id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.017 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060201.10 Arrest- Rolnummer: 17/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-17 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-06-30 15:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 111, tweede lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, ingesteld door de v.z.w. Comité scolaire Ecole primaire Jean XXIII. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 03-03-2004 - 111,L2 - 36 ELI link Pub nr 2004029137 Tekst van de beslissing Rolnummer 3182 Arrest nr. 17/2006 van 1 februari 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 111, tweede lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, ingesteld door de v.z.w. Comité scolaire Ecole primaire Jean XXIII. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 december 2004, heeft de v.z.w. Comité scolaire Ecole primaire Jean XXIII, met zetel te 4053 Chaudfontaine, rue Basse Mehagne 4, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 111, tweede lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juni 2004). De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 september 2005 : - zijn verschenen : . Mr. P. Simonart en Mr. H. Penninckx, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. V. Rigodanzo loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 10 november 2005 heeft voorzitter A. Arts de zaak voorgelegd aan het Hof in voltallige zitting. Bij beschikking van 23 november 2005 heeft het Hof de debatten heropend en de dag de terechtzitting bepaald op 14 december 2005, na de partijen te hebben uitgenodigd in een uiterlijk op 9 december 2005 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, te antwoorden op de volgende vragen : 1°) Welke boekhoudkundige verplichtingen gelden voor de door de Gemeenschap georganiseerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs, voor de door de Gemeenschap gesubsidieerde officiële instellingen voor buitengewoon basisonderwijs en voor de door de Gemeenschap gesubsidieerde vrije instellingen voor buitengewoon basisonderwijs ? 2°) Waarin bestaat de overheidscontrole met betrekking tot de uitvoering van die verplichtingen voor elk type van instelling ? De verzoekende partij en de Franse Gemeenschapsregering hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 december 2005 : 3 - zijn verschenen : . Mr. P. Simonart, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. I. Mathy loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft A.1.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist de ontvankelijkheid van het beroep doordat het in werkelijkheid gericht zou zijn tegen artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982, waarbij reeds een wijze van toekenning van de betrekkingen van corresponderende rekenplichtige zou zijn vastgelegd die identiek is aan die welke is bepaald door artikel 111 van het aangevochten decreet. Dat artikel 111 zou in werkelijkheid moeten worden gezien in het kader van de coördinatie van de teksten die het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs in de Franse Gemeenschap organiseren, zodat het Hof het beroep onontvankelijk ratione temporis zou moeten verklaren. A.1.
- De verzoekende partij is van mening dat zulk een conclusie erop zou neerkomen dat haar de toegang wordt geweigerd tot het annulatiecontentieux voor het Hof. De aangevochten norm zou overigens aanzienlijk verschillen, zowel wat de vorm als wat de inhoud betreft, van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982, zodat artikel 111 van het bestreden decreet niet als een codificatie kan worden beschouwd. Ten gronde A.2.
- De verzoekende partij voert, in een eerste onderdeel van haar eerste middel, een schending aan van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet doordat, voor de door de Gemeenschap gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs, de organisatie van betrekkingen van corresponderende rekenplichtige zou afhangen van de beschikbare begrotingskredieten en beperkt zou zijn tot een percentage van de betrekkingen van corresponderende rekenplichtige die automatisch worden toegekend aan de door de Gemeenschap georganiseerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs. Volgens de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, ook al is het juist dat de door de Gemeenschap georganiseerde onderwijsinstellingen op dit ogenblik onderworpen zijn aan de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, die het optreden van een tegenover het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige vereisen, geen enkele norm leidt tot een automatische gelijkstelling van de corresponderende rekenplichtige met de tegenover het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige. Meer nog, de titularis van 4 het ambt van corresponderende rekenplichtige zou zich op dat gebied door geen enkele bijzondere bekwaamheid onderscheiden. De rol van assistent van het instellingshoofd die de corresponderende rekenplichtige zou spelen, zou bijgevolg zowel voor een door de Franse Gemeenschap georganiseerde instelling als voor een door haar gesubsidieerde instelling nuttig kunnen zijn. Doordat geen objectief en pertinent differentiatiecriterium kan worden aangegeven, zou de aangevochten bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering stelt vast dat de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinstellingen zich moeten houden aan boekhoudkundige regels die verschillen van die welke gelden voor de door haar gesubsidieerde onderwijsinstellingen. Het zou bijgevolg niet onredelijk zijn de organisatie van betrekkingen van corresponderende rekenplichtige in het gesubsidieerde onderwijsnet aan striktere voorwaarden te onderwerpen. A.2.
- In haar aanvullende memorie gaat de verzoekende partij nader in op de boekhoudkundige verplichtingen en de eraan verbonden controles, die drukken op de door de Gemeenschap gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs. Zij beroept zich in dat verband op artikel 37bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, op artikel 17 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, en op het koninklijk besluit van 2 augustus 1973 betreffende de controle over het gebruik van de werkings- en uitrustingstoelagen, toegekend krachtens de artikelen 32 en 34 van de wet van 29 mei
- A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering voert in haar aanvullende memorie aan dat de boekhoudkundige bepalingen drukken op de inrichtende machten van de door de Gemeenschap gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs, en niet op die instellingen zelf. A.3.
- De verzoekende partij voert, in een tweede onderdeel van haar eerste middel, een schending aan van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet doordat de voorwaarden die gelden voor de organisatie van betrekkingen van het administratief personeel in het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs, niet zouden worden opgelegd aan de gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs. Ook al verschilt de organisatie van het buitengewoon onderwijs naar gelang van het onderwijsniveau - basisonderwijs of secundair onderwijs -, toch zou de administratieve situatie van de instellingen voor buitengewoon onderwijs objectief gezien gelijkwaardig zijn, ongeacht het onderwijsniveau, zodat het aldus ingevoerde verschil in behandeling tussen de instellingen voor buitengewoon onderwijs niet kan worden verantwoord. A.3.
- De Franse Gemeenschapsregering oordeelt dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, aanvaardbare verschillen in behandeling mogen bestaan tussen de instellingen voor secundair onderwijs en de instellingen voor basisonderwijs. De opdrachten van een personeelslid uit het secundair onderwijs en de manier waarop zij moeten worden vervuld, zouden niet noodzakelijk overeenstemmen met die van een personeelslid uit het basisonderwijs, dat het grootste deel van zijn tijd aan zijn klas besteedt. Dat verschil zou impliceren dat elk van die onderwijsniveaus verschillend mag worden behandeld op het vlak van de administratieve betrekkingen. A.3.
- Voor de verzoekende partij is het aberrant te beweren dat de leerkrachten uit het buitengewoon basisonderwijs, enerzijds, meer tijd beschikbaar zouden hebben omdat zij zorg dragen voor kinderen met een handicap en, anderzijds, op administratief gebied deskundiger zouden zijn dan de leerkrachten uit het secundair onderwijs. Zij herinnert eveneens eraan dat het bekritiseerde verschil in behandeling geen betrekking heeft op de leden van het onderwijzend personeel, maar wel op die van het administratief personeel. A.4.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan. 5 Artikel 111, tweede lid, van het aangevochten decreet, zou een te uitgebreide delegatie toekennen aan de Franse Gemeenschapsregering doordat het haar in staat zou stellen de subsidiëringsvoorwaarden van een corresponderende rekenplichtige te bepalen, waarbij uitsluitend rekening wordt gehouden met de beschikbare begrotingskredieten. Die laatste zouden echter geen objectief en duidelijk omschreven criterium vormen zodat de Regering ertoe zou worden gebracht een essentieel beginsel te bepalen van het recht op subsidiëring. Bovendien zou de Regering verder nog het percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige die krachtens artikel 109 van het bestreden decreet kunnen worden georganiseerd, vrij kunnen bepalen. A.4.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de decreetgever de machtiging aan de Regering voldoende heeft omkaderd. Enerzijds, kan de Regering onmogelijk eender welk percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige bepalen indien het onderwijsbudget van de Gemeenschap dat niet toelaat. Anderzijds, zou artikel 109 van het decreet zowel het aantal mogelijke betrekkingen van corresponderende rekenplichtige per instelling bepalen, als het aantal uren die per week moeten worden gepresteerd. A.4.
- De verzoekende partij antwoordt dat de Franse Gemeenschapregering geen verantwoording biedt voor de beoordelingsbevoegdheid die de wetgever aan de Regering heeft toegekend met betrekking tot het begrip « beschikbare begrotingskredieten ». Artikel 109 van het aangevochten decreet zou overigens alleen betrekking hebben op de bepaling van het aantal uren die een corresponderende rekenplichtige moet presteren op basis van het leerlingenaantal van een instelling. Er zou geen enkele norm zijn die het percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige dat in de ene of de andere instelling voor buitengewoon onderwijs vereist is, zou vaststellen. -B- Wat de bestreden bepaling betreft B.1.
- Artikel 111 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs maakt deel uit van een afdeling die gewijd is aan de ambten georganiseerd in het basisonderwijs. Dat artikel bepaalt : « In de categorie van het administratief personeel, wordt het ambt van corresponderende rekenplichtige georganiseerd in de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, bepaalt de Regering elk jaar het percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige die volgens de normen bepaald in artikel 109 kunnen worden georganiseerd in het gesubsidieerd onderwijs. […] ». Het tweede lid van die bepaling is het onderwerp van het beroep tot vernietiging. 6 B.1.
- Artikel 109 van het bestreden decreet luidt als volgt : « In de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen voor gespecialiseerd basisonderwijs, presteren de corresponderende rekenplichtigen ofwel 38 uren per week, indien de school op 15 januari ten minste 100 leerlingen telt, ofwel 15 uren per week, indien de school op die datum minder dan 100 leerlingen telt ». Wat de ontvankelijkheid betreft B.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep omdat de bestreden bepalingen enkel de coördinatie zouden zijn van bepalingen die vervat zijn in het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 « tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van internaten of semi-internaten ». Alhoewel uit een vergelijking van de artikelen 109 en 111 van het bestreden decreet met de artikelen 6, 7 en 12 van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 blijkt dat de decreetgever sommige bepalingen van het vroegere koninklijk besluit heeft overgenomen, heeft hij, zelfs in de hypothese dat hij zich ertoe zou hebben beperkt reglementaire bepalingen te coördineren, zich niettemin die bepalingen toegeëigend en kunnen zij derhalve voor het Hof worden bestreden binnen de wettelijke termijn. B.2.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.3.
- De verzoekende partij voert, in het eerste onderdeel van het eerste middel, de schending aan van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet doordat, in de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs, enkel een percentage van betrekkingen van corresponderende rekenplichtige dat de Regering elk jaar bepaalt binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan worden ingesteld, 7 terwijl het instellen van zulke betrekkingen voor de door de Franse Gemeenschap ingerichte instellingen voor buitengewoon basisonderwijs automatisch gebeurt. B.3.
- Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt : « Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ». B.3.
- Artikel 83 van de herstelwet van 31 juli 1984 bepaalt, voor wat de Franse Gemeenschap betreft, dat de onderwijsinrichtingen van de Gemeenschap waarop de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » van toepassing is, met de hieraan verbonden internaten, de scholengroepen van de Gemeenschap, de autonome internaten of de tehuizen, staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer. Daaruit volgt dat de door de Gemeenschap ingerichte onderwijsinstellingen onderworpen zijn aan specifieke boekhoudkundige regels, waarop artikel 84 van de voormelde wet betrekking heeft en die zijn uitgewerkt bij het koninklijk besluit van 29 december 1984 « betreffende het financieel en materieel beheer van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer in het rijksonderwijs ». B.3.
- Artikel 84 van de voormelde herstelwet bepaalt : « De Koning bepaalt, op voordracht van de Ministers van Onderwijs, de Minister van Financiën en de Minister van Begroting, de organieke regelen die van toepassing zijn op het financieel en materieel beheer van deze diensten. Deze regelen omvatten : 1° het opmaken en het bekendmaken van een begroting en van rekeningen; 2° de controle van de rekeningen door het Rekenhof dat ze ter plaatse kan verrichten; 3° het beperken van de uitgaven binnen de grenzen van de ontvangsten en van de goedgekeurde limitatieve kredieten; 4° de mogelijkheid om, met ingang van het jaar, de bij het verstrijken van het vorige jaar beschikbare geldmiddelen te gebruiken; 8 5° de behandeling en de bewaring van de gelden en de waarden door een tegenover het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige; 6° het bijhouden van een vermogenscomptabiliteit en het opmaken van een inventaris van het vermogen; 7° de beperking in de tijd van de overdrachten waartoe machtiging werd verleend ». B.3.
- Het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1984 bepaalt : « […] Art.
- Door elke staatsdienst met afzonderlijk beheer wordt een jaarlijkse begroting opgemaakt voor alle ontvangsten en alle uitgaven, volgens de richtlijnen verstrekt door de Ministers van Onderwijs. […] Art.
- De begroting wordt onderverdeeld in drie delen : - de lopende verrichtingen; - de kapitaalverrichtingen; - de verrichtingen voor orde, en opgemaakt volgens de tabellen gevoegd bij dit besluit. […] Art.
- De begrotingsontwerpen van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer worden vóór 1 juni voorafgaande aan het begrotingsjaar voor goedkeuring voorgelegd aan de betrokken Minister van Onderwijs en toegevoegd aan het ontwerp van begroting van diens Ministerie. Art.
- De goedkeuring van de begroting van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer is verworven door de afkondiging van de wet houdende de begroting van het betrokken Ministerie van Onderwijs. Ingeval deze goedkeuring niet verworven is voor de aanvang van het begrotingsjaar mogen dezelfde verrichtingen als diegene, die door de vorige begrotingen waren toegestaan, uitgevoerd worden vanaf 1 januari. […] Art.
- Op het einde van ieder semester wordt een staat van ontvangsten en een staat van uitgaven opgemaakt. Deze staten worden door de betrokken Minister van Onderwijs aan het Rekenhof voorgelegd via de Minister van Financiën. De verantwoordingsstukken worden ter plaatse bewaard. 9 Art.
- Op het einde van ieder jaar worden opgesteld : een beheersrekening alsmede een rekening van uitvoering van de begroting en een staat van activa en passiva. Uiterlijk op 31 maart na het jaar waarop ze betrekking hebben, worden deze rekeningen door de betrokken Minister van Onderwijs aan de Minister van Financiën gezonden, die ze vóór 30 april van hetzelfde jaar aan het Rekenhof overlegt. Art.
- De rekening van uitvoering van de begrotingen van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer worden gevoegd bij die van het betrokken Ministerie van Onderwijs. Art.
- Op het ogenblik van uitdiensttreding van de rekenplichtige dienen dezelfde rekenplichtige bescheiden opgesteld als genoemd in artikel
- […] Art.
- Het bedrag van de uitgaven mag het bedrag van de ontvangsten niet overschrijden. Art.
- §
- In de jaarlijkse begroting zal voor de lopende uitgaven een bufferkrediet ingeschreven worden. Dit bufferkrediet zal minimum 2,5 pct. bedragen van de geraamde lopende uitgaven. §
- Het bufferkrediet mag in de loop van het begrotingsjaar aangewend worden om het hoofd te bieden aan onvoorziene uitgaven, bij voorrang voor energie. Art.
- §
- Op het einde van het dienstjaar wordt het overschot :
- wat de kapitaalverrichtingen betreft, gevoegd bij de kapitaalontvangsten van het volgende begrotingsjaar;
- wat de lopende verrichtingen betreft ten belope van ten minste 20 pct. aangewend voor de vorming van een reservefonds ‘ werking ’ totdat de middelen hiervan 10 pct. bedragen van het gemiddelde van de lopende uitgaven van de drie voorgaande begrotingsjaren; voor het overige geheel of ten dele gevoegd, hetzij bij de ontvangsten van de lopende verrichtingen, hetzij bij de ontvangsten van de kapitaalverrichtingen van het volgende begrotingsjaar. §
- De middelen van het reservefonds kunnen met het akkoord van de betrokken Minister of zijn gemachtigde aangewend worden tot het aanzuiveren van een op het einde van een dienstjaar of van een beheer bestaand onvoorzien negatief saldo of tot het verwerven, tot maximum 25 %, van patrimoniale goederen. §
- Wanneer de middelen van het reservefonds aangewend zijn voor het verwerven van patrimoniale goederen bij toepassing van § 2, moet dat fonds binnen de vier jaar opnieuw samengesteld worden. Die termijn gaat in op de 1e januari van het jaar na de datum van aanwending van de middelen. Art.
- Met ingang van het jaar mogen de bij het verstrijken van het vorige jaar beschikbare geldmiddelen gebruikt worden. 10 Art.
- De tegenover het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige van de staatsdienst met afzonderlijk beheer, aangewezen door de betrokken Minister van Onderwijs, is belast met :
- het behandelen en bewaren van de gelden en waarden;
- het opstellen en bewaren van de in artikelen 8 en 9 bedoelde bescheiden;
- het houden van de vermogenscomptabiliteit;
- het periodiek opmaken van de inventaris van het vermogen. […] Art.
- De Ministers van Onderwijs, ieder wat hem betreft, richten de controle in op de schrifturen van de boekhoudingsverrichtingen en van de vastleggingen van de uitgaven. De verrichtingen van de diensten bedoeld in artikel 1, § 1, worden niet onderworpen aan de controle van de Inspectie van Financiën. Art.
- Het Rekenhof kan de comptabiliteit ter plaatse controleren. Het Hof mag zich te allen tijde alle verantwoordingsstukken, staten, inlichtingen of toelichtingen doen verstrekken betreffende de ontvangsten, de uitgaven, de activa en de schulden ». B.3.
- Volgens de verzoekende partij zouden de gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs verplicht zijn soortgelijke boekhoudkundige verplichtingen na te leven. B.3.
- Bij het koninklijk besluit van 2 augustus 1973 « betreffende de controle over het gebruik van de werkings- en uitrustingstoelagen, toegekend krachtens de artikelen 32 en 34 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » worden boekhoudkundige verplichtingen opgelegd aan bepaalde gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs. B.3.
- Dat besluit is van toepassing op elke onderwijsinrichting die werkings- en uitrustingstoelagen van de Gemeenschap geniet. Onder « onderwijsinrichting » wordt verstaan, in de zin van het voormelde besluit : « Een pedagogische eenheid [die] één of meer onderwijsniveaus [omvat] afhangende van dezelfde inrichtende macht, waarbij : 11 - ofwel alle onderwijsniveaus gevestigd zijn in eenzelfde gebouwencomplex, al dan niet onder hetzelfde instellingshoofd; - ofwel alle onderwijsniveaus onder hetzelfde instellingshoofd al dan niet gevestigd zijn in één enkel gebouwencomplex. In de gevallen waarin deze definitie aanleiding geeft tot uiteenlopende interpretaties, beslist de bevoegde Minister, voor elk geval, wat een bepaalde onderwijsinrichting omvat » (artikel 2). Elke onderwijsinrichting moet een specifieke boekhouding bijhouden, die een bijzonder journaal, een kasboek en een postrekeningboek omvat. Tweemaal per jaar wordt een voorlopige rekening opgemaakt, en op het einde van elk dienstjaar een eindrekening. Verder wordt nog een bestendige inventaris gehouden van alle aangekochte goederen (artikel 4). De niet-gebruikte ontvangsten worden naar het volgende boekjaar overgedragen, gedurende hetwelk zij voor dezelfde bestemming worden gebruikt (artikel 7); het gebruik van de verleende toelagen wordt ten minste eenmaal per jaar door verificateurs gecontroleerd (artikel 10). B.3.
- De andere boekhoudkundige verplichtingen die de verzoekende partij vermeldt, wegen niet op de gesubsidieerde instellingen als zodanig, maar op hun inrichtende machten, die zijn onderworpen aan de boekhoudkundige regels die zijn vastgelegd bij artikel 37bis van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » of, in voorkomend geval, bij artikel 17 van de wet van 27 juni 1921 « betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen ». B.3.
- Dergelijke verplichtingen zijn niet te vergelijken met de specifieke verplichtingen die wegen op de door de Gemeenschap ingerichte onderwijsinstellingen, meer bepaald de verplichting om de gelden en de waarden te laten behandelen en bewaren door een tegenover het Rekenhof verantwoordelijke rekenplichtige. B.3.
- Rekening houdend met die specifieke verplichtingen en met het feit dat het financieel beheer van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen in beginsel wordt verzekerd door hun inrichtende machten, is de behoefte aan een corresponderende rekenplichtige bij de door de Gemeenschap ingerichte instellingen voor buitengewoon basisonderwijs niet 12 vergelijkbaar met die welke geldt voor de door haar gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs. B.3.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. B.4.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet doordat het instellen van administratieve betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon basisonderwijs zou afhangen van budgettaire toevalligheden terwijl dat niet het geval zou zijn voor de door haar gesubsidieerde instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs. B.4.
- Krachtens artikel 112 van het aangevochten decreet kunnen de ambten uitgeoefend door het administratief personeel in een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs « ambten van klerk-typiste en van opsteller » zijn. Artikel 114 van het bestreden decreet bepaalt : « Het volume van de betrekkingen in de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, wordt in het lestijdenpakket vastgesteld. Dit lestijdenpakket wordt jaarlijks, voor elke inrichting, voor het bedoelde jaar, vastgesteld ». Artikel 116 van het bestreden decreet bepaalt : « §
- De betrekkingen van studiemeester-opvoeder, directiesecretaris en van het administratief personeel, die in het gespecialiseerd secundair onderwijs worden georganiseerd of gesubsidieerd, worden opgenomen in een lestijdenpakket dat wordt berekend door het volgens de volgende verdeeltabel gekregen kencijfer met 38 te vermenigvuldigen : 1° 80 leerlingen : 1 2° 160 leerlingen : 2 3° 240 leerlingen : 3 4° 320 leerlingen : 4 5° 400 leerlingen : 5 6° 500 leerlingen : 6 7° 600 leerlingen : 7 8° 760 leerlingen : 8 9° 920 leerlingen : 9 13 10° 1.080 leerlingen : 10 11° 1.240 leerlingen : 11 12° 1.400 leerlingen : 12 13° 1.560 leerlingen : 13 14° 1.720 leerlingen :
- Voor elke bijkomende volledige schijf van 160 leerlingen, wordt het kencijfer met 1 verhoogd. §
- De betrekkingen worden in de volgorde van de kencijfers toegekend aan het personeel dat het ambt van studiemeester-opvoeder uitoefent. Voor elke inrichting moeten de volgende betrekkingen, met volledige dienstprestatie, worden toegekend : 1° voor het ambt van klerk-typiste, door omzetting van de 3de en/of de 14de betrekking; 2° voor het ambt van opsteller, door omzetting van de 8ste en/of de 11de betrekking. […] ». B.4.
- Artikel 213 van het bestreden decreet bepaalt evenwel : « Elk jaar bepaalt de Regering, binnen de perken van de begrotingsmiddelen, het percentage van het lestijdenpakket dat kan worden gebruikt voor de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het paramedisch personeel, van het maatschappelijk personeel, van het psychologisch personeel, van het administratief en opvoedend hulppersoneel, en dat voortvloeit uit de normen bedoeld in de artikelen 33, 34, 85, 86, 102, 104, 113, 114 en 132 en dit, op een identieke manier voor alle onderwijsnetten ». In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, is krachtens dat artikel het instellen van administratieve betrekkingen in de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs eveneens afhankelijk van de beschikbare begrotingsmiddelen. B.4.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. B.5.
- De verzoekende partij voert een tweede middel aan dat is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 5, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet doordat artikel 111, tweede lid, van het bestreden decreet te uitgebreide bevoegdheden zou hebben toegekend aan de Franse Gemeenschapsregering. B.5.
- Artikel 24, § 5, van de Grondwet bepaalt dat de inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet. 14 Die bepaling drukt de wil uit van de Grondwetgever om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs, wat de inrichting, de erkenning of de subsidiëring ervan betreft. Zij verbiedt echter niet dat onder bepaalde voorwaarden bevoegdheden aan andere overheden worden toegekend. Artikel 24, § 5, van de Grondwet vereist dat die bevoegdheden slechts op de tenuitvoerlegging van de door de decreetgever zelf vastgestelde beginselen betrekking hebben. Zodoende kan een Gemeenschapsregering of een andere overheid de onnauwkeurigheid van die beginselen niet opvangen of onvoldoende omstandige beleidskeuzes niet verfijnen. B.5.
- De voorwaarden waaraan het instellen van betrekkingen van corresponderende rekenplichtige in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs is onderworpen, hebben betrekking op het statuut van het administratief personeel. Zij maken bijgevolg deel uit van de regels met betrekking tot de subsidiëring van het onderwijs, in de zin van artikel 24, § 5, van de Grondwet. B.5.
- Door artikel 111, tweede lid, van het bestreden decreet aan te nemen, heeft de decreetgever enkel bepaald dat de Regering elk jaar, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, het percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige dat op grond van artikel 109 van het decreet kan worden ingesteld voor het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs, zal bepalen. Het feit dat die bepaling jaarlijks gebeurt, enerzijds, en de noodzaak ze te verantwoorden vanuit de door de decreetgever vastgestelde beschikbare begrotingskredieten, anderzijds, tonen aan dat deze de grenzen van de verordeningsbevoegdheid van de Regering heeft aangegeven. B.5.
- Het tweede middel kan niet worden aangenomen. 15 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div