← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.040

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.040 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060315.1 Arrest- Rolnummer: 40/2006;3695 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-07-02 10:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 492bis van het Strafwetboek schendt de artikelen 12 en 14 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 492bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 492bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Rolnummer 3695 Arrest nr. 40/2006 van 15 maart 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 492bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 maart 2005 in zake het openbaar ministerie tegen A.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 3 mei 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 492bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door artikel 142 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel in strafzaken, door de strafbaarheid van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen te laten afhangen van de voorwaarde dat het gebruik dat werd gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, ‘ op betekenisvolle wijze ’ in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten en van de wetenschap van de dader omtrent deze ‘ op betekenisvolle wijze ’ benadeling ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Beklaagde A.B. wordt onder meer vervolgd wegens het plegen van het bij artikel 492bis van het Strafwetboek gestrafte misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen. Zo wordt hem verweten dat hij alle activa toebehorende aan de gefailleerde vennootschap waarvan hij zaakvoerder was, verkocht heeft aan een andere vennootschap, waarvan hij eveneens zaakvoerder is. Tevens zou hij die laatste vennootschap als onderaannemer - met de overgenomen activa - de volledige handelsactiviteiten van de gefailleerde vennootschap hebben laten uitvoeren. De vergoedingen die de vennootschap ontving van de opdrachtgever, zou hij door middel van facturatie integraal hebben laten toekomen aan de als onderaannemer optredende vennootschap, zodat de gefailleerde vennootschap niet langer in staat was nog enige winstgevende activiteit uit te oefenen. De verwijzende rechter stelt vast dat één van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf erin bestaat dat de beklaagde weet dat het gebruik van die vennootschapsgoederen op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van diens schuldeisers of vennoten. Verwijzend naar vroegere rechtspraak van het Hof meent hij dat de vraag moet worden gesteld in welke mate het gebruik van het begrip « betekenisvol nadeel » in de voormelde strafbepaling verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel in strafzaken en of de bewoordingen wel een voldoende normatieve inhoud hebben. 3 III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.

  1. De Ministerraad gaat uitvoerig in op de draagwijdte van het legaliteitsbeginsel in strafzaken en analyseert de ter zake reeds gevestigde rechtspraak van het Hof met betrekking tot de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daaruit leidt hij af dat het niet noodzakelijk is dat alle concrete feiten die strafbaar worden gesteld, uiterst gedetailleerd worden weergegeven. De strafrechter dient dan wel een dergelijke, eerder vage strafbepaling strikt te interpreteren. Hij kan de constitutieve elementen van het misdrijf wel specificeren of verduidelijken, maar hij kan de grondslag van een misdrijf nooit wijzigen. Het Hof heeft de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mee betrokken in zijn toetsing van strafbepalingen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken. A.
  2. Het begrip « betekenisvol nadeel » in artikel 492bis van het Strafwetboek houdt volgens de parlementaire voorbereiding niet in dat een zeer ernstig nadeel voorhanden moet zijn. Het begrip moet alleen verhinderen dat onbeduidende zaken aan de strafrechter zouden worden voorgelegd. Het is geenszins de bedoeling van de wetgever geweest om aan de strafrechter een grotere bevoegdheid te verlenen dan die waarover hij over het algemeen in strafzaken beschikt. Er kan niet worden getwijfeld aan het feit dat elke persoon die gebruik maakt van goederen of van het krediet van een rechtspersoon, veroordeeld kan worden voor dat gebruik, aangezien in het merendeel van de gevallen dat gebruik wel degelijk strafbaar is gesteld en enkel kleine zaken daarvan zijn uitgesloten. De norm is bovendien gericht tot een gespecialiseerde doelgroep, waarbij de wetgever ervan mag uitgaan dat de leden van die groep een bepaalde graad van relevante juridische kennis bezitten om te weten wat het begrip « betekenisvol nadeel » inhoudt. Op basis van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan worden gesteld dat in zoverre de in het geding zijnde bepaling een schemerzone zou doen ontstaan omtrent handelingen die al dan niet strafbaar zijn, er, gelet op de draagwijdte van de parlementaire voorbereiding, bezwaarlijk kan worden betwist dat er in de meerderheid van de gevallen waarop de bepaling van toepassing is, duidelijkheid bestaat. -B- B.
  3. Artikel 492bis van het Strafwetboek, ingevoegd door artikel 142 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, bepaalt : « Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank worden gestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33 ». 4 B.
  4. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in zoverre zij de strafbaarheid van het misdrijf « misbruik van vennootschapsgoederen » laat afhangen van de voorwaarden, enerzijds, dat het gebruik dat werd gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, « op betekenisvolle wijze » in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten en, anderzijds, dat de dader dat wist. B.
  5. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.4.
  6. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. 5 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. B.4.
  7. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat ze het door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde legaliteitsbeginsel zouden schenden. B.
  8. Het misdrijf « misbruik van vennootschapsgoederen » wordt gepleegd door de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Eén van de constitutieve elementen van het misdrijf is dat hun handelen « op betekenisvolle wijze » in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. B.
  9. De voorwaarde voor strafbaarstelling dat het nadeel « betekenisvol » moet zijn, impliceert volgens de parlementaire voorbereiding van het wetsontwerp dat tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, dat kleine feiten (« bagatelzaken ») niet onder de strafwet vallen (Parl. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-499/18, pp. 4 en 6; Kamer, 1995-1996, nr. 330/24, pp. 21 en 22). B.
  10. Het begrip « betekenisvol » wijst taalkundig erop dat het nadeel dat door het gebruik van de goederen of van het krediet van de vennootschap is veroorzaakt, gewichtig is voor de vermogensbelangen van de rechtspersoon en voor die van zijn schuldeisers of vennoten. Die taalkundige betekenis werd onderschreven door de werkgroep die door de commissie voor de Justitie van de Senaat werd opgericht. Die werkgroep was immers van oordeel dat het begrip 6 « iets [zegt] over de verhouding van het misbruik tot het resultaat ervan » (Parl. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-499/18, p. 6). Anders dan het begrip « ernstig » - dat niet werd aanvaard -, houdt het begrip « betekenisvol » geen absolute waarde van het veroorzaakte nadeel in - wat van belang is voor bedrijven waarvan het vennootschapskapitaal vrij gering is (ibid.) -, doch veeleer een relatieve waarde, die in ieder van de gevallen concreet dient te worden beoordeeld, mede op basis van de economische realiteit. Vanwege het beginsel zelf van de algemeenheid van de wetten, kunnen de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie vertonen. Daarom dient soms gebruik te worden gemaakt van criteria die, zoals te dezen, het mogelijk maken in elk concreet geval de zwaarwichtigheid van de aangeklaagde feiten te beoordelen en het gewicht van het nadeel voor de bedoelde vermogensbelangen te bepalen, rekening houdend met alle andere elementen van de zaak en in het bijzonder de economische realiteit. Van de bestuurder - in rechte of in feite - mag worden aangenomen dat hij, rekening houdend met de voormelde toelichting tijdens de parlementaire voorbereiding, als eerste betrokkene redelijkerwijze kan inschatten wat het begrip « op betekenisvolle wijze » in concreto inhoudt wanneer dat het nadeel betreft dat wordt berokkend aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is, en aan die van de schuldeisers of vennoten van die rechtspersoon. Van de strafrechter wordt verwacht dat hij de strafbepaling op een redelijke wijze toepast (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 330/24, p. 23). De toevoeging van het begrip « betekenisvol » dient de rechter daarenboven een houvast te bieden bij zijn beoordeling (Parl. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-499/18, p. 4). Aldus wordt aan de strafrechter slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid verleend, hetgeen het legaliteitsbeginsel in strafzaken niet schendt. B.
  11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 492bis van het Strafwetboek schendt de artikelen 12 en 14 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 maart
  12. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.