id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.027 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060301.4 Arrest- Rolnummer: 27/2006;3280 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-06-30 15:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : 1. - In die zin geïnterpreteerd dat het niet voorschrijft dat het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken, schendt artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd artikel 22 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat zij voorschrijft dat het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken, schendt die bepaling artikel 22 van de Grondwet niet. 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en de artikelen 62, 63bis en 63ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 04-03-1991 - 37 - 36 ELI link Pub nr 1991029267 Wet - 08-04-1965 - 62 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 63ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 63bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3280 Arrest nr. 27/2006 van 1 maart 2006 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en de artikelen 62, 63bis en 63ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 23 december 2004 in zake S.B. tegen M.H. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 28 december 2004, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt de bepaling vervat in artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 [inzake hulpverlening aan de jeugd], die niet voorschrijft dat de minderjarige, ongeacht zijn leeftijd, verplicht partij in het geding is, wanneer het beroep door één van de partijen wordt ingesteld tegen een toepassing van maatregelen genomen op initiatief van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vermits zij niet de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 22 van de Grondwet in acht neemt ? »; 2. « Schenden artikel 62 van de wet van 8 april 1965 [betreffende de jeugdbescherming], gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994, in zoverre het bepaalt dat, behoudens afwijking, de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging gelden voor de in artikel 63ter, eerste lid,
- b)bedoelde procedures, en de artikelen 63ter, eerste lid, b), en tweede lid, en 63bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met de artikelen 9, 12 en 16 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 22 van de Grondwet, met de artikelen 54bis, 63bis, § 1, en 63ter, derde lid, van de wet van 8 april 1965, alsmede met de artikelen 7, tweede lid, en 37, zoals gewijzigd bij het decreet van 5 mei 1999, en artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, ongeacht het vorderingsrecht dat aan de minderjarige wordt toegekend in artikel 37 van het voormelde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 5 mei 1999, zij onder de minderjarigen ten aanzien van wie de toepassing van een maatregel wordt betwist die is genomen ter uitvoering van een rechterlijke beslissing (artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991) waarbij zij betrokken partij zijn, en die verplicht worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat (artikelen 46 en 63ter, derde lid, van de wet van 8 april 1965), een discriminatie instellen naargelang die minderjarigen al dan niet bij de zaak worden betrokken door de verzoeker – een andere persoon dan de minderjarige – die handelt op grond van artikel 37 van het voormelde decreet ? ». Memories zijn ingediend door : - S.B.; - de Franse Gemeenschapsregering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. V. Sauvage en Mr. V. Leclerc, advocaten bij de balie te Luik, voor S.B.; 3 . Mr. A. de Terwangne, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij beschikkingen van 16 en 30 april 2004 verbiedt de Jeugdrechtbank te Luik, met toepassing van artikel 39 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, tijdelijk elk contact tussen M.H. en zijn dochters, S. en A. Bij vonnissen van 16 juni 2004 onderwerpt dezelfde Rechtbank, met toepassing van artikel 38, § 3, 1°, van het voormelde decreet, die kinderen en hun ouders aan richtlijnen of aan een begeleiding van educatieve aard, wegens het bestaan van een strafdossier dat ten laste van de vader is geopend voor zedenfeiten ten aanzien van zijn kinderen. Op 15 juli 2004 verbiedt de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, met toepassing van die vonnissen, elk contact tussen M.H. en zijn twee dochters. M.H. stelt op 24 september 2004, op grond van artikel 37 van het voormelde decreet, tegen die beslissing beroep in, waarbij hij de directeur van de dienst voor gerechtelijke bescherming, alsook de moeder van zijn kinderen bij het geding betrekt. Op 25 oktober 2004 houdt de Jeugdrechtbank te Luik de uitspraak aan wat het contact met S. betreft, in afwachting van aanvullende inlichtingen van het openbaar ministerie, en stelt zij het geding uit tot de terechtzitting van 22 november 2004. Daarnaast stemt zij ermee in dat het begeleid contact met A. wordt hervat. Op 18 november 2004 stelt S.B., moeder van de voormelde kinderen, hoger beroep in tegen dat vonnis. In hoofdorde voert zij de onontvankelijkheid van het verzoekschrift van M.H. van 24 september 2004 aan, omdat het de betrokken minderjarigen niet in het geding heeft betrokken. Op 16 december 2004 leggen de twee voormelde kinderen, in die rechtspleging in hoger beroep, een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer. Het Hof van Beroep te Luik leidt uit het onderzoek van de stukken van de rechtspleging in eerste aanleg af dat de advocaat van die kinderen op 18 oktober 2004, in die hoedanigheid, voor de voormelde Rechtbank is verschenen, vóór de sluiting van de debatten en het advies van het openbaar ministerie. Het merkt evenwel op dat het vonnis van 25 oktober 2004 geen melding van die verschijning maakt, « zonder die evenwel als tussenkomst af te wijzen ». Het vernietigt derhalve dat vonnis. De verwijzende rechter stelt daarnaast, op verzoek van S.B., aan het Hof de hiervoor geformuleerde eerste prejudiciële vraag. Hij meent overigens de hiervoor geformuleerde tweede vraag ambtshalve te moeten stellen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. S.B. verwijst naar artikel 54bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en merkt op dat de advocaat van de minderjarige verplicht aanwezig moet zijn op de terechtzitting van de jeugdrechtbank in de rechtspleging bedoeld in artikel 38 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. Vervolgens merkt zij op dat die advocaat tussenkomt om het kind dat partij in het geding is, te vertegenwoordigen en verwijst zij naar het decreet van 5 mei 1999 dat naar aanleiding van het arrest nr. 31/98 van het Hof is aangenomen. A.1.2. Volgens S.B. doet artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 afbreuk aan de gelijkheid van de partijen bij de rechtspleging die is geregeld bij artikel 38 van het voormelde decreet, door niet erin te voorzien dat, wanneer beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, de minderjarige en zijn advocaat « automatisch » partij in het geding zijn. De eiseres voor de verwijzende rechter is van mening dat dat artikel 37 derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, vermits de minderjarige niet de gelegenheid zal hebben zich uit te spreken over het opportune karakter van een dwangmaatregel die onmiddellijke gevolgen voor zijn dagelijks leven heeft. Zij merkt in dat opzicht op dat het beroep bedoeld in artikel 37, wat de vorm betreft, van burgerrechtelijke aard is en, wat de grond betreft, van « beschermende » aard is; dat alleen het openbaar ministerie en de advocaat van het kind een volstrekte neutraliteit waarborgen die « uitstijgt boven de bijzondere belangen van de vader en de moeder in het geding »; dat de minderjarige deelneemt aan de rechtspleging die is geregeld bij artikel 38 van het decreet en aan de vergaderingen die zijn belegd door de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, die de beslissing van de rechtbank ten uitvoer legt. S.B. onderstreept ook dat artikel 37 afbreuk doet aan het algemeen beginsel van de inachtneming van de rechten van de verdediging, in zoverre het de jeugdrechtbank in staat stelt een dwangmaatregel op niet-contradictoire wijze te nemen. Zij voegt eraan toe dat het op grond van die bepaling uitgesproken vonnis alleen tegenstelbaar is aan de partijen in het geding. A.1.3. S.B. is van mening dat de verplichting ten aanzien van de rechtbank om te trachten de partijen met elkaar te verzoenen, veronderstelt dat de partijen die aanwezig zijn bij de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd - met name het kind dat, ongeacht zijn leeftijd, door zijn advocaat is vertegenwoordigd - partij in het geding voor de jeugdrechtbank zijn wanneer bij die rechtbank een zaak aanhangig wordt gemaakt op grond van artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991. A.1.4. S.B. voert ten slotte aan dat dat artikel 37 in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 22 van de Grondwet, in zoverre het niet uitdrukkelijk oplegt dat de minderjarige partij in het geding moet zijn, wanneer een beslissing met rechtstreekse gevolgen voor zijn leven dient te worden genomen. Zij voegt eraan toe dat het bij die twee bepalingen gewaarborgde recht voor de betrokkenen het recht inhoudt om tussen te komen in een jurisdictionele procedure die gevolgen voor hun leven kan hebben. A.2. De Ministerraad wijst erop dat de vraag betrekking heeft op een door een gemeenschap aangenomen bepaling en onthoudt zich ervan opmerkingen te formuleren. A.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt en de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 22 van de Grondwet in acht neemt, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de persoon die beroep instelt tegen een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, genomen op grond van artikel 37, § 3, van hetzelfde decreet, ertoe verplicht de minderjarige in het geding te betrekken, ongeacht zijn leeftijd. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.4. De Ministerraad beperkt zijn opmerkingen tot de artikelen 62, 63bis, § 1, en 63ter, eerste lid, b), en tweede lid, van de wet van 8 april 1965. Hij voert aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is, in zoverre zij 5 die bepalingen beoogt, daar het vaststellen van de partijen in het geding onder de bevoegdheid van de gemeenschappen valt. Hij verwijst in dat opzicht naar het arrest nr. 4/93 (B.14) en merkt op dat het recht van de minderjarige om partij in het geding te zijn wanneer een beroep wordt ingesteld op grond van artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, aansluit op het recht om te worden opgeroepen en gehoord vóór de aanneming van een maatregel van individuele hulpverlening (artikelen 6 en 7 van hetzelfde decreet) en op het recht van beroep tegen die maatregel dat dit artikel 37 hem toekent. Hij merkt overigens op dat de wet van 2 februari 1994 de procedureregels van de wet van 8 april 1965 heeft aangepast, door, met het aannemen van soepele regels, erover te waken geen inbreuk te plegen op de bevoegdheden van de gemeenschappen. Het doel van die wet bestond erin het de jeugdrechtbanken mogelijk te maken de bevoegdheden uit te oefenen die de gemeenschappen hun toekenden. De Ministerraad leidt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 63ter van de wet van 8 april 1965 vervolgens af dat de Franse Gemeenschap heeft gewenst dat het beroep bedoeld in artikel 37 bij gewoon verzoekschrift kan worden ingesteld, en merkt daarbij op dat de federale wetgever ertoe is verplicht in een aangepaste rechtspleging te voorzien. A.5. S.B. is van mening dat die bepaling, in zoverre zij niet voorziet in de oproeping van de minderjarige of van zijn eventuele voogd ad hoc, noch in de mogelijkheid voor die laatstgenoemden om vrijwillig tussen te komen wanneer het beroep bedoeld in artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 wordt ingesteld door een van de andere personen die in dat artikel worden beoogd, de artikelen 10 en 11 van de grondwet schendt, omdat de belangen van de minderjarige in die rechtspleging mogelijk niet worden gewaarborgd. Zij onderstreept in dat opzicht dat de afwezigheid van de verplichting om de minderjarige in het geding te betrekken wanneer op grond van het voormelde artikel 37 beroep wordt ingesteld, afbreuk doet aan zijn recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 16 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind en artikel 22 van de Grondwet. A.6.1. Volgens de Franse Gemeenschapsregering schenden de artikelen 62, 63bis, § 1, en 63ter, eerste lid, b), en tweede lid, van de wet van 8 april 1965 en artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, in samenhang gelezen met de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, indien zij in die zin worden geïnterpreteerd dat de minderjarige partij in het geding moet zijn in elke rechtspleging die, op grond van artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, voor de jeugdrechtbank wordt ingesteld tegen een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd die ter uitvoering van een beslissing van de rechtbank is genomen. De Regering is van oordeel dat de verwijzende rechter, door te wijzen op een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de minderjarigen die partij in het geding zijn in een rechtspleging die op grond van artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991 is ingesteld en, anderzijds, de minderjarigen die niet aanwezig zijn bij een rechtspleging die is ingesteld op grond van artikel 37 van datzelfde decreet, een betwistbare lezing van die laatste bepaling en van de artikelen 45 en 62 van de wet van 8 april 1965 voorstelt. De interpretatie die de verwijzende rechter aan die bepalingen geeft, zou inhouden dat de persoon die het in artikel 37 bepaalde beroep instelt, de personen die hij in het geding wil betrekken, vrij kan kiezen, of dat de minderjarigen jonger dan veertien jaar in een dergelijke rechtspleging niet in het geding moeten worden betrokken. De Franse Gemeenschapsregering verdedigt een andere interpretatie van artikel 37, die het door de verwijzende rechter benadrukte verschil in behandeling niet bevat en die die bepaling bestaanbaar maakt met artikel 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij is immers van mening dat de minderjarigen, ongeacht hun leeftijd, partij in het geding moeten zijn in de rechtsplegingen voor de jeugdrechtbank wanneer beroep wordt ingesteld op grond van de artikelen 37, 38 en 39 van het decreet van 4 maart 1991 en die rechtbank uitspraak doet over maatregelen die zijn genomen ten aanzien van de jongere en zijn gezin, en dit in een dwingend kader. A.6.2. De Franse Gemeenschapsregering citeert de artikelen 54bis, 62, 63bis, § 1, en 63ter, derde lid, van de wet van 8 april 1965 en herinnert eraan dat de minderjarige onrechtstreeks partij in het geding is in het kader van de rechtsplegingen die worden gevoerd op grond van de artikelen 38 en 39 van het decreet van 4 maart 1991 en dat het Wetboek van Strafvordering op die rechtsplegingen van toepassing is, behalve wanneer de wet van 6 8 april 1965 daarvan afwijkt. Zij voegt eraan toe dat artikel 58 van die wet voor de minderjarige een recht van hoger beroep doet ontstaan. A.6.3. De Franse Gemeenschapsregering merkt vervolgens op dat, op grond van artikel 62, in samenhang gelezen met artikel 63ter van de wet van 8 april 1965, het beroep bedoeld in artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 is geregeld bij het Gerechtelijk Wetboek, tenzij die wet uitdrukkelijk voorziet in een afwijking. Zij verwijst naar artikel 765 van het Gerechtelijk Wetboek en merkt op dat het openbaar ministerie geen partij in het geding is, maar over een adviesbevoegdheid beschikt. Zij herinnert ook aan het arrest nr. 31/98 van het Hof en aan het decreet van 5 mei 1999 dat artikel 37 van het voormelde decreet vervolgens heeft gewijzigd. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat, naar analogie met artikel 58 van de wet van 8 april 1965, de minderjarige, ongeacht zijn leeftijd, partij moet zijn in het geding dat op grond van artikel 37 van het decreet voor de jeugdrechtbank is ingesteld. De inachtneming van de rechten van de verdediging vereist volgens haar dat alle personen die partij zijn bij de gerechtelijke instantie bedoeld in artikel 38, in het geding worden betrokken, wanneer bij de rechtbank beroep wordt ingesteld tegen een dwangmaatregel van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd. De Regering acht het ondenkbaar dat een minderjarige die partij in het geding is in een rechtspleging gevoerd op grond van artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991, geen partij zou zijn in het geding dat, op grond van artikel 37 van dat decreet, is ingesteld door een van zijn ouders die de tenuitvoerlegging, door de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, betwisten van de maatregel die de rechtbank op grond van het voormelde artikel 38 heeft genomen. De minderjarige zou aldus worden geweerd van een rechtspleging waarin een beslissing wordt betwist die de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd heeft genomen en waarin hij hem heeft betrokken, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 4 maart 1991. De Franse Gemeenschapregering voegt eraan toe dat de interpretatie van artikel 37 een verschil in behandeling tot stand brengt onder de minderjarigen jonger dan veertien jaar, naargelang zij dan wel een van hun ouders beroep instellen tegen een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, vermits alleen de minderjarigen die het beroep zelf instellen, partij in het geding zijn; en dat het recht van de minderjarige jonger dan veertien jaar om partij te zijn in het geding dat, op grond van artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, is ingesteld door een andere persoon, inherent is aan het recht van beroep dat die bepaling hem toekent. Ten slotte voert zij artikel 753 van het Gerechtelijk Wetboek aan, alsook de verplichting, in het kader van de burgerrechtelijke rechtspleging, om alle partijen voor wie de beslissing zal gelden in het geding te betrekken. Zij preciseert dat, indien die verplichting niet wordt nageleefd, de rechtbank moet oordelen dat het verzoek niet in gereedheid is en het moet uitstellen tot een latere terechtzitting teneinde het de meest gerede partij mogelijk te maken de niet-verschijnende partijen te verwittigen. A.6.4. Ten aanzien van de vermelding, in de prejudiciële vraag, van artikel 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens onderstreept de Franse Gemeenschapsregering, die verwijst naar het arrest nr. 47/96 van het Hof, dat de eerste twee voormelde bepalingen het genot waarborgen van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, zowel voor de ouders als voor de kinderen, en dat dat recht voor alle betrokkenen het recht inhoudt te kunnen tussenkomen in een jurisdictionele procedure die gevolgen kan hebben voor zijn gezinsleven. Zij voegt eraan toe dat dat recht tot tussenkomst deel uitmaakt van de jurisdictionele waarborgen die alle burgers genieten en die uitdrukkelijk zijn verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wanneer een betwisting betrekking heeft op een burgerlijk recht, zoals het recht op eerbieding van het gezinsleven. A.7. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad voor de artikelen 62, 63bis, § 1, en 63ter, eerste lid, b), en tweede lid, van de wet van 8 april 1965 in die zin te interpreteren dat, wanneer tegen een maatregel van individuele hulverlening bedoeld in artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, beroep wordt ingesteld door een andere persoon dan de bij die maatregel betrokken minderjarige, die minderjarige partij in het geding moet zijn. In die zin geïnterpreteerd, zouden die bepalingen de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet niet schenden. De Ministerraad merkt daartoe op dat artikel 63ter, tweede lid, niet preciseert welke partijen door de griffier worden opgeroepen om op de zitting te verschijnen. Hij voegt eraan toe dat, volgens de ministeriële circulaire van 13 januari 1995 « met betrekking tot de gerechtelijke jeugdbescherming », dat artikel moet worden geïnterpreteerd met naleving van het beginsel van de tegenspraak en van de rechten van de verdediging. Hij leidt daaruit af dat de minderjarige die, in alle gevallen, rechtstreeks is betrokken bij de maatregel van individuele hulpverlening, zijn opmerkingen zou moeten kunnen aanvoeren voor de jeugdrechtbank die zich over een betwisting van die maatregel moet uitspreken. 7 De Ministerraad verwijst naar het arrest nr. 47/96 en voegt eraan toe dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven voor alle betrokkenen het recht omvat om tussen te komen in een jurisdictionele procedure die mogelijk gevolgen heeft voor zijn gezinsleven, en dat dat recht tot tussenkomst overigens deel uitmaakt van de jurisdictionele waarborgen die alle burgers genieten en die uitdrukkelijk zijn verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wanneer een betwisting betrekking heeft op een burgerlijk recht, zoals het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Hij leidt daaruit af dat de minderjarige kan worden beschouwd als een partij in het geding in zoverre hij bij de betwiste hulpverleningsmaatregel is betrokken en de minderjarige jonger dan veertien jaar beschikt over een vorderingsrecht op grond van artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, terwijl zijn instemming niet is vereist bij artikel 7 van hetzelfde decreet wanneer de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd een dwangmaatregel neemt op grond van artikel 38 van dat decreet. -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.1. Artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 5 mei 1999 « tot wijziging van het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd » en bij artikel 8 van het decreet van 19 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd », bepaalt : « De jeugdrechtbank beslist over de betwistingen betreffende de toekenning, de weigering van toekenning of de nadere regels voor de toepassing van een individuele maatregel tot hulpverlening die voor haar worden gebracht : 1° door één van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of die de jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben of genietend het recht persoonlijk contact te onderhouden krachtens artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek; 2° door de jongere boven de veertien jaar; 3° in het geval dat, wat een jongere van minder dan veertien jaar betreft, de personen bedoeld bij 1° de zaak bij de rechtbank niet aanhangig maken :
- a)hetzij door de jongere zelf;
- b)hetzij door een voogd ad hoc aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op het verzoek van gelijk welke belanghebbende en in voorkomend geval door de procureur des Konings;
- c)hetzij een voogd ad hoc aan te stellen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op het verzoek van dezelfden indien het blijkt dat de jongere van minder dan veertien jaar geen klare kijk heeft op de kwestie waarop de betwisting slaat; in dat geval schort de jeugdrechtbank haar uitspraak op tot wanneer de voogd ad hoc aangesteld is. 8 De jeugdrechtbank maakt een einde aan de betwisting door de partijen tot overeenstemming te brengen. Indien de verzoening faalt, beslecht de jeugdrechtbank de voor haar gebrachte betwisting. De beslissing van de jeugdrechtbank levert geen beletsel op voor het treffen en uitvoeren van een schikking die, later tussen de partijen tot stand gekomen, afwijkt van de rechterlijke beslissing. Die schikking kan aan de jeugdrechtbank worden medegedeeld ». B.2.1. Uit de formulering van de prejudiciële vraag, gelezen in het licht van de voor de verwijzende rechter uitgewisselde procedurestukken, en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing, blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van die bepaling met artikel 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.2.2. Het Hof is niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.2.3. Op grond van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof evenwel bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing wettelijke normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » van de Grondwet. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II van de Grondwet, het Hof, bij zijn onderzoek, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. B.2.4.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. 9 De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.2.4.2. Zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarborgt artikel 22 van de Grondwet het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Uit de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling blijkt bovendien dat de Grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven « met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). Daaruit volgt dat het Hof bevoegd is om te oordelen of de in het geding zijnde bepaling in strijd is met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, rekening houdend met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.2.5. Artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : « Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten welke de uitoefening van dit recht beheersen ». Noch de verwijzingsbeslissing, noch de partijen voor het Hof geven aan in welke zin artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 afbreuk zou kunnen doen aan die rechten. 10 B.3.1. Uit de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten van het geding blijkt dat het beroep waarnaar in de prejudiciële vraag wordt verwezen, het beroep is dat een van de personen bedoeld in het voormelde artikel 37, eerste lid, 1°, voor de jeugdrechtbank instelt om een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd te betwisten waarmee een van de in artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 maart 1991 bepaalde maatregelen ten uitvoer wordt gelegd en die een minderjarige betreft. B.3.2. De motieven van de verwijzingsbeslissing en de voor de verwijzende rechter uitgewisselde stukken geven aan dat het Hof in de prejudiciële vraag wordt verzocht te oordelen of het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven de decreetgever ertoe verplicht te bepalen dat het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken. B.4. Zowel de ouders als de kinderen genieten het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Het omvat het recht voor iedere betrokken persoon te kunnen tussenkomen in een rechtsgeding dat gevolgen kan hebben voor zijn gezinsleven. Dat recht tot tussenkomst maakt overigens deel uit van de jurisdictionele waarborgen die aan alle burgers zijn toegekend en uitdrukkelijk zijn verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wanneer een betwisting betrekking heeft op een burgerlijk recht zoals het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven omvat tevens het recht voor een kind te worden verzocht deel te nemen aan een rechtsgeding in verband met de betwisting van de beslissing van een overheid die gevolgen heeft voor zijn gezinsleven. B.5.1. Tijdens de rechtspleging na afloop waarvan de jeugdrechtbank een van de maatregelen neemt waarin artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 4 maart 1991 voorziet, is de betrokken minderjarige nog altijd partij in het geding. Wanneer hij geen advocaat heeft, wordt er hem ambtshalve een toegewezen (artikel 54bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming », zoals 11 ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 2 februari 1994 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming »). B.5.2. De directeur bij de hulpverlening aan de jeugd kan een dergelijke maatregel niet ten uitvoer leggen zonder de minderjarige vooraf te hebben opgeroepen en gehoord, tenzij hij niet kan worden gehoord wegens zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, de urgentie of omdat hij niet verschijnt. De minderjarige heeft de mogelijkheid een persoon van zijn keuze te machtigen indien zijn gezondheidstoestand hem in de onmogelijkheid stelt te worden gehoord. Daarnaast moet de directeur hem betrekken bij de beslissing en de tenuitvoerlegging ervan, behalve indien behoorlijk wordt bewezen dat het niet kan (artikelen 6 en 7, tweede lid, van het decreet van 4 maart 1991). B.6. Luidens artikel 62 van de wet van 8 april 1965 - zoals vervangen bij artikel 27 van de wet van 2 februari 1994 - gelden de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging, behoudens afwijking, wanneer bij de jeugdrechtbank een bij artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 bedoeld beroep wordt ingesteld. B.7.1. Uit artikel 63ter, eerste lid, b), van de wet van 8 april 1965 - zoals ingevoegd bij artikel 31 van de wet van 2 februari 1994 - en artikel 5, derde lid, van het decreet van 4 maart 1991 - zoals vervangen bij artikel 1 van het decreet van 5 mei 1999 -, blijkt dat het beroep tegen een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd wordt ingesteld door middel van een « verzoekschrift op tegenspraak » in de zin van de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, « de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen » (artikel 1034ter, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek) en wordt « in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, […] gezonden » (artikel 1034quinquies van het Gerechtelijk Wetboek). Het wordt « aan de tegenpartij ter kennis […] gebracht » (artikel 1034bis). De partijen worden « opgeroepen door de griffier om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting » (artikel 63ter, tweede lid, van de wet van 8 april 1965). 12 B.7.2. Zoals het door de verwijzende rechter wordt geïnterpreteerd, verplicht artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 de persoon die het in B.3.1 bedoelde beroep instelt, niet ertoe de betrokken minderjarige in zijn verzoekschrift als partij in het geding aan te wijzen. B.7.3. Geen enkele wetsbepaling biedt bovendien de zekerheid dat de minderjarige die door dat beroep niet in het geding is betrokken, ambtshalve in het geding zal worden betrokken of in kennis zal worden gesteld van het bestaan ervan, teneinde, in voorkomend geval, te kunnen overwegen vrijwillig tussen te komen. B.7.4. Ten slotte kunnen de hoven en rechtbanken waarvoor dat beroep is ingesteld, op grond van artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek, niet ambtshalve bevelen dat die minderjarige in het geding wordt betrokken. B.8. Onder die voorwaarden maakt de ontstentenis van een regel volgens welke het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken, een schending uit van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, zoals dat recht in B.4 is gedefinieerd. Artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, is derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet. B.9. Het Hof merkt evenwel op dat de in het geding zijnde bepaling anders kan worden geïnterpreteerd. B.10. De jeugdrechtbank waarvoor het in B.3.1 bedoelde beroep is ingesteld, moet, alvorens zich uit te spreken over de aan haar voorgelegde betwisting, de partijen in het geding met elkaar trachten te verzoenen (artikel 37, tweede lid en derde lid, van het decreet van 4 maart 1991). Die partijen kunnen worden ingedeeld in drie categorieën, namelijk de persoon die de beslissing heeft genomen die aan het beroep ten grondslag ligt - te dezen, de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd -, « de persoon of personen […] die de betwisting aan de rechtbank heeft of hebben voorgelegd », en diegene(
- n)« tegen wie die betwisting is gericht » (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1990-1991, nr. 165/1, p. 27). 13 De minderjarige die is betrokken bij de beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd behoort, in het geval van het in B.3.1 bedoelde beroep, tot die laatste categorie. De aan de jeugdrechtbank voorgelegde betwisting heeft immers betrekking op een beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd die een vonnis ten uitvoer legt dat is gewezen na afloop van een rechtspleging tijdens welke de minderjarige partij in het geding was. Om een dergelijke beslissing te nemen moet die minderjarige, die bovendien in beginsel bij die beslissing en de tenuitvoerlegging ervan is betrokken (B.5.2), overigens in beginsel vooraf worden opgeroepen en gehoord. B.11. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 37 van het decreet van 4 maart 1991 in die zin kan worden begrepen dat het de persoon die een in B.3.1 bedoelde beslissing van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd betwist, ertoe verplicht de minderjarige in het geding te betrekken. In die zin geïnterpreteerd, doet de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.12. De prejudiciële vraag betreft de artikelen 62, 63ter, eerste lid, b), en tweede lid, en 63bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met de artikelen 9, 12 en 16 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 22 van de Grondwet, met de artikelen 54bis, 63ter, derde lid, van de wet van 8 april 1965, alsmede met de artikelen 7, tweede lid, 37 en 38 van het decreet van 4 maart 1991. B.13.1. Artikel 62 van de wet van 8 april 1965 wordt in het geding gebracht, in zoverre het, sinds de vervanging ervan bij artikel 27 van de wet van 2 februari 1994 « tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming », bepaalt dat « behoudens afwijking, […] voor de in [artikel] 63ter, eerste lid, b), bedoelde procedures de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging [gelden] ». 14 Artikel 63ter van de wet van 8 april 1965, zoals ingevoegd bij artikel 31 van de wet van 2 februari 1994, bepaalt, in zijn eerste lid, b), dat « in de rechtsplegingen bedoeld in artikel 63bis […] de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig [wordt] gemaakt : […]
- b)bij verzoekschrift door de belanghebbende partij neergelegd ter griffie van de jeugdrechtbank, met het oog op het beslechten van een geschil betreffende een maatregel genomen door de bevoegde instanties, bedoeld in artikel 37, § 2 ». Artikel 63ter, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt : « In de gevallen bedoeld in b), worden de partijen opgeroepen door de griffier om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting. De oproeping vermeldt het voorwerp van het verzoek. De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift over aan het openbaar ministerie ». Artikel 63ter, derde lid, bepaalt : « In de gevallen bedoeld in c), moeten de dagvaarding of de waarschuwing, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, voogden of degenen die de jongere onder hun bewaring hebben en aan hem zelf indien hij minstens twaalf jaar oud is, alsook aan de personen aan wie, in voorkomend geval, een vorderingsrecht toegekend is ». Artikel 63bis, § 1, van de wet van 8 april 1965, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de wet van 2 februari 1994, bepaalt : « De rechtsplegingsregels bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 45.2. en 46, zijn van toepassing op de bepalingen van gerechtelijke bescherming die door de bevoegde instanties zijn uitgevaardigd krachtens artikel 59bis, §§ 2bis en 4bis, [thans de artikelen 128 en 135] van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ». Het hoofdstuk waartoe die bepaling behoort, draagt als opschrift « Territoriale bevoegdheid en rechtspleging » en bevat de artikelen 44 tot 63quinquies van de wet van 8 april 1965. Artikel 46 van de wet van 8 april 1965, beoogd in het voormelde artikel 63bis, § 1, en waarnaar in de prejudiciële vraag wordt verwezen, bepaalt, sinds de invoeging van het tweede en derde lid bij artikel 9 van de wet van 2 februari 1994 : 15 « De dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing die het geeft moet, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, voogden of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben en aan de minderjarige zelf indien de rechtsvordering tot doel heeft zijn ontvoogding te doen intrekken of ten aanzien van hem een van de maatregelen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, te doen nemen of wijzigen en hij ten minste twaalf jaar oud is. Als een persoon bedoeld in artikel 36, 4°, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld, zal de in het vorige lid bedoelde dagvaarding of waarschuwing worden gericht aan die persoon die, wegens zijn minderjarigheid, voor hem burgerrechtelijk aansprakelijk waren. Onverminderd de bepaling van artikel 184, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, moet, op straffe van nietigheid van het vonnis dat door de rechtbank ten aanzien van de gedagvaarde partij bij verstek wordt uitgesproken, tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste tien dagen in acht worden genomen die niet kan worden verlengd wegens de afstand ». Artikel 54bis van de wet van 8 april 1965 bepaalt : « § 1. Wanneer een persoon beneden de achttien jaar partij is in het geding en geen advocaat heeft, wordt er hem ambtshalve een toegewezen. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is met toepassing van artikel 45.2.
- a)of b), of van artikel 63ter,
- a)of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Dit bericht wordt gelijktijdig verzonden met de vordering, de dagvaarding of de met redenen omklede waarschuwing, al naar gelang het geval. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing, uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen van dit bericht. § 2. Het openbaar ministerie zendt aan de jeugdrechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder. § 3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging ziet erop toe, indien er tegenstrijdige belangen zijn, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader en moeder, voogden of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht, beroep gedaan zouden hebben ». B.13.2. Artikel 7, tweede lid, van het decreet van 4 maart 1991 bepaalt : « Wanneer de directeur, bij toepassing van artikel 38 van dit decreet, een hulpverleningsmaatregel aanwendt, worden het kind en zijn leefgenoten bij die maatregel betrokken ». 16 Artikel 38 van hetzelfde decreet bepaalt : « § 1. De jeugdrechtbank neemt kennis van de maatregelen die te nemen zijn ten aanzien van een kind, zijn gezin of zijn leefgenoten, wanneer de lichamelijke of psychische integriteit van een kind bedoeld in artikel 2, lid 1, 2°, thans ernstig bedreigd is, en wanneer één van de personen die de ouderlijke macht uitoefenen of die het kind in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, de hulp van de adviseur weigert of die hulp niet benut. § 2. De lichamelijke of psychische integriteit wordt beschouwd als ernstig bedreigd, ofwel wanneer het kind gewoonlijk en herhaaldelijk gedragingen heeft die deze werkelijk en rechtstreeks bedreigen, hetzij wanneer het kind het slachtoffer is van ernstige nalatigheid, mishandeling, misbruik van gezag of sexuele misbruiken, die deze rechtstreeks en werkelijk bedreigen. § 3. De jeugdrechtbank kan, na te hebben vastgesteld dat het noodzakelijk is dwangmaatregelen te nemen in de gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 : 1° het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten of één van hen onderwerpen aan richtlijnen of aan een begeleiding van educatieve aard; 2° in uitzonderlijke omstandigheden, beslissen dat aan het kind een tijdelijke huisvesting buiten zijn familiaal leefmilieu wordt verleend met het oog op zijn behandeling, zijn opvoeding, het onderwijs dat hij moet volgen, of zijn beroepsopleiding; 3° het kind dat meer dan zestien jaar oud is de mogelijkheid bieden om zelfstandig of onder toezicht te verblijven, en zich te laten inschrijven in het bevolkingsregister van die verblijfplaats. Deze maatregelen worden aangewend door de directeur, bijgestaan door de dienst voor gerechtelijke bescherming, overeenkomstig artikel 7, lid 2. § 4. Met inachtneming van artikel 7, lid 2, is de directeur er niet toe gehouden noch de toestemming van het kind boven de leeftijd van veertien jaar noch die van de persoon wiens vroegere weigering werd vastgesteld door de jeugdrechtbank krachtens § 1, te krijgen, om de toepassing van de maatregel te wijzigen binnen de perken bepaald door de jeugdrechtbank krachtens § 3. De directeur kan een andere maatregel overwegen waarmee de partijen het eens zijn. Hij brengt er de jeugdrechtbank en de adviseur van op de hoogte. De homologatie van de overeengekomen maatregel door de jeugdrechtbank maakt een einde aan de gevolgen van de rechterlijke beslissing. Zodra de homologatie is doorgevoerd, kan de nieuwe maatregel die de toestemming van de partijen heeft gekregen, door de adviseur worden toegepast. De rechtbank kan alleen de homologatie weigeren indien de overeengekomen maatregel strijdig is met de openbare orde ». B.14. Uit de feiten van het geding en de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over het verschil in behandeling dat de voormelde bepalingen van de wet van 8 april 1965 en van het decreet van 4 maart 1991 zouden maken 17 tussen twee categorieën van minderjarigen ten aanzien van wie een maatregel van individuele hulpverlening bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, van dat decreet wordt genomen en waarvan de toepassingsvoorwaarden voor de jeugdrechtbank worden betwist door middel van een beroep dat op grond van artikel 37 van dat decreet is ingesteld door een van de personen bedoeld in het eerste lid, 1°, van die bepaling : enerzijds, diegenen die in het geding zijn betrokken door de persoon die dat beroep heeft ingesteld en, anderzijds, diegenen voor wie dat niet het geval is. Geen enkele van de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen maakt een onderscheid tussen beide categorieën van minderjarigen. B.15. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. - In die zin geïnterpreteerd dat het niet voorschrijft dat het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken, schendt artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd artikel 22 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat zij voorschrijft dat het in B.3.1 bedoelde beroep alleen ontvankelijk is wanneer de betrokken minderjarige in het geding is betrokken, schendt die bepaling artikel 22 van de Grondwet niet. 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div