← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060215.7 Arrest- Rolnummer: 23/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-30 13:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), ingesteld door M. Weemaes. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-09-2005 - 39 ELI link Pub nr 2005000685 Tekst van de beslissing Rolnummer 3833 Arrest nr. 23/2006 van 15 februari 2006 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), ingesteld door M. Weemaes. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Arts en de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 december 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 december 2005, heeft M. Weemaes, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 november 2005). Op 22 december 2005 hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. De verzoekster vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », naar luid waarvan de politieraad gemachtigd is te onteigenen ten algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6 juli
  2. A.
  3. In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben de rechters-verslaggevers gemeend dat zij het Hof zouden kunnen vragen het beroep onontvankelijk te verklaren omdat de verzoekster niet doet blijken van het bij de wet vereiste belang. A.
  4. In haar memorie met verantwoording stelt de verzoekster dat haar beroep niet als een actio popularis kan worden beschouwd. Als inwoonster van een gemeente van een meergemeentepolitiezone beroept zij zich op een belang dat verschilt van het belang van een inwoner van een eengemeentepolitiezone en bijgevolg ook van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wettigheid in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. Zij voert eveneens aan dat niet kan worden aanvaard dat alleen diegenen tegen wie reeds een onteigeningsprocedure is opgestart door een politieraad een belang zouden hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Het Hof eist immers niet dat de bestreden norm de situatie van de verzoekster reeds effectief heeft beïnvloed, maar enkel dat de bestreden norm de situatie van de verzoekster rechtstreeks en ongunstig zou kunnen raken. 3 -B- B.1.
  5. De verzoekster vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), dat stelt : « Artikel 11, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt aangevuld als volgt : ‘ De politieraad is ook gemachtigd te onteigenen te algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6 juli
  6. ’ ». Enkel in zoverre het bestreden artikel de door een politieraad onteigende, die een voorziening in cassatie wil instellen tegen het arrest van een hof van beroep, verplicht een beroep te doen op een advocaat die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voert, zou het moeten worden vernietigd. B.1.
  7. Die bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : « De politiehervorming begint in de praktijk te functioneren. Deze praktijkwerking brengt ook een aantal onvolkomenheden in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus aan het licht. Zo worden meergemeentezones, die gebouwen wensen aan te kopen of te verkopen, geconfronteerd met het gegeven dat de aankoopcomités niet willen optreden. Dat is wel het geval voor de eengemeentezones. Voor deze gemeenten treedt het aankoopcomité op basis van de programmawet van 6 juli 1989 (artikel 61 en de daarin opgenomen onteigeningsbevoegdheid) wel op. De argumentatie om niet op te treden voor de meergemeentezones is dat uit de wet van 7 december 1998 nergens kan afgeleid worden dat de meergemeentezones gerechtigd zijn om tot onteigening over te gaan en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van het genoemde artikel 61 van de programmawet van 1989 vallen. Naar onze mening is dat niet de bedoeling geweest van de wetgever. Dat kan afgeleid worden uit de lezing van artikel 11 van de wet van 7 december
  8. Dat artikel vermeldt evenwel niet uitdrukkelijk de onteigeningsbevoegdheid. 4 Daarenboven gaat het om een duidelijke discriminatie tussen enerzijds de eengemeentezones en de meergemeentezones. Dit voorstel wenst daar dan ook een mouw aan te passen. Concreet stellen wij voor het hierboven aangehaalde artikel 11 van de wet van 7 december 1998 aan te vullen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-131/1, pp. 1 en 2). B.
  9. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.
  10. De verzoekster is van oordeel dat iedereen die in België onroerende goederen bezit, belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Bovendien meent zij dat zij doet blijken van een bijzonder belang, aangezien zij eigenares is van een woning die gelegen is op het grondgebied van een meergemeentepolitiezone; haar belang zou aldus verschillen van dat van de inwoners van een eengemeentepolitiezone. B.
  11. Het door de verzoekster aangevoerde belang verschilt niet van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wettigheid in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. De enkele hoedanigheid van eigenaar van een woning die gelegen is in een meergemeentepolitiezone volstaat te dezen niet om het rechtens vereiste belang op te leveren. De verzoekster toont niet aan hoe zij rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door een bepaling die zich ertoe beperkt de politieraden in algemene bewoordingen te machtigen tot onteigeningen ten algemenen nutte; het nadeel dat zij bij de ontwikkeling van haar middel aanvoert, vloeit niet voort uit die bepaling, maar uit artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de vertegenwoordiging van de partijen in burgerlijke zaken voor het Hof van Cassatie regelt. B.
  12. Daaruit volgt dat het beroep kennelijk onontvankelijk is. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 februari
  13. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.