← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.021 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060201.9 Arrest- Rolnummer: 21/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-14 Raadplegingen: 232 - laatst gezien 2026-06-30 15:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2004, in zoverre het bepaalde kredieten opent (« Gezondheidspromotie op school » en « Werking van de P.M.S.-Centra »), ingesteld door de v.z.w. Fédération des institutions médico-sociales en anderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 17-12-2003 - 52 ELI link Pub nr 2004029037 Tekst van de beslissing Rolnummer 3697 Arrest nr. 21/2006 van 1 februari 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2004, in zoverre het bepaalde kredieten opent (« Gezondheidspromotie op school » en « Werking van de P.M.S.-Centra »), ingesteld door de v.z.w. Fédération des institutions médico-sociales en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 mei 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 mei 2005, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2004, tweede uitgave), in zoverre het bepaalde kredieten opent (« Gezondheidspromotie op school » en « Werking van de P.M.S.-Centra »), door de v.z.w. Fédération des institutions médico-sociales, met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Belliardstraat 23A, de v.z.w. Centre liégeois de médecine préventive, met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue Trappé 20, de v.z.w. Centre de santé de Jolimont, met maatschappelijke zetel te 7100 Haine-Saint-Paul, rue Ferrer 196, de v.z.w. Services libres interrégionaux du Namurois, met maatschappelijke zetel te 5000 Namen, rue du Lombard 24, de v.z.w. P.S.E. Libre de Bruxelles-Capitale, met maatschappelijke zetel te 1180 Brussel, J. & P. Carsoellaan, P. Muselle, wonende te 4280 Hannuit, rue J. Wauters 13, H. Wittorski, wonende te 4100 Seraing, rue des D’Joyeux Wallons 81, M. Agnoli, wonende te 6240 Farciennes, rue du Louât 154, S. Cayron, wonende te 1300 Limal, Sentier du Grand Cortil 6, G. Hayoit de Termicourt, wonende te 4890 Thimister-Clermont, Counhaye 1, en de v.z.w. Les écoles catholiques de Waremme et environs, met maatschappelijke zetel te 4300 Borgworm, avenue du Prince Régent

  1. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. X. Drion, tevens loco Mr. D. Drion, advocaten bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Sautois loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  2. De eerste verzoekende partij is een v.z.w. waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat de volksgezondheid te bevorderen door « de werken en diensten met een medisch-sociaal doel die hun activiteit volgens de christelijke beginselen uitvoeren » te coördineren; haar leden zijn met name de door de Franse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde diensten voor de gezondheidspromotie op school. Zij verantwoordt haar belang bij het aanvechten van de bepalingen van het decreet van 17 december 2003 door het feit dat de aan de diensten voor de gezondheidspromotie op school toegewezen budgettaire middelen veel beperkter zijn dan die welke worden toegekend aan de psycho-medisch-sociale centra (P.M.S.-centra) van de Franse Gemeenschap, en ontoereikend zijn. A.1.
  3. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij zijn v.z.w.’s die door de Franse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde diensten voor de gezondheidspromotie op school zijn; hun maatschappelijk doel bestaat in de bevordering en organisatie van de preventieve geneeskunde en in de bevordering van de gezondheid van de jongeren. Terwijl de opdrachten die het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school aan hen toevertrouwt, opdrachten van openbare dienst zijn die voor de leerlingen bestemd zijn en in niets verschillen van die welke aan de door de Gemeenschap georganiseerde P.M.S.-centra zijn toevertrouwd, zijn de subsidies die de verzoekende partijen ontvangen - en die hun enige bron van inkomsten zijn om die opdrachten te vervullen - veel beperkter dan die welke aan de door de Franse Gemeenschap georganiseerde P.M.S.-centra worden toegekend. Dat verschil in de subsidieregeling vormt een discriminerend verschil in behandeling dat, volgens de verzoekende partijen, hun belang verantwoordt om in rechte te treden. A.1.
  4. De zesde, zevende, achtste, negende en tiende verzoekende partij zijn ouders van leerlingen die in het vrije onderwijsnet zijn ingeschreven. Het grote verschil in de subsidieregeling voor de gezondheidspromotie op school tussen onderwijsnetten leidt ertoe dat de diensten die in de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde instellingen worden aangeboden, van minder goede kwaliteit zijn dan die welke in de door de Gemeenschap georganiseerde instellingen worden aangeboden. Dat verschil in kwaliteit is een element dat de ouders van leerlingen niet over het hoofd kunnen zien op het ogenblik dat zij de school moeten kiezen waarin zij hun kind zullen inschrijven, zodat zij van mening zijn dat zij doen blijken van een belang om in rechte te treden. A.1.
  5. De elfde verzoekende partij is een v.z.w. die een inrichtende macht is van verschillende scholen gelegen op het grondgebied van Borgworm en omstreken en waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de organisatie en bevordering van een christelijke opvoeding en van een christelijk onderwijs. Zij verantwoordt haar belang door het feit dat het verschil in de subsidieregeling voor de gezondheidspromotie op school tussen onderwijsnetten onvermijdelijk leidt tot een verschil in kwaliteit van de aangeboden diensten, verschil dat afbreuk doet aan de keuzevrijheid van de ouders en aldus de laatstgenoemden ertoe zal aanzetten hun kinderen in te schrijven in het onderwijsnet van de Gemeenschap, wat leidt tot een vermindering van het aantal leerlingen ingeschreven in het vrije onderwijsnet en meer bepaald in scholen van de elfde verzoekende partij. Indien de elfde verzoekende partij tegemoet wil komen aan de verwachtingen van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school, moet zij bovendien de kosten die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het decreet te bereiken, mee helpen financieren. A.2.
  6. In haar memorie voert de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde de onontvankelijkheid van het verzoekschrift aan, daar het niet tijdig zou zijn ingediend. De financiering van de verschillende entiteiten die zijn belast met het verzekeren van de gezondheidspromotie op school wordt immers geregeld op basis van precieze wet- of verordeningsteksten : enerzijds, wordt de financiering van de gezondheidspromotie op school in het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap verzekerd door een algemene jaarlijkse dotatie aan de P.M.S.-centra, op grond van artikel 21, § 2, van het besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra; 4 anderzijds, zijn de middelen waarover de diensten van het gesubsidieerd onderwijsnet beschikken om de gezondheidspromotie op school te verzekeren, vastgelegd op basis van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school en het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 13 juni 2002 betreffende de gezondheidspromotie op school. Het begrotingsdecreet waarvan de vernietiging wordt gevorderd, is dus niet meer dan een vormelijke tenuitvoerlegging van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school, zonder daarin het minste beginsel toe te voegen of weg te laten, wat de onderhavige zaak dus onderscheidt van die welke tot het arrest nr. 8/2003 heeft geleid. Aangezien de bekritiseerde « subsidieregeling » in werkelijkheid haar oorsprong vindt in dat decreet van 20 december 2001 en dat decreet op 17 januari 2002 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, is het verzoekschrift kennelijk onontvankelijk. A.2.
  7. De beroepstermijnen zijn bovendien vastgesteld om de rechtszekerheid te vrijwaren. De verzoekende partijen, die hebben nagelaten om tijdig in rechte te treden tegen het voormelde decreet van 20 december 2001, kunnen, door het onderhavige beroep in te dienen, de verjaring van hun beroep tot vernietiging tegen het decreet van 20 december 2001 niet omzeilen. De verzoekende partijen hebben aldus twee wijzen waarop een zaak bij het Arbitragehof aanhangig wordt gemaakt, met elkaar verward, vermits zij, naar aanleiding van een geschil voor een justitieel gerecht, hadden moeten vragen een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen. Met hun beroep tot vernietiging tegen het begrotingsdecreet maken de verzoekende partijen zich in werkelijkheid schuldig aan een oneigenlijk gebruik van de procedure. A.
  8. In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering de onontvankelijkheid van het verzoekschrift aan wegens ontstentenis van belang. De mogelijke vernietiging van het begrotingsdecreet zou immers niet leiden tot de vernietiging van de normen waarop de bedragen steunen die nietig zouden worden verklaard; het geldende recht, met inbegrip van onder meer het voormelde decreet van 20 december 2001, zal dus blijven bestaan en de Franse Gemeenschap zal het moeten toepassen. A.
  9. In hun memorie van antwoord zijn de verzoekende partijen van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet voortvloeit uit het decreet van 20 december 2001 – dat zich ertoe beperkt aan verschillende diensten dezelfde opdrachten met dezelfde verplichtingen toe te vertrouwen -, maar wel uit het bestreden financieringsdecreet, dat een discriminatie op het vlak van de financiering invoert. Alleen de algemene uitgavenbegroting kan immers de ongelijkheid teweegbrengen, vermits alleen zij het mogelijk maakt daadwerkelijk na te gaan of aan de op verschillende wijze georganiseerde diensten gelijkwaardige middelen worden toegekend, waarbij het bedrag van de subsidies per leerling onder voogdij van de gesubsidieerde officiële en vrije P.M.S.-centra vooraf bepaald is. In zijn advies over het voorontwerp van decreet van 20 december 2001 had de Raad van State de aandacht van de decreetgever overigens in het bijzonder gevestigd op de noodzaak om zijn budgettair optreden te verantwoorden, teneinde geen onverantwoorde verschillen tussen onderwijsnetten in te voeren. Alleen twee bijzondere bepalingen van het decreet van 17 december 2003 worden door het onderhavige beroep bestreden, beroep dat noch rechtstreeks, noch indirect de vernietiging van het decreet van 20 december 2001 beoogt en derhalve ontvankelijk is. A.5.
  10. In verband met hun belang om in rechte te treden, zijn de verzoekende partijen van mening dat de Franse Gemeenschapsregering dezelfde verwarring maakt als voor de ontvankelijkheid van het beroep : de bron van de ongelijkheid waarover de verzoekende partijen klagen, is niet het decreet van 20 december 2001, maar de toewijzing, door het bestreden decreet, van meer financiële middelen per leerling van het officieel onderwijsnet ten opzichte van de middelen die per leerling van de andere onderwijsnetten worden toegekend en die op basis van de bepalingen van het besluit van 13 juni 2002 worden berekend. A.5.
  11. Een mogelijke vernietiging van de bestreden bepalingen zou overigens niet zonder gevolgen zijn, vermits het derhalve aan de Gemeenschap zou staan om te waken over de naleving van de gelijke behandeling van onderwijsnetten door in een nieuw decreet dat het vernietigde decreet zou vervangen, rekening houdend met de aan de centra van het gesubsidieerd onderwijs betaalde subsidies, eenzelfde subsidiebedrag vast te leggen dat aan de onder de Gemeenschap ressorterende structuren toekomt. De simplistische redenering van de Franse Gemeenschap komt erop neer dat de Franse Gemeenschap, na in een willekeurige norm het subsidiebedrag te hebben vastgelegd dat aan een onderwijsnet toekomt voor een dienst die het moet organiseren, en dit na het verstrijken van de beroepstermijn tegen die norm, in een tweede 5 norm het subsidiebedrag zou kunnen vastleggen dat aan het andere onderwijsnet toekomt, waarbij zij zich beschermt tegen een beroep tegen die tweede norm. Indien wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen geen belang hebben om in rechte te treden, dan zou de bestuurden de mogelijkheid worden ontnomen om een effectief beroep in te stellen tegen de enige norm die de discriminatie teweegbrengt. A.
  12. In haar memorie van wederantwoord is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de verzoekende partijen, ondanks hun beweringen, niet hebben aangetoond dat hun verzoekschrift voldoet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet op het Arbitragehof; zij blijft dus bij de exceptie van onontvankelijkheid die zij in haar eerste memorie heeft aangevoerd. De Regering stelt overigens vast dat slechts drie paragrafen en een rij in een tabel uitdrukkelijk zijn gewijd aan het decreet van 17 december 2003 en dat het dossier van de verzoekende partijen cijfertabellen bevat met betrekking tot begrotingen die met het beschouwde jaar geen enkel verband vertonen. A.
  13. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden, houdt de Franse Gemeenschapsregering staande dat een vernietiging niet de gevolgen zou hebben die de verzoekende partijen ervan verwachten : aangezien zij hebben nagelaten het decreet van 20 december 2001 te bestrijden, neemt het feit dat dat decreet onverminderd blijft bestaan, vandaag wel degelijk elk belang weg om de vernietiging te vorderen van het decreet van 17 december 2003, dat in werkelijkheid slechts de cijfermatige uitdrukking vormt van berekeningen die voortvloeien uit de toepassing van teksten die voorzien in de toekenning van een begroting aan de P.M.S.-centra en aan de diensten voor gezondheidspromotie op school (G.P.S.), teneinde het hun mogelijk te maken hun opdrachten te vervullen. Ten gronde A.
  14. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet. Op basis van de bedragen die worden toegewezen aan de gezondheidspromotie op school (organisatieafdelingen 16 en 48 van de begroting van de Franse Gemeenschap) en de statistieken die de diensten van de ETNIC (Overheidsbedrijf voor de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën van de Franse Gemeenschap) jaarlijks opstellen in verband met het aantal leerlingen dat tot het ene of het andere onderwijsnet behoort, stellen de verzoekende partijen tabellen voor die volgens hen onomstotelijk aantonen dat onder de leerlingen van de verschillende onderwijsnetten een discriminerend verschil in behandeling bestaat. In zijn advies over het voorontwerp van decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school had de Raad van State de aandacht van de budgettaire decreetgever in het bijzonder gevestigd op de noodzaak om, bij de goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting, te waken over de verplichting om de naleving te verzekeren van het beginsel van de gelijkheid tussen de financiering van de P.M.S.-centra in het gemeenschapsonderwijs en de inschrijving van de subsidies die aan de teams voor de gezondheidspromotie op school in het gesubsidieerd onderwijs, zowel het officieel als het vrij, worden toegekend. De Raad van State had aldus gesteld dat de verantwoording van de algemene uitgavenbegroting de geschikte plaats was om gegevens te vermelden die het mogelijk zullen maken feitelijk na te gaan of het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd. De decreetgever heeft echter op geen enkel ogenblik gewag gemaakt van objectieve en relevante omstandigheden die het verschil in behandeling onder de onderwijsnetten op het vlak van preventieve gezondheid kunnen verantwoorden. Dat verschil in de subsidieregeling staat de verzoekende partijen overigens niet toe zich te onttrekken aan de opdrachten die hun zijn toevertrouwd door het decreet van 20 december 2001, dat met name bepaalt dat de gezondheidspromotie gratis is. Ten slotte blijkt uit geen enkel element dat de kosten voor de organisatie van een dienst voor de gezondheidspromotie in een door de Gemeenschap gesubsidieerde inrichting lager zouden liggen dan die voor de uitvoering van diezelfde dienst in het door de Gemeenschap georganiseerde onderwijs. A.
  15. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 1, van de Grondwet. Het verschil in de subsidieregeling tussen onderwijsnetten leidt tot een verschil in kwaliteit dat de keuzevrijheid van de ouders in het gedrang kan brengen door hen ertoe aan te zetten hun kinderen in te schrijven in het onderwijsnet van de Gemeenschap, en dat aldus de onderwijsinstellingen van het gesubsidieerd onderwijsnet kan benadelen, zonder dat enig objectief verschil het verschil in behandeling kan verantwoorden onder de organen die belast zijn met de gezondheidspromotie op school, naargelang zij werkzaam zijn in het gemeenschapsonderwijs of in het gesubsidieerd onderwijs. 6 A.
  16. In ondergeschikte orde, indien het verzoekschrift niet als onontvankelijk wordt beschouwd, is de Franse Gemeenschapsregering in haar memorie van mening dat de middelen niet ontvankelijk zijn, omdat daarin niet wordt aangegeven welke bepalingen in strijd zouden zijn met de grondwettelijke bepalingen waarvan het Hof de inachtneming verzekert. Gelet op de twijfels omtrent het werkelijke onderwerp van het verzoekschrift voert de Franse Gemeenschapsregering de exceptio obscuri libelli aan tegen alle middelen van de verzoekende partijen. A.
  17. In hun memorie van antwoord zijn de verzoekende partijen van mening dat hun middelen duidelijk, nauwkeurig en volledig zijn en dat de exceptio obscuri libelli tracht te verbergen dat de Franse Gemeenschapsregering geen ernstig antwoord heeft om de inachtneming aan te tonen van de in de middelen bedoelde grondwettelijke bepalingen. A.
  18. In haar memorie van wederantwoord is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat, zonder afbreuk te doen aan de exceptio obscuri libelli die zij in haar eerste memorie heeft aangevoerd, indien een vergelijking van de begroting per leerling moet worden gemaakt tussen de onderwijsnetten, die alleen mag uitgaan van cijfermateriaal met betrekking tot dezelfde opdrachten in elk onderwijsnet. Het is dus niet pertinent de subsidieregeling voor de gesubsidieerde P.M.S.-centra in de vergelijking op te nemen, zoals de verzoekende partijen dat doen, vermits die centra niet de opdracht hebben de gezondheidspromotie op school te verzekeren. De wijze waarop de verzoekende partijen van het cijfermateriaal gebruik maken om de verschillende tabellen op te stellen, is eveneens betwistbaar. Immers, terwijl eenzelfde leerling van het gesubsidieerd onderwijs tweemaal werkingssubsidies oplevert (een eerste maal voor de gesubsidieerde P.M.S.-centra en een tweede maal voor de G.P.S.-diensten), komt een leerling in het onderwijs van de Franse Gemeenschap slechts één keer in aanmerking voor de dekking van zowel de opdrachten waarmee normaal gezien de P.M.S.-centra worden belast, als de opdrachten inzake de gezondheidspromotie op school, vermits het forfaitair bedrag van het centrum er wordt bepaald volgens het aantal leerlingen. Vermits het een algemene begroting betreft, zou de vergelijking van de verzoekende partijen alleen realistisch zijn, indien het aantal leerlingen van de Franse Gemeenschap zou worden opgesplitst. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  19. Programma 3 (« Gezondheidspromotie op school ») van organisatieafdeling 16 (« Gezondheid ») van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2004 (hierna : decreet van 17 december 2003) opent een niet gesplitst krediet van 14,525 miljoen euro. Programma 5 (« Werking van de P.M.S.-Centra ») van organisatieafdeling 48 (« P.M.S.- Centra ») van het decreet van 17 december 2003 opent een niet-gesplitst krediet van 6,627 miljoen euro. Beide bepalingen, die het volgens de verzoekende partijen mogelijk maken de aan de gezondheidspromotie op school toegewezen bedragen duidelijk te identificeren, maken het onderwerp uit van het beroep. 7 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  20. De Franse Gemeenschapsregering voert in hoofdorde de onontvankelijkheid van het verzoekschrift aan, in zoverre het is gericht tegen bepalingen van een begrotingsdecreet dat niet meer is dan een vormelijke tenuitvoerlegging van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school, waaruit het bekritiseerde verschil in behandeling op het vlak van de subsidieregeling voor de gezondheidspromotie op school werkelijk zou voortvloeien. Aangezien dat decreet van 20 december 2001 het werkelijke onderwerp van het beroep zou vormen, zou het verzoekschrift bijgevolg, op grond van artikel 3 van de bijzondere wet op het Arbitragehof, onontvankelijk zijn omdat het niet tijdig is ingediend. B.3.
  21. Het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school (hierna : decreet van 20 december 2001) vervangt het medisch schooltoezicht, zoals geregeld bij de wet van 21 maart 1964, door aan de onderwijsinstellingen nieuwe opdrachten inzake gezondheidspromotie op school toe te vertrouwen. Die hervorming van het medisch schooltoezicht is bij het decreet van 16 mei 2002 betreffende de gezondheidspromotie in het hoger onderwijs buiten de universiteit, uitgebreid tot het hoger onderwijs buiten de universiteit. B.3.
  22. Artikel 3 van het decreet van 20 december 2001 bepaalt : « De gezondheidspromotie op school (GPS) is verplicht in alle inrichtingen voor gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs en secundair onderwijs, alsook in de alternerende opvoedings- en opleidingscentra, ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De gezondheidspromotie op school (GPS) is gratis ». Artikel 4 van hetzelfde decreet bepaalt : « §
  23. Voor de schoolinrichtingen die ingericht worden door de Franse Gemeenschap wordt de gezondheidspromotie op school (GPS) verricht in de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, door het personeel van deze centra. 8 §
  24. Voor de schoolinrichtingen die gesubsidieerd worden door de Franse Gemeenschap wordt de gezondheidspromotie op school (GPS) verricht door de erkende diensten, naargelang de bepalingen van dit decreet. De invoering van de programma's voor de gezondheidspromotie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, is evenwel een opdracht die vervuld wordt door de erkende diensten en door het personeel van de psycho-medisch-sociale centra ». B.3.
  25. De artikelen 21 tot 23 van het decreet van 20 december 2001 leggen de subsidieregeling vast voor de erkende diensten voor de gezondheidspromotie op school. Artikel 21 van het decreet van 20 december 2001, zoals gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 20 juni 2002, bepaalt : « §
  26. De diensten krijgen een algemene subsidie, berekend op basis van een forfaitaire subsidie per op 15 januari regelmatig ingeschreven leerling in de schoolinrichtingen waarmee zij een overeenkomst hebben gesloten, overeenkomstig artikel
  27. De in het vorig lid bedoelde forfaitaire subsidie wordt vastgelegd door de regering. §
  28. Een sociaal forfait wordt verleend aan de diensten als aanvulling op de in § 1 bedoelde subsidie, per leerling onder toezicht wiens woonplaats ondergebracht is in een statistische sector die recht geeft op dit forfait. Op basis van de sociaal-economische index die voor iedere sector wordt opgemaakt in de interuniversitaire studie, bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, legt de regering de drempel vast die de statistische sectoren bepaalt die in aanmerking moeten worden genomen voor de toekenning van het sociaal forfait. De regering bepaalt de bedragen van het sociaal forfait bedoeld in het eerste en tweede lid. Dit forfait moet minstens 25 % en hoogstens 50 % vertegenwoordigen van de in § 1, eerste lid, bedoelde forfaitaire subsidie. De nieuwkomers op school krijgen automatisch, ongeacht hun woonplaats, het sociaal forfait. §
  29. De regering kan een aanvullende forfaitaire subsidie vastleggen voor de leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon onderwijs ». Artikel 22 van hetzelfde decreet bepaalt : « De dienst krijgt eveneens een subsidie per leerling voor alle vervoerskosten, hetzij voor de verplaatsing van het personeel van de diensten, hetzij voor de verplaatsing van de leerlingen. 9 De regering bepaalt het bedrag van deze subsidie op basis van de bevolkingsdichtheid van de plaats waar de schoolinrichting gelegen is ». Artikel 23 van hetzelfde decreet bepaalt : « De in artikelen 21 en 22 bedoelde subsidies dienen om alle onkosten te dekken inzake personeel, voorzieningen, werking en vervoer, die nodig zijn voor de dienst om zijn opdrachten te vervullen ». B.3.
  30. Het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 13 juni 2002 « betreffende de toelagen toegekend aan de diensten voor de gezondheidspromotie op school, in toepassing van het decreet van 20 december 2001 », gewijzigd bij de besluiten van de Franse Gemeenschapsregering van 20 juni 2002 en 15 juli 2003, legt het bedrag van die subsidies vast. B.3.
  31. De financiering van de psycho-medisch-sociale centra wordt geregeld bij het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra, waarvan artikel 21, § 2, bepaalt dat aan de psycho-medisch-sociale centra (hierna : P.M.S.- centra) die door de Gemeenschap zijn georganiseerd « jaarlijks een globale dotatie [wordt] toegekend bestemd om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van het centrum. Deze dotatie bestaat uit een forfaitair bedrag per centrum en een forfaitair bedrag per begeleide leerling ». B.4.
  32. De verzoekende partijen bekritiseren een verschil in behandeling onder de onderwijsnetten op het vlak van de financiering van de gezondheidspromotie op school. B.4.
  33. In tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering beweert, vloeit het vermeende verschil in financiering niet voort uit het decreet van 20 december 2001, aangezien dat zich ertoe beperkt, in artikel 4 ervan, een onderscheid in te voeren op het vlak van de organisatie van de gezondheidspromotie op school tussen onderwijsnetten, door de opdrachten inzake gezondheidspromotie toe te vertrouwen aan, enerzijds, het personeel van de P.M.S.-centra van de Franse Gemeenschap en, anderzijds, de erkende diensten van de door de Gemeenschap gesubsidieerde instellingen. B.4.
  34. Dat verschil in organisatie houdt op zich immers geen onderscheid in de financiering van eenzelfde opdracht in. 10 In dat opzicht onderstreepte de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp dat het decreet van 20 december 2001 is geworden : « Het verschil in de organisatie van de instellingen die met de gezondheidspromotie op school zijn belast, kan niet leiden tot andere onverantwoorde verschillen in behandeling. De artikelen 21 tot 23 van het voorontwerp voorzien in de toekenning van een subsidie die dient om ` alle onkosten te dekken inzake personeel, voorzieningen, werking en vervoer, die nodig zijn voor het team om zijn opdrachten te vervullen ´, terwijl het voorontwerp van decreet niet de financiering regelt van de door de Gemeenschap georganiseerde P.M.S.-centra voor hun optreden inzake de gezondheidspromotie, vermits die financiering op rechtstreekse wijze gebeurt door de goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap. De aandacht van de begrotingswetgever en van de Franse Gemeenschapsregering wordt thans gevestigd op de noodzaak om, bij de goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting, te waken over de verplichting om de naleving te verzekeren van het beginsel van de gelijkheid tussen de financiering van de P.M.S.-centra in het gemeenschapsonderwijs en de inschrijving van de subsidies die worden toegekend aan de teams voor de gezondheidspromotie op school in het gesubsidieerd onderwijs, zowel het officiële als het vrije. […] De verantwoording van de algemene uitgavenbegroting is de geschikte plaats om de gegevens mee te delen die het mogelijk zullen maken om de naleving van het gelijkheidsbeginsel in de feiten na te gaan » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002, nr. 208/1, p. 25). De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft aan die overwegingen herinnerd naar aanleiding van de aanneming van het decreet van 16 mei 2002 betreffende de gezondheidspromotie in het hoger onderwijs buiten de universiteit (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002, nr. 267/1, pp. 18-19). B.4.
  35. Aangezien het decreet van 20 december 2001 op zich geen enkel bedrag vastlegt dat aan de gezondheidspromotie zou worden toegewezen, vloeit het bekritiseerde verschil in behandeling niet uit dat decreet voort en vormt dat laatste dus niet het werkelijke onderwerp van het beroep. B.
  36. De door de Franse Gemeenschapsregering aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid wegens het niet tijdig indienen van het beroep wordt bijgevolg verworpen. B.6.
  37. Hoewel het juist is dat het verschil in de financieringswijze van de gezondheidspromotie op school onder onderwijsnetten voortvloeit uit een verschil in organisatie dat zijn grondslag vindt in artikel 4 van het decreet van 20 december 2001, zou 11 een daadwerkelijk verschil in financiering onder onderwijsnetten op het vlak van de gezondheidspromotie op school evenwel alleen kunnen blijken wanneer men beschikt over de twee elementen van de vergelijking, namelijk de bedragen die specifiek zijn toegewezen aan de gezondheidspromotie op school, enerzijds, voor het onderwijsnet van de Gemeenschap, en, anderzijds, voor het gesubsidieerd onderwijsnet. B.6.
  38. Hoewel de eerste bestreden bepaling het mogelijk maakt het bedrag te identificeren van de subsidies die worden toegewezen aan de opdrachten die vallen onder de gezondheidspromotie op school voor het gesubsidieerd onderwijsnet (programma 3 van organisatieafdeling 16 opent een krediet van 14,525 miljoen euro voor « Gezondheidspromotie op school »), waarin die opdrachten specifiek worden uitgevoerd door de erkende diensten voor de gezondheidspromotie op school, maakt de tweede bestreden bepaling, in zoverre zij een krediet van 6,627 miljoen euro opent voor programma 5 van organisatieafdeling 48 « Werking van de P.M.S.-Centra », het evenwel niet mogelijk het bedrag te identificeren dat wordt toegewezen aan de P.M.S.-centra van de Gemeenschap, enerzijds, en aan de door de Gemeenschap gesubsidieerde P.M.S.-centra, anderzijds, noch a fortiori het bedrag te onderscheiden dat uitsluitend is toegewezen aan de opdrachten inzake de gezondheidspromotie op school in de P.M.S.-centra van de Gemeenschap, aangezien de financiering van de P.M.S.-centra van de Gemeenschap dient om zowel opdrachten inzake de gezondheidspromotie op school als de andere opdrachten te dekken. B.6.
  39. Terwijl zij een verschil in behandeling bekritiseren tussen onderwijsnetten op het vlak van de gezondheidspromotie op school en bepalingen bestrijden die worden verondersteld het mogelijk te maken de bedragen duidelijk te identificeren die aan de gezondheidspromotie op school worden toegewezen, onderscheiden de verzoekende partijen, in hun berekeningen, niet het bedrag dat alleen aan de P.M.S.-centra van de Gemeenschap wordt toegewezen, noch het bedrag dat uitsluitend betrekking heeft op de opdrachten inzake de gezondheidspromotie op school in de P.M.S.-centra van de Gemeenschap. De verzoekende partijen tonen dus niet aan dat het bekritiseerde verschil in behandeling, in de veronderstelling dat het bestaat, zijn grondslag vindt in de bestreden bepalingen. B.
  40. Het beroep is derhalve onontvankelijk. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, conform artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 februari
  41. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.