id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.032 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060301.6 Arrest- Rolnummer: 32/2006;3642 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-30 15:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Onder het voorbehoud vermeld in B.10, schendt artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 08-07-1976 - 57,§2 - 42 Link Justel databank 19760708-42 Wet - 22-12-2003 - 42 ELI link Pub nr 2003021248 Tekst van de beslissing Rolnummer 3642 Arrest nr. 32/2006 van 1 maart 2006 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 februari 2005 in zake G. Bonyeme tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Elsene, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 maart 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, zoals laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 in het bijzonder, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, en zulks in vergelijking met de situatie van Belgische kinderen geboren uit Belgische ouders of vreemdelingen die echter toegelaten zijn tot het verblijf, of met de situatie van vreemde kinderen van vreemde ouders met onwettig verblijf : - in zoverre het, ten aanzien van een persoon van vreemde nationaliteit, met onwettig verblijf in België, het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, wanneer die persoon de moeder is van een kind van Belgische nationaliteit; - in zoverre het niet toestaat dat aan dat kind de vorm van hulpverlening wordt toegekend waarin het eerste lid, 2°, ervan voorziet; - in zoverre het evenmin de vreemde ouder zou toestaan hulp te ontvangen voor het kind in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger of beheerder van diens goederen, wanneer die vreemde ouder geen enkele maatschappelijke dienstverlening kan krijgen ? ». Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - G. Bonyeme, wonende te 1050 Brussel, Generaal Geneesheer Derachelaan 106; - het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Elsene, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg
- De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 november 2005 : - zijn verschenen : . Me P. Hubert, advocaat bij de balie te Brussel, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Elsene; . Mr. V. Rigodanzo, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G. Bonyeme heeft een vordering ingesteld tegen de beslissing van het O.C.M.W. van Elsene waarbij haar maatschappelijke dienstverlening wordt geweigerd om reden dat zij met onwettig verblijf is, maar waarbij echter aan haar dochter Océane, van Belgische nationaliteit door haar vader, 100 euro per maand als kinderbijslag en de medische kaart worden toegekend. Zij vordert in hoofdorde voor zichzelf en in ondergeschikte orde als wettelijke vertegenwoordigster van haar dochter maatschappelijke dienstverlening tegen het tarief van alleenstaande met een kind ten laste of tegen het tarief van alleenstaande, of nog dienstverlening waarvan de rechtbank het bedrag op billijke wijze zou vaststellen, en doet daarbij gelden dat artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet van toepassing is in het geval van een vreemdelinge met onwettig verblijf, moeder van een kind dat de Belgische nationaliteit heeft door diens vader. Volgens de verwijzende rechter beogen noch de wet van 15 december 1980, noch artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 een situatie waarin de moeder, met onwettig verblijf, enkel recht heeft op dringende medische hulp en niet op maatschappelijke dienstverlening, terwijl het Belgische kind aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening, maar niet wordt beoogd in artikel 57, § 2, zoals gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003, vermits het geen minderjarige met onwettig verblijf is. In die situatie zijn sommigen van oordeel dat, vermits ten aanzien van het kind van Belgische nationaliteit geen bevel om het grondgebied te verlaten kan worden uitgevaardigd, de moeder, met toepassing van het recht op de eerbiediging van het gezinsleven, het land niet kan worden uitgezet, waardoor haar situatie wordt gelijkgesteld met een absolute onmogelijkheid om het grondgebied te verlaten, in de zin bedoeld in het arrest nr. 80/99 van het Arbitragehof; anderen zijn van mening dat het kind, zelfs van Belgische nationaliteit, enkel rechten heeft rekening houdend met de rechten van zijn ouders en bijgevolg ertoe zou kunnen worden gebracht de uitgezette ouder te volgen. De verwijzende rechter, die van mening is dat het verschil tussen de rechtssituatie van de moeder en die van het kind gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht van beiden, en bijgevolg voor het recht op maatschappelijke dienstverlening, heeft bijgevolg beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen; in tussentijd heeft hij beslist om aan Océane een naar billijkheid vastgestelde maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. III. In rechte -A– A.
- Volgens de Ministerraad dient de prejudiciële vraag niet te worden beantwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerd postulaat. Een kind met Belgische nationaliteit van een moeder met onwettig verblijf heeft, met toepassing van artikel 1 van de wet van 8 juli 1976, recht op maatschappelijke dienstverlening, zodat artikel 57, § 2, niet op dat kind van toepassing is; bovendien belet niets in ons huidig rechtsstelsel dat de moeder van een Belgisch kind diens rechten uitoefent. 4 A.
- Volgens de eiseres bestaat er, in de interpretatie van de verwijzende rechter volgens welke de personen met onwettig verblijf geen maatschappelijke dienstverlening kunnen genieten, noch specifieke aan het kind verschuldigde hulp kunnen krijgen, wel degelijk een onderscheid tussen die personen en andere categorieën van vreemdelingen met onwettig verblijf. A.
- De eiseres voor de verwijzende rechter is van mening dat die interpretatie verkeerd is en suggereert een andere, waarin de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. Volgens haar kan niet worden betwist dat een Belgisch kind recht heeft op maatschappelijke dienstverlening krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, van de wet van 8 juli 1976 en wordt het bijgevolg niet beoogd in artikel 57, § 2, 2°, van diezelfde wet, dat enkel van toepassing is op minderjarigen met onwettig verblijf. Dat Belgische kind moet bovendien de volgens zijn staat van behoeftigheid meest adequate maatschappelijke dienstverlening krijgen, en geen enkele wetsbepaling beperkt dat recht op grond van het feit dat zijn moeder ongrondwettig op het grondgebied zou verblijven. A.
- Het is eveneens ten onrechte dat de rechter oordeelt dat de ouders met onwettig verblijf noch hulp voor zichzelf, noch de aan hun kinderen verschuldigde hulp kunnen krijgen. Aangezien het kind Belg is, kan het niet uit het grondgebied waarvan het onderdaan is, worden uitgezet, net zoals de ouders van dat kind, en zulks met toepassing van het recht op eerbiediging van het gezinsleven gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat kan worden gelijkgesteld met de reden van overmacht, waarbij het verboden is om de ouders met onwettig verblijf van een Belgisch kind het recht op maatschappelijke dienstverlening te ontzeggen, zodat artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 niet op hen kan worden toegepast. Zelfs indien ze met onwettig verblijf zijn, blijven de ouders van een Belgisch kind of van een kind dat wettig op het grondgebied verblijft overigens de houders van het ouderlijk gezag en de beheerders van zijn goederen, met inbegrip van de maatschappelijke dienstverlening, die zij bijgevolg kunnen krijgen, zonder dat moet worden gevreesd dat zij die ten bate van zichzelf aanwenden. A.
- De verweerder voor de verwijzende rechter leidt na analyse van de ratio legis van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 uit de rechtspraak af dat het criterium waarbij de maatschappelijke dienstverlening al dan niet aan de vreemdelingen wordt toegekend, afhangt van het feit of het al dan niet onmogelijk is hen van het Belgische grondgebied te verwijderen. Het toekennen van financiële hulp aan de vreemdelingen met onwettig verblijf, om de enkele reden dat zij minderjarige kinderen ten laste hebben, zou indruisen tegen de wettige doelstelling die erin bestaat de vreemdeling en de kinderen met onwettig verblijf ertoe aan te sporen het grondgebied te verlaten. A.
- In hoofdorde is de verweerder voor de verwijzende rechter echter van mening dat een kind van Belgische nationaliteit in België moet kunnen blijven samen met zijn moeder met onwettig verblijf, van wie het volledig afhankelijk is; de feitelijke situatie van de moeder en het kind brengt dus een discriminerend verschil in behandeling aan het licht ten nadele van de verzoekster, doordat haar recht tot de dringende medische hulp wordt beperkt. A.
- In ondergeschikte orde is de verweerder voor de verwijzende rechter van mening dat artikel 57, § 2, doordat het de maatschappelijke dienstverlening hoe dan ook beperkt tot de enkele dringende medische hulp, afbreuk doet aan de bepalingen van het Verdrag van New York inzake de rechten van het kind, die met rechtstreekse werking, of althans met een standstill-effect, de verplichting opleggen om het hoger belang van het kind in overweging te nemen. Te dezen is het hoger belang van het Belgische kind evenwel in België te kunnen blijven samen met zijn moeder. A.
- In meer ondergeschikte orde is de verweerder voor de verwijzende rechter van mening dat laatstgenoemde heeft nagelaten rekening te houden met het bestaande gezinsleven van het kind en de verzoekster; volgens een vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het enige element dat in overweging moet worden genomen echter de fysieke aanwezigheid op het grondgebied en niet de wettigheid van het verblijf. Te dezen zou een maatregel van verwijdering van de verzoekster evenwel op onevenredige wijze afbreuk doen aan het recht op samenzijn van een kind en een ouder, wat een fundamenteel element van het gezinsleven vormt. A.
- Aangezien artikel 57, § 2, niet kan worden toegepast, moet worden teruggekomen op artikel 1 van de wet van 8 juli 1976 door aan de verzoekster financiële hulp toe te kennen waarbij die haar daadwerkelijk in staat stelt in alle behoeften van het gezin te voorzien. 5 A.
- In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag, naast het feit dat ze geen antwoord behoeft, niet relevant is voor de oplossing van het geschil, vermits geen enkel verzoek tot onderhoudsgeld is gericht aan de vader van het kind, terwijl die stap van fundamenteel belang was, aangezien, krachtens artikel 6, § 1, van de wet van 7 augustus 1974, de tegemoetkoming van de O.C.M.W.’s subsidiair is ten aanzien van de onderhoudsplichtigen. A.
- In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag niet duidelijk is en hij ontwaart daarin drie onderdelen, die zonder voorwerp zouden zijn. In het eerste onderdeel wordt de situatie van de moeder met onwettig verblijf die, voor zichzelf, enkel recht heeft op dringende medische hulp, vergeleken met de situatie van Belgische kinderen van Belgische ouders of vreemdelingen met wettig verblijf en van vreemde kinderen van vreemde ouders met onregelmatig verblijf : die categorieën van personen zijn niet vergelijkbaar. In het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag wordt gesteld dat de Belgische kinderen van vreemde ouders met onwettig verblijf geen maatschappelijke dienstverlening zoals georganiseerd in artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juli 1976, kunnen krijgen. Vermits die bepaling niet van toepassing is op de Belgische kinderen of de kinderen met regelmatig verblijf, is de prejudiciële vraag zonder voorwerp, aangezien een Belgisch kind recht heeft op de maatschappelijke dienstverlening met toepassing van artikel 1 van de wet van 8 juli
- In het derde onderdeel van de prejudiciële vraag wordt de situatie van de vreemde ouder die niet de aan zijn kind verschuldigde hulp zou kunnen krijgen, vergeleken met de situatie van minderjarigen met regelmatig of onregelmatig verblijf, zijnde categorieën van personen die niet vergelijkbaar zijn. A.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat, mocht het Hof de door de verwijzende rechter geformuleerde prejudiciële vraag herinterpreteren, de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. In de eerste plaats kan, bij ontstentenis van rechtstreekse werking, het Verdrag van New York te dezen niet dienstig worden aangevoerd. Bovendien kent de standstill-verplichting – die geen algemeen rechtsbeginsel vormt – en in zekere mate erkend wordt in artikel 23 van de Grondwet, echter een mogelijkheid van wettelijke afwijking, bedoeld in artikel 191 van de Grondwet, zodat artikel 57, § 2, geen afbreuk doet aan het in artikel 23 van de Grondwet verankerde standstill-beginsel. Mocht het Hof de draagwijdte van de prejudiciële vraag herinterpreteren, dan zou de vraag moeten worden gesteld of de aanwezigheid van een Belgisch kind, ten aanzien van ouders in een onwettige situatie, een geval van overmacht vormt dat elke terugkeer naar het land van oorsprong onmogelijk maakt. De Raad van State heeft die kwestie evenwel reeds beslecht door te stellen dat het feit dat men een kind van Belgische nationaliteit heeft geen uitzonderlijke omstandigheid vormde waardoor de terugkeer naar het land onmogelijk wordt gemaakt. Bovendien onderzoekt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in situaties van uitzetting van vreemdelingen of er belemmeringen bestaan die hen zouden verhinderen om een gezinsleven te leiden in hun land van oorsprong. Ten slotte vormt het bestaan van een vader van Belgische nationaliteit voor het kind geen belemmering om zijn moeder te volgen, wanneer er met die vader geen enkel daadwerkelijk gezinsleven bestaat. Voor het overige heeft het Belgische kind wiens ouders in een onwettige situatie verkeren recht op maatschappelijke dienstverlening indien het zich in een situatie van behoeftigheid bevindt; die maatschappelijke dienstverlening strekt ertoe de specifieke behoeften van het kind te lenigen en het feit dat zijn moeder in een onwettige situatie verkeert en geen maatschappelijke dienstverlening voor zichzelf kan krijgen, belet haar niet om de rechten van haar kind uit te oefenen. 6 -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : organieke O.C.M.W.-wet), zoals gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003, dat bepaalt : « In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden. De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring. Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van artikel 77bis, § 4bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het 7 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter ». B.
- Het Hof wordt verzocht artikel 57, § 2, van de organieke O.C.M.W.-wet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind : - in zoverre het, ten aanzien van een persoon van vreemde nationaliteit met onwettig verblijf in België het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, ook wanneer die persoon de moeder is van een kind van Belgische nationaliteit; - in zoverre het niet toestaat dat aan het kind de vorm van hulpverlening wordt toegekend waarin het eerste lid, 2°, ervan voorziet; - in zoverre het evenmin de vreemde ouder toestaat hulp te ontvangen voor het kind in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger of beheerder van diens goederen, wanneer die vreemde ouder enkel maatschappelijke dienstverlening kan krijgen die beperkt is tot dringende medische hulp. B.
- Uit de elementen van het dossier blijkt dat de zaak betrekking heeft op een moeder met onwettig verblijf en haar kind, dat de Belgische nationaliteit heeft door diens vader, die het kind heeft erkend. B.
- Te dezen heeft een kind van Belgische nationaliteit recht op volledige maatschappelijke dienstverlening krachtens artikel 1, eerste lid, van de organieke O.C.M.W.-wet, dat bepaalt : « Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid ». Het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag is derhalve zonder voorwerp. 8 B.5.
- Volgens de rechtspraak van zowel de Raad van State als van de hoven en rechtbanken kan het persoonlijk recht op maatschappelijke dienstverlening worden uitgeoefend door zowel de minderjarige zelf als door diens wettelijke vertegenwoordigers. In tegenstelling tot wat in het verwijzingsvonnis is vermeld, wijzigt de omstandigheid dat de moeder van het kind onwettig op het grondgebied verblijft, overigens niet de rechten en plichten die voortvloeien uit het ouderlijk gezag en verhindert die de moeder bijgevolg niet om de rechten van haar kind uit te oefenen door namens het kind, in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster, de maatschappelijke hulpverlening te ontvangen waarop dat kind recht heeft. Het derde onderdeel van de prejudiciële vraag is derhalve zonder voorwerp. B.5.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het Hof nog moet onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie inhoudt in zoverre ze, ten aanzien van een persoon van vreemde nationaliteit met onwettig verblijf in België, het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, ook wanneer die persoon de moeder is van een kind van Belgische nationaliteit. B.6.
- Artikel 57 van de organieke O.C.M.W.-wet maakt inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. Sinds de wet van 30 december 1992 verduidelijkt artikel 57, § 2, dat de maatschappelijke dienstverlening aan illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen wordt beperkt tot dringende medische hulp. Die maatregel strekt ertoe de wetgeving betreffende het verblijfsstatuut van de vreemdelingen en diegene betreffende de maatschappelijke dienstverlening beter op elkaar af te stemmen. B.6.
- Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking kunnen hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in België al dan niet wettig is. Dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen is het logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid. 9 B.6.
- Wanneer de wetgever een vreemdelingenbeleid wil voeren en met het oog daarop regels oplegt waaraan moet worden voldaan om wettig op het grondgebied te verblijven, hanteert hij een objectief en pertinent criterium van onderscheid indien hij aan het al dan niet naleven daarvan gevolgen verbindt bij het toekennen van maatschappelijke dienstverlening. Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en verblijf van vreemdelingen zou immers worden doorkruist wanneer zou worden aangenomen dat aan vreemdelingen die onwettig in België verblijven, dezelfde maatschappelijke dienstverlening zou moeten worden verleend als aan degenen die wettig in België verblijven. Het verschil tussen beide categorieën van vreemdelingen verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van hen niet dezelfde verplichtingen rusten. B.6.
- Uit de aan het Hof overgezonden stukken blijkt dat de ouder met onwettig verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, een aanvraag tot machtiging heeft ingediend om langer dan de in artikel 6 van die wet bepaalde termijn in het land te verblijven. Het is niet onredelijk dat, zolang die machtiging niet werd verleend, de aan de aanvrager gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening aldus beperkt is tot dringende medische hulp. B.
- In het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dient het Hof evenwel nog na te gaan of de illegaal op het grondgebied verblijvende persoon, wat de maatschappelijke dienstverlening betreft, anders zou moeten worden behandeld dan andere illegale vreemdelingen of op dezelfde wijze zou moeten worden behandeld als legaal op het grondgebied verblijvende personen, omdat zij de ouder is van een kind van Belgische nationaliteit dat legaal op het grondgebied verblijft. B.
- Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind strekt ertoe het kind de « harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid » in zijn gezin te waarborgen. Artikel 2.2 van dat Verdrag verplicht de Staten die er partij bij zijn « alle passende maatregelen [te nemen] om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden […] van de ouders ». 10 Artikel 3.2 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat « de Staten die partij zijn, […] zich ertoe [verbinden] het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, […] en […] hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen [nemen] ». De artikelen 9 en 10 van dat Verdrag strekken ertoe het gezinsleven van het kind met zijn ouders te beschermen, door te bepalen dat « de Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten […] beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind » (artikel 9) en dat « aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed [worden] behandeld » (artikel 10). Ten slotte strekt artikel 27 van hetzelfde Verdrag ertoe het kind de levensstandaard te waarborgen die toereikend is voor zijn lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling. B.
- Aan het Hof is niet gevraagd of het feit dat een persoon van vreemde nationaliteit de ouder is van een kind van Belgische nationaliteit, voor die ouder een recht tot verblijf op het grondgebied moet openen. Het Hof moet dus niet onderzoeken of de artikelen 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind in acht zijn genomen. B.
- Om de in B.6.1 tot B.6.4 uiteengezette redenen is het feit dat een volwassen persoon met illegaal verblijf voor zichzelf geen recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangezien het Belgische kind van die persoon recht heeft op dienstverlening voor zichzelf, worden de artikelen 2.2 en 3.2 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind niet geschonden. Dat geldt des te meer daar het feit dat de ouder met illegaal verblijf van een kind dat wettig op het grondgebied verblijft geen eigen recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening niet impliceert dat geen rekening dient te worden gehouden met de specifieke gezinssituatie bij de toekenning van hulpverlening aan het kind. Het staat aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om binnen de perken van zijn wettelijke opdracht en, in geval van conflict aan de rechter, om het meest geëigende middel te kiezen teneinde het hoofd te bieden aan de reële en huidige behoeften 11 van de minderjarige, teneinde hem de vrijwaring van zijn gezondheid en zijn ontwikkeling te verzekeren. Aangezien bij de toekenning van maatschappelijke dienstverlening alle behoeften van het kind in aanmerking dienen te worden genomen, moet, voor de vaststelling van de aan dat kind toe te kennen maatschappelijke dienstverlening, rekening worden gehouden met de gezinssituatie van het kind alsmede, enerzijds, met de omstandigheid dat het recht op maatschappelijke dienstverlening van diens moeder met illegaal verblijf wordt beperkt tot de dringende medische hulpverlening en, anderzijds, met de omstandigheid dat de vader een wettelijke verplichting tot onderhoud heeft ten aanzien van dat kind. Er dient immers te worden opgemerkt dat de maatschappelijke dienstverlening van subsidiaire aard is en dat zij enkel kan worden toegekend aan wie niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt. In het aan de verwijzende rechter voorgelegde geval, dient het kind zich niet alleen te verlaten op zijn moeder die illegaal op het grondgebied verblijft, maar heeft het een Belgische vader die een wettelijke verplichting tot onderhoud heeft ten aanzien van dat kind en die - in tegenstelling tot de moeder -, in voorkomend geval, recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening. B.
- Onder het voorbehoud vermeld in B.10, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onder het voorbehoud vermeld in B.10, schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div