← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.047

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.047 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060322.2 Arrest- Rolnummer: 47-2006;3714 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-30 16:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat niet van toepassing is op de journalisten die hun activiteit als schrijver uitoefenen onder een arbeidsovereenkomst, schendt noch artikel 25, tweede lid, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 25,L2 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rolnummer 3714 Arrest nr. 47/2006 van 22 maart 2006 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 31 mei 2005 in zake S. Mikhailov tegen A. Lallemand en S. Lambroschini, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 3 juni 2005, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 [betreffende de arbeidsovereenkomsten], in zoverre het van toepassing zou zijn op de journalisten met een arbeidsovereenkomst, artikel 25 van de Grondwet en het daarin vervatte beginsel van de getrapte aansprakelijkheid ?
  2. Schendt artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, in zoverre het niet van toepassing zou zijn op de journalisten met een arbeidsovereenkomst, terwijl het wel degelijk van toepassing is op de andere categorieën van werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - S. Mikhailov, die woonplaats heeft gekozen te 1180 Brussel, Brugmannlaan 429; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. X. Magnée, advocaat bij de balie te Brussel, voor S. Mikhailov; . Mr. L. Demez loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Sergueï Mikhailov daagt de journalisten Alain Lallemand en Sophie Lambroschini, wie hij verwijt tegen hem ernstige beschuldigingen te hebben geuit in artikelen die werden gepubliceerd in de krant « Le Soir », voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Hij wordt afgewezen door de Rechtbank en stelt hoger beroep in, waarbij het Hof van Beroep te Brussel, na te hebben opgemerkt dat beide journalisten door hun gedrag een fout hebben begaan die een oplettend en voorzichtig journalist in dezelfde omstandigheden niet zou hebben begaan, vaststelt dat zij verbonden waren door een arbeidsovereenkomst. Zij beroepen zich op artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat tot gevolg zou kunnen hebben dat ze van elke 3 aansprakelijkheid worden vrijgesteld indien zij een lichte occasionele fout hebben begaan, vermits, volgens die bepaling, de werknemer enkel aansprakelijk is voor zijn bedrog, zijn zware schuld of zijn gewoonlijk voorkomende lichte schuld. Het Hof van Beroep, dat vaststelt dat die immuniteit in tegenspraak kan zijn met de in artikel 25 van de Grondwet verankerde cascade-aansprakelijkheid, beslist om de voormelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Memorie van Sergueï Mikhailov A.
  3. Sergueï Mikhailov bekritiseert de rechtspraak volgens welke de journalist die verbonden is door een arbeidsovereenkomst, krachtens artikel 18 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, van elke aansprakelijkheid zou worden vrijgesteld, behoudens indien hij bedrog heeft gepleegd, of een zware fout of een gewoonlijk voorkomende lichte fout heeft begaan. Hij voert de rechtsleer en de rechtspraak van het Hof van Cassatie aan volgens welke artikel 25 van de Grondwet een beperking vormt op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Hij voegt daaraan toe dat, wegens analoog motief, artikel 25 eveneens een beperking vormt op artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en vandaar op artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, dat slechts een specifieke toepassing is van die bepaling. Voor het overige verwijst hij naar het schriftelijk advies van de procureur-generaal neergelegd voor het Hof van Beroep. Memorie van de Ministerraad A.
  4. De Ministerraad, die het ontstaan analyseert van artikel 25 van de Grondwet en zich baseert op artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en op de rechtspraak van het Europees Hof in verband met dat artikel, brengt in herinnering dat de persvrijheid, een onontbeerlijk logisch gevolg van de vrijheid van meningsuiting, uitgebreid is maar niet absoluut. Hij voert in dat verband de arresten van het Arbitragehof nrs. 45/96 en 136/2003 aan. Artikel 25, tweede lid, van de Grondwet vormt een uitdrukkelijke afwijking van de essentiële beginselen van het strafrecht inzake strafbare deelneming en van de klassieke beginselen van het burgerlijk recht inzake quasi-delictuele aansprakelijkheid, aangezien de drukker en de verspreider niet kunnen worden vervolgd indien de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft. A.
  5. De Ministerraad merkt op dat het Hof van Cassatie een einde heeft gemaakt aan een lange controverse, doordat het in een arrest van 31 mei 1996 heeft beslist dat die cascade-aansprakelijkheid niet alleen van toepassing is in strafzaken maar ook in burgerlijke zaken, en dat artikel 25, tweede lid, van de Grondwet een beperking invoert op de toepasbaarheid van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Die beperking is gebaseerd op de ratio legis van artikel 25, tweede lid, waarvan de doelstelling erin bestaat de interne censuur van de pers door de uitgevers, drukkers en verspreiders te vermijden, die ertoe geneigd zouden kunnen zijn druk uit te oefenen op de schrijvers of hun medewerking zouden kunnen weigeren uit vrees voor een aansprakelijkheidsproces. A.
  6. De Ministerraad, die vervolgens het ontstaan van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten analyseert, merkt op dat die bepaling ertoe strekt de wettelijke beperking van aansprakelijkheid, die reeds bestond voor de aan het bedrijf toegebrachte schade, uit te breiden tot de schade toegebracht aan derden, dus tot de buitencontractuele aansprakelijkheid. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 20/
  7. Ten slotte citeert hij de arresten van het Hof nrs. 20/99, 19/2000 en 115/2002 en brengt hij in herinnering dat de vrijstelling van aansprakelijkheid van de werknemer geen afbreuk doet aan de aansprakelijkheid van de werkgever die is gebaseerd op artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de toepassingsvoorwaarden van die bepaling zijn vervuld. 4 A.
  8. Wat betreft de vraag of artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 van toepassing is op de journalisten onder arbeidsovereenkomst, stelt de Ministerraad vast dat de rechtsleer en de rechtspraak verdeeld zijn en is hij van oordeel dat die bepaling niet kan worden toegepast krachtens het beginsel van de hiërarchie der normen. Aangezien artikel 18 in tegenspraak kan zijn met artikel 25 van de Grondwet, dient de interpretatie in aanmerking te worden genomen waarbij die wetsbepaling in overeenstemming wordt gebracht met de Grondwet, zodat zij een nuttig gevolg heeft. Zij dient dus zo te worden geïnterpreteerd dat ze niet van toepassing is op de journalisten onder arbeidsovereenkomst. Hij besluit daaruit dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.
  9. In verband met de tweede prejudiciële vraag stelt de Ministerraad vast dat het erin beschreven verschil in behandeling niet uit de wet voortvloeit, vermits artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 een algemene draagwijdte heeft en geen enkel onderscheid in het leven roept onder de werknemers onder arbeidsovereenkomst, maar voortvloeit uit artikel 25, tweede lid, van de Grondwet zelf, dat een categorie van personen in het leven roept waaraan het een eigen systeem van mogelijke toerekening van de aansprakelijkheid voorbehoudt. Aangezien dat verschil in behandeling redelijkerwijze wordt verantwoord door de doelstelling van de cascade-aansprakelijkheid, schendt artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. -B- B.
  10. Artikel 25 van de Grondwet bepaalt : « De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd ». B.
  11. Met het tweede lid van die bepaling wilde de Grondwetgever van 1831 breken met de vroegere regeling waarbij collectieve beroepen werden toegestaan en waarin tegelijkertijd de aansprakelijkheid van de schrijver, de uitgever, de drukker en de verspreider in het geding werd gebracht. Met de regeling van de « cascade »-aansprakelijkheid heeft de Grondwetgever een mechanisme ingevoerd van opeenvolgende en afzonderlijke aansprakelijkheid teneinde te vermijden dat de schrijver druk ondergaat die de uitgever, de drukker of de verspreider op hem zouden dreigen uit te oefenen, indien zij zouden kunnen worden vervolgd, zelfs wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft. Het gaat dus om een essentieel element van de grondwettelijke bescherming van de persvrijheid. B.
  12. Die bepaling verleent, zoals het Hof van Cassatie heeft vastgesteld, aan de uitgevers, drukkers en verspreiders het voorrecht om zich aan elke, zowel strafrechtelijke als 5 burgerrechtelijke aansprakelijkheid te kunnen onttrekken wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, en beperkt aldus de mogelijke toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (Cass., 31 mei 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 202, p. 525). B.
  13. De verwijzende rechter oordeelt evenwel dat artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten zou kunnen worden toegepast op de journalisten die zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst. Die bepaling luidt als volgt : « Ingeval de werknemer bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. Op straffe van nietigheid mag niet worden afgeweken van de bij het eerste en het tweede lid vastgestelde aansprakelijkheid, tenzij, en alleen wat de aansprakelijkheid tegenover de werkgever betreft, bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met de werknemer zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op het loon inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ». Met toepassing van dat artikel zou de journalist die is verbonden door een arbeidsovereenkomst en een toevallig voorkomende lichte fout heeft begaan, niet aansprakelijk zijn voor de schade die hij aan de werkgever of aan derden in de uitvoering van zijn overeenkomst heeft berokkend. B.
  14. Indien artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, vanwege de algemeenheid ervan, zo zou moeten worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op elke werknemer, zelfs een journalist, zou het artikel 25, tweede lid, van de Grondwet schenden, vermits het afbreuk zou doen aan de regeling van de cascade-aansprakelijkheid. Door de burgerlijke aansprakelijkheid van de werknemer te beperken, wilde de wetgever hem beschermen tegen bijzondere risico’s van aansprakelijkheid waaraan hij bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst blootstaat en die voor hem een zware financiële last kunnen betekenen. Niets wijst echter erop dat hij ten aanzien van de journalisten afbreuk zou hebben willen doen aan het systeem van de cascade-aansprakelijkheid. 6 Bovendien doet de aan de werknemer verleende vrijstelling van aansprakelijkheid geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt dat, indien de in artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 bedoelde vrijstelling zou worden toegepast op de journalist die werknemer is, enkel zijn werkgever aansprakelijk zou zijn voor diens geschriften. Een dergelijk gevolg zou in tegenspraak zijn met de letter en de geest van artikel 25, tweede lid, van de Grondwet, vermits het de journalist het risico zou doen lopen dat zijn geschriften door zijn werkgever worden gecensureerd, aangezien die alleen ervoor aansprakelijk zou zijn. B.
  15. De situatie van de journalisten verschilt weliswaar van die welke bestond ten tijde van het aannemen van artikel 25, tweede lid, van de Grondwet, aangezien de meesten onder hen thans zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst. Het Hof is echter niet bevoegd om een keuze van de Grondwetgever in het geding te brengen. B.
  16. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat, op grond van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, de wetgever niet kan worden geacht artikel 25, tweede lid, van de Grondwet te hebben willen schenden. Die bepaling moet dus zo worden geïnterpreteerd dat ze niet van toepassing is op de journalisten die hun beroep uitoefenen onder een arbeidsovereenkomst. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.
  17. In de tweede prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of er een discriminatie zou ontstaan uit het feit dat artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 zou worden toegepast op de werknemers, maar niet op de journalisten die zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst. Dat verschil in behandeling vloeit niet voort uit het voormelde artikel 18, maar uit artikel 25, tweede lid, van de Grondwet, dat de toepassing van die wetsbepaling op de journalisten in de weg staat. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling dat voortvloeit uit een keuze van de Grondwetgever. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat niet van toepassing is op de journalisten die hun activiteit als schrijver uitoefenen onder een arbeidsovereenkomst, schendt noch artikel 25, tweede lid, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 maart
  18. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.