← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.038

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.038 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060301.3 Arrest- Rolnummer: 38/2006;3825 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-06-30 15:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 804,L2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3825 Arrest nr. 38/2006 van 1 maart 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 november 2005 in zake S. Sartillo tegen de vereniging van mede-eigenaars van het onroerend goed gelegen te 1150 Brussel, Vandendriesschelaan 51, en tegen de n.v. Gérance immobilière et technique (GERITEC), waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 december 2005, heeft de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het voorziet in een rechtspleging op tegenspraak ten aanzien van een partij die niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, vanwege het enkele feit dat die partij is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 G.W. en conclusies heeft neergelegd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een verschil in behandeling invoert tussen die partij en andere procespartijen die eveneens proceduregeschriften hebben neergelegd en niet zijn verschenen op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, maar tegen wie alleen een verstekvonnis kan worden uitgesproken, zoals de verweerder die niet zou zijn verschenen op de inleidende zitting ? ». Op 20 december 2005 hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. S. Sartillo, wonende te 1000 Brussel, Anjelierenstraat 3, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Simone Sartillo heeft de vereniging van mede-eigenaars van het gebouw waarin zij een goed bezit en de naamloze vennootschap voor vastgoedbeheer GERITEC voor de vrederechter van het kanton Sint-Pieters-Woluwe gedagvaard om beslissingen van de buitengewone algemene vergadering van de mede-eigendom te laten vernietigen en een schadevergoeding te verkrijgen. Zij is verschenen op de inleidende zitting van 20 januari 2004, waarop de zaak is verdaagd voor pleidooien naar 15 juni 2004, heeft op 31 maart 2004 conclusies neergelegd en is niet verschenen op de terechtzitting van 15 juni

  1. De zaak werd niettemin bepleit en in beraad genomen; bij vonnis van 30 juni 2004 werd het oorspronkelijke verzoek van de eiseres afgewezen en werd zij op tegeneis veroordeeld tot de betaling van achterstallige lasten van mede-eigendom en een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Tegen dat vonnis tekent zij verzet aan. De verweerders besluiten tot de onontvankelijkheid van dat verzet, om reden dat het vonnis van 30 juli 2004 met toepassing van artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek een contradictoir karakter heeft. In de context van het onderzoek van de exceptie van onontvankelijkheid stelt de vrederechter aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. 3 III. In rechte -A- A.
  2. In hun conclusies genomen op grond van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof zijn de rechters-verslaggevers van mening aan het Hof te kunnen voorstellen op de prejudiciële vraag te antwoorden met een arrest van onmiddellijk antwoord. Zij herinneren aan het arrest nr. 206/2004 van 21 december 2004, waarin het Hof voor recht heeft gezegd dat artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Uit het feit dat de wetgever het vonnis ten aanzien van een partij die niet is verschenen op de pleitzitting en de inleidende zitting, hoewel zij ook conclusies heeft neergelegd, niet eveneens contradictoir heeft gemaakt, kan volgens hen niet worden afgeleid dat de bij de in het geding zijnde bepaling beoogde partij, ten aanzien van wie het vonnis wordt geacht op tegenspraak te zijn, hoewel zij niet op de pleitzitting is verschenen, het slachtoffer van een discriminatie zou zijn. A.2.
  3. In haar memorie met verantwoording voert de eiseres in verzet voor de verwijzende rechter (hierna : de eiseres) aan dat er andere situaties bestaan waarin een verstekvonnis altijd wordt gewezen tegen een niet-verschijnende partij die nochtans een juridische argumentatie in een proceduregeschrift heeft aangevoerd. Zij verwijst in dat opzicht naar het voorbeeld van de eiser die een gemotiveerde dagvaarding uitbrengt en niet verschijnt op de inleidende zitting, en dat van de verweerder die niet verschijnt op de inleidende zitting en conclusies heeft neergelegd. Zij besluit hieruit dat de wetshervorming van 1992 leidt tot een klaarblijkelijke discriminatie tussen de hypotheses van het verstek. A.2.
  4. De eiseres is van mening dat de analyse van de rechters-verslaggevers niet kan worden gevolgd. Zij onderstreept dat hetgeen het Hof in het arrest nr. 206/2004 heeft onderzocht, voortvloeit uit het verschil in behandeling tussen een partij die is verschenen op de inleidende zitting, conclusies heeft neergelegd en niet is verschenen op de pleitzitting, en de partij die op geen enkele wijze op het proces is verschenen, noch a fortiori conclusies heeft neergelegd. Zij preciseert dat dat arrest steunt op het motief dat de neerlegging van conclusies de rechtspleging contradictoir maakt en voert aan dat, in de hypothese waarnaar de vrederechter van Sint-Pieters-Woluwe verwijst, de rechtspleging tegen een verweerder die niet verschijnt op de inleidende zitting en de pleitzitting, maar conclusies heeft ingediend, niet wordt geacht op tegenspraak te zijn, wat volgens haar de aangeklaagde discriminatie teweegbrengt. A.2.
  5. De eiseres voert aan dat zowel in de hypothese van een verdaging van de zaak met toepassing van artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de verweerder op de inleidende zitting verschijnt, als in die van een niet-contradictoire verdaging, de griffie aan de partijen een bericht van verdaging zendt, en dat bijgevolg, in beide gevallen, de verweerder, ongeacht of hij al dan niet is verschenen, aldus voldoende op de hoogte is van de lopende rechtspleging. Zij voegt eraan toe dat het niet verschijnen op de inleidende zitting en de pleitzitting de verweerder niet belet eventueel te zijn verschenen op andere terechtzittingen waarnaar de zaak is verdaagd, en aldus op de hoogte te zijn van de tegen hem gevoerde rechtspleging. A.2.
  6. De eiseres stelt dat geen enkele objectieve reden verantwoordt dat de in artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde situatie los van alle andere situaties van verstek werd beschouwd. Zij is van mening dat de rechters-verslaggevers de draagwijdte van het arrest nr. 206/2004 uitbreiden en dat er dus geen sprake kan zijn van een onmiddellijk ontkennend antwoord op de prejudiciële vraag. -B- B.
  7. De prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen of artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat de rechtspleging ten aanzien van de in die bepaling bedoelde partij, die op de inleidende zitting is verschenen en conclusies heeft neergelegd, doch niet op de pleitzitting is verschenen, 4 wordt geacht op tegenspraak te zijn, terwijl ten aanzien van andere partijen, met name die welke eveneens conclusies hebben neergelegd, maar niet zijn verschenen op de inleidende zitting, noch op de pleitzitting, een vonnis bij verstek kan worden gevorderd waartegen verzet kan worden aangetekend. B.
  8. Artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, kan tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd. De rechtspleging is evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd ». B.
  9. Bij het arrest nr. 206/2004 van 21 december 2004, heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet ». Dat arrest steunt op de volgende motieven : « B.
  10. Het verschil in behandeling tussen de in de prejudiciële vraag beoogde partijen berust op een objectief criterium, namelijk de mate waarin die partijen al dan niet werkelijk voor de rechter zijn verschenen en hun argumenten hebben kunnen laten gelden. De maatregel beoogt een wettig doel, namelijk het vermijden dat de afwezigheid ter pleitzitting het recht op verzet opent waardoor dilatoire procedures zouden kunnen worden gevoerd, en is pertinent om die doelstelling te bereiken. De maatregel is evenmin onevenredig met die doelstelling. Anders dan de partij die op geen enkele wijze in de rechtspleging verschijnt, is de in artikel 804, tweede lid, bedoelde partij op de inleidende zitting verschenen en heeft zij conclusies neergelegd. Aangezien de rechter verplicht is daarop te antwoorden, is het contradictoir karakter van de rechtspleging voldoende gewaarborgd. Er kan derhalve niet in redelijkheid worden aangenomen dat het recht van verdediging van die partij in het gedrang komt, noch dat zij in de uitoefening van de bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde rechten zou worden gediscrimineerd ». B.
  11. Om de in het voormelde arrest nr. 206/2004 geformuleerde motieven is artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het de rechtspleging ten 5 aanzien van de partij die niet verschijnt op de pleitzitting, maar die is verschenen op de inleidende zitting en die conclusies heeft neergelegd, contradictoir maakt, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit het feit dat de wetgever het vonnis gewezen ten aanzien van een partij die niet is verschenen op de pleitzitting, noch op de inleidende zitting, hoewel zij ook conclusies heeft neergelegd, niet ook contradictoir heeft gemaakt, kan niet worden afgeleid dat de partij die zich bevindt in de in artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek beoogde situatie, het slachtoffer van een discriminatie zou zijn. B.
  12. De wetgever vermocht immers ervan uit te gaan dat, behalve de neerlegging van de conclusies die waarborgt dat de partij haar argumenten heeft kunnen aanvoeren, de aanwezigheid van die partij op de inleidende zitting verzekert dat zij voldoende op de hoogte was van de lopende rechtspleging, wat niet altijd het geval is voor de partij die niet is verschenen op de inleidende zitting, noch op de pleitzitting. Er zou derhalve niet kunnen worden beschouwd dat het door de wetgever gehanteerde criterium van onderscheid, dat rekening houdt met twee elementen, de aanwezigheid op de inleidende zitting en de neerlegging van conclusies, niet pertinent is ten aanzien van het doel van de in het geding zijnde maatregel, dat in het arrest nr. 206/2004, aangehaald in B.3, in herinnering is gebracht. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
  13. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.