id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.018 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060201.6 Arrest- Rolnummer: 18/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-13 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-06-30 14:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij elk privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum in de Vlaamse Gemeenschap waarvan de activiteit is gericht op het patrimonium van « de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing », uitsluiten van het toepassingsgebied van het decreet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, gesteld door de Raad van State. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1985 - 3 - 37 Link Justel databank 19850627-37 Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1985 - 5 - 37 Link Justel databank 19850627-37 Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1985 - 7,§1,2° - 37 Link Justel databank 19850627-37 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3316 Arrest nr. 18/2006 van 1 februari 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, gesteld door de Raad van State. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 138.686 van 20 december 2004 in zake de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers » tegen de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 januari 2005, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, op zich genomen dan wel samengelezen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, op zichzelf of samengelezen met artikel 19 van de gecoördineerde Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens, doordat ze a priori de erkenning en elke vorm van subsidiëring onthouden aan een privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum in de Vlaamse Gemeenschap waarvan de activiteit niet gericht is op het patrimonium van één van de in artikel 3 van dat decreet limitatief genoemde ideologisch-filosofische stromingen, met name gericht is op het patrimonium van de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing, minstens in de mate dat artikel 5 van dat decreet de erkenning van meer dan één archief- en documentatiecentrum per in artikel 3 genoemde ideologisch-filosofische stroming uitsluit en de decreetgever er daarbij van uitgegaan is dat de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing die in artikel 181, § 2, van de gecoördineerde Grondwet erkend is voldoende aan bod komt via de in artikel 3 van het decreet van 27 juni 1985 genoemde stromingen en de in artikel 7 van hetzelfde decreet met name vermelde archief- en documentatiecentra ? ». De Vlaamse Regering en de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers », met zetel te 2018 Antwerpen, Breughelstraat 60, hebben ieder een memorie en een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 november 2005 : - zijn verschenen : . Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers »; . Mr. K. Avermaete loco Mr. W. Muls, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 29 november 2005 heeft voorzitter A. Arts de zaak voorgelegd aan het Hof in voltallige zitting. Bij beschikking van dezelfde dag heeft het Hof de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 14 december
- 3 Op de openbare terechtzitting van 14 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers »; . Mr. K. Lardenoit loco Mr. W. Muls, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij voor de Raad van State, de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers », opgericht op 17 april 1986 door de v.z.w. Unie Vrijzinnige Verenigingen, de v.z.w. Vrijzinnige Koepel en de v.z.w. Uitstraling V.U.B., Centrum Permanente Vorming, dient op 27 februari 2001 een aanvraag tot erkenning en subsidiëring als privaatrechtelijk Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum in en dit op basis van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra (hierna : het decreet van 27 juni 1985). Met een brief van 28 maart 2001 deelt het hoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de verzoekende partij voor de Raad van State mede dat haar aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen voor verdere behandeling gelet op de artikelen 3 en 7 van het decreet van 27 juni 1985, hetwelk in die zin wordt geïnterpreteerd dat enkel de daarin met name vernoemde stromingen en centra in aanmerking kunnen worden genomen. Het is die beslissing waarvan voor de Raad van State de nietigverklaring wordt gevorderd. De verzoekende partij voert ten gronde slechts één middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 19 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, om reden dat de artikelen 3 en 5 van het decreet van 27 juni 1985 inhouden dat een archief- en documentatiecentrum van een ideologisch-filosofische strekking geen centrum is in de zin van het decreet en niet kan worden erkend noch aanspraak kan maken op subsidiëring indien het zich niet bekent tot de katholieke, socialistische, liberale of Vlaams-nationale strekking, en dat er slechts één centrum per ideologisch-filosofische strekking erkend kan worden, waarbij die centra overigens met name genoemd worden in artikel 7, § 1, 2°, van voormeld decreet. Het aldus gemaakte onderscheid tussen de centra die in het decreet genoemd zijn en een centrum zoals dat van de verzoekster, dat dezelfde doelstelling en activiteit als voormelde centra heeft maar dan met betrekking tot het patrimonium van een andere levensbeschouwelijke stroming, berust niet op een pertinent criterium en kan de evenredigheidstoets niet doorstaan. De verwerende partij voor de Raad van State betwist allereerst de ontvankelijkheid van de vordering aangezien geen eenzijdige administratieve rechtshandeling, wordt aangevochten maar veeleer een zuiver declaratieve rechtshandeling en werpt vervolgens op dat de decreetgever zich gebaseerd heeft op de bepalingen van de cultuurpactwet. De decreetgever oordeelde daarbij dat de vrijzinnigheid voldoende aan bod kwam in de erkenning van de in artikel 3 van het decreet genoemde ideologisch-filosofische strekkingen. 4 De Raad van State stelt vast dat uit de combinatie van de artikelen 3, 5 en 7 en de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 juni 1985 blijkt dat enkel de vier in artikel 3 « met name » opgesomde ideologisch-filosofische strekkingen erkend kunnen worden en dat de decreetgever zich hierbij heeft beperkt tot de vier grote ideologisch-filosofische strekkingen die als dusdanig vertegenwoordigd waren in de toenmalige Vlaamse Raad. Hij stelt hierop de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De verzoekende partij voor de Raad van State, de v.z.w. Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum « Karel Cuypers », geeft allereerst toelichting bij haar werkzaamheden. Zij betoogt dat artikel 3 van het decreet van 27 juni 1985 tot gevolg heeft dat een archief- en documentatiecentrum, zijnde een instelling die tot doel heeft het behoud en de ontsluiting ten behoeve van studie en onderzoek van het patrimonium van een ideologisch-filosofische strekking, geen centrum is in de zin van het decreet en bijgevolg niet kan worden erkend en geen aanspraak kan maken op enige subsidiëring indien het zich niet bekent tot de katholieke, socialistische, liberale of Vlaams-nationale strekking. Artikel 5 van voormeld decreet bepaalt zelfs dat slechts één centrum per ideologisch-filosofische strekking kan worden erkend. Artikel 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 somt nominatim de centra op die in aanmerking komen voor subsidiëring, indien ze worden erkend. De verzoekster voor de Raad van State betoogt dat op die wijze de toenmalige vier grote politieke families in de Vlaamse Raad ten bate van zichzelf, en zulks met uitsluiting van elke andere ideologisch- filosofische strekking in de samenleving, het toepassingsveld van het decreet hebben afgebakend. Voor de verzoekende partij voor de Raad van State is het derhalve onmogelijk om als privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum te worden erkend dan wel om enige toelage te ontvangen. Nochtans is zij op het vlak van archief en documentatie de emanatie van de georganiseerde vrijzinnigheid en de daarmee samengaande vrijzinnige levensbeschouwing in de Vlaamse Gemeenschap die, zonder een godsdienst uit te maken, uitdrukkelijk door artikel 181, § 2, van de Grondwet wordt erkend. Zij wijst verder erop dat zij in het nieuwe decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking in artikel 24 wel nominatim wordt genoemd, zij het in een zeer beperkte materie. A.1.
- Het uit de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 voortvloeiende onderscheid in behandeling tussen, enerzijds, de centra die tot doel hebben het behoud en de ontsluiting ten behoeve van studie en onderzoek van het patrimonium van vier in het decreet genoemde ideologisch-filosofische strekkingen in Vlaanderen en, anderzijds, een centrum zoals dat van de verzoekster, dat dezelfde doelstelling en activiteit als voormelde centra heeft maar dan met betrekking tot het patrimonium van een andere levensbeschouwelijke stroming, te weten de vrijzinnigheid in de Vlaamse Gemeenschap, kan volgens de verzoekende partij voor de Raad van State de toets van het gelijkheidsbeginsel niet doorstaan. Voormeld onderscheid in behandeling berust immers geenszins op een pertinent criterium : sommige in de samenleving bestaande levensbeschouwingen komen wel voor erkenning en subsidiëring in aanmerking en andere helemaal niet, terwijl in een democratische samenleving, wanneer de wetgever in die materie steun wenst te verlenen, hij alle democratische levensbeschouwingen zou dienen te steunen. Dit is zeker het geval voor de krachtens de Grondwet erkende levensbeschouwingen. De verzoekende partij voor de Raad van State is verder van mening dat voormeld onderscheid al evenmin de proportionaliteitstoets kan doorstaan vermits de toelagen enkel worden voorbehouden aan de in het decreet zelf nominatim en limitatief opgesomde centra terwijl de niet voor erkenning in aanmerking komende centra, met equivalente activiteit, geen enkele toelage kunnen ontvangen. A.
- De Vlaamse Regering stelt dat het decreet van 27 juni 1985 tot doel heeft de bewaring en valorisatie van de documentatie van de intermediaire structuren zoals politieke partijen, vakbonden, sociale en culturele verenigingen te bevorderen door het financieel ondersteunen van de documentatiecentra ter zake. De Vlaamse Regering betwist de stelling van de verzoekende partij voor de Raad van State dat de vier grote politieke families in de toenmalige Vlaamse Raad ten bate van zichzelf het toepassingsveld van het decreet hebben bepaald. Het voorstel van decreet werd immers nagenoeg unaniem goedgekeurd. 5 Volgens de Vlaamse Regering heeft de decreetgever een objectief criterium gehanteerd om te bepalen welke centra konden worden erkend en gesubsidieerd door zich te baseren op de bepalingen van de cultuurpactwet (wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt), waarvan het decreet van 27 juni 1985 een uitvoering is. Voor de cultuurpactwet steunt de vertegenwoordiging van de filosofische en ideologische strekkingen op hun aanwezigheid in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid. De verzoekende partij voor de Raad van State toont niet aan dat haar activiteiten en doelstellingen onder de toepassing van de cultuurpactwet vallen. De Vlaamse Regering wijst verder erop dat bij de totstandkoming van het decreet het archief van de vrijzinnigheid uitdrukkelijk ter sprake kwam en dat werd geoordeeld dat de vrijzinnige levenshouding voldoende aan bod kwam in de erkenning van de in het decreet opgesomde archief- en documentatiecentra. De Vlaamse Regering beklemtoont dat de georganiseerde vrijzinnigheid geen politieke stroming op zich is en zich derhalve niet in dezelfde situatie bevindt als de vier in het decreet opgenomen documentatiecentra. Dat blijkt volgens haar ook uit het nieuwe decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking, waarin de verzoekende partij wordt ondergebracht bij de archief- en documentatiecentra op basis van culturele thema’s. Ook hieruit kan worden afgeleid dat het bekritiseerde decreet enkel was bestemd voor de vier bij name genoemde archief- en documentatiecentra van de vier grote ideologisch-filosofische strekkingen die als partij in het Vlaams Parlement vertegenwoordigd waren. De georganiseerde vrijzinnigheid is dat niet en kan dus niet worden gelijkgesteld met de vier in het decreet genoemde centra. De Vlaamse Regering betoogt verder dat zij twijfelt aan de stelling dat de schending van het gelijkheidsbeginsel vervat ligt in het decreet zelf vermits de verzoekster voor de Raad van State nooit enig initiatief heeft genomen tot het indienen van een verzoek bij de decreetgever om erkend te worden als archief- en documentatiecentra terwijl de decreetgever van 1985 in de parlementaire voorbereiding duidelijk heeft gesteld dat, wanneer er in de toekomst andere archieven van eenzelfde draagwijdte als de vier erkende archieven zouden zijn, die in eenzelfde situatie verkeren en een subsidiëring nodig zou hebben, hij zich daarover zou buigen. A.
- De verzoekende partij voor de Raad van State voert in haar memorie van antwoord aan dat uit de stelling van de Vlaamse Regering duidelijk blijkt dat zij de emanatie is van een ideologisch-filosofische strekking in Vlaanderen in de zin van artikel 3 van het decreet van 27 juni
- Zij verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat in het de cultuurpactwet voorkomende begrip « filosofische of ideologische strekking » steunt op een levensbeschouwelijke opvatting of maatschappijvisie. Zij citeert vervolgens uit de rechtspraak van het Hof en leidt hieruit af dat het decreet van 27 juni 1985 veeleer bedoeld is om een uitvoering te zijn van het zogenaamde « cultuurpact » dan van de cultuurpactwet van 16 juli
- Zij besluit dat het verengen van het begrip « ideologisch-filosofische strekking » tot een politieke stroming, zoals dat gebeurt door het decreet van 27 juni 1985 en ook de Vlaamse Regering doet in haar memorie, in het kader van het cultuurpact zelf niet aanvaardbaar is. Doordat het door het decreet van 27 juni 1985 gehanteerde onderscheidingscriterium van louter partijpolitieke aard is, kan het onmogelijk pertinent zijn. Door een dergelijk criterium wordt de verzoekende partij gedwongen niet alleen zich aan te sluiten bij een van de in het decreet nominatim genoemde partijpolitieke stromingen. Doordat verder maar één centrum per ideologisch-filosofische strekking voor erkenning in aanmerking komt, wordt zij ook verplicht rechtens op te gaan in een van die centra, zodat een schending van het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met artikel 19 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, voorligt. A.
- De Vlaamse Regering herhaalt in haar memorie van antwoord dat voor de cultuurpactwet van 16 juli 1973 de vertegenwoordiging van de filosofische en ideologische strekkingen steunt op hun aanwezigheid in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid en dat ter zake moet worden vastgesteld dat de georganiseerde vrijzinnigheid geen politieke stroming is en zich derhalve niet in dezelfde situatie bevindt als de vier in het decreet opgenomen documentatiecentra. Het betwiste verschil in behandeling steunt derhalve op een objectief criterium. 6 -B- B.1.
- Het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, zoals gewijzigd bij artikel 8bis van het decreet van 8 april 1987 (en hierna het decreet van 27 juni 1985 genoemd), heeft tot doel de bewaring en valorisatie van de documentatie van de zogenaamde intermediaire structuren zoals politieke partijen, vakbonden, sociale en culturele verenigingen te bevorderen door het financieel ondersteunen van de documentatiecentra ter zake. De decreetgever oordeelde dat die organisaties « de basiscomponenten van het sociaal leven » zijn geworden, dat hun ontwikkeling « geënt is op de levensbeschouwelijke, sociale en etnisch-culturele problematiek » en dat het grondig bestuderen van die intermediaire structuren noodzakelijk is « om inzicht te verwerven in de historische ontwikkeling van ons land en om de mechanismen te begrijpen die het maatschappelijk leven ook nu nog beheersen […]. Er moet voor gezorgd worden dat de essentie van hun historische en lopende documentatie wordt bewaard en voor het wetenschappelijk onderzoek toegankelijk wordt gemaakt » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1984-1985, nr. 308/1, pp. 1-2). De decreetgever stelde hierbij vast dat de toestand van de historische documentatie van die intermediaire structuren te wensen overliet. Hij achtte het niet wenselijk de bewaring van de valorisatie van de documentatie van die intermediaire structuren toe te vertrouwen aan openbare archieven omdat « de overdracht van dit materiaal, dat niet zelden van recente datum is, een vertrouwensband vergt tussen bewaargever en bewaarnemer, die meestal ontbreekt ten aanzien van een openbare instelling » en « de behandeling van al die documentatiecategorieën en de dienstverlening die eraan gekoppeld is, […] een verregaande vertrouwdheid [vereisen] met de geschiedenis en de actuele werking van de intermediaire structuren, die niet kan opgebracht worden door de ambtenaren van het openbaar archief » (ibid., p. 2). B.1.
- Artikel 2 van het decreet van 27 juni 1985 bepaalt dat de Vlaamse Regering onder de bij dat decreet bepaalde voorwaarden toelagen verleent aan de in artikel 3 bedoelde Nederlandstalige archief- en documentatiecentra. Artikel 3 van het voormelde decreet omschrijft wat onder « archief- en documentatiecentrum » dient te worden begrepen. Artikel 5 van het decreet van 27 juni 1985 stelt dat slechts één archief- en documentatiecentrum per ideologisch-filosofische strekking kan worden erkend. Artikel 4 van hetzelfde decreet somt de 7 erkenningsvoorwaarden op, terwijl de artikelen 6 en 7 de jaarlijkse toelage bepalen. Artikel 8 van voormeld decreet bevat de regels inzake de subsidieaanvraag en uitbetaling van subsidies. Artikel 9 ten slotte richt een Raad van de Archief- en Documentatiecentra op. B.1.
- Het decreet van 27 juni 1985 is opgeheven bij artikel 26 van het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking. B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni
- Die bepalingen luiden : « Art.
- Onder archief- en documentatiecentrum wordt in het kader van dit decreet verstaan een instelling die tot doel heeft het behoud en de ontsluiting ten behoeve van studie en onderzoek van het patrimonium van de ideologisch-filosofische stromingen in Vlaanderen, met name de katholieke, de socialistische, de liberale en de Vlaams-nationale ». « Art.
- Er kan slechts één archief- en documentatiecentrum per ideologisch-filosofische strekking zoals bedoeld in artikel 3, worden erkend ». « Art.
- §
- Voor de erkende archief- en documentatiecentra omvat de jaarlijkse toelage :
- een gelijk basisbedrag, dat tenminste omvat : a) het bedrag van de bezoldiging volgens artikel 6, § 2 en § 3 van één personeelslid met beleidsverantwoordelijkheid; b) een vaste basis- en werkingstoelage van 500.000 frank;
- een toelage aan elk van de in artikel 3 bedoelde centra, waarvan het bedrag berekend wordt volgens een verdeelsleutel die voor de periode van 1 januari 1986 tot 31 december 1989 vastgesteld wordt als volgt : - Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum : 45 ten honderd; - Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging : 30 ten honderd; - Archief-, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor het Liberalisme : 12,5 ten honderd; 8 - Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme : 12,5 ten honderd. Deze verdeelsleutel kan na afloop van elke periode van vijf jaar bij decreet worden herzien na eensluidend advies van de Raad van de Archief- en Documenatiecentra waarvan sprake in artikel 9 ». B.
- De verwijzende rechter vraagt of voormelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 19 ervan en met de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, schenden « doordat ze a priori de erkenning en elke vorm van subsidiëring onthouden aan een privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum in de Vlaamse Gemeenschap waarvan de activiteit niet gericht is op het patrimonium van één van de in artikel 3 van dat decreet limitatief genoemde ideologisch- filosofische stromingen, met name gericht is op het patrimonium van de vrijzinnige (niet- confessionele) levensbeschouwing, minstens in de mate dat artikel 5 van dat decreet de erkenning van meer dan één archief- en documentatiecentrum per in artikel 3 genoemde ideologisch-filosofische stroming uitsluit en de decreetgever er daarbij van uitgegaan is dat de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing die in artikel 181, § 2, van de gecoördineerde Grondwet erkend is voldoende aan bod komt via de in artikel 3 van het decreet van 27 juni 1985 genoemde stromingen en de in artikel 7 van hetzelfde decreet met name vermelde archief- en documentatiecentra ». B.4.
- Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 juni 1985 blijkt dat de decreetgever zich beperkt heeft tot het regelen van de bewaring en de valorisatie van het historische en actuele erfgoed van de vier in de artikel 3 vermelde grote ideologisch- filosofische strekkingen in Vlaanderen : « met name de christelijke, de socialistische, de liberale en de Vlaams-nationale, die als dusdanig vertegenwoordigd zijn in de Raad van de Vlaamse Gemeenschap, de Vlaamse Raad. Deze stromingen oefenden op de maatschappelijke ontwikkeling van de 19e en 20e eeuw een belangrijke invloed uit, vanuit hun intermediaire positie tussen burger en overheid, wat thans nog onverminderd geldt. Om het de huidige en toekomstige generaties mogelijk te maken verklaringsgronden te vinden voor de eigen situatie en een verantwoord inzicht te verwerven in de maatschappelijke mechanismen, beschouwt de Vlaamse Gemeenschap het als haar taak voor het behoud van het patrimonium van vermelde ideologisch-filosofische stromingen in een substantiële financiële tegemoetkoming te voorzien. In het voorbije decennium hebben een aantal wetenschappelijke documentatiecentra de zorg voor een verantwoorde conservering en ontsluiting van de historische en actuele documentatie van de in de Vlaamse Gemeenschap aanwezige grote ideologisch-filosofische stromingen op zich genomen, met name het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum 9 (KADOC) te Leuven, het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging (AMSAB) te Gent, het Archief-, Documentatie- en Onderzoekscentrum van het Liberalisme (Liberaal Archief) te Gent en het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams- nationalisme (ADVN) te Antwerpen. De vermelde documentatiecentra bestrijken elk hun werkingsveld voor het gehele Vlaamse grondgebied met als doelstelling niet alleen deze documentatie te bewaren maar ook haar te ontsluiten ten behoeve van studie en onderzoek. Tevens fungeren zij als dienstverlenende centra ten aanzien van hun bewaargevers, de overheid en de media-wereld » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1984-1985, nr. 308/1, pp. 3-4). B.4.
- De in artikel 7 genoemde documentatiecentra bestonden reeds vóór de totstandkoming van het decreet en ontvingen elk jaarlijks via de begroting een subsidie. De decreetgever wenste die subsidie zelf te regelen, hetgeen volgens hem ook vereist was door de cultuurpactwetgeving : « Op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap is nu voor ieder van hen 700.000 frank ingeschreven. Dit bedrag is echter niet voldoende om hun werking te verzekeren. Het moet dus worden verhoogd. Dit voorstel van decreet wenst de bestaande subsidiëring decretaal te regelen, zoals trouwens wordt vereist door de Cultuurpactwetgeving. Er werd onderhandeld tussen de verschillende documentatiecentra en tussen de overeenstemmende politieke partijen. Met de aldus bereikte overeenkomst stemde de Vlaamse Executieve blijkbaar in. Vanaf 1 januari 1986 zullen er in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap bijkomende middelen ter beschikking worden gesteld » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1984-1985, nr. 308/2, p. 2). B.4.
- Op de kritiek in de plenaire vergadering op de bovenstaande beperkende wijze van erkenning en subsidiëring tot de vier in artikel 3 opgesomde centra werd geantwoord dat : « […] het hier [gaat] om de uitvoering van het Cultuurpact dat zegt dat, wanneer bepaalde initiatieven in de cultuursector gesubsidieerd worden, de regeling daarvoor moet worden vastgelegd bij decreet, anders moet de subsidiëring nominatim in de begroting worden opgenomen. De vier geciteerde archieven werden tot hiertoe in onze begroting betoelaagd [...]. Het gaat hierbij om vier archieven die nauw aansluiten bij de grote strekkingen in ons politiek, sociaal en cultureel leven. Indien men mij zou zeggen dat een bepaald archief vergeten werd, wil ik dat rustig in overweging nemen, maar ik zie niet in welk archief wij zouden kunnen hebben vergeten. Misschien is er wel een archief dat wij zijn vergeten, met name dat van de vrijzinnigheid. Mogelijk is dat een archief dat inderdaad 150 jaar of meer teruggaat en dat wij uit het oog zijn verloren. Voor het overige zie ik geen enkel archief dat wij zouden vergeten zijn. Alles wordt hier openlijk in een decreet ingeschreven en naar voren gebracht. Indien er in de toekomst andere archieven van eenzelfde draagwijdte zouden zijn die in dezelfde situatie verkeren en betoelaging nodig hebben, zal deze Raad zich daar ongetwijfeld ook over buigen en zeker niet zo onredelijk zijn die archieven in de kou te laten staan » (Hand., Vlaamse Raad, 24 juni 1985, nr. 34, pp. 1132-1133). 10 B.4.
- Volgens de Vlaamse Regering blijkt uit hetgeen voorafgaat dat de decreetgever van oordeel was dat de vrijzinnige levensbeschouwing voldoende aan bod kwam in de erkenning van de documentatiecentra van de in artikel 3 genoemde ideologisch-filosofische stromingen die als zodanig in het Parlement vertegenwoordigd waren. De georganiseerde vrijzinnigheid kan volgens haar niet worden beschouwd als een politieke stroming. B.
- Het staat aan de decreetgever om te oordelen of en onder welke voorwaarden hij bepaalde initiatieven of instellingen met overheidsmiddelen wil subsidiëren. Het komt niet aan het Hof toe het oordeel van de decreetgever te bekritiseren voor zover het niet strijdig is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.6.
- Bij zijn beslissing om te kiezen welke stromingen de ontwikkeling van de maatschappij sinds de XIXe eeuw hebben beïnvloed, heeft de decreetgever gebruik gemaakt van een criterium dat, inzake archiefbewaring, pertinent is. Hij heeft dat criterium op redelijke wijze toegepast door de vier in het decreet van 27 juni 1985 vermelde filosofische strekkingen aan te wijzen. Er zou hem niet kunnen worden verweten, onder voorbehoud van het bezwaar dat hierna zal worden onderzocht, dat hij geen andere filosofische strekkingen heeft gekozen die, ongeacht hun huidige belang, niet hetzelfde historische belang vertonen. B.6.
- In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht na te gaan of de decreetgever, door na te laten de bewaring van het « patrimonium van de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing » te subsidiëren, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft geschonden. B.6.
- De decreetgever heeft zich willen laten leiden door de bepalingen van het decreet van 28 januari 1974, dat de bewoordingen overneemt van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt. Volgens artikel 3, § 2, van dat decreet steunt « het begrip filosofische en ideologische strekking […] op een levensbeschouwelijke opvatting of op een maatschappijvisie » en steunt « de vertegenwoordiging van de strekkingen […] op hun aanwezigheid in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid ». 11 De vier aangewezen strekkingen zouden overeenstemmen met de vier belangrijkste partijen die in de Vlaamse Raad waren vertegenwoordigd en die de meest geschikte « intermediaire structuren » zouden zijn teneinde de historische documentatie te bewaren om « de mechanismen te begrijpen die het maatschappelijk leven ook nu nog beheersen ». B.6.
- Door te beslissen de « katholieke stroming » en de « Vlaams-nationale stroming » te subsidiëren, heeft de decreetgever echter filosofische strekkingen - en twee documentatiecentra - gekozen die niet overeenstemmen met stromingen die als dusdanig in het Vlaams Parlement zijn vertegenwoordigd. Het is niet redelijk verantwoord geen rekening te houden met de « vrijzinnige strekking » om reden dat die voldoende aanwezig zou zijn binnen de socialistische en de liberale stromingen, aangezien de decreetgever strekkingen heeft gekozen die als dusdanig zelf aanwezig zijn binnen meerdere politieke stromingen, zonder dat die politieke stromingen kunnen worden beschouwd als de bewaarders van de archieven van de strekkingen. B.6.
- Door niet eveneens een archiefcentrum te kiezen dat onder de « vrijzinnige strekking » valt, hoewel dat in de debatten die het in het geding zijnde decreet zijn voorafgegaan, is voorgesteld als « een archief dat […] 150 jaar of meer teruggaat en dat wij uit het oog zijn verloren » (Hand., Vlaamse Raad, 24 juni 1985, nr. 34, pp. 14132-14133), zonder dat die vergetelheid op relevante wijze is uitgelegd, heeft de decreetgever een ideologische en filosofische strekking die zich, ten aanzien van de doelstellingen van het decreet, bevindt in dezelfde situatie als de andere daarin vermelde strekkingen, zonder redelijke verantwoording verschillend behandeld. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2°, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij elk privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum in de Vlaamse Gemeenschap waarvan de activiteit is gericht op het patrimonium van « de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing », uitsluiten van het toepassingsgebied van het decreet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div