← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.028

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.028 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060301.10 Arrest- Rolnummer: 28/2006;3685 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-30 15:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 203 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 205 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Rolnummer 3685 Arrest nr. 28/2006 van 1 maart 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 maart 2005 in zake de « U.C.L. Saint-Luc » tegen J. Vanhelmont en J. Rouge, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 april 2005, heeft de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek, geïnterpreteerd in die zin dat de bloedverwanten in de opgaande lijn die geen erfgenaam zijn van een erflater, gehouden zijn tot betaling van diens kosten van laatste ziekte ten aanzien van een ziekenhuisinstelling - en dit zelfs als zij de nalatenschap hebben verworpen -, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre aldus aan de bloedverwanten in de opgaande lijn die geen erfgenaam zijn van een erflater, een ' privilège sans texte ' zou worden tegengeworpen door een ziekenhuisinstelling, terwijl aan iedere andere schuldeiser de gevolgen van de verwerping zouden worden tegengeworpen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad; - J. Rouge, wonende te 7860 Lessen, rue Latérale 18; - de v.z.w. U.C.L. Saint-Luc, waarvan de zetel is gevestigd 1200 Brussel, Hippokrateslaan 10/

  1. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2005 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor J. Rouge; . Mr. F. Tulkens en Mr V. Ost, advocaten bij de balie te Brussel, voor de v.z.w. U.C.L. Saint-Luc; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil J. Rouge en J. Vanhelmont zijn de ouders van J. Vanhelmont. De laatstgenoemde, die het W.I.G.W.-statuut genoot, woonde bij zijn ouders, die hem onderhielden en van wie hij financieel afhankelijk was. 3 Op 15 augustus 1992 wordt hij met spoed opgenomen in het universitair ziekenhuis « Saint-Luc » ten gevolge van een poging tot zelfmoord. Hij is er overleden op 4 september
  2. De kosten van die ziekenhuisopname bedroegen in totaal 1.772.899 frank. Van dat bedrag is 1.698.596 frank ten laste genomen door de verzekeringsinstelling en is 74.303 frank ten laste van de patiënt gelaten. Bij een akte van 21 januari 1993 hebben de ouders van de erflater de nalatenschap van hun zoon verworpen. Op 31 juli 1995 heeft de « U.C.L. Saint-Luc » de ouders gedagvaard voor de vrederechter van Sint-Pieters- Woluwe om te worden veroordeeld tot de betaling van het voormelde bedrag. De debatten zijn tweemaal heropend voor de verwijzende rechter, die, na de stelling van het bestaan van een voorrecht voor de eiseres te hebben afgewezen, ook de theorie van de zaakwaarneming lijkt te verwerpen, om terug te komen tot de oorspronkelijk aangevoerde grond, die van de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek. Ervan uitgaande dat de persoon die de zorgverstrekking betreffende de laatste ziekte heeft aangeboden, in tegenstelling tot de schuldeisers van de erflater, op grond van die bepalingen een « voorrecht » zou kunnen genieten, heeft de verwijzende rechter de hiervoor geformuleerde vraag aan het Hof gesteld. III. In rechte -A– Standpunt van de « U.C.L. Saint-Luc », eiseres voor de feitenrechter A.1.
  3. Na eraan te hebben herinnerd dat, volgens haar, de grond van de vordering artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is, dat dient te worden gelezen in samenhang met artikel 207, en dat de hoedanigheid van erfgenaam te dezen dus geenszins relevant is, is de eiseres voor de feitenrechter van mening dat, enerzijds, de prejudiciële vraag in veel te ruime bewoordingen is geformuleerd en dat, anderzijds, in de veronderstelling dat het Hof ze moet beantwoorden, het die zou moeten herformuleren. Volgens die partij kennen de artikelen 205 en 207 van het Burgerlijk Wetboek geen enkel voorrecht toe. Zij vervolgt dat de kwestie van een samenloop overigens totaal losstaat van het geschil, daar de « U.C.L. Saint-Luc » niet samen met een andere schuldeiser opkomt. De discriminatie waarover het Hof wordt ondervraagd, bestaat aldus niet. Om die reden stelt die partij in hoofdorde voor dat het Hof zou antwoorden dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, of nog, dat het Hof voor recht zou zeggen dat de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen niet in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat de discriminatie niet bestaat. Ten slotte stelt de eiseres in haar memorie een herformulering van de vraag voor, mocht het Hof toch van mening zijn dat het de vraag moet beantwoorden, antwoord dat in elk geval ontkennend zou moeten zijn. A.1.
  4. In haar memorie van antwoord herinnert de eiseres nogmaals eraan dat de verwerende partij voor de verwijzende rechter ten onrechte stelt dat de artikelen 205 en 207 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat zij het de persoon die de laatste zorgverstrekking aan een zieke aanbiedt, mogelijk zouden maken zich te richten tot de onderhoudsplichtigen van die laatste, zouden leiden tot de invoering van een voorrecht. Zij wijst overigens ook het volgens haar ongenuanceerde standpunt van de Ministerraad af, volgens wie uit het personele karakter van de onderhoudsplicht zou voortvloeien dat de ziekenhuisinstelling haar vordering niet zou kunnen doen steunen op de artikelen 203 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Standpunt van de J. Rouge, verwerende partij voor de feitenrechter A.2.
  5. Na te hebben herinnerd aan de voorgeschiedenis van de rechtspleging voor de feitenrechter herinnert de verwerende partij in haar memorie eraan dat, indien de door de eiseres op grond van de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering gegrond wordt bevonden, haar een voorrecht zou worden erkend dat te dezen in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 4 A.2.
  6. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij, na de beginselen van het burgerlijk recht te hebben uiteengezet die te dezen van toepassing zouden kunnen zijn, dat, in zoverre, zoals zij aanvoert, artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek en a fortiori artikel 203 van hetzelfde Wetboek de vordering van de eiseres niet kunnen verantwoorden, hieruit dient te worden afgeleid dat de prejudiciële vraag aan die bepalingen een draagwijdte geeft die zij niet hebben en dat bijgevolg de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. In ondergeschikte orde zou, indien die bepalingen worden aangevoerd, de toepassing ervan een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhouden. Standpunt van de Ministerraad A.3.
  7. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, in zoverre de verwijzende rechter aan de beoogde bepalingen een draagwijdte geeft die zij niet hebben. Het statuut van het al dan niet verwerpen van de nalatenschap heeft immers geen belang voor de toepassing van de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien is de prejudiciële vraag onontvankelijk omdat zij niet relevant is, daar zij niet nuttig is voor het oplossen van het geschil. Ten aanzien van de discriminatie die in de prejudiciële vraag lijkt te worden aangeklaagd, is de Ministerraad van mening dat die berust op twee categorieën van bloedverwanten in de opgaande lijn die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Hoewel het juist is dat beide categorieën van personen een gemeenschappelijk kenmerk vertonen – hun hoedanigheid van bloedverwant in de opgaande lijn die de nalatenschap heeft verworpen –, is het immers toch zo dat diegenen die tot de eerste categorie behoren, ook onderhoudsplichtigen zijn. Het is in die tweede hoedanigheid dat zij ertoe gehouden zijn de kosten van laatste ziekte te betalen. De Ministerraad besluit dat de gestelde vraag bijgevolg ontkennend moet worden beantwoord. A.3.
  8. In zijn memorie van antwoord blijft de Ministerraad bij zijn standpunt en verklaart hij opnieuw dat de inzet van het geschil erin bestaat te bepalen of de verweerster ertoe gehouden is de schuld met betrekking tot de kosten van laatste ziekte al dan niet te betalen aan de ziekenhuisinstelling die de zorgverstrekking aan de erflater heeft aangeboden. Dat geschil plaatst dus niet twee schuldeisers tegenover elkaar en de vraag luidt niet of het feit dat de ene een voorrecht kan aanvoeren en de andere niet, in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij merkt ook op dat de eiseres in die zaak niet samen met een andere schuldeiser opkomt. Om die reden dringt de Ministerraad in hoofdorde erop aan dat het Hof voor recht zegt dat de vraag geen antwoord behoeft. -B- B.1.
  9. In haar bewoordingen betreft de prejudiciële vraag de artikelen 203 en 205 van het Burgerlijk Wetboek. De verwijzende rechter vraagt of die artikelen, « geïnterpreteerd in die zin dat de bloedverwanten in de opgaande lijn die geen erfgenaam zijn van een erflater, gehouden zijn tot betaling van diens kosten van laatste ziekte ten aanzien van een ziekenhuisinstelling - en dit zelfs als zij de nalatenschap hebben verworpen -, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet [schenden] in zoverre aldus aan de bloedverwanten in de opgaande lijn die geen erfgenaam zijn van een erflater, een ' privilège sans texte ' zou worden tegengeworpen door een ziekenhuisinstelling, terwijl aan iedere andere schuldeiser de gevolgen van de verwerping zouden worden tegengeworpen ». 5 B.1.
  10. Uit de feiten van het geding en de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de rechtspleging in het bodemgeschil uitsluitend betrekking heeft op de vraag of een bloedverwant in de opgaande lijn, die onderhoudsplichtig is in de zin en onder de voorwaarden van de artikelen 205 - en niet 203 - en 207 van het Burgerlijk Wetboek, ertoe gehouden kan zijn de kosten van de laatste ziekte te betalen die de ziekenhuisinstelling heeft gedragen. De verwijzende rechter lijkt ervan uit te gaan dat aan die bloedverwant in de opgaande lijn, terwijl hij de nalatenschap heeft verworpen, aldus een aan de ziekenhuisinstelling toegekend « voorrecht zonder wet » zou kunnen worden tegengeworpen, waardoor die laatste in een situatie van ongelijkheid zou worden geplaatst ten opzichte van de andere schuldeisers aan wie de gevolgen van de verwerping zouden worden tegengeworpen. B.
  11. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter te bepalen welke normen van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil. Wanneer het Hof echter wordt geconfronteerd met bepalingen die kennelijk worden geïnterpreteerd in een zin die niet van toepassing is op het in het geding zijnde geschil, moet het de prejudiciële vraag niet beantwoorden. De partijen kunnen de draagwijdte van prejudiciële vragen evenmin wijzigen of uitbreiden. Het komt derhalve de rechter toe te oordelen of de vordering van de « U.C.L. Saint-Luc » onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 205 en 207 van het Burgerlijk Wetboek. B.
  12. Hoewel de verwijzende rechter het Hof immers ook ondervraagt over artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, blijkt uit alle bij het Hof neergelegde memories dat alleen de artikelen 205 en 207 van het Burgerlijk Wetboek in het in het geding zijnde geschil worden beoogd. Die artikelen bepalen : « Art.
  13. De kinderen zijn levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn ». « Art.
  14. De verplichtingen die uit deze bepalingen voortvloeien, zijn wederkerig ». 6 B.
  15. Indien de rechter van oordeel is dat de vordering onder het toepassingsgebied valt van de voormelde artikelen, dienen de ouders in hun hoedanigheid van bloedverwanten in de opgaande lijn, op grond van artikel 207 van het Burgerlijk Wetboek, in te staan voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte binnen de in artikel 208 van hetzelfde Wetboek bepaalde grenzen. Het is dan ook niet relevant of zij de nalatenschap al dan niet hebben verworpen. Daaruit vloeit voort dat er geen sprake kan zijn van een op de aard van de vordering gebaseerd verschil in behandeling tussen de « U.C.L. Saint-Luc » als schuldeiser van een van de nalatenschap losstaande vordering, en de schuldeisers van vorderingen die deel uitmaken van de nalatenschap. B.
  16. Indien de rechter evenwel van oordeel is dat de vordering niet onder het toepassingsgebied van artikel 207 van het Burgerlijk Wetboek valt, behoren de kosten van de laatste ziekte tot het passief van de nalatenschap. De erfrechtelijke regeling bevat geen bepaling die het mogelijk maakt de ouders die de nalatenschap hebben verworpen, niet te behandelen zoals elke andere erfgenaam die de nalatenschap verwerpt. Daaruit volgt dat het door de verwijzende rechter aangevoerde verschil in behandeling tussen de verschillende categorieën van schuldeisers niet bestaat vermits dat verschil uitsluitend zou kunnen worden ontleend aan een bepaling die op het geschil niet toepasselijk is. B.
  17. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
  18. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.