id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.013 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060125.11 Arrest- Rolnummer: 13/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-14 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-06-30 13:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwijst de zaak naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1675/12, § 1, 4°, en 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/12,§1,4° - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/13,§1 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de beslissing Rolnummer 3365 Arrest nr. 13/2006 van 25 januari 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1675/12, § 1, 4°, en 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 24 januari 2005 in zake C. Dieu tegen de n.v. CBC Banque, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 28 januari 2005, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1675/12, § 1, 4°, en 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 6, 10, 11 en 24 van de Grondwet of brengen zij een discriminatie teweeg doordat, in het kader van een gerechtelijke collectieve schuldenregeling, de inachtneming van de regeling de schuldenaar bevrijdt maar niet zijn persoonlijke zekerheden, met name de zogenoemde borg uit ' vrijgevigheid ', terwijl in het kader van het faillissement de verschoonbaarheid de schulden van de gefailleerde tenietdoet maar bovendien de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor de verbintenissen van de gefailleerde, ontslaat van hun verplichtingen (artikel 82 van de faillissementswet, zoals gewijzigd bij de wet van 4 september 2002) ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - C. Dieu, wonende te 7380 Quiévrain, rue Cokart 24; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. M. Grieten, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. O. Robijns, advocaat bij de balie te Luik, voor C. Dieu; . Mr. J. Sautois loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 16 april 1992 heeft de n.v. CBC Banque F. Leduc een kredietopening toegestaan voor een bedrag van 715.000 frank bestemd voor de hergroepering en de vereffening van de schulden van laatstgenoemde. Haar ouders, wijlen F. Leduc en C. Dieu, hebben zich hoofdelijk en ondeelbaar borg gesteld voor de verbintenissen van hun dochter. 3 Op 7 januari 2000 heeft F. Leduc een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling ingediend bij de beslagrechter te Luik, die op 16 februari 2000 een beschikking van toelaatbaarheid heeft uitgesproken. Op 26 mei 2000 maande de bank C. Dieu, in haar hoedanigheid van borg, aan om haar de som van 6.321,33 euro terug te betalen. Op 22 april 2002 veroordeelde de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen C. Dieu tot de betaling van de som van 6.988,19 euro vermeerderd met de interesten. Tegen die beslissing wordt door C. Dieu hoger beroep ingesteld. Het Hof van Beroep heeft aan het Hof de voormelde vraag gesteld. III. In rechte -A– Standpunt van C. Dieu A.1.
- C. Dieu, appellante voor het verwijzende rechtscollege, is van oordeel dat de wetgever, doordat hij niet de natuurlijke personen bevrijdt die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een schuldenaar, niet-handelaar, die een kwijtschelding van schulden heeft genoten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij is immers van mening dat de kosteloze borg van de verschoonde gefailleerde en de kosteloze borg van de schuldenaar, niet-handelaar, die een kwijtschelding van schulden voor de hoofdsom heeft genoten, zich in een soortgelijke situatie bevinden en dat geen enkel redelijk motief een verschil in behandeling tussen die beide categorieën van personen verantwoordt. Er bestaat immers een parallel tussen de situatie van de schuldenaar die handelaar is en die van de schuldenaar die geen handelaar is, wanneer de beiden niet langer in staat zijn het hoofd te bieden aan hun geldelijke verplichtingen. De appellante baseert haar beweringen op verscheidene arresten van het Hof (nrs. 132/2000 en 69/2002) en, in haar memorie van antwoord, op het arrest nr. 139/2004, waarin het Hof heeft geoordeeld dat, zelfs indien het stelsel van verschoonbaarheid en dat van kwijtschelding van schulden verschillend zijn, zij beide op eenzelfde begrip van « fresh start » berusten. Daarvan uitgaande is zij van oordeel dat het logisch zou zijn dat de borgen van de verschoonde handelaar en van de niet-handelaar wiens schulden zijn kwijtgescholden zich in dezelfde situatie bevinden, wat niet het geval is, vermits enkel de eerstgenoemden van hun verplichting kunnen worden bevrijd, en vermits bovendien de borgen van een niet-handelaar enkel een subrogatoir verhaal kunnen instellen door hun schuldvorderingen aan te geven in het raam van de collectieve schuldenregeling. A.1.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont eveneens dat een hervorming van de wetgeving inzake de collectieve schuldenregeling aan de gang zou zijn die, teneinde de vroegere rechtspraak van het Hof in acht te nemen, ook aan de borgen uit vrijgevigheid het voordeel van de ontheffing zou moeten toekennen indien kwijtschelding van schulden wordt uitgesproken ten gunste van de schuldenaar voor wie zij zich borg zouden hebben gesteld. Standpunt van de Ministerraad A.
- Na melding te hebben gemaakt van het arrest van het Hof waarbij de vernietiging is uitgesproken van artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en zich bijgevolg te hebben afgevraagd wat het belang is van de prejudiciële vraag, aangezien de tweede term van de vergelijking is verdwenen, wenst de Ministerraad aan te tonen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Een persoon die de hoedanigheid van handelaar heeft, en failliet kan worden verklaard, en een niet-handelaar die een kwijtschelding van schulden kan genieten, kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Daarvan uitgaande kunnen de verschoonbaarheid die eerstgenoemde in geval van faillissement kan genieten en de kwijtschelding van schulden die laatstgenoemde in geval van overmatige schuldenlast kan genieten, ook verschillende gevolgen hebben voor de derden die zich ertoe hebben verbonden voor hun respectieve schulden in te staan. In zoverre die beide stelsels, dat van verschoonbaarheid en dat van kwijtschelding van schulden, verschillend zijn, hetgeen, zo brengt de Ministerraad in herinnering, het Arbitragehof heeft toegestaan, is het niet ongrondwettig dat de borgen uit vrijgevigheid van een schuldenaar, niet-handelaar, met overmatige schuldenlast niet op dezelfde wijze worden behandeld als de borgen uit vrijgevigheid van een gefailleerde schuldenaar die het voordeel van een verklaring van verschoonbaarheid heeft genoten. 4 -B– B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de grondwettigheid van de artikelen 1675/12, § 1, 4°, en 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre zij niet voorzien in de bevrijding van de borgen van de schuldenaars, niet-handelaars, met overmatige schuldenlast die een kwijtschelding van schulden hebben genoten, terwijl artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 de bevrijding toestaat van de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor de verplichtingen van een gefailleerde schuldenaar die verschoonbaar is verklaard. B.
- Artikel 19 van de wet van 13 december 2005 « houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldenregeling » stelt de rechter in staat de natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van een persoon die het voordeel van een collectieve schuldenregeling vraagt, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis te bevrijden. Die wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2005 en voorziet niet in een bijzondere bepaling tot regeling van de inwerkingtreding van artikel 19 ervan. Het staat niet aan het Hof maar aan de verwijzende rechter te onderzoeken of de nieuwe wet al dan niet een weerslag kan hebben op het hem voorgelegde geschil en of in het licht daarvan de door hem gestelde vraag nog pertinent is. B.
- De zaak dient derhalve naar de verwijzende rechter te worden verwezen. 5 Om die redenen, het Hof verwijst de zaak naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 25 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div