← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.029

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.029 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060301.11 Arrest- Rolnummer: 29/2006;3690 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 618 - laatst gezien 2026-07-04 06:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 187, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de burgerlijke partij het voordeel niet toekent van de bijkomende termijn van verzet die bij het tweede lid van hetzelfde artikel aan de beklaagde is toegekend. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Politierechtbank te Charleroi. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,L3 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,L2 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3690 Arrest nr. 29/2006 van 1 maart 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door de Politierechtbank te Charleroi. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 21 januari 2005 in zake M.-F. Taburiaux tegen J. Meunier en de n.v. Shanks Liège Luxembourg, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 21 april 2005, heeft de Politierechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, in zoverre het enkel voorziet in een buitengewone termijn voor verzet voor de beklaagde en niet voor de burgerlijke partijen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en roept het een discriminatie in het leven tussen de beklaagden en burgerlijke partij ? ». Memories zijn ingediend door : - M.-F. Taburiaux, wonende te 5060 Moignelée, rue de Fleurus 59; - J. Meunier, wonende te 6040 Jumet, rue de Gosselies 52, en de n.v. Shanks Liège Luxembourg, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4102 Seraing, rue de l’Environnement 18; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. Lambert, advocaat bij de balie te Charleroi, voor M.-F. Taburiaux; . Mr. J. Quintin loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij M.-F. Taburiaux gewond raakte, veroordeelt de Politierechtbank te Charleroi, bij een vonnis van 4 februari 2000, J. Meunier, die het ongeval veroorzaakte, en de n.v. Shanks Liège Luxembourg, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, hoofdelijk tot betaling van één frank provisionele schadevergoeding aan het slachtoffer. Er wordt een geneesheer-expert aangewezen. M.-F. Taburiaux brengt echter de gerechtelijke expertise niet op gang. 3 J. Meunier en de n.v. Shanks Liège Luxembourg brengen de zaak opnieuw voor de Rechtbank die, bij een vonnis van 13 juni 2003, voor recht verklaart dat M.-F. Taburiaux volledig werd vergoed door het bedrag dat haar was toegekend bij het vorige vonnis, en haar veroordeelt tot het betalen van de kosten van het dagvaardingsexploot. Dat vonnis, dat bij verstek werd uitgesproken, wordt op 10 juli 2003 betekend. Op 26 augustus 2003 wordt een exploot van roerend beslag betekend. Op 5 september 2003 tekent M.-F. Taburiaux verzet aan. J. Meunier en de n.v. Shanks Liège Luxembourg voeren aan dat het verzet laattijdig en dus niet ontvankelijk is omdat het buiten de gewone termijn van vijftien dagen werd gedaan, aangezien de burgerlijke partij niet de buitengewone termijn van artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering geniet. Het is op verzoek van M.-F. Taburiaux dat de Politierechtbank het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de burgerlijke partij voor de verwijzende rechter A.

  1. In haar memorie voert de burgerlijke partij zonder verdere argumenten aan dat zij terecht oordeelt dat artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat het, door niet toe te staan dat de burgerlijke partij een buitengewone termijn van verzet kan genieten, een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. Standpunt van de beklaagde en van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij A.
  2. Volgens de beklaagde - die werd veroordeeld - en volgens de burgerrechtelijk aansprakelijke partij dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. Na erop te hebben gewezen dat de voorwaarden voor het aantekenen van verzet tegen een strafvonnis dat bij verstek is gewezen, identiek zijn voor de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij, herinneren zij aan de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en leiden eruit af dat de « buitengewone » termijn die de beklaagde wordt toegekend, op een objectief criterium berust doordat hij zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de burgerlijke partij, die volgens hen toch de hele procedure van vervolging heeft gevolgd (zoals overigens het openbaar ministerie, dat de procedure heeft ingeleid). Standpunt van de Ministerraad A.
  3. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord om dezelfde redenen als die welke de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hebben uiteengezet. -B- B.
  4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt : « Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. 4 Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak. Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden; de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is ». Gelet op de bewoordingen van de vraag, worden alleen het eerste en het tweede lid, alsook het derde lid voor zover het de burgerlijke partij beoogt, ter toetsing aan het Hof voorgelegd. B.
  5. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling zou voortvloeien uit het derde lid, in zoverre de burgerlijke partij niet de « buitengewone » termijn van verzet kan genieten die bij het tweede lid aan de beklaagde is toegekend, onder de voorwaarden die in die bepaling zijn vastgelegd wanneer de betekening van het vonnis niet aan de persoon werd gedaan. B.3.
  6. Krachtens artikel 187, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, hebben de veroordeelde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij vijftien dagen de tijd om verzet aan te tekenen tegen een bij verstek uitgesproken strafvonnis. Die termijn loopt vanaf de regelmatige betekening van de bij verstek gewezen beslissing. Het tweede lid van hetzelfde artikel voorziet echter in een bijkomende termijn, uitsluitend voor de veroordeelde beklaagde aan wie het vonnis niet in persoon werd betekend, terwijl de burgerlijke partij enkel beschikt over de gewone termijn van verzet waarin het eerste lid voorziet. 5 B.3.
  7. Het verschil in behandeling tussen die twee categorieën van personen is niet zonder redelijke verantwoording : aan de beklaagde wordt, wanneer de betekening van het vonnis waarbij hij bij verstek is veroordeeld niet aan hem in persoon is gedaan, een bijkomende termijn van verzet toegekend teneinde te vermijden dat de veroordeling ten uitvoer wordt gelegd; de burgerlijke partij, daarentegen, verdedigt uitsluitend patrimoniale belangen. B.
  8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 187, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de burgerlijke partij het voordeel niet toekent van de bijkomende termijn van verzet die bij het tweede lid van hetzelfde artikel aan de beklaagde is toegekend. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
  9. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.029 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.