← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.052

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.052 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060419.5 Arrest- Rolnummer: 52/2006;3644 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-06-30 13:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, ingesteld door de NV Compagnie des ciments belges. Wettelijke bepalingen: Wet - 1999-03-15/31 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 418,L1 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Tekst van de beslissing Rolnummer 3644 Arrest nr. 52/2006 van 19 april 2006 ___________ In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, ingesteld door de n.v. Compagnie des ciments belges. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 maart 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 maart 2005, heeft de n.v. Compagnie des ciments belges, met maatschappelijke zetel te 7530 Gaurain-Ramecroix, Grand-Route 260, ingevolge het arrest van het Hof nr. 85/2004 van 12 mei 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 september 2004, tweede editie), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. A. Bailleux, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. D. Drion, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - heeft de voorzitter de zaak in voortzetting uitgesteld tot de terechtzitting van 15 februari 2006, na Mr. Bailleux te hebben verzocht stukken aan het Hof mee te delen en Mr. Drion te hebben verzocht uiterlijk op 10 februari 2006 een aanvullende memorie in te dienen en daarvan binnen dezelfde termijn een kopie aan zijn confrater te versturen. De Ministerraad heeft een aanvullende memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. A. Bailleux, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. X. Drion loco Mr. D. Drion, advocaten bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de toepassingsvoorwaarden van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 A.1.
  2. De n.v. Compagnie des ciments belges vordert de vernietiging van artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : W.I.B. 1992), zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, waarbij een enig middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voert aan dat het Hof, bij het arrest nr. 85/2004 van 12 mei 2004, gewezen op prejudiciële vraag, voor recht heeft gezegd dat die bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; zij voegt eraan toe dat, op grond van artikel 4 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep tot vernietiging van een in het prejudiciële contentieux ongrondwettig verklaarde wet. A.1.
  3. De Ministerraad is van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden vervat in artikel 4 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voor het openstellen van een nieuwe termijn van zes maanden om een beroep tot vernietiging in te dienen. Hij voert aan dat de ongrondwettigheid die het Hof in het arrest nr. 85/2004 heeft vastgesteld, alleen betrekking heeft op een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling en dat artikel 418 van het W.I.B. 1992, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Hij leidt hieruit af dat het arrest nr. 85/2004 niet heeft verklaard dat de wet in strijd is met een van de regels of artikelen van de Grondwet bedoeld in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, en dat de nieuwe termijn waarin artikel 4 van die wet voorziet, te dezen niet van toepassing is. De Ministerraad voegt eraan toe dat de op prejudiciële vraag gewezen arresten van het Hof een versterkt relatief gezag van gewijsde hebben en leidt hieruit af dat artikel 418 van het W.I.B. 1992, sinds het arrest nr. 85/2004, een wettelijke grondslag kan vormen voor de toekenning van moratoriuminteresten bij een terugbetaling van belastingverhogingen. Hij is bijgevolg van mening dat het geenszins verantwoord is dat artikel te vernietigen. A.1.
  4. De n.v. Compagnie des ciments belges voert in haar antwoord aan dat het doel van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof erin bestaat tegemoet te komen aan de ongemakken die voortvloeien uit de relatieve uitwerking van de op prejudiciële vraag gewezen arresten, door het mogelijk te maken een norm aan de toetsing van het Hof voor te leggen die dat laatste in strijd met de Grondwet heeft geacht, maar die door de overheid, niettegenstaande die duidelijke vaststelling, verder in de door het Hof afgekeurde zin wordt toegepast. Zij onderstreept dat dit precies het doel van haar verzoek tot vernietiging is. Zij voert aan dat zij de vernietiging van de betwiste norm zoals die concreet op haar is toegepast, precies vordert omdat de overheid weigert de lering van het arrest nr. 85/2004 in haar voordeel toe te passen. De verzoekende partij antwoordt voorts dat de Ministerraad een extra voorwaarde toevoegt voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, die niet is vereist bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
  5. Zij voegt eraan toe dat zij niet begrijpt waarom de overheid zich, door middel van proceduremiddelen, hardnekkig verzet tegen de vernietiging van een wetsbepaling waarvan zij nochtans in haar memorie impliciet erkent dat ze, zoals zij die toepast, in strijd is met de Grondwet. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof, indien het artikel 418 van het W.I.B. 1992 niet vernietigt, tenminste te herinneren aan de lering van het arrest nr. 85/2004 in de vorm van een voorbehoud van interpretatie, zodat de overheid zich eindelijk ernaar voegt. A.1.
  6. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij de overheid niet kan verwijten haar het voordeel van de lering van het arrest nr. 85/2004 van 12 mei 2004 te hebben geweigerd, aangezien dat arrest dateert van na de directoriale beslissing van 24 september 2003, die een definitief karakter heeft. Hij preciseert dat de overheid, in de hangende geschillen met betrekking tot het aanslagjaar 1998 en de jaren daarvoor, 4 artikel 418 van het W.I.B. 1992 toepassen in overeenstemming met de lering van het Hof door moratoriuminteresten bij alle terugbetalingen van belastingverhogingen toe te kennen, zodat de verzoekende partij de vernietiging vordert van een norm die door de interpretatie die de administratie eraan geeft, voortaan volkomen in overeenstemming is gebracht met de grondwettelijke bepalingen. Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.2.
  7. De n.v. Compagnie de ciments belges voert, ter ondersteuning van haar belang bij het beroep, aan dat zij, naar aanleiding van een geschil met de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (gewestelijke directie der belastingen te Bergen) met betrekking tot verschillende aanslagjaren, beslissingen tot ontheffing heeft verkregen, samen met beslissingen tot correlatieve terugbetaling van de bedragen die de Staat te veel had geïnd. In die beslissingen wordt erop gewezen dat de terugbetalingen van belastingen zullen worden verhoogd met moratoriuminteresten, terwijl de terugbetalingen van belastingverhogingen dat niet zullen worden. De verzoekende partij is van mening dat de vernietiging van de bestreden bepaling voor haar het recht zal doen ontstaan om de directoriale beslissing te betwisten en aldus de moratoriuminteresten op de terugbetalingen van belastingverhogingen te verkrijgen. A.2.
  8. De Ministerraad is van mening dat die stelling van de verzoekende partij verkeerd is. Hij meent van zijn kant dat de vernietiging van artikel 418 van het W.I.B. 1992 precies tot gevolg zou hebben dat elke wettelijke grondslag voor de toekenning van moratoriuminteresten op, met name, de terugbetalingen van belastingverhogingen zal verdwijnen. Hij voegt eraan toe dat de verzoekende partij artikel 18 van de bijzondere wet op het Arbitragehof, dat het openstellen van een nieuwe termijn voor het indienen van administratieve of jurisdictionele beroepen tegen de handelingen of beslissingen op grond van artikel 418 van het W.I.B. 1992 regelt, niet op nuttige wijze kan aanvoeren, aangezien die nieuwe termijn niet zal kunnen worden benut, daar er geen wettelijke grondslag zal bestaan om de toekenning van moratoriuminteresten op de terugbetalingen van belastingverhogingen aan de verzoekende partij te verantwoorden. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de situatie van de verzoekende partij niet rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door artikel 418 van het W.I.B. 1992 zelf, maar uitsluitend door een bepaalde interpretatie van dat artikel. Hij voegt eraan toe dat de wetgever, in geval van vernietiging, een bepaling zou kunnen aannemen die volkomen identiek is aan de vernietigde bepaling teneinde een grondslag te bieden aan de toekenning van moratoriuminteresten op de terugbetalingen van belastingen en belastingverhogingen. Hij besluit hieruit dat de verzoekende partij niet doet blijken van het belang dat is vereist bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 om de vernietiging te vorderen van artikel 418 van het W.I.B.
  9. A.2.
  10. De n.v. Compagnie des ciments belges antwoordt dat de vernietiging van een wettelijke norm vanzelfsprekend altijd een rechtsvacuüm met zich meebrengt dat door de betrokken wetgever zo snel mogelijk moet worden opgevangen, en dat dit precies het doel is dat artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof nastreeft. Zij voert aan dat artikel 418 van het W.I.B. 1992, naar aanleiding van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, is gewijzigd in de door haar gewenste zin, en dat alles bijgevolg erop wijst dat de wetgever, in overeenstemming met de lering van het arrest nr. 85/2004, alsook met die van het latere vernietigingsarrest, die bepaling in het voordeel van de verzoekende partij zal uitbreiden tot de jaren vóór het aanslagjaar
  11. Zij preciseert dat haar belang om in rechte te treden, vaststaat, aangezien het totaalbedrag van de moratoriuminteresten waarop zij op die basis recht heeft, ongeveer 4 000 000 euro bedraagt. A.2.
  12. Op de terechtzitting van 11 januari 2006 heeft de raadsman van de verzoekende partij meegedeeld dat zij betrokken is in een procedure die nog steeds hangende is voor het Hof van Beroep te Bergen. Uit de stukken die na die terechtzitting zijn neergelegd, blijkt immers dat de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen, bij vonnis van 30 juni 2005, het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissingen van 24 september 2003 ontvankelijk en gegrond heeft verklaard, waarbij zij de argumentatie van de Belgische Staat heeft afgewezen volgens welke het beroep onontvankelijk zou zijn omdat het niet binnen de in artikel 375 van het W.I.B. 1992 vermelde termijn van drie maanden was ingediend. De Belgische Staat heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. In zijn aanvullende memorie onderstreept de Ministerraad dat het verzoekschrift tot hoger beroep alleen steunt op de kwestie van ontvankelijkheid en niet op de grond van het geschil, en herhaalt hij dat de belastingadministratie rekening heeft gehouden met de lering van het arrest nr. 85/2004 van het Arbitragehof. 5 Ten aanzien van de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 A.
  13. In ondergeschikte orde vestigt de Ministerraad de aandacht van het Hof op het feit dat de lezing van artikel 418 van het W.I.B. 1992 door de administratie vóór het arrest nr. 85/2004 de instemming genoot van het Hof van Cassatie, en onderstreept hij dat de vernietiging van die bepaling een aanzienlijke en onmiddellijke budgettaire impact zou hebben, doordat die zou leiden tot een indrukwekkend aantal beroepen met betrekking tot definitief berechte zaken. Hij voegt eraan toe dat hij niet in staat is die impact exact te kwantificeren, maar dat de omvang ervan gemakkelijk kan worden ingezien indien, met toepassing van artikel 18 van de bijzondere wet op het Arbitragehof, alle dossiers opnieuw zouden worden geopend die tot een terugbetaling van belastingverhogingen zonder moratoriuminteresten aanleiding hebben gegeven. Hij voegt eraan toe dat de situatie van de verzoekende partij niet verschilt van die van elke rechtzoekende die, na afloop van een situatie die definitief in zijn nadeel is berecht, vervolgens kennis neemt van een ontwikkeling van de rechtspraak die het hem eerder mogelijk zou hebben gemaakt in het gelijk te worden gesteld. Rekening houdend met die omstandigheden vraagt de Ministerraad dat het Hof, indien het de vernietiging van artikel 418 van het W.I.B. 1992 zou uitspreken, artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zou toepassen om de gevolgen van die vernietiging te moduleren zodat definitieve gevolgen worden verleend aan de beslissingen waarmee is geweigerd moratoriuminteresten op de terugbetalingen van belastingverhogingen toe te kennen en die dateren van vóór het arrest nr. 85/
  14. -B– Ten aanzien van de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep B.1.
  15. Bij het arrest nr. 85/2004 van 12 mei 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 september 2004, heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (het vroegere artikel 308 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964), vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toestaat dat moratoriumintresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». B.1.
  16. Artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt : « Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat respectievelijk in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister 6 en de voorzitters van de Regeringen en aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, of op de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad ». B.1.
  17. Het beroep, dat op 7 maart 2005 is ingediend, is ontvankelijk ratione temporis. Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
  18. Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (W.I.B. 1992) (vroeger artikel 308, eerste lid, van het W.I.B. 1964), bepaalde vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen : « Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand ». Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij B.3.
  19. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
  20. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij, omdat de vernietiging van de in het geding zijnde bepaling tot gevolg zou hebben dat elke wettelijke grondslag voor de toekenning van moratoriuminteresten zou verdwijnen, waardoor de situatie van de verzoekende partij slechter zou worden. B.3.
  21. Op grond van de in het geding zijnde bepaling heeft de belastingadministratie geweigerd om de n.v. Compagnie des ciments belges moratoriuminteresten op de terugbetaling van belastingverhogingen toe te kennen. De situatie van de laatstgenoemde wordt dus rechtstreeks en ongunstig geraakt door de norm waarvan zij de vernietiging vordert. Het gegeven dat de vernietiging van artikel 418, eerste lid, van het W.I.B. 1992, zoals het op de in het geding zijnde terugbetalingen van toepassing was, tot gevolg zou hebben dat de wettelijke grondslag voor elke toekenning van moratoriuminteresten verdwijnt, is niet van 7 dien aard dat het de verzoekende partij haar belang om in rechte te treden wegneemt, vermits de vernietiging haar de mogelijkheid zou kunnen bieden een gunstigere regeling van haar situatie te verkrijgen. B.3.
  22. De verzoekende partij heeft het Hof, op de terechtzitting van 11 januari 2006, laten weten dat zij van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen op 30 juni 2005 een vonnis heeft verkregen dat de Belgische Staat ertoe veroordeelt haar de moratoriuminteresten op de terugbetaling van de belastingverhogingen voor de aanslagjaren 1995 tot 1997 te betalen. Daar tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en de procedure thans hangende is voor het Hof van Beroep te Bergen, behoudt de verzoekende partij een voldoende belang bij haar beroep. B.3.
  23. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de toepassingsvoorwaarden van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof B.4.
  24. De Ministerraad is in hoofdzaak van mening dat artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof te dezen niet zou kunnen worden toegepast, omdat het in het prejudiciële contentieux gewezen arrest zou vaststellen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden door een interpretatie van een wettelijke bepaling, en niet door de wettelijke bepaling zelf. B.4.
  25. Het is inherent aan het prejudiciële contentieux, dat een antwoord van het Hof op een door een rechter gestelde vraag veronderstelt, dat de vorm van het dictum van het arrest van antwoord afhankelijk is van de vorm van de gestelde vraag. Wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van een bepaling in een bepaalde interpretatie, antwoordt het Hof, in de regel, op de vraag door de bepaling in die interpretatie te onderzoeken. In voorkomend geval, na te hebben vastgesteld dat de aldus geïnterpreteerde bepaling in strijd is met de Grondwet, kan het Hof erop wijzen dat een andere interpretatie van dezelfde bepaling de door hem vastgestelde ongrondwettigheid zou doen verdwijnen. 8 B.4.
  26. Artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereist, voor het openstellen van de nieuwe termijn voor het indienen van een beroep tot vernietiging, niet dat het Hof heeft verklaard dat de betrokken bepaling ongrondwettig is ongeacht de wijze waarop die wordt geïnterpreteerd. Aangezien het Hof, op prejudiciële vraag, heeft verklaard dat de bepaling in strijd is met de normen waarvan het de naleving toetst, zij het in een interpretatie die de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, is voldaan aan de vereisten van het voormelde artikel 4, tweede lid. B.4.
  27. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.5.
  28. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit het voormelde arrest nr. 85/2004 van het Hof. B.5.
  29. De B.2.1, B.3, B.4.1 en B.4.2 van dat arrest luiden : « B.2.
  30. Het toekennen van moratoriumintresten in geval van terugbetaling van belastingen (artikel 418, eerste lid, van het W.I.B. 1992, het vroegere artikel 308, eerste lid, van het W.I.B. 1964) werd gemotiveerd door een bekommernis van billijkheid : ‘ De inning van de nalatigheidsinteresten steunt op de overweging dat het billijk is een civielrechtelijke schadevergoeding te eisen in de vorm van de recuperatie van een baat die de belastingplichtige behaalt uit de inhouding van fondsen die in rechte aan de Staat toekomen. […] Om dezelfde redenen is het dan ook billijk moratoire interesten aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten belasting terugbetaalt, zelfs indien de terugbetaling het gevolg is van een aan de belastingplichtige toe te schrijven vergissing. ’ (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, p. 10) […] B.
  31. Er moet worden nagegaan of, gelet op het doel van de moratoriumintresten, enerzijds, en de respectieve eigenschappen van de belasting en de belastingverhoging, anderzijds, het verantwoord is enkel moratoriumintresten toe te kennen in geval van terugbetaling van belastingen. B.4.
  32. De belasting is een heffing die gezagshalve door de Staat wordt opgelegd. Zij wordt op zijn begroting ingeschreven en is niet de tegenprestatie voor een dienst die door de overheid wordt geleverd ten voordele van de afzonderlijk beschouwde heffingsplichtige. 9 Wat de belastingverhoging betreft, blijkt zowel uit de tekst van artikel 444 van het W.I.B. 1992 zelf als uit de parlementaire voorbereiding van de wetsbepalingen die aan de oorsprong ervan liggen, dat heeft de wetgever een administratieve sanctie willen instellen om de strafrechtelijke fraude te voorkomen en te bestraffen die zou voortvloeien uit de niet- aangifte of uit het onvolledige of onjuiste karakter van de aangifte. Zij wordt geïnd volgens dezelfde regels als de belasting. B.4.
  33. Rekening houdend met de doelstelling van de moratoriumintresten die in B.2.1 in herinnering is gebracht, blijkt het niet verantwoord moratoriumintresten toe te kennen in het geval van terugbetaling van een belasting en niet in het geval van een belastingverhoging. In beide gevallen gaat het immers om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is geïnd en die aan de belastingplichtigen intresten ontzegt op de sommen die hun onterecht zijn ontnomen. De eigen kenmerken van de belasting en van de belastingverhoging zijn niet relevant om te verantwoorden dat de terugbetaling ervan het voorwerp zou zijn van een verschillende behandeling wat de moratoriumintresten betreft ». B.5.
  34. De ongrondwettigheid die het Hof in zijn prejudicieel arrest heeft vastgesteld, heeft betrekking op de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie die de verwijzende rechter voorstelt. In antwoord op de voorgelegde vraag heeft het Hof geoordeeld dat de door de rechter voorgestelde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die laatste onbestaanbaar maakte met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die vaststelling liet evenwel de mogelijkheid bestaan dat een andere interpretatie van de norm die laatste bestaanbaar zou maken met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de bewoordingen van het dictum van het arrest nr. 85/2004 kan immers worden afgeleid dat artikel 418 van het W.I.B. 1992, vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond. Die bepaling kon dus later worden toegepast, op voorwaarde dat zij werd geïnterpreteerd op een wijze die haar in overeenstemming maakte met de Grondwet. B.5.
  35. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 bepaalt artikel 418, eerste lid, van het W.I.B. 1992 overigens : « Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, wordt moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand ». 10 Artikel 418 van het W.I.B. 1992 is derhalve, sinds de inwerkingtreding van die wijziging, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
  36. Gelet op die elementen dient het beroep te worden verworpen, nu het artikel 418 van het W.I.B. 1992 (vroeger artikel 308 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964), vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen. Die interpretatie is een door het Hof beslecht rechtspunt, waaraan de rechtscolleges op grond van artikel 9, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zijn gebonden. De rechtscolleges zijn derhalve ertoe gehouden die bepaling toe te passen in de interpretatie die met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bestaanbaar is bevonden. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 april
  37. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.