← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.009 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060118.12 Arrest- Rolnummer: 9/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-30 14:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vorderingen tot gedeeltelijke schorsing van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door E. Rector en anderen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-2005 - 53 ELI link Pub nr 2005000427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3797, 3798, 3799, 3800, 3801 en 3802 Arrest nr. 9/2006 van 18 januari 2006 In zake : de vorderingen tot gedeeltelijke schorsing van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door E. Rector en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 27 oktober 2005 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 31 oktober 2005, zijn vorderingen tot gedeeltelijke schorsing ingesteld van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, tweede uitgave) door E. Rector, wonende te 3370 Boutersem, Leuvensesteenweg 158, J. Renders, wonende te 3370 Boutersem, Waversesteenweg 70, K. Suykerbuyck, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, ’s-Gravenhagestraat 34, R. Roelandt, wonende te 8957 Mesen, Oud Kerkhofstraat 9, K. Maebe, wonende te 8210 Zedelgem, Ruddervoordestraat 58, en W. Meynaerts, wonende te 1980 Zemst, Lindestraat

  1. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van voormelde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3797, 3798, 3799, 3800, 3801 en 3802 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij beschikking van 23 november 2005 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 14 december 2005, na te hebben gezegd dat de eventuele schriftelijke opmerkingen van de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vermelde autoriteiten ter griffie dienden toe te komen uiterlijk op 9 december
  2. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. W. Van Betsbrugge, advocaat bij de balie te Leuven, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3797 en 3798; . Mr. M. Van Bever en Mr. I. Durnez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3799, 3800, 3801 en 3802; . Mr. L. Schellekens, advocaat bij de balie te Brussel, en M. Demesmaeker, directeur bij de federale politie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.
  3. In hun hoedanigheid van houder van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie vorderen de verzoekende partijen de schorsing van een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. In de zaken nrs. 3797 en 3798 zijn de vorderingen gericht tegen - geheel of gedeeltelijk - de artikelen 13, 15, 17, 20 en 48, 2° en 5°, en in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 tegen de artikelen 13, 15, 17, 19 tot en met 31 van de voormelde wet. Wat betreft de ontvankelijkheid A.2.
  4. De Ministerraad is van oordeel dat de vordering tot schorsing in de zaak nr. 3800 niet ontvankelijk is. In die zaak bekritiseert de verzoekende partij haar inschaling als enige veldwachter en is zij van oordeel dat zij had moeten worden ingeschaald in het officierskader. De Ministerraad betoogt evenwel dat de inschaling als enige veldwachter geenszins bij de bestreden wet van 3 juli 2005 is geregeld, zodat de vordering tot schorsing, in zoverre zij gericht is tegen de inschaling als enige veldwachter, niet ontvankelijk is. A.2.
  5. De Ministerraad betoogt dat het middel, afgeleid uit een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, - geheel of gedeeltelijk - niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging ervan of hun belang niet voldoende aantonen. A.3.
  6. In de zaken nrs. 3797 en 3798 wijzen de verzoekende partijen erop dat zij als brevethouders van de voormalige gemeentepolitie niet automatisch de graad van officier verwerven vanaf 1 april 2001 en evenmin in hun standplaats als commissaris werden benoemd. Volgens die partijen voorzien de bestreden bepalingen enkel in de mogelijkheid om te solliciteren naar een betrekking als commissaris, op voorwaarde evenwel dat daarvoor vacatures te begeven zijn. A.3.
  7. In de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een aantal discriminaties invoeren ten gevolge waarvan hun situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. Volgens hen worden zij benadeeld door de wijze waarop zij in de nieuwe politiestructuur worden geïntegreerd, inzonderheid door de wijze van valorisatie van het brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie. Wat betreft de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof A.4.
  8. Alle verzoekende partijen verwijzen naar het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli
  9. In dat arrest werd onder meer vernietigd : artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), van het bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. Zij wijzen erop dat het thans bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 identiek is aan het voormelde door het Hof vernietigde artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a). A.4.
  10. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3797 en 3798 zijn van oordeel dat aldus de vernietigde norm volledig wordt hersteld met ingang van 1 april 2001; krachtens artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 heeft artikel 20 van die wet immers vanaf die datum uitwerking en zulks tot en met 31 maart
  11. Op 1 april 2006 zal dan krachtens artikel 48, 5°, van de wet van 3 juli 2005 artikel 21 van die wet, waarbij artikel XII.VII.15 wordt vervangen, in werking treden. Volgens die partijen miskent artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 bijgevolg het arrest nr. 102/
  12. A.4.
  13. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 betogen dat de wet van 3 juli 2005 het arrest nr. 102/2003 schendt, in zoverre in die wet nog steeds in een discriminerende behandeling van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie wordt voorzien : zij kunnen slechts in het kader van de mobiliteit als officier worden ingeschaald (en dan nog in zoverre er vacatures te begeven zijn), zulks in 4 tegenstelling tot de geslaagden van de voormalige gerechtelijke politie. Volgens die partijen dienen de bestreden bepalingen dan ook op grond van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 te worden geschorst, in zoverre zij die discriminatie opnieuw invoeren. Het betreft volgens die partijen « onder meer » de artikelen 13, 17, 20 en 24 van de wet van 3 juli
  14. A.
  15. De Ministerraad erkent dat het bestreden artikel 20 identiek is aan een eerder vernietigde bepaling, maar hij wijst erop dat die bepaling in het kader past van een volledig nieuwe regeling, die tegemoetkomt aan de grondwettigheidskritiek van het Hof. In dat verband herinnert de Ministerraad aan de substantiële uitbreiding van de valorisatie van de brevetten. Het herstelde artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, a), RPpol, bevat thans, in tegenstelling tot de vroegere regeling, een bijkomende valorisatiemogelijkheid. Gelet op de manifeste verschillen tussen de huidige en de vroegere regeling is er volgens de Ministerraad geen sprake van een identieke of soortgelijke bepaling. In ondergeschikte orde voegt de Ministerraad daaraan toe dat artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 enkel wordt opgeworpen om de schorsing van het bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 te verantwoorden. Zulks ontslaat de verzoekende partijen geenszins van hun verplichting om, overeenkomstig artikel 20, 1°, van de voormelde bijzondere wet, aan te tonen dat de uitvoering van de overige bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Wat betreft de toepassing van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof A.
  16. Afgezien van het feit dat een aantal bestreden bepalingen op grond van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dienen te worden geschorst, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de onmiddellijke uitvoering van alle bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen. Aangezien zij tevens ernstige middelen aanvoeren, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de bestreden bepalingen hoe dan ook op grond van artikel 20, 1°, van de voormelde bijzondere wet dienen te worden geschorst. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.7.
  17. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3797 en 3798 betogen in essentie dat, wanneer de bestreden bepalingen niet worden geschorst, zij als houder van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie hun kansen op bevorderingen en op verdere benoeming tot zonechef verliezen. Zij wijzen erop dat zij, zonder schorsing van de bestreden bepalingen, na 1 april 2006 geen kans meer maken op bevorderingen, zelfs niet in het kader van de mobiliteit, aangezien ten gevolge van het systeem van « de rode loper » alle eventuele vacatures zullen zijn ingevuld, ook door personen die niet eens over een brevet van officier beschikken. A.7.
  18. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 voeren aan dat ten gevolge van de onmiddellijke toepassing van de bestreden wet en ten gevolge van onder meer het systeem van « de rode loper », de aanstellingen en de mobiliteitsregeling, zij hun enige kans op « bevordering » (inschaling in het kader van de officieren) verliezen, aangezien zij enkel in het kader van de mobiliteitsregeling officier kunnen worden. Uit de concrete gegevens die de verzoekende partijen voorleggen blijkt dat er voor hen geen vacante betrekking meer zal zijn in het kader van de mobiliteit. Zelfs indien zulks wel het geval zou zijn, quod non, zullen zij dienen te verhuizen, met alle bijkomende kosten die hiermee gepaard gaan. Bovendien zullen zij een aanzienlijk financieel nadeel lijden. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3801 en 3802 voeren daarenboven aan dat zij, als leden van het basiskader, enkel de mobiliteitsregeling kunnen genieten indien zij 12 jaar kaderanciënniteit hebben (bestreden artikel 17), terwijl zij voorheen onmiddellijk naar een vacature van politieofficier konden solliciteren. A.8.
  19. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan. Volgens hem beperken de verzoekende partijen zich tot vage en algemene beweringen, zonder in hun verzoekschriften duidelijk en concreet aan te geven waarin precies zulk een nadeel zou zijn gelegen. Evenmin tonen de verzoekende partijen volgens de Ministerraad aan dat een onmiddellijke uitspraak van het Hof onontbeerlijk zou zijn en dat een vernietiging van de bestreden bepalingen niet zou volstaan om aan de verzoekende partijen een voldoende herstel van het beweerde nadeel te waarborgen. De 5 Ministerraad wijst er nog op dat de door de bestreden wet uitgewerkte valorisatiemechanismen geenszins de bevorderingskansen van de verzoekende partijen beperken. A.8.
  20. In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat de schorsingsbevoegdheid van het Hof een facultatief karakter heeft, zodat het Hof in voorkomend geval kan overgaan tot een belangenafweging bij de beoordeling of al dan niet tot schorsing moet worden besloten. De Ministerraad is van oordeel dat de schorsing van de bestreden bepalingen geenszins verantwoord is, gelet op de onevenredige gevolgen ervan. De retroactieve benoeming van de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie tot het officierskader, zoals door de verzoekende partijen wordt gevraagd, zou enorme budgettaire en functionele gevolgen hebben. In totaal zouden immers zo’n 3.000 bijkomende personeelsleden tot commissaris moeten worden benoemd. Ernstige middelen Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.9.
  21. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3797 en 3798 voeren een enig middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij verwijzen naar het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004, waaruit blijkt dat de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie op gelijke wijze moeten worden behandeld als de geslaagden bij de gerechtelijke politie voor het examen voor bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris (overweging B.41.5.2 van het voormelde arrest). Die partijen zijn van oordeel dat de bestreden regeling de door het Hof vastgestelde discriminatie niet opheft. Die discriminatie wordt volgens die partijen niet verholpen door thans erin te voorzien dat in het kader van de mobiliteit naar een eventuele vacature kan worden meegedongen en dat bepaalde faciliteiten inzake bevorderingsmogelijkheden voor de toekomst worden geboden die bovendien louter hypothetisch zijn (bestreden artikelen 13, 15 en 17). Voorts wijzen zij erop dat het bestreden artikel 20 de door het Hof vastgestelde discriminatie overneemt en dat artikel 21 het voormelde artikel 20 vervangt met ingang van 1 april
  22. De enige manier om de discriminatie op te heffen bestaat volgens die partijen erin te voorzien in de bevordering tot commissaris van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie in hun standplaats vanaf 1 april
  23. A.9.
  24. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 voeren twee middelen aan. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens die partijen worden de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie immers door de bestreden bepalingen op tal van vlakken gediscrimineerd. Nu de geslaagden van de voormalige gerechtelijke politie opnieuw automatisch in het officierskader worden ingeschaald, zijn die partijen van oordeel dat ook het brevet van officier van de gemeentepolitie automatisch dient te worden gevaloriseerd en zulks met ingang van 1 april
  25. Zij wijzen erop dat de valorisatieregels (bestreden artikelen 15 en 17) weliswaar een schuchtere stap in de goede richting zijn, doch dat in de praktijk die regels geen oplossing bieden, aangezien ze niet tot een daadwerkelijke benoeming in het officierskader zullen leiden. Immers, de mogelijkheden om in het kader van de mobiliteit te solliciteren, zijn volgens die partijen louter theoretisch, nu er geen vacatures meer te begeven zullen zijn ten gevolge van het systeem van « de rode loper », de aanstellingen en de vastgestelde quota (bestreden artikelen 21 tot en met 26). Die partijen beklemtonen dat het niet hun bedoeling is de voormelde bepalingen vernietigd te zien in zoverre daarin aan de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie rechten worden toegekend. Zij wensen enkel die bepalingen in die zin aangepast te zien dat die brevethouders van de gemeentepolitie automatisch worden ingeschaald in het officierenkader (loonschaal O2) vanaf 1 april
  26. Voorts klagen die partijen nog een aantal andere discriminaties aan die door de bestreden bepalingen worden ingevoerd. 6 A.10.
  27. De Ministerraad betoogt dat de bestreden bepalingen geen schending inhouden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In dat verband verwijst hij naar de drie principes die de wetgever bij de redactie van de bestreden wet voor ogen stonden :

(1)de voorgestelde oplossingen moesten een afdoend antwoord bieden op de door het Hof vastgestelde discriminaties;
(2)er werd gepoogd om bij de overgang van de leden van de drie oorspronkelijke korpsen naar een geïntegreerde politie en bij hun inschaling in de nieuwe graden en weddeschalen de in 2001 bereikte evenwichten te handhaven of te herstellen;
(3)ten slotte werd gekozen voor oplossingen die budgettair aanvaardbaar waren. De Ministerraad herinnert er nog aan dat oplossingen die tot extreme statuutwijzigingen zouden leiden, werden vermeden omdat zij rampzalige gevolgen zouden hebben voor de goede werking en organisatie van de diensten. Dergelijke wijzigingen zouden volgens hem de gevoelige evenwichten van het systeem in het gedrang kunnen brengen. A.10.2. Wat de beweerde discriminatie betreft tussen de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie en de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de gerechtelijke politie, betoogt de Ministerraad dat beide categorieën, dankzij de bestreden wetswijziging, hun vroegere rechten behouden, zodat zij op gelijke wijze worden behandeld. De voormelde geslaagden werden volgens de Ministerraad, gelet op de toenmalige reële encadreringsbehoeften van de gerechtelijke politie, net zoals vroeger, aansluitend benoemd in de graad van commissaris. De houders van het brevet van officier van gemeentepolitie kunnen nu, net zoals vroeger, hun brevet verzilveren via mobiliteit. Bovendien bestaat volgens de Ministerraad nog steeds de mogelijkheid van interne sociale promotie met gereserveerde quota of, indien de betrokkene houder is van een universitair diploma, om deel te nemen aan de externe werving van officieren. Volgens de Ministerraad beweren de verzoekende partijen ten onrechte dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een benoeming in hun eigen standplaats, zoals de leden van de voormalige gerechtelijke politie. Hij merkt daarbij op dat zulks geen garantie was voor de leden van de voormalige gerechtelijke politie. Ten slotte wijst de Ministerraad op de budgettaire en functionele gevolgen van een retroactieve benoeming van de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie tot het officierenkader, zoals door de verzoekende partijen wordt gevraagd. Zulks zou volgens de Ministerraad leiden tot 3.000 bijkomende benoemingen tot officier. A.10.3. Vervolgens gaat de Ministerraad in op de andere discriminaties die door de verzoekende partijen worden aangevoerd. Ook in die gevallen is de Ministerraad van mening dat er geen sprake is van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Overigens is het middel dat tegen sommige bestreden bepalingen wordt aangevoerd, in een aantal gevallen niet-ontvankelijk wegens ontstentenis van belang van de verzoekende partijen. Schending van artikel 184 van de Grondwet A.11. Het tweede middel dat door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 wordt aangevoerd, is afgeleid uit een schending van artikel 184 van de Grondwet door de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005, in zoverre die bepalingen erin voorzien dat « de Koning […] de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde mobiliteit [kan] bepalen ». Die bepalingen werden volgens die partijen aangenomen om de Koning ertoe in staat te stellen de kansen van niet-brevethouders in de mobiliteitsprocedures te vrijwaren. Die partijen zijn evenwel van oordeel dat die aangelegenheid betrekking heeft op essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, die krachtens artikel 184 van de Grondwet « bij de wet » moeten worden geregeld, zodat die aangelegenheid niet aan de Koning kan worden gedelegeerd. A.12. De Ministerraad is van oordeel dat ook dat middel niet ernstig is. In dat verband betoogt hij dat artikel 108 van de Grondwet aan de Koning een algemene uitvoeringsbevoegdheid toekent, waarvan artikel 184 van de Grondwet niet afwijkt, zodat de Koning ook bevoegd is om de verordeningen en besluiten te nemen die voor de uitvoering van de wetten inzake de organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, zijn vereist. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat de nadere regels inzake mobiliteit hoegenaamd geen essentiële elementen uitmaken in de zin van artikel 184 van de Grondwet, zodat de Koning wel degelijk bevoegd is om daaromtrent op te treden. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen in hun hoedanigheid van houders van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie de schorsing - geheel of gedeeltelijk - van de artikelen 13, 15, 17, 19 tot en met 31 en 48, 2° en 5°, van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. De bestreden bepalingen - met uitzondering van artikel 48 - maken deel uit van hoofdstuk IV van de voormelde wet van 3 juli 2005. Dat hoofdstuk heeft als opschrift : « Wijzigingen van Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (‘ RPPol ’), bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 ». Die bepalingen luiden : « Art. 13. In het RPPol wordt een artikel XII.IV.6 ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.IV.6. - § 1. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages, de personeelsleden van het basiskader : 1° die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° die houder zijn van het brevet van inspecteur van politie bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie alsmede van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie. 8 § 2. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het officierskader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages : 1° de personeelsleden van het middenkader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° de gewezen afdelingsinspecteurs die de loonschaal M5.2 genieten; 3° de personeelsleden die de loonschaal M6 genieten; 4° de personeelsleden die de loonschaal M7 of M7bis genieten. § 3. De personeelsleden bedoeld in § 2 zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. § 4. De in § 2, 3°, bedoelde vrijstelling geldt vanaf 1 april 2004 en die bedoeld in § 3 vanaf 1 april 2006. ’ ». « Art. 15. In het RPPol wordt een artikel XII.VI.6bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VI.6bis. - De personeelsleden bedoeld in artikel XII.IV.6, § 1, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde in de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdinspecteurs van politie waardoor zij vervolgens, indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit, in die graad worden benoemd. De Koning kan de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen. ’ ». « Art. 17. In het RPPol wordt een artikel XII.VI.8bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VI.8bis. - De personeelsleden bedoeld in artikel XII.IV.6, § 2, en de personeelsleden van het middenkader die reeds vóór 1 april 2001 de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van officier van bestuurlijke politie hadden, alsmede de personeelsleden van het basiskader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, en hetzij ten minste twaalf jaar kaderanciënniteit hebben, hetzij houder zijn 9 van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de federale Rijksbesturen, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde in de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de commissarissen van politie waardoor zij vervolgens, indien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit, in die graad worden benoemd. De in het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming in de graad van commissaris van politie de loonschaal O2. De Koning kan de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen. ’ ». « Art. 19. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.11bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.11bis. - Er wordt voor de actuele personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.II.21, derde lid, zijn ingeschaald in de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld in artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, of van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, een baremische loopbaan ingesteld voor de overgang tussen de loonschaal M5.2 en de loonschaal M7bis na achttien jaar kaderanciënniteit in het middenkader. Deze hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie “ onvoldoende ” is. ’ Art. 20. Voor het vroegere artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol, dat vernietigd is bij arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 van het Arbitragehof en de beschikking tot verbetering ervan van 14 juli 2004, treedt een nieuw artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol in de plaats, luidende : ‘
  1. a)de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie; ’ 10 Art. 21. Artikel XII.VII.15 RPPol wordt vervangen als volgt : ‘ Art. XII.VII.15. - Gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf 1 april 2006 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het middenkader voorbehouden aan de leden van het basiskader, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen : 1° die houder zijn van het brevet van inspecteur van politie bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie; 2° die houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie; 3° bedoeld in artikel 1, 6°, a), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd in de spoorwegpolitie, tot het verkrijgen van de graad van ondertoezichtscommissaris; 4° bedoeld in artikel 1, 6°, b), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd in de zeevaartpolitie, tot het verkrijgen van de graad van luitenant der zeevaartpolitie (20E); 5° die op grond van artikel XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie. ’ Art. 22. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.15bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.15bis. - In het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de in artikel XII.VII.21 bedoelde personeelsleden van de federale politie vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. ’ Art. 23. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.15ter ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.15ter. - In het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.26, tweede lid, zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie, gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006, vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. 11 De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld in het eerste lid en geslaagd in de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie. ’ Art. 24. Artikel XII.VII.16, eerste lid, RPPol wordt vervangen als volgt : ‘ Art. XII.VII.16. - Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2001 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 25 % van de vacatures voor bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de in artikel XII.IV.6, § 2, bedoelde personeelsleden, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen. ’ Art. 25. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.16bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16bis. - In het raam van de bevordering door overgang naar het officierskader zijn de in de artikelen XII.VII.23 en XII.VII.23bis bedoelde personeelsleden die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. ’ Art. 26. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.16ter ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16ter. - Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006 wordt, per vergelijkend examen, een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de personeelsleden bedoeld in de artikelen XII.VII.24 en XII.VII.26 die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie. De personeelsleden bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld in het eerste lid en geslaagd in de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van commissaris van politie met loonschaal O2 ’. Art. 27. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.16quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16quater. - De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. ’ 12 Art. 28. Artikel XII.VII.17, eerste en tweede lid, RPPol wordt vervangen als volgt : ‘ In afwijking van artikel VII.II.6 en met uitzondering van het personeelslid bedoeld in artikel XII.VII.18, kan de hoofdinspecteur van politie die op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie indien hij geen evaluatie “ onvoldoende ” geniet. De in het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan in, in de loop van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur / laboratoriumafdelingsinspecteur / afdelings-inspecteur-electrotechnicus / afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit in dalende volgorde van hun anciënniteit in die graad op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die inwerkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs. In geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing ’. Art. 29. In artikel XII.VII.18 RPPol worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste en het tweede lid die samen met het derde lid § 1 zullen vormen, worden vervangen als volgt : ‘ § 1. In afwijking van artikel VII.II.6, kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie, indien hij geen evaluatie “ onvoldoende ” geniet en voorzover de in § 2 bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd. De in het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan in, in de loop van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur / laboratoriumafdelingsinspecteur / afdelings-inspecteur-electrotechnicus / afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit in dalende volgorde van hun anciënniteit in die graad op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die inwerkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D 13 op de andere afdelingsinspecteurs. In geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking buiten de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing; ’ 2° het artikel wordt aangevuld met de volgende paragrafen : ‘ § 2. De in § 1, eerste lid, bedoelde proportionaliteit bestaat uit de verhouding tussen het aantal in een officiersgraad benoemde en aangestelde personeelsleden die op 1 april 2001 deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en afkomstig zijn uit de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten, respectievelijk voormalige rijkswacht. Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten tot commissaris van politie worden benoemd. Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige rijkswacht en met inachtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige rijkswacht tot commissaris van politie worden benoemd en kunnen, vervolgens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, nog actuele personeelsleden die tot het middenkader van de voormalige rijkswacht behoorden, in aanmerking komen voor de aanvulling. § 3. De personeelsleden die omwille van de in § 2 bedoelde proportionaliteitsvoorwaarde niet binnen de in § 1, tweede lid, bedoelde zeven jaren kunnen worden bevorderd, worden vanaf 2012 en uiterlijk tot 2015 in de graad van commissaris van politie benoemd volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ’ Art. 30. In artikel XII.VII.19 RPPol wordt een tweede lid ingevoegd, luidende : ‘ De personeelsleden die voor deze bevordering in aanmerking komen, zullen vooraf door de overheid naar hun intentie worden bevraagd. Hun schriftelijk antwoord tegen ontvangstbewijs, na een bedenktijd van drie maanden, is onherroepelijk. Het personeelslid dat geen antwoord verschaft binnen de gestelde termijn, wordt geacht definitief af te zien van deze bevorderingsmogelijkheid ’ Art. 31. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.23bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.23bis. - De personeelsleden die het aantal opvullen bedoeld in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, worden, zolang zij lid blijven van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, aangesteld in de graad van commissaris van politie. Voor het overige wordt het statuut van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun inschaling in het middenkader. ’ ». « Art. 48. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van : 14 […] 2° de artikelen 6 tot 13, 16, 18 tot 20, 24, 28 tot 33, 35, 37 tot 39, 41, 43 en 44 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 2001; […] 5° de artikelen 21, 23 en 26 die in werking treden op 1 april 2006 ». Ten aanzien van de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof B.2. De verzoekende partijen voeren de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan. In de zaken nrs. 3797 en 3798 wordt die toepassing ten aanzien van het bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 gevorderd; in de zaken nrs. 3799 tot en met 3802 ten aanzien van « onder meer » de bestreden artikelen 13, 15, 17, 20, 21 en 24 van dezelfde wet. B.3. Naar luid van artikel 20, 2°, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 kan tot schorsing worden besloten « als een beroep is ingesteld tegen een norm die identiek is met of gelijkaardig aan een reeds door het Arbitragehof vernietigde norm en die door dezelfde wetgever is aangenomen ». In een dergelijk geval behoeft de vordering niet het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen en evenmin het bestaan van ernstige middelen bedoeld in artikel 20, 1°, van de voormelde bijzondere wet. De bijzondere wetgever heeft met artikel 20, 2°, beoogd te waarborgen dat het miskende gezag van een arrest van het Arbitragehof onmiddellijk kan worden hersteld in het geval dat een wetgever na de vernietiging van een van zijn normen een identieke of soortgelijke norm zou aannemen. 15 Wat de bestreden artikelen 13, 15, 17, 21 en 24 van de wet van 3 juli 2005 betreft B.4. In zoverre de toepassing wordt gevorderd van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ten aanzien van de bestreden artikelen 13, 15, 17, 21 en 24, dient het verzoek te worden verworpen, aangezien die bepalingen van de wet van 3 juli 2005 niet identiek of soortgelijk zijn met reeds door het Hof vernietigde normen die door dezelfde wetgever zijn aangenomen. Wat het bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 betreft B.5. In het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004, heeft het Hof, in het bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, onder meer het artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), vernietigd. Die vernietigde bepaling luidde : «
  2. a)de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie; ». De vernietiging van die bepaling werd in B.41.5.2 van het arrest nr. 102/2003 als volgt gemotiveerd : « De door de Ministerraad aangevoerde elementen om te verantwoorden dat de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris een automatische bevordering tot de graad van officier genieten, in tegenstelling tot de beginselen die als leidraad hebben gediend bij de valorisatie van de diploma’s van toepassing op alle leden van de voormalige politiekorpsen, maken het niet mogelijk op relevante en redelijke wijze het verschil in behandeling te verantwoorden dat aldus wordt gemaakt tussen de voormelde geslaagden en de geslaagden voor het examen voor officier bij de gemeentepolitie. Het is immers niet aangetoond dat die beide categorieën van geslaagden zich in dermate verschillende situaties bevonden dat ze op verschillende wijze dienden te worden behandeld ». 16 De beschikking van 14 juli 2004, waarbij het arrest nr. 102/2003 werd verbeterd, wijzigt die motivering inhoudelijk niet. B.6. Het bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005, in B.1 aangehaald, is geformuleerd in bewoordingen die identiek zijn aan de voormelde vernietigde bepaling. Krachtens het bestreden artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 heeft onder meer dat artikel 20 uitwerking met ingang van 1 april 2001. Aangezien het eveneens bestreden artikel 21 van de wet van 3 juli 2005 artikel XII.VII.15 RPPol vervangt met ingang van 1 april 2006 (artikel 48, 5°, van de wet van 3 juli 2005), heeft de wetgever het vernietigde artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol voor een periode van vijf jaar hersteld, namelijk van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2006. B.7. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 2005 wordt dat herstel van de vernietigde bepaling bij het bestreden artikel 20 uitvoerig toegelicht, inzonderheid met verwijzing naar de nieuwe artikelen 13, 15, 17, 21, 24, 34 en 36, die betrekking hebben op de valorisatie van destijds verworven brevetten. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : « Een derde onderwerp heeft uitstaans met de valoriseringsregels van de eertijds behaalde brevetten. In die context meent het Hof, geadieerd door houders van het brevet van officier van gemeentepolitie, dat laatstgenoemd brevet, getoetst aan het brevet officier GPP, in verhouding minder goed werd gevaloriseerd. Zoals hierna omstandig zal worden toegelicht en daartoe gehouden door de beschikking tot verbetering van het Arbitragehof van 14 juli 2004, werd die discriminatie teniet gedaan door het voorzien in nieuwe valoriseringsregels inzake de brevetten, waarvan sommige onmiddellijk in werking zullen treden. Op eigen initiatief voegt de overheid daaraan een aantal valoriseringsregels inzake de aangestelden toe » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 5). « Het ontworpen artikel 13 alsmede de ontworpen artikelen 15, 17, 20, 21, 24, 34 en 36 hebben betrekking op de valorisering van eertijds verworven brevetten en vergen ongetwijfeld een omstandige toelichting. De voormelde ontworpen artikelen houden rechtstreeks verband met artikel 20 van het ontwerp. Dat laatste slaat op artikel XII.VII.15 RPPol en verdient in het licht van voormelde beschikking tot verbetering van het Arbitragehof van 14 juli 2004, een diepgaande analyse. De juridische discussie die is gerezen en die het Hof heeft beslecht, is er één tussen de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie en de toenmalige laureaten officier van de ex-GPP. 17 Voor de eerste categorie voorziet het RPPol valoriseringsregels in het raam van de overgang naar het middenkader (artikel XII.VII.15 RPPol) en het officierskader (artikel XII.VII.16 RPPol). Het brevet van officier van gemeentepolitie leidt concreet tot gereserveerde quota bij de bevorderingsexamens en tot een volledige vrijstelling van de navolgende basisopleiding. Dit neemt dus niet weg dat die brevethouders steeds aan het algemeen vergelijkend examen van sociale promotie moeten deelnemen vooraleer vervolgens, bij mobiliteit een ambt van de beoogde graad te kunnen bekomen en te kunnen worden benoemd. Meer nog, één van de basisbeginselen van het overgangsrecht is dat leden van het basiskader met een brevet (o.a. dat van officier van gemeentepolitie) geen twee kadersprongen ineens kunnen doen en dus niet rechtstreeks via interne procedures kunnen meedingen voor examens en bedieningen van officier : de valorisering van hun brevet geschiedt dus via een tussenstap in het middenkader. In zijn overweging onder punt 42.1 van het arrest erkent het Hof impliciet de bezorgdheid om brevetten van eertijds op een evenwichtige wijze te valoriseren, gegeven het feit dat er ‘ verschillen bestonden tussen de verschillende korpsen, met name vanuit het oogpunt van toegang tot de opleiding ’. Wat de tweede categorie betreft, de laureaten officier van de voormalige GPP, zij werden bij de inschaling in het nieuwe statuut op 1 april 2001 onmiddellijk ingeschaald en dus benoemd in de graad van commissaris. Op grond van die toestand vernietigde het Hof artikel XII.VII.15 […]. Met de beschikking van 14 juli 2004 corrigeerde het Arbitragehof het arrest in kwestie en besloot tot de partiële vernietiging van het artikel. Concreet wordt artikel XII.VII.15, §3, eerste lid, 1°, a), RPPol vernietigd. Zoals de Raad van State doet opmerken, moet worden vastgesteld dat de valorisering van de brevetten door de in dit ontwerp opgenomen bepalingen en meer bepaald door de ontworpen artikelen 15 en 17 wordt uitgebreid. Die uitbreiding is zelfs substantieel: de vereiste van een vergelijkend examen vervalt en de betrokken personeelsleden kunnen bij een vacature via de mobiliteitsprocedure hun kans grijpen om hun brevet te verzilveren. Vraag is dan of dit afdoende tegemoetkomt aan de censuur van het Hof. De overheid meent van wel, nu beide categorieën, zijnde enerzijds de laureaten-officier van de voormalige GPP en anderzijds de andere bedoelde gebrevetteerden, gelijk worden behandeld. Inderdaad, door invulling van vacatures kunnen zij allen, zonder onderscheid en zonder bijkomende vergelijkende examens, worden benoemd in het hoger kader. Op grond van de toenmalige reële encadreringsbehoeften werden de betrokken laureaten officier GPP, na hun vergelijkende proeven, naar de basisopleiding gestuurd. Daarom hun benoeming op 1 april 2001 in het reeds door hen de facto bezette ambt : door het Arbitragehof bestempeld als een maatregel die niet zonder verantwoording is (zie punt B.26.3. van het arrest). De tweede categorie, waaronder de gebrevetteerde officieren van de gemeentepolitie, kunnen dus voortaan ook hun benoeming via eenzelfde concept betrachten, weliswaar in ‘ uitgesteld relais ’ omdat zij niet werden opgeleid op grond van reële encadreringsbehoeften. Zodoende wordt de gelijkheid bewerkstelligd en wordt de door het Hof als relevant bestempelde maatregel (zie punt B.26.3. van het arrest) in stand gehouden; dit alles zonder de grondvesten van een werkbaar HRM-beleid onderuit te halen, want ook dit is, gelet op het openbaar belang, een essentiële parameter in de redenering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 14-15). 18 « Gelet op de voorgenomen oplossing, kan artikel XII.VII.15 RPPol worden hersteld in zijn oude versie, d.w.z. in zijn versie vóór de vernietiging van een deel ervan door het voormelde rectificatie-arrest van het Arbitragehof. Dit is het voorwerp van het ontworpen artikel 20 » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 16). B.8. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat het bestreden artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 niet afzonderlijk, doch in samenhang moet worden gelezen met andere bepalingen van die wet, waarin in nieuwe valorisatieregels inzake de brevetten wordt voorzien. Aldus beoogt de wetgever volgens de memorie van toelichting gevolg te geven aan de gedeeltelijke vernietiging van artikel XII.VII.15 RPPol door het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004. De enkele omstandigheid dat een vernietigde bepaling door de wetgever wordt hersteld volstaat op zich niet om de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 te verantwoorden. Te dezen is het bestreden artikel 20 in zijn bewoordingen weliswaar identiek aan de voormelde vernietigde bepaling, maar dat artikel maakt thans deel uit van een algehele nieuwe regeling, waarbij de valorisatie van de brevetten op substantiële wijze wordt uitgebreid. De nieuwe bepaling kan dus niet worden geacht een draagwijdte te hebben die identiek of soortgelijk is met die van de vroegere bepaling en kan bijgevolg niet in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Ten aanzien van de toepassing van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof B.9. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden norm moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 19 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.10. Een schorsing door het Hof moet kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partijen door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.11. Om aan te tonen dat de toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen, voeren de verzoekende partijen aan dat zij als houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie hun kansen op bevorderingen verliezen. Zij betogen dat zij, na 1 april 2006, geen kans meer maken op bevorderingen, zelfs niet in het kader van de mobiliteit, aangezien ten gevolge van het zogenaamde « systeem van de rode loper » alle eventuele vacatures zullen zijn ingevuld. De verzoekende partijen wijzen bovendien erop dat de bestreden bepalingen hun een aanzienlijk financieel verlies zullen berokkenen. B.12.1. Wat het verlies van kansen op bevordering betreft, blijkt niet dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen, die in elk geval slechts occasioneel zal zijn, in afwachting van de uitspraak van het Hof over de beroepen tot vernietiging, tot gevolg zou kunnen hebben dat een feitelijke toestand ontstaat die het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt. Bovendien vindt zulk een nadeel zijn rechtstreekse oorsprong niet steeds in de bestreden bepalingen, maar, eventueel, in administratieve rechtshandelingen waartegen de verzoekende partijen in voorkomend geval beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State kunnen instellen. 20 Daarbij komt dat, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen door het Hof, overeenkomstig artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, een nieuwe termijn wordt geopend om de administratieve handelingen aan te vechten die zouden zijn gegrond op de door het Hof vernietigde bepalingen. B.12.2. Het aangevoerde financiële nadeel, wanneer het zich werkelijk zou voordoen, is herstelbaar, indien het Hof tot de vernietiging van de bestreden bepalingen zou beslissen. B.13. Daar het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet voldoende is aangetoond, dient de andere voorwaarde, volgens welke ernstige middelen moeten worden aangevoerd, niet te worden onderzocht. B.14. Uit wat voorafgaat volgt dat de vorderingen tot schorsing niet kunnen worden ingewilligd. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 januari 2006. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.009 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.