikel 151, § 1, van de Grondwet wordt gewaarborgd, zodat niet ervan kan worden uitgegaan dat het standpunt van een van zijn leden wordt opgelegd aan de andere leden van het openbaar ministerie, noch, meer bepaald, dat dit standpunt de procureur-generaal verhindert de leidinggevende functie die hem door het Gerechtelijk Wetboek is toevertrouwd, uit te oefenen. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering betreft B.
- De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag hebben betrekking op artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt : « In alle zaken kunnen de hoven van beroep, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort ». De prejudiciële vragen strekken ertoe van het Hof te vernemen of die bepaling, geïnterpreteerd in die zin dat de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve een persoon in verdenking kan stellen die noch door de procureur des Konings, noch door de burgerlijke partij, noch door de onderzoeksrechter als persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan werd beschouwd, en dat zij die persoon naar de correctionele rechtbank kan verwijzen, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat de betrokken inverdenkinggestelde geen gebruik zou kunnen maken van de rechten bepaald in de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering terwijl een persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld, van dergelijke rechten wel gebruik zou kunnen maken, doordat hij eventuele nietigheden, vormverzuimen of onregelmatigheden niet voor de raadkamer én voor de kamer van inbeschuldigingstelling zou kunnen aanvoeren terwijl een persoon die door de onderzoeksrechter in verdenking werd gesteld een dergelijke dubbele aanleg wel bezit, en doordat hij aldus tegen zijn wil zou worden afgetrokken van de raadkamer. 11 B.
- Op grond van de in het geding zijnde bepaling kan de kamer van inbeschuldigingstelling, anders dan de raadkamer, een persoon die noch door de procureur des Konings, noch door de burgerlijke partij in het geding is geroepen, en die niet door de onderzoeksrechter als verdachte werd beschouwd, ambtshalve in verdenking stellen. De toekenning van ruime bevoegdheden aan de kamer van inbeschuldigingstelling, met inbegrip van het ambtshalve in verdenking stellen van bepaalde personen, is een maatregel die een proceseconomische benadering van de regeling van de rechtspleging mogelijk maakt, wat het meest wordt beklemtoond door haar evocatierecht. Die benadering bestaat erin dat het onderzoeksgerecht in hoger beroep, met inachtneming van de rechten van de verdediging, oordeelkundig kan beslissen of een persoon al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen. Een persoon kan door de kamer van inbeschuldigingstelling slechts mits naleving van de rechten van de verdediging ambtshalve in verdenking worden gesteld. Aldus worden de persoon die mogelijk in verdenking zal worden gesteld en diens raadsman in kennis gesteld van de zitting, wordt hun het dossier ter beschikking gesteld en worden zij gehoord (artikelen 135, § 3, en 223 van het Wetboek van Strafvordering). De kamer van inbeschuldigingstelling kan overigens alle bevoegdheden van de raadkamer uitoefenen, zoals onder meer het onderzoek van de regelmatigheid van de procedure, waartoe zij zelfs ambtshalve kan overgaan, met inbegrip van het zuiveren van het dossier van eventuele nietigheden (artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering). Bovendien beschikt de kamer van inbeschuldigingstelling over bevoegdheden die de raadkamer niet heeft, zoals de bevoegdheid om nieuwe onderzoekingen te bevelen (artikel 228, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). Door de gelijkwaardige mogelijkheden die de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling biedt, worden op voldoende wijze de nadelen gecompenseerd die voortvloeien uit het feit dat de partij die niet als verdachte of inverdenkinggestelde is betrokken bij een gerechtelijk onderzoek, niet de mogelijkheid heeft gehad om, bij toepassing van de artikelen 61ter en 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering, de onderzoeksrechter te verzoeken om inzage in het dossier en om het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen. 12 B.
- Het Hof dient de in het geding zijnde bepaling nog te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Hof ziet niet in waarin de schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou kunnen bestaan, aangezien die bepaling uitsluitend waarborgen inzake vrijheidsberoving door aanhouding of gevangenhouding bevat. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt eenieder het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. In zoverre die bepaling aan eenieder waarborgen biedt in het stadium voordat de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig is gemaakt, dient te worden vastgesteld dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met voormeld artikel 6, niet wordt geschonden. Uit B.8 blijkt immers dat geen van de vereisten die door dat artikel 6 worden opgelegd, zijn miskend, miskenning waardoor het eerlijk karakter van het proces ten gronde ernstig in het gedrang zou worden gebracht. B.
- Wanneer de wetgever in het rechtsmiddel van hoger beroep voorziet, mag hij geen discriminerende voorwaarden stellen en moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen. Uit overweging B.8 blijkt dat de wetgever op geen enkele wijze het eerlijk verloop van de procedure in het gedrang heeft willen brengen en dat de maatregel van ambtshalve inverdenkingstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling een pertinente maatregel is die geen onevenredige gevolgen heeft voor de personen op wie hij wordt toegepast. B.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». 13 Uit artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering vloeit voort dat de wetgever om proceseconomische redenen niet voor elkeen de toegang tot de raadkamer als onderzoeksgerecht waarborgt en dat hij derhalve de ambtshalve inverdenkingstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling mogelijk maakt. Nu is gebleken dat hij hierbij op geen enkele wijze het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft geschonden en dat hij een niet onverantwoorde maatregel heeft genomen, is er evenmin een schending van artikel 13 van de Grondwet. B.
- De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag dienen ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 135, § 1, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer die overeenstemde met zijn vorderingen. - Artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering schendt niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling, mits naleving van de rechten van de verdediging, een persoon ambtshalve in verdenking kan stellen en hem naar de correctionele rechtbank kan verwijzen. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 december
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div