← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.056

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.056 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060419.6 Arrest- Rolnummer: 56/2006;3727 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-30 15:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 december 2004 " houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse Regering op 12 november 2004 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden ", ingesteld door de gemeente Beveren en anderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 17-12-2004 - 31 ELI link Pub nr 2004036795 Tekst van de beslissing Rolnummer 3727 Arrest nr. 56/2006 van 19 april 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 december 2004 « houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse Regering op 12 november 2004 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden », ingesteld door de gemeente Beveren en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 juni 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 juni 2005, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 december 2004 « houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse Regering op 12 november 2004 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2004, tweede editie) door de gemeente Beveren, J. Creve, wonende te 9130 Kieldrecht, Oud Arendberg 111, M. Vergauwen, wonende te 9130 Doel, Camermanstraat 12, R. Van Buel, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 80, M. Rijssens, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 80, L. Adriaenssen, wonende te 9130 Doel, Vissersstraat 11, G. Adriaenssen, wonende te 9130 Doel, Vissersstraat 11, I. Tempelaer, wonende te 9130 Doel, Vissersstraat 11, C. Coolen, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 87, H. Van Reeth, wonende te 9130 Kieldrecht, Oud Arendberg 111, J. Soetens, wonende te 9130 Doel, Camermanstraat 12, G. Van De Walle, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 61, M. Apers, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 61, I. De Paepe, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 65, H. Barbieres, wonende te 9130 Doel, Hooghuisstraat 13, E. Peeters, wonende te 9130 Doel, Hooghuisstraat 13, C. Kimpe, wonende te 9130 Doel, Vissersstraat 21, J. Malcorps, wonende te 9130 Doel, Camermanstraat 11, C. De Wael, wonende te 9130 Doel, Pastorijstraat 28, W. De Nijs, wonende te 9130 Doel, Pastorijstraat 28, H. Orleans, wonende te 9130 Doel, Camermanstraat 11, S. Collier, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 100, Jeanne De Paepe, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 65, Jerome De Paepe, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat 65, C. De Cleene, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 62, P. Loncelle, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 44, G. Maesen, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 68, R. Van Mol, wonende te 9130 Doel, Hertog Prosperstraat 4, F. Verhulst, wonende te 9130 Doel, Hertog Prosperstraat 4, O. Van As, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 63, B. De Bock, wonende te 9130 Doel, Zoetenberm 26, A. Collier, wonende te 9130 Kieldrecht, Oud Arendberg 118, J. De Vriendt, wonende te 9130 Doel, Engelsesteenweg 8, G. Gillis, wonende te 9130 Doel, Vissersstraat 33, en B. Brijs, wonende te 9130 Doel, Scheldemolenstraat

  1. De Vlaamse Regering en het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 1, hebben ieder een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend, en de Vlaamse Regering en het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen hebben ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. De Grauwe loco Mr. M. Storme, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. I. Rogiers, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Bouckaert, advocaat bij de balie te Brussel, voor het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen; 3 . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. H. Sebreghts, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.
  2. De verzoekende partijen menen dat zij belang hebben bij hun beroep tot vernietiging van het bestreden decreet. Zij wijzen erop dat het Hof het belang van de verzoekende partijen in de arresten nrs. 94/2003 en 151/2003 reeds heeft aanvaard. Uit het besluit van 12 november 2004 waarbij de stedenbouwkundige vergunningen werden verleend, blijkt dat alle vergunningen die met toepassing van het decreet van 14 december 2001 werden verleend, onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Bovendien wordt hun belang gestaafd door de omstandigheid dat het bestreden decreet volgens hen in hoofdzaak ertoe strekt hun de rechtsbescherming voor de Raad van State en de gewone rechtscolleges te ontnemen. Zij hebben niet alleen belang bij de vernietiging van de decreetsbepalingen in zoverre die ertoe leiden dat het woonklimaat van de verzoekende partijen wordt aangetast. Zij hebben tevens belang bij het aanvechten van de bepalingen die op de natuurcompensaties betrekking hebben, te meer nu die compensaties op de meest schadelijke manier worden gelegd; zo vernietigt het weidevogelgebied de laatste landbouwmogelijkheden in de polders rond de gemeente Doel. Ook de gemeente Beveren, voor wie de andere verzoekers krachtens artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet optreden, heeft belang bij de vernietiging van bekrachtigde stedenbouwkundige vergunningen, aangezien die vergunningen betrekking hebben op werken die op haar grondgebied zullen plaatsvinden. A.1.
  3. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep tot vernietiging. Volgens haar kan niet worden ingezien hoe de door de verzoekers aangevoerde nadelen door het bestreden bekrachtigingsdecreet zouden worden veroorzaakt. De verzoekende partijen zouden de leefbaarheid van de gemeente Doel nastreven, doch volgens de Vlaamse Regering zijn de werken die te dezen worden bestreden net bedoeld om die leefbaarheid te waarborgen. De verzoekers bestrijden volgens de Vlaamse Regering niet het feit dat de betrokken vergunningen zijn verleend, doch slechts de gehanteerde procedure. In wezen bestrijden zij bijgevolg andermaal het decreet van 14 december
  4. Het Hof heeft zich daarover reeds in het arrest nr. 94/2003 uitgesproken. Volgens de Vlaamse Regering kan uit het feit dat het belang van de verzoekers in de arresten nrs. 94/2003 en 151/2003 werd erkend, niet worden afgeleid dat zij ook te dezen van het vereiste belang doen blijken. De vernietiging van de thans bestreden bepalingen kan de verzoekers geen voordeel opleveren, doch wel een nadeel : een eventuele vernietiging zou geen afbreuk doen aan de eerder reeds wettig afgegeven, bekrachtigde en uitgevoerde vergunningen, maar zou wel de compenserende maatregelen waarin het bestreden decreet voorziet, op de helling zetten. 4 Ten aanzien van de procesbekwaamheid en het belang van de tussenkomende partij A.
  5. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (G.H.A.) stelt dat het over de vereiste procesbekwaamheid beschikt en dat het overeenkomstig zijn statuten heeft besloten om in rechte te treden. Het G.H.A. is vergunninghouder van een aantal stedenbouwkundige vergunningen die, met toepassing van het nooddecreet, op 12 november 2004 zijn verleend en door het bestreden decreet zijn bekrachtigd. Als verantwoordelijke instantie voor het beheer en de exploitatie van de Antwerpse haven en houder van de vergunning voor de verdere aanleg van het Deurganckdok, heeft het G.H.A. een vanzelfsprekend belang bij een tussenkomst in de procedure tot vernietiging van het bestreden decreet. Ten gronde A.3.
  6. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van het bestreden decreet een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsmede van de artikelen 13, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het verbod van machtsafwending. Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen; het tweede onderdeel omvat twee subonderdelen. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 2 van het bestreden decreet, doordat ten gevolge van de decretale bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen, zonder objectieve en redelijke verantwoording wordt afgeweken van de gemeenrechtelijke regels inzake het wijzigen van plannen van aanleg en het verlenen van stedenbouwkundige en andere vergunningen. Weliswaar heeft het Hof in het arrest nr. 151/2003 over een soortgelijk middel reeds uitspraak gedaan, maar toch menen de verzoekende partijen dat het niet meer redelijk is om drie jaar na het aannemen van het nooddecreet van 14 december 2001 nog bouwvergunningen af te geven en te bekrachtigen op grond van dat decreet. In die omstandigheden kan van een beperkte geldigheidsduur geen sprake meer zijn. Bovendien werd op de dag van de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen - 12 november 2004 - het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan « Waaslandhaven fase 1 en omgeving » voorlopig vastgesteld. Het openbaar onderzoek liep van 10 januari 2005 tot en met 10 maart
  7. Volgens de verzoekende partijen was het niet nodig snel op te treden, vermits het volgen van de gewone procedure - waarin reeds in een afwijkende procedure voor dergelijke werken is voorzien (artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) - eveneens zou hebben geleid tot een tijdige afgifte van de vereiste vergunningen. Bovendien kon de Vlaamse Regering reeds geruime tijd een ruimtelijk uitvoeringsplan hebben vastgesteld. De bekrachtiging van vergunningen die werden afgegeven op het ogenblik dat reeds een ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig is vastgesteld, is kennelijk onredelijk. De verzoekende partijen betogen dat de onverklaarbare vertraging die de gehele decretale procedure heeft opgelopen, aantoont dat niet het spoedeisend karakter het werkelijke motief van de gevolgde procedure was, maar wel het uitschakelen van een effectieve rechterlijke controle op de verleende bouwvergunningen. Nu de decreetgever zijn macht slechts heeft aangewend met het oog op het verwezenlijken van zulk een ongeoorloofd doel, is er sprake van machtsafwending. De verzoekende partijen besluiten dat hun rechten, onder meer op rechtsbescherming, manifest worden geschonden. A.3.
  8. De Vlaamse Regering betoogt dat niet valt in te zien hoe het bestreden bekrachtigingsdecreet de in het middel aangehaalde bepalingen zou kunnen schenden, nu de betreffende vergunningen overeenkomstig de in het nooddecreet vastgestelde procedure werden verleend en het nooddecreet zelf de grondwettigheidstoets van het Hof heeft doorstaan. Volgens de Vlaamse Regering nemen de verzoekende partijen de argumentatie over die reeds in de vorige procedures inzake het nooddecreet en het eerste bekrachtigingsdecreet werd aangevoerd. De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de desbetreffende overwegingen van het Hof in de arresten nrs. 94/2003 en 151/
  9. Wat betreft het betoog van de verzoekende partijen dat het niet meer redelijk is om drie jaar na het nooddecreet nog op basis van dat decreet bouwvergunningen af te geven en te bekrachtigen, merkt de Vlaamse Regering op dat in het decreet van 14 december 2001 geen termijn is bepaald binnen welke een ruimtelijk uitvoeringsplan dient te worden opgemaakt. Zolang zulk een plan niet is opgemaakt, kan slechts de procedure 5 van het nooddecreet worden gevolgd. Volgens de Vlaamse Regering is het middel gericht tegen (de wijze van totstandkoming van) het ruimtelijk uitvoeringsplan en niet tegen het bekrachtigingsdecreet op zich, zodat het middel feitelijke grondslag mist. Louter subsidiair voert de Vlaamse Regering aan dat zij wel degelijk zorgvuldig te werk is gegaan bij de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan « Waaslandhaven fase 1 en omgeving » en dat de vaststelling van dat plan niet onredelijk lang op zich heeft laten wachten. In dat verband zet zij uitvoerig uiteen dat het afwachten van het tijdstip waarop de toepassing van artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening mogelijk zou zijn geweest, tot een onverantwoorde vertraging van negen maanden zou hebben geleid. In die omstandigheden kan de toepassing van de procedure waarin het nooddecreet voorziet, dan ook niet als onredelijk worden aangemerkt. Uit geen enkel element blijkt dat de Vlaamse Regering niet op een correcte wijze heeft gehandeld, noch dat zij het Hof, in de voorgaande procedures, niet op een correcte wijze heeft ingelicht. De Vlaamse Regering merkt nog op dat de kritiek van de verzoekende partijen in wezen op een beleidskritiek neerkomt : zij verwijten de Vlaamse Regering gebruik te hebben gemaakt van de procedure waarin het nooddecreet voorziet, in plaats van geduld te oefenen en de regels van het voormelde decreet van 18 mei 1999 toe te passen. Volgens de Vlaamse Regering staat het niet aan het Hof om de opportuniteit van beleidsbeslissingen te beoordelen. A.3.
  10. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen betoogt dat het eerste middel niet ontvankelijk is, in zoverre het op een schending van het verbod van machtsafwending is gebaseerd. Het verbod van machtsafwending is immers geen norm waaraan het Hof kan toetsen. De categorieën van personen tussen welke in het middel een ongelijkheid wordt aangevoerd, moeten volgens het G.H.A. met elkaar kunnen worden vergeleken. De te vergelijken categorieën van personen zijn, enerzijds, de personen die worden geconfronteerd met werken van algemeen belang, uitgevoerd volgens de normale procedurevoorschriften, en, anderzijds, de personen die worden geconfronteerd met werken van algemeen belang zoals bedoeld in het decreet van 14 december
  11. In zoverre de laatste categorie van personen wordt vergeleken met personen die worden geconfronteerd met werken die geen werken van algemeen belang zijn, zijn dit geen vergelijkbare categorieën. In zoverre het toch gaat om vergelijkbare categorieën kan de regeling volgens het G.H.A. de toets aan het gelijkheidsbeginsel doorstaan. Het bestreden decreet is ingegeven door de dringende economische noodzaak tot de afwerking van een nieuw getijdendok, welke berust op objectief vaststelbare gegevens. Die dringende economische noodzaak wordt in de stedenbouwkundige vergunningen van 12 november 2004 concreet omschreven : efficiënte exploitatie van de reeds vergunde spoorinfrastructuur, optimale ontsluiting van de omgevende bedrijventerreinen, inachtneming van de dwingende bepalingen van de habitat- en vogelrichtlijn. Bovendien worden de werken die op grond van de uitzonderlijke procedure van het nooddecreet kunnen worden vergund, in dat decreet nominatim vermeld. Volgens het G.H.A. kan dan ook geen enkele twijfel bestaan over het objectief karakter van het gemaakte onderscheid. Wat de wettigheid van de doelstellingen van de decreetgever betreft, betoogt het G.H.A. dat de economische, budgettaire, ecologische en veiligheidsdoelstellingen elk op zich wettige doelstellingen zijn. Ook het G.H.A. wijst op het reële tijdsvoordeel dat is gerealiseerd door het volgen van de bestreden en van het gemeen recht afwijkende procedures, waarmede de pertinentie van de maatregel is aangetoond. De bestreden maatregel is evenredig met het nagestreefde doel. Het toepassingsgebied van de bijzondere procedure is immers beperkt, zowel wat betreft de vergunde werken, als in de tijd. Het betoog van de verzoekende partijen dat de procedure waarin het nooddecreet voorziet, thans ten onrechte zou zijn aangewend, aangezien op 12 november 2004 een ruimtelijk uitvoeringsplan « Waaslandhaven fase 1 en omgeving » voorlopig werd vastgesteld, is onjuist : nu de bestreden vergunningen te dezen reeds op 12 november 2004 werden verleend, kon het voormelde uitvoeringsplan niet de grondslag vormen voor de toekenning van de bestreden vergunningen. In zoverre in het middel staande wordt gehouden dat de werken op basis van het voorlopig vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan konden worden vergund, mist het dan ook feitelijke grondslag. Bovendien kan het eerste middel niet worden aangenomen, nu het in wezen een beleidskritiek betreft : de verzoekende partijen bekritiseren de keuze die de decreetgever heeft gemaakt om de procedure waarin het nooddecreet voorziet toe te passen « in plaats van geduld te oefenen en gebruik te maken van de gewone procedure ». Het komt het Hof niet toe de opportuniteit van beleidsbeslissingen te beoordelen. Voorts ontkent het G.H.A. met klem dat de Vlaamse Regering bewust zou hebben getalmd om het desbetreffende ruimtelijk uitvoeringsplan op te stellen; het tegendeel is waar. 6 Een regeling die toestaat af te wijken van de voorschriften van de plannen van aanleg is overigens geenszins uniek. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan dat door het bestreden decreet op aanzienlijke wijze afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke ordening die door de thans geldende plannen van aanleg wordt vooropgesteld. A.4.
  12. In subonderdeel A van het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat zij zich ten gevolge van de decretale bekrachtiging niet meer tot hun « natuurlijke rechters » kunnen wenden, zodat het bestreden decreet een schending inhoudt van artikel 13 van de Grondwet, alsmede van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Die bepalingen vereisen dat wanneer een wetgever rechtsonderhorigen aan een ander rechtscollege onderwerpt, zulks dient te gebeuren op grond van een materiële wet en niet op grond van een louter formele wet; het nooddecreet en het bestreden decreet zijn evenwel louter formele wetten. Bij ontstentenis van een materiële wet wordt de verzoekende partijen bijgevolg op een ongrondwettige wijze de toegang tot de Raad van State en de gewone rechter ontzegd, zodat de voormelde bepalingen worden geschonden. A.4.
  13. De Vlaamse Regering is van oordeel dat dit subonderdeel niet ontvankelijk is, aangezien het veeleer tegen het nooddecreet en niet tegen het bekrachtigingsdecreet lijkt te zijn gericht. Bovendien is het middel onjuist en hoe dan ook ongegrond. In dat verband betoogt de Vlaamse Regering dat het nooddecreet een materiële wet is, wat door het Hof in het arrest nr. 151/2003 reeds werd erkend. De decretale bekrachtiging werd overeenkomstig de in het nooddecreet vastgestelde procedure verleend. Het bestreden bekrachtigingsdecreet hoeft geenszins een materiële wet te zijn, aangezien de bekrachtiging perfect in de algemene procedure waarin het nooddecreet voorziet, kan worden ingepast. Het bestreden decreet voldoet aan het legaliteitsvereiste en waarborgt een effectieve jurisdictionele bescherming. A.4.
  14. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen betoogt in hoofdorde dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is, aangezien het in feite tegen het nooddecreet is gericht. In ondergeschikte orde voert het G.H.A. aan dat het middel feitelijke grondslag mist, nu het bestreden decreet geenszins ertoe strekt betwiste administratieve rechtshandelingen te bekrachtigen. Wat de ongegrondheid van het middel betreft, verwijst het G.H.A. naar zijn uiteenzetting over het eerste onderdeel van het eerste middel. A.5.
  15. In subonderdeel B van het tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 22 en 23, 4°, van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat dit onderdeel van het middel inzonderheid betrekking heeft op de rechtsbescherming die door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt geboden. Met verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 november 2004 (Taskin e.a. t/ Turkije), betogen de verzoekende partijen dat de voormelde verdragsbepaling niet alleen materiële, maar tevens procedurele waarborgen omvat. Die procedurele waarborgen behelzen onder meer het recht op een effectief rechtsmiddel tegen beslissingen, besluiten of handelingen die een invloed op het leefmilieu kunnen hebben. Gelet op de gevolgen van de bekrachtiging en op de beperkte toetsingsbevoegdheid van het Hof kan van een effectieve rechtsbescherming geen sprake zijn. A.5.
  16. De Vlaamse Regering wijst erop dat het Hof over een soortgelijk middel reeds uitspraak heeft gedaan in de arresten nrs. 94/2003 en 151/
  17. Met verwijzing naar die arresten is de Vlaamse Regering van mening dat de in het middel aangehaalde bepalingen niet zijn geschonden. A.5.
  18. Het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen is van oordeel dat de vermeende schending van artikel 22 van de Grondwet en die van artikel 8 van het voormelde Europees Verdrag gezamenlijk kunnen worden behandeld, nu het Hof heeft geoordeeld dat de eerstvermelde bepaling een bevestiging inhoudt, in de Belgische Grondwet, van de voormelde verdragsbepaling (arrest nr. 51/2003). Met verwijzing naar het Hatton II-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (8 juli 2003, Hatton t/ Verenigd Koninkrijk) betoogt het G.H.A. dat de rechter slechts een marginale toetsing kan uitoefenen. Daaruit volgt te dezen dat van een schending van de voormelde verdragsbepaling slechts sprake zou kunnen zijn indien de Vlaamse Regering een manifeste beoordelingsfout zou hebben gemaakt. De verzoekende partijen voeren geen wezenlijke elementen aan waaruit zulks zou blijken. Ten aanzien van de vermeende schending van artikel 22 van de Grondwet verwijst het G.H.A. naar het arrest nr. 94/
  19. Ook ten aanzien van de schending van artikel 23, 4°, van de Grondwet 7 geldt dat de rechter slechts kan onderzoeken of de overheid niet op kennelijk onredelijke wijze de verschillende in het geding zijnde belangen tegen elkaar heeft afgewogen. Zulks is geenszins het geval, zodat van enige schending van de in het middel vermelde bepalingen geen sprake is. A.6.
  20. Als tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan, door het bestreden decreet, enerzijds, van de bevoegdheidverdelende regels van de Grondwet en, anderzijds, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de uitvoerende en de wetgevende macht, die haar uitdrukking onder meer vindt in de artikelen 33, 36, 37, 39, 107, 115, § 2, en 121, § 2, van de Grondwet. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de decreetgever zich bevoegdheden toe-eigent die aan de uitvoerende macht toebehoren, namelijk, bouwvergunningen uitvoerbaar maken (en dus eigenlijk uitreiken) en het gewestplan wijzigen door bouwvergunningen te bekrachtigen die in strijd zijn met het bestaande gewestplan, terwijl die bevoegdheden toekomen aan de uitvoerende macht, zonder dat die toe-eigening van bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door een wettige grond of berust op een objectief criterium, of minstens evenredig is. Weliswaar heeft het Hof zich in het arrest nr. 151/2003 in beginsel onbevoegd verklaard om een bepaling te vernietigen die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht zou schenden, doch in het arrest nr. 99/2004 was het Hof een andere mening toegedaan. Uit dat arrest blijkt dat het Hof bevoegd is om decreten te vernietigen die rechtshandelingen van de uitvoerende macht bekrachtigen, wanneer die bekrachtiging discriminerend is, wat het gevolg kan zijn van onder meer een vermindering van de grondrechten of van de grondwettelijke waarborgen van de burger. Een van die grondrechten of waarborgen is dat de staat een rechtstaat is die handelt volgens de rule of law, not of men. Dat essentiële beginsel geldt ook op het vlak van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening. Volgens een even essentieel beginsel moeten individuele handelingen van de overheid door de rechter kunnen worden getoetst. Door individuele bouwvergunningen te bekrachtigen en aldus de toetsing door de rechter uit te schakelen heeft de Vlaamse decreetgever de voormelde beginselen geschonden. De rechtsbescherming, waarvan de burger door zulk een bekrachtiging wordt beroofd, wordt niet door het Arbitragehof geboden, aangezien het Hof slechts over een beperkte toetsingsbevoegdheid beschikt. Ten slotte betogen de verzoekende partijen dat er geen dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn die de bestreden bekrachtiging kunnen verantwoorden. A.6.
  21. De Vlaamse Regering stelt dat het tweede middel niet-ontvankelijk is bij gebrek aan bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht, enerzijds, en bij gebrek aan een uiteenzetting aangaande de schending van het gelijkheidsbeginsel, anderzijds. De verwijzing door de verzoekende partijen naar het arrest nr. 99/2004 is niet dienend, aangezien in tegenstelling tot dat arrest te dezen geen sprake is van « regularisatie » of « validatie » van onwettige bestuurshandelingen, laat staan van door de Raad van State vastgestelde onrechtmatigheden. In deze zaak is slechts sprake van een a priori door de wetgevende macht georganiseerde bekrachtiging. Het tweede middel is, volgens de Vlaamse Regering, hoe dan ook ongegrond, omdat er geen regel bestaat naar luid waarvan « het ordenen van de ruimte » en « het van algemeen belang verklaren van werken » een voorbehouden bevoegdheid van de uitvoerende macht zouden zijn. De verzoekende partijen laten na aan te tonen hoe die bevoegdheden essentieel aan de uitvoerende macht zouden moeten toekomen, nu de wetgevende macht in alle opzichten de soevereiniteit belichaamt en over een residuaire bevoegdheid beschikt. In zoverre zou worden aangenomen dat met het tweede middel op ontvankelijke wijze een ongelijke behandeling wordt aangeklaagd, is het volgens de Vlaamse Regering niets meer dan een parafrase van het eerste middel. De Vlaamse Regering wijst nog erop dat haar argumentatie reeds door het Hof in het arrest nr. 151/2003 werd gevolgd. De bestreden bekrachtiging heeft uitsluitend tot gevolg dat de rechterlijke controle van de Raad van State wordt vervangen door die van het Arbitragehof en dus niet dat elke rechterlijke controle wordt uitgeschakeld. In het arrest nr. 151/2003 heeft het Hof reeds overwogen dat de verzoekende partijen niet van hun recht op een effectieve jurisdictionele bescherming zijn beroofd. A.6.
  22. Ook volgens het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen is het tweede middel niet-ontvankelijk, vermits de bevoegdheidsverdeling tussen de uitvoerende en de « decretale » macht geen grondwettelijke bevoegdheidverdelende regel is waaraan het Hof vermag te toetsen en die bevoegdheidsverdeling evenmin als een regel van gelijkheid kan worden beschouwd. In het arrest nr. 151/2003 heeft het Hof die zienswijze 8 bevestigd. De verwijzing door de verzoekende partijen naar het arrest nr. 99/2004 is niet dienend, aangezien in dat arrest een ingreep door de wetgever in hangende rechtsgedingen aan de orde was, wat te dezen niet het geval is. Het G.H.A. wijst erop dat het Hof zich in het arrest nr. 151/2003 reeds heeft uitgesproken over de beweerde beperkte rechtsbescherming die door het Arbitragehof wordt geboden. In ondergeschikte orde merkt het G.H.A. op dat de buitengewone omstandigheden en redenen van algemeen belang de decreetgever ertoe noopten een beperkte uitzonderingsregeling uit te werken die een spoedige hervatting van de noodzakelijke werken mogelijk zou maken. De bekrachtigingsprocedure en de daarin vervatte uitvoerbaarheidsregeling, met onderscheiden opdrachten voor de Vlaamse Regering en de decreetgever zelf, waren een adequaat middel tot verwezenlijking van de reeds besproken wettige doelstellingen. Die maatregel is bovendien niet onevenredig in zoverre de decreetgever, ondanks zijn bevoegdheid om inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu zelf op te treden, niet de gehele materie naar zich toe heeft getrokken en aan de navolgende bekrachtiging (en noodzakelijke uitvoerbaarheid) de voorwaarde van toezicht heeft verbonden, zodat voldoende wettigheidswaarborgen werden ingebouwd ten aanzien van de verleende vergunningen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  23. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 december 2004 « houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse Regering op 12 november 2004 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden » (Belgisch Staatsblad van 20 december 2004, tweede editie). Dat decreet luidt als volgt : « Artikel
  24. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art.
  25. De volgende stedenbouwkundige vergunningen, verleend door de Vlaamse Regering op 12 november 2004, worden bekrachtigd : 1° de stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van wegenis- en rioleringswerken waaronder : - aanleg van een rotonde St.-Antoniusweg met inbegrip van fietstunnel en zuidelijke aansluiting ringweg; - herinrichting St.-Antoniusweg met inbegrip van zuidelijk kruispunt Molenweg en aanleg van een fietspad; - aanleg van een parallelweg ten zuiden van de heringerichte St.-Antoniusweg; - herinrichting (deels verplaatsing) Geslecht, Molenweg en St.-Annalaan; 9 - aanleg riolering ten westen van Indaver, via rotonde naar het noordelijk insteekdok met inbegrip van de bouw van een uitwateringsconstructie; - aanleg spoorzate ten zuiden van St.-Antoniusweg, richting spoorzate Liefkenshoek; 2° de stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een rotonde op de kruising van de Hazopweg en Steenlandlaan met inbegrip van het opbreken van een gedeelte van de Steenlandlaan voor de ontsluiting van de Waaslandhaven Zuid; 3° de stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een verbindingsweg tussen het Geslecht en de Scheldedijk en de aanleg van een doodloper vanuit Kalisbundel noordwaarts (spoorzaten en sporen); 4° de stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van het weidevogelgebied Doelpolder Noord en de kreek in Buffer Noord met onder meer het uitgraven van een kreek, de realisatie van een in- en uitlaatconstructie voor het Scheldewater in de Scheldedijk, een overbrugging van de kreek in de Oostlangeweg, de aanleg van een dijk en een poldergracht. Voor de waterhuishouding van het gebied worden 2 stuwen gebouwd op de overgang tussen de kreek en het weidevogelgebied, wordt de bestaande afwatering afgesloten en wordt een nieuwe afvalwaterleiding naar het zuiden gelegd langsheen de Oostlangeweg »; Ten aanzien van de exceptie van niet-ontvankelijkheid B.2.
  26. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep tot vernietiging omdat niet kan worden ingezien hoe de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen door het bestreden bekrachtigingsdecreet zouden worden veroorzaakt. B.2.
  27. De verzoekende partijen zetten in hun beroep tot vernietiging de feiten uiteen waaruit moet blijken dat zij in hun belangen worden geschaad. Het door hen beschreven nadeel heeft niet uitsluitend betrekking op hun belangen inzake woonklimaat, leefmilieu, gezondheid, veiligheid en leefbaarheid, maar eveneens op hun belangen met betrekking tot de procedure die werd gevolgd om de bouwvergunningen te verlenen, waarvan het bestreden bekrachtigingsdecreet een onlosmakelijk onderdeel vormt. Uit artikel 5 van het decreet van 14 december 2001, dat de grondslag vormt op basis waarvan de verleende stedenbouwkundige vergunningen op 17 december 2004 konden worden bekrachtigd, vloeit voort dat, bij een eventuele vernietiging van het bekrachtigingsdecreet, ook de bedoelde stedenbouwkundige vergunningen, die wetskrachtige normen zijn geworden, zullen moeten worden geacht niet te zijn verleend. 10 B.2.
  28. Volgens de Vlaamse Regering kunnen de verzoekende partijen niet worden benadeeld door vergunningen die zijn verleend om de natuurcompenserende maatregelen te verwezenlijken waarin het bestreden decreet voorziet. B.2.
  29. Uit het decreet van 14 december 2001, het bestreden decreet en de daarbij bekrachtigde bouwvergunningen en alle decretale en andere maatregelen genomen om inzonderheid de vogel- en habitatrichtlijnen in acht te nemen en uit te voeren, blijkt de samenhang tussen, enerzijds, de bouwvergunningen ter verwezenlijking van de doelstellingen waardoor de werken, handelingen en inrichtingen om het Deurganckdok aan te leggen en operationeel te maken « van dwingend groot algemeen en strategisch belang » werden verklaard om een afwijking van de bestaande procedures te verantwoorden, en, anderzijds, de bouwvergunningen ter realisatie van natuurcompenserende en leefbaarheidsmaatregelen. Bovendien zijn de grieven niet uitsluitend gericht tegen de inhoudelijke doelstellingen van de bedoelde verleende vergunningen, doch evenzeer tegen de gevolgde procedure, waarvan het discriminatoire karakter wordt aangevoerd. B.2.
  30. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Eerste middel B.
  31. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van het bestreden decreet een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 13, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het verbod op machtsafwending. Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen; het tweede onderdeel omvat twee subonderdelen. 11 Eerste onderdeel B.
  32. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 2 van het bestreden decreet, doordat ingevolge de decretale bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen, zonder objectieve en redelijke verantwoording wordt afgeweken van de gemeenrechtelijke regels inzake het wijzigen van plannen van aanleg en het verlenen van stedenbouwkundige en andere vergunningen. B.
  33. Met het bestreden decreet, inzonderheid artikel 2, heeft de Vlaamse decreetgever toepassing gemaakt van de bekrachtigingsprocedure die werd voorgeschreven in artikel 5 van het decreet van 14 december 2001 « voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden ». Dat decreet werd reeds bestreden met beroepen tot vernietiging die door het Hof werden verworpen bij het arrest nr. 94/2003 van 2 juli
  34. B.6.
  35. Zoals het Hof in dat arrest oordeelde en in het arrest nr. 151/2003 heeft herhaald, was het niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat de decreetgever voorzag in een procedure waarbij de Vlaamse Regering, en in voorkomend geval andere vergunningverlenende overheden, werden gemachtigd om, bij het verlenen van de stedenbouwkundige en andere vergunningen voor een reeks werken, handelingen en inrichtingen waardoor het Deurganckdok kon worden aangelegd en operationeel gemaakt en die op grond van de in B.9.2 van het arrest nr. 94/2003 vermelde redenen van « dwingend groot algemeen en strategisch belang verklaard » waren, een uitzondering te maken op de bestemmingen van de plannen van aanleg. Die machtiging werd evenwel slechts verleend « omwille van het uitzonderlijk algemeen en strategisch belang van de limitatief opgesomde werken » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 872/1, p. 17). De verleende machtiging was beperkt, enerzijds, wat het voorwerp betreft en, anderzijds, wat de geldigheidsduur betreft (ibid., p. 5). Het Hof oordeelde tevens dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet evenmin waren geschonden in zoverre in artikel 5 van het voormelde decreet van 14 december 2001 een bijzondere procedure werd voorgeschreven waarbij middels de bekrachtiging een controle door het Vlaams Parlement wordt ingesteld, die zelf met een beroep tot vernietiging bij het Hof kan worden betwist. 12 B.6.
  36. De verzoekende partijen bekritiseren de wijze waarop het Vlaams Parlement bij de bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen gebruik heeft gemaakt van de controlebevoegdheid die het Vlaams Parlement bij het decreet van 14 december 2001 werd verleend. Het Hof stelt vast, zoals het ook in het arrest nr. 151/2003 reeds heeft gedaan, dat het Vlaams Parlement toepassing heeft gemaakt van de bekrachtigingsprocedure voorgeschreven in artikel 5 van het decreet van 14 december 2001, met toepassing van de daarbij vastgestelde voorwaarden. Uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 125/2, p. 12) blijkt dat over elk van de verschillende bouwvergunningen die dienden te worden bekrachtigd een inhoudelijk debat kon worden gevoerd. Het Hof is niet bevoegd om te oordelen over de intensiteit van de door een wetgevende vergadering uitgeoefende controle, noch in beginsel om zich uit te spreken over haar interne werking. B.7.
  37. De verzoekende partijen voeren nog aan dat het niet meer redelijk zou zijn om drie jaar na het aannemen van het decreet van 14 december 2001 nog bouwvergunningen af te geven en te bekrachtigen op grond van dat decreet. In die omstandigheden zou van een beperkte geldigheidsduur van de machtiging om een uitzondering te maken op de bestemmingen van de plannen van aanleg - zoals in de arresten nrs. 94/2003 en 151/2003 aangegeven - geen sprake meer kunnen zijn. Bovendien werd op de dag van de afgifte van de stedenbouwkundige vergunningen – 12 november 2004 - het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan « Waaslandhaven fase 1 en omgeving » voorlopig vastgesteld. Volgens de verzoekende partijen zou het dan ook niet nodig zijn geweest snel op te treden, aangezien het volgen van de gemeenrechtelijke procedure - waarin reeds in een afwijkende procedure voor dergelijke werken is voorzien (artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) - eveneens tot een tijdige afgifte van de vereiste vergunningen zou hebben geleid. Overigens zou de Vlaamse Regering volgens de verzoekende partijen reeds geruime tijd een ruimtelijk uitvoeringsplan hebben kunnen vaststellen. B.7.
  38. In zoverre de verzoekende partijen kritiek leveren op de keuze die de decreetgever heeft gemaakt om, in plaats van de gemeenrechtelijke procedure waarin het voormelde decreet van 18 mei 1999 voorziet, de procedure vastgesteld bij het decreet van 14 december 13 2001 toe te passen, blijkt niet hoe daardoor de in het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden. In zoverre de kritiek van de verzoekende partijen zou zijn gericht tegen de wijze van totstandkoming van het ruimtelijk uitvoeringsplan « Waaslandhaven fase 1 en omgeving » is het Hof niet bevoegd om kennis ervan te nemen, aangezien die grief geen betrekking heeft op een norm die het Hof vermag te toetsen. Voor het overige kan uit de vaststelling dat de machtiging, in het decreet van 14 december 2001, om een uitzondering te maken op de bestemmingen van de plannen van aanleg een beperkte geldigheidsduur heeft, niet worden afgeleid dat die geldigheidsduur te dezen zou zijn overschreden. Nog afgezien van het feit dat in het decreet van 14 december 2001 geen termijn is bepaald binnen welke van zulk een machtiging gebruik dient te worden gemaakt, kan een termijn van ongeveer drie jaren niet als onredelijk worden aangemerkt. Zulks geldt des te meer wanneer rekening wordt gehouden met de complexiteit van de zaak. B.
  39. Het eerste onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel, subonderdeel A B.9.
  40. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door het bestreden decreet, van artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat zij zich ten gevolge van de decretale bekrachtiging niet meer tot hun « natuurlijke rechters » zouden kunnen wenden. Die bepalingen zouden vereisen dat wanneer een wetgever rechtsonderhorigen aan een ander rechtscollege onderwerpt, zulks dient te gebeuren op grond van een materiële wet en niet op grond van een louter formele wet. Bij ontstentenis van een materiële wet zou de verzoekende partijen op een ongrondwettige wijze de toegang tot de Raad van State en de gewone rechter worden ontzegd. B.9.
  41. De decreetgever grijpt niet in hangende jurisdictionele procedures in, aangezien het bestreden decreet geen stedenbouwkundige vergunningen bekrachtigt die op het ogenblik van de bekrachtiging bij een rechterlijke instantie werden bestreden. 14 Het bestreden decreet bekrachtigt slechts de stedenbouwkundige vergunningen die mochten worden verleend op grond van de machtiging door het decreet van 14 december
  42. De belanghebbende derden zijn bovendien niet verstoken van het recht om de bekrachtigde stedenbouwkundige vergunningen te betwisten voor het Hof en hebben van die mogelijkheid overigens gebruik gemaakt middels het onderhavige beroep. De verzoekende partijen zijn dus niet beroofd van hun recht op een effectieve jurisdictionele bescherming. Wat betreft de grief van de verzoekende partijen volgens welke om de beoogde rechtsbescherming te waarborgen een materiële wet zou zijn vereist - een louter formele wet zou niet volstaan -, meent het Hof, zoals het reeds in het arrest nr. 151/2003 heeft geoordeeld, dat het bestreden decreet de vereiste bepaling van intern recht met algemene en onpersoonlijke draagwijdte uitmaakt waarvan de verzoekende partijen kennis konden krijgen en die in duidelijke bewoordingen is gesteld zodat zij hun gedrag erop hebben kunnen afstemmen. B.9.
  43. Het subonderdeel A van het tweede onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel, subonderdeel B B.10.
  44. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door het bestreden decreet, van de artikelen 22 en 23, 4°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat het bestreden bekrachtigingsdecreet de rechtsbescherming die door de voormelde bepalingen wordt geboden, zou ontnemen. B.10.
  45. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 151/2003 van 26 november 2003 een soortgelijk middel, aangevoerd tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2002, onderzocht en het in volgende bewoordingen verworpen : 15 « B.15.
  46. De verzoekende partijen voeren ook een schending aan van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 22, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.15.
  47. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : ‘ Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht. ’ Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : ‘ Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. ’ B.15.
  48. Het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privé-leven, hun gezinsleven, hun woning of hun briefwisseling. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde ‘ de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin ’ en het onderstreepte de noodzaak om het privé- en gezinsleven te beschermen tegen ‘ inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit ’ (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3). B.15.
  49. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt bovendien dat de Grondwetgever ‘ een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk artikel 8 van het EVRM te vermijden ’ (Parl. St., Kamer, 1993-1994, nr. 997/5, p. 2). B.15.
  50. Uit de tekst zelf van artikel 22 van de Grondwet volgt dat de gewesten, in de uitoefening van hun bevoegdheden, de eerbiediging van het privé-leven moeten waarborgen. B.15.
  51. Geen van de door het bestreden decreet bekrachtigde maatregelen kan worden beschouwd als een rechtstreekse miskenning van die bepaling of als een ongeoorloofde inmenging in de persoonlijke of familiale ontwikkeling van de verzoekende partijen. 16 Weliswaar oefenen die maatregelen hierop een invloed uit, die in het bijzonder het gevolg is van de voormelde eigendomsbeperkingen. Dat volstaat evenwel niet om te besluiten tot schending van de in het middel vermelde grondrechten. De decreetgever heeft immers voldaan aan alle formele en materiële voorschriften die een inmenging zouden kunnen verantwoorden. Zo voorziet het bestreden decreet in de vereiste bepaling van intern recht met algemene en onpersoonlijke draagwijdte waarvan de verzoekende partijen kennis konden krijgen en die in duidelijke bewoordingen is gesteld zodat zij hun gedrag erop hebben kunnen afstemmen. Bovendien getuigt het bestreden decreet van het noodzakelijk karakter, in een democratische samenleving, van de inmenging, in het belang van de economische welvaart van het gewest die, zoals reeds in het arrest nr. 94/2003 is aangetoond, ook te dezen wordt nagestreefd. B.16.
  52. De verzoekende partijen voeren ten slotte een schending aan van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet, in zoverre dat artikel het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgt. B.16.
  53. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : ‘ Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : […] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; […]. ’ B.16.
  54. Overeenkomstig artikel 23 van de Grondwet, dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu opneemt onder de economische, sociale en culturele rechten, staat het aan de bevoegde wetgever om de voorwaarden voor de uitoefening van die rechten te bepalen. Uit de wijze waarop zowel het machtigingsdecreet als het bekrachtigingsdecreet tot stand zijn gekomen, blijkt dat de decreetgever de nodige maatregelen heeft genomen om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te verzoenen met de doelstelling die ten grondslag ligt aan de bekrachtigde bouwvergunningen. De bekrachtiging van de bouwvergunningen kan dan ook niet worden beschouwd als een onevenredige maatregel die het mogelijk zou maken te besluiten tot een discriminatie van de verzoekende partijen in de uitoefening van hun recht op de bescherming van een gezond leefmilieu ». B.10.
  55. Er zijn te dezen geen redenen om anders te beslissen. 17 B.10.
  56. Het subonderdeel B van het tweede onderdeel van het eerste middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel B.
  57. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden decreet de bevoegdheidverdelende regels en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht, die haar uitdrukking onder meer vindt in de artikelen 33, 36, 37, 39, 107, 115, § 2, en 121, § 2, van de Grondwet. B.12.
  58. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 151/2003 een soortgelijk middel, aangevoerd tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 29 maart 2002, onderzocht en het in volgende bewoordingen verworpen : « B.9.
  59. Het Hof is niet bevoegd om een bepaling te vernietigen die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht zou schenden, tenzij die schending indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of tenzij een wetgever, door de administratieve overheid op te dragen een maatregel te nemen die niet onder haar bevoegdheid valt, aldus een categorie van personen uitsluit van het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet voorziet. B.9.
  60. De verzoekende partijen beperken zich ertoe aan te voeren dat de Vlaamse decreetgever een bevoegdheid van de Vlaamse Regering zou hebben uitgeoefend, maar zij vermelden niet hoe aan hen op discriminerende wijze een grondwettelijke waarborg zou zijn ontzegd, terwijl het optreden van een wetgevende overheid van dien aard is dat het hun rechtsbescherming bevordert. B.9.
  61. De artikelen 36, 37 en 39 van de Grondwet, die in het middel worden aangevoerd, betreffen de respectieve bevoegdheden van de federale overheden. De artikelen 33, 115, § 2, en 121, § 2, van de Grondwet houden op zichzelf geen bevoegdheidverdelende regel in de zin van artikel 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof in. De verzoekende partijen tonen niet aan welke andere ‘ bevoegdheidverdelende regels van de Grondwet ’, waaraan het Hof vermag te toetsen, zouden zijn geschonden ». 18 B.12.
  62. In zoverre het middel het verschil in rechtsbescherming aanklaagt dat voortvloeit uit de bekrachtiging van de door de Vlaamse Regering verleende vergunningen door het bestreden decreet, valt het samen met het reeds in B.9.2 onderzochte subonderdeel A van het tweede onderdeel van het eerste middel. B.12.
  63. Wat de aangevoerde schending van artikel 107 van de Grondwet betreft, zetten de partijen niet uiteen en ziet het Hof niet in hoe die grondwetsbepaling door het bestreden decreet zou kunnen zijn geschonden. Overigens heeft artikel 107 van de Grondwet betrekking op bevoegdheden van de federale overheid. B.12.
  64. De verwijzing door de verzoekende partijen naar het arrest nr. 99/2004 is niet dienend, aangezien dat arrest betrekking heeft op een optreden van de wetgever in een hangend rechtsgeding, wat te dezen niet het geval is. B.
  65. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. 19 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 april
  66. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.