← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.024 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060215.9 Arrest- Rolnummer: 24/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-14 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-06-30 16:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen », ingesteld door L. Lamine en M. Weemaes. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-2005 - 62 ELI link Pub nr 2005000599 Tekst van de beslissing Rolnummer 3793 Arrest nr. 24/2006 van 15 februari 2006 In zake : de vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen », ingesteld door L. Lamine en M. Weemaes. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 december 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 december 2005, is een vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing ingesteld van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005, tweede uitgave) door L. Lamine en M. Weemaes, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal

  1. Bij verzoekschrift dat aan het Hof werd toegezonden bij op 19 oktober 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2005, werd beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van dezelfde wet door voornoemde en andere verzoekende partijen. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2006 : - is verschenen : Mr. D. D’Hooghe, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.
  2. In hun hoedanigheid van tweede opvolger voor de gemeenteraad voor het Vlaams Belang te Rotselaar respectievelijk gemeenteraadslid voor het Vlaams Belang te Rotselaar vorderen L. Lamine en zijn echtgenote M. Weemaes in hoofdorde de schorsing van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen », die in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005 is verschenen. In ondergeschikte orde vorderen zij de gedeeltelijke schorsing van voormelde wet « in de mate dat de ernstige middelen die worden aangevoerd, het rechtvaardigen » en zeker wat betreft artikel 9 van de bestreden wet. In meer bijkomende orde vorderen zij de schorsing van de voormelde wet « in de mate dat zij betrekking heeft op de intrekking van de dotatie op grond van een veroordeling voor ‘ racisme ’ en ‘ vreemdelingenhaat ’, wanneer het ‘ rassendiscriminatie ’ betreft die breder wordt geïnterpreteerd dan het begrip ‘ rassendiscriminatie ’ in de zin van artikel 1 § 1 van het Internationaal Verdrag tot uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (‘ het CERD ’), gelezen in samenhang met artikel 2 § 2 van hetzelfde Verdrag, met name wanneer de rechter het begrip 3 ‘ nationaliteit ’ begrepen heeft geacht in het begrip ‘ nationale afstamming ’, en wanneer het ‘ vreemdelingenhaat ’ betreft die wordt afgeleid uit een veroordeling op grond van artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden, of op grond van een andere wetsbepaling waarin de woorden ‘ haat ’ of ‘ vreemdelingenhaat ’ niet uitdrukkelijk voorkomen, zodat in die gevallen het veroordelend vonnis volledig uit de debatten moet worden geweerd bij de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen en geen enkele invloed kan hebben voor de toepassing van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, en dat de intrekking van de dotatie op grond van de hiervoor bedoelde redenen, waarbij inzonderheid het begrip ‘ rassendiscriminatie ’ ruimer wordt uitgelegd dan in het CERD, zelfs los van iedere strafrechtelijke veroordeling, eveneens als een straf in de zin van het EVRM moet worden beschouwd (zie §§ 4.7.2 en 29.
  3. van het verzoekschrift), en dat in deze gevallen indirecte discriminatie niet in aanmerking mag worden genomen, omdat zulks niet verenigbaar is met de vereiste van voorzienbaarheid die inherent is aan de strafwet ». A.
  4. Ter staving van hun belang verwijzen de verzoekers naar de elementen daaromtrent uiteengezet in hun verzoekschrift houdende beroep tot vernietiging van de wet van 17 februari 2005, waarin zij, samen met drie andere verzoekende partijen, de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de voormelde wet vorderen. In dat verzoekschrift voeren zij aan dat zowel het Hof van Beroep te Gent in het arrest van 21 april 2004 als het Hof van Cassatie in het arrest van 9 november 2004 artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden verkeerd hebben toegepast. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat een belangrijke overweging van het Hof in het arrest nr. 10/2001 aan « een corrigerende en in ieder geval nuancerende verklaring toe is » (p. 12 van het verzoekschrift). Zij verklaren in dit verband dat zij het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 april 2004, bevestigd door het Hof van Cassatie op 9 november 2004, bestrijden voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vermits zij van mening zijn dat het Vlaams Belang, ten gevolge van de veroordeling van de drie v.z.w.’s in het voormeld arrest, in zijn geheel zal worden getroffen door die « drooglegging », en vast en zeker de kleinere afdelingen, waartoe zij behoren. Om de redenen die zij uiteenzetten, verklaren zij « het grondig oneens [te zijn] met de nationale leiding van hun partij, die omwille van in hun ogen duistere politieke of onbegrijpelijke juridische redenen, weigert een verzoekschrift aan het EHRM te laten toekomen ter bestrijding van het Gentse arrest » (p. 17 van het verzoekschrift). Vervolgens menen zij rechtstreeks en ongunstig door de bestreden norm te kunnen worden geraakt, in zoverre die op basis van hun vroegere uitspraken als kandidaat of van hun interventies in de gemeenteraad zou toestaan dat een volgens hen ongrondwettige procedure in gang zou kunnen worden gezet. Aldus verklaart de eerste verzoeker dat hij in het verleden openlijk het zogenaamde « 70-puntenprogramma » heeft verdedigd en hij vreest dat zijn uitspraken ter sprake zullen worden gebracht tijdens de procedure waarin de bestreden wet voorziet. Ten slotte voeren zij aan dat de vrijheid van meningsuiting en het recht om deel te nemen aan vrije verkiezingen een dermate essentieel recht is dat zij als natuurlijke persoon een voortdurend belang hebben bij het bestrijden van wetten die grondrechten schenden. Ten aanzien van de ernstige middelen A.
  5. L. Lamine en zijn echtgenote M. Weemaes zijn van oordeel dat zij ernstige middelen aanvoeren in hun verzoekschrift, zijnde middelen die voldoende gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. Zij wijzen in dat verband op het feit dat de Raad van State de wetgever heeft gewezen op de mogelijkheid dat de intrekking van partijfinanciering als een straf in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou kunnen worden gekwalificeerd. Ten slotte beklemtonen zij dat de vrijheid van politieke meningsuiting op het spel staat en het recht om zonder discriminatie deel te nemen aan vrije verkiezingen. A.
  6. Vervolgens overlopen zij elk van de middelen aangevoerd in hun verzoekschrift. Hierin vorderen zij in hoofdorde de gehele vernietiging van de wet en voeren zij hiertoe drie middelen aan. Een eerste middel houdt verband met de schending van de bevoegdheidverdelende regels en met name de « schending van de artikelen 127 tot 134 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VIII, inzonderheid, 1° en 4°, 17 en 44 van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen », doordat de bestreden wet een aangelegenheid regelt die, voor het Vlaamse Gewest, toebehoort aan het Vlaams Parlement voor zijn eigen leden en voor de leden van de provincieraden en de gemeenteraden. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet doordat de bestreden wet geen rekening houdt met andere gevallen die aanleiding zouden moeten geven tot het opleggen van een soortgelijke maatregel. In het derde 4 middel wordt de schending aangevoerd van dezelfde grondwetsartikelen aangezien de bestreden wet « de rechtspleging regelt van een ongrondwettelijke bepaling » doordat « artikel 15ter op willekeurige en niet objectief verantwoorde wijze beperkt blijft tot één ongetwijfeld laakbare reeks handelingen, maar niet uitgebreid werd tot andere handelingen die minstens even erg zijn ». In ondergeschikte orde vorderen zij de vernietiging van de artikelen 5 en 9 van de bestreden wet. Hierbij voeren zij diverse middelen aan die telkens zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.
  7. L. Lamine en zijn echtgenote M. Weemaes zijn van oordeel dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden wet hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dit vanaf 13 oktober 2005, datum van de inwerkingtreding van de bestreden wet, op minder dan één jaar vóór de volgende gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, waaraan zij allen zullen deelnemen. Ofschoon zij erkennen dat de eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen terugwerkende kracht zal hebben, menen zij dat dit niet kan volstaan vermits zij ondertussen onherstelbare schade zullen hebben geleden. Zij vrezen verder ook dat het arrest ten gronde van het Hof pas zal worden uitgesproken na de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, terwijl de partijfinanciering kan worden ingetrokken na verloop van zes maanden na een klacht bij de Raad van State. Zij beklemtonen dat de politieke partijen afhankelijk zijn van partijfinanciering en dat de zogenaamde « drooglegging » van het Vlaams Belang de hele partij zal treffen in al haar geledingen maar in de eerste plaats de kleinere afdelingen, waartoe zij behoren. Ten slotte menen zij dat het verantwoord is de wet te schorsen omdat het gaat om een ongrondwettige wet die de vrijheid van meningsuiting beperkt of bestraft. -B- Ten aanzien van de bestreden wet B.1.
  8. De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke schorsing van de wet van 17 februari 2005 (Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005) « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen » (hierna : de wet van 4 juli 1989). Voordien hadden zij, samen met drie andere partijen, een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de voormelde wet ingesteld. 5 B.1.
  9. Artikel 15 van de wet van 4 juli 1989 bepaalt dat een politieke partij die in één van de federale wetgevende kamers door ten minste één rechtstreeks verkozen parlementslid is vertegenwoordigd, aanspraak kan maken op een jaarlijkse dotatie. Artikel 15ter van de dezelfde wet, zoals ingevoegd bij de wet van 12 februari 1999, voorziet in een stelsel dat ertoe strekt die dotatie te onttrekken aan een politieke partij die « door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat » tegenover de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en dit volgens een procedure waarvan de aangevochten bepalingen modaliteiten regelen. De bestreden wet valt in essentie uiteen in twee delen, waarbij een eerste deel wijzigingen aanbrengt in de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hoofdstuk II) en een tweede deel artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 wijzigt (hoofdstuk III). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing B.
  10. Aangezien de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan die van het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep, en inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing worden betrokken. B.
  11. In hun vordering tot schorsing verwijzen de verzoekende partijen, wat hun belang betreft, naar hun uiteenzetting dienaangaande in hun verzoekschrift tot vernietiging van de wet van 17 februari
  12. Hierin voeren zij hun hoedanigheid aan van tweede opvolger voor de gemeenteraad van het Vlaams Belang, respectievelijk gemeenteraadslid van het Vlaams Belang te Rotselaar. B.
  13. Artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 regelt de voorwaarden en de modaliteiten om als politieke partij in aanmerking te komen voor een overheidsdotatie. 6 De bestreden wet strekt ertoe de uitvoering mogelijk te maken van het bepaalde in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, door de beginselen van de rechtspleging voor de Raad van State nader te regelen. Met dat doel past de bestreden wet de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan en wijzigt zij tevens het voormelde artikel 15ter teneinde hetzij een aantal procedureaspecten te regelen, hetzij aan andere bepalingen een wettelijke basis te geven. Hierbij worden geen fundamentele wijzigingen aangebracht in het bepaalde in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, wat de politieke partijen zelf betreft. B.
  14. De dotatie bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 4 juli 1989 komt de politieke partijen toe en niet de individuele leden ervan. Te dezen blijkt uit het verzoekschrift tot vernietiging en uit de vordering tot schorsing duidelijk dat de verzoekende partijen uit eigen naam optreden. Bijgevolg, en mede gelet op hetgeen in B.4 is uiteengezet, lijken de verzoekende partijen in hun hoedanigheid van tweede opvolger voor de gemeenteraad te Rotselaar respectievelijk gemeenteraadslid te Rotselaar niet rechtstreeks door de bestreden wet te worden geraakt. B.
  15. In deze stand van de rechtspleging en rekening houdend met de grenzen van het onderzoek waartoe het Hof kan overgaan binnen het kader van een vordering tot schorsing doen de verzoekende partijen niet voldoende blijken van het rechtens vereiste belang om het beroep tot vernietiging in te stellen. B.
  16. De vordering tot schorsing is onontvankelijk. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 februari
  17. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.