← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.061

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.061 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060426.2 Arrest- Rolnummer: 61/2006;3704 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-06 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-06-30 15:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel XII.XI.17, ,§ 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 " tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ", bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel XII.XI.17, ,§ 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 " tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ", bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-2001 - XII.XI.17,§4 - 58 ELI link Pub nr 2001A00327 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 30-12-2001 - 131 - 30 ELI link Pub nr 2001003669 Tekst van de beslissing Rolnummer 3704 Arrest nr. 61/2006 van 26 april 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten », bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 29 april 2005 in zake A. Vandevyvere en E. Zoete tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 17 mei 2005, heeft de Rechtbank van eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zoals bekrachtigd door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, [de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,] geïnterpreteerd in de zin dat het actueel personeelslid van het operationeel kader voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, formeel geen van de voorwaarden vormde van de toelating, geen recht heeft op een geldelijke anciënniteitsbonificatie gelijk aan 27 respectievelijk 39 maanden, maar enkel na verloop van een periode van 4 jaar na 1 april 2001 op een loonschaalbonificatie gelijk aan 24 maanden (artikel XII.VII.14) waarop zij die de anciënniteitsbonificatie genieten trouwens ook recht hebben; nu het enige onderscheid tussen de categorie van artikel XII.XI.17, § 4, en die van artikel XII.VII.14 ligt in het antwoord op de vraag of het oude statuut de diplomavereiste als een toelatingsvoorwaarde bepaalde, te weten een onderscheidend gegeven dat reeds rechtstreeks in de inschaling is gehonoreerd; en nu voor de personeelsleden van beide categorieën geldt dat het houderschap van zo’n diploma, de rechtstreekse en onmiddellijke inschaling verantwoordt in de graad waarvoor zij aan de toelatingsvereiste beantwoorden, en nu de personeelsleden van beide categorieën een identieke taak op grond van identieke toelatingsvereisten vervullen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - A. Vandevyvere, wonende te 1190 Brussel, Brusselsesteenweg 105, en E. Zoete, wonende te 9500 Geraardsbergen, Hoge Buizemont 136; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - is verschenen : E. Van Rossem, adviseur bij de federale politie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - is de voornoemde partij gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A. Vandevyvere en E. Zoete, eisers voor de verwijzende rechter, werden respectievelijk op 19 april 1988 en 18 december 1991 benoemd tot adjunct-commissaris bij het politiekorps van de gemeente Sint-Gillis. Ofschoon voor die benoeming geen diplomavereiste gold, zijn beiden in het bezit van een universitair diploma. A. Vandevyvere behaalde dat diploma vóór de benoeming, E. Zoete na de benoeming. Na de eenmaking van de politiediensten werden ze ingeschaald als commissarissen van politie in het officierskader van de geïntegreerde politie bij de lokale politiezone Anderlecht-Sint-Gillis-Vorst. A. Vandevyvere en E. Zoete kunnen de geldelijke anciënniteitsbonificatie, bedoeld in artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten », niet genieten vermits die bepaling die bonificatie enkel toekent aan personeelsleden voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen, één van de voorwaarden vormde voor de toelating. De eisers voor de verwijzende rechter zijn van oordeel dat die bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien ze, als voormalig lid van de gemeentepolitie, waar de diplomavereiste geen toelatingsvoorwaarde was voor hun benoeming tot adjunct-commissaris, in tegenstelling tot andere personeelsleden, zoals de voormalige rijkswachters, voor wie het bezit van een diploma wel een toelatingsvoorwaarde was, de bonificatie niet kunnen genieten. Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof zich nog niet uitgesproken over dat aspect van het statuut van het personeel van de politiediensten, reden waarom hij het nodig achtte de door A. Vandevyvere en E. Zoete gesuggereerde vraag te stellen. III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad zet uiteen dat artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » (hierna : koninklijk besluit van 30 maart 2001) dient te worden onderscheiden van artikel XII.VII.14 van dat besluit. Terwijl de eerste bepaling handelt over het toekennen van een « geldelijke anciënniteitsbonificatie », handelt de tweede over een « loonschaalanciënniteitsbonificatie ». De « loonschaalanciënniteitsbonificatie » wordt toegekend aan alle actuele personeelsleden van het operationeel kader die op 1 april 2001 houder waren van een diploma van niveau
  2. De « geldelijke anciënniteitsbonificatie » wordt toegekend indien het bezit van een diploma van niveau 1 een aanwervingsvoorwaarde was. In tegenstelling tot wat de eisende partijen voor de verwijzende rechter lijken te beweren, kan de in het geding zijnde bepaling enkel in die zin worden geïnterpreteerd. A.
  3. De Ministerraad meent dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de grondwettigheid van de inschalingsmethode van de lagere officieren en bijgevolg ook over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling, namelijk in het arrest nr. 102/2003, overwegingen B.38.3 en B.38.
  4. Dit wordt betwist door A. Vandevyvere en E. Zoete, eisers voor de verwijzende rechter. Ze wijzen erop dat de verzoekers in de zaken die tot het arrest nr. 102/2003 hebben geleid voormalige personeelsleden van de rijkswacht waren. Ze hadden hun middel dus niet ontwikkeld vanuit het standpunt van het personeel van de gemeentepolitie. Bovendien was het middel vreemd aan het twistpunt in de voorliggende zaak en heeft het Hof zich enkel uitgesproken over artikel XII.XI.17, § 2, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 30 maart
  5. Ook de verwijzende rechter is overigens van oordeel dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over het twistpunt. A.
  6. E. Zoete en A. Vandevyvere oordelen dat het door de in het geding zijnde bepaling in het leven geroepen verschil in behandeling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vermits alleen de op basis van een diplomavereiste aangeworven personeelsleden de « geldelijke anciënniteitsbonificatie » kunnen genieten, worden voornamelijk de gewezen personeelsleden van de gemeentepolitie uitgesloten. Ze wijzen erop dat de bezitter van een diploma dat toegang verleent tot betrekkingen van een bepaald niveau, volgens een algemeen beginsel in het ambtenarenrecht, niet wordt toegelaten tot betrekkingen van een lager 4 niveau. Dit impliceert niet alleen dat het houderschap van een diploma een « negatieve toelaatbaarheidsvereiste » is, maar ook dat de houder van een universitair diploma binnen de oude gemeentepolitiestructuur enkel werd toegelaten tot een betrekking op het niveau van het officierskader. Het houderschap van een diploma werd dus binnen de oude gemeentepolitiestructuur niet formeel, maar wel feitelijk in aanmerking genomen. De Ministerraad betwist dat er bij de gemeentepolitie een regel bestond volgens welke houders van een bepaald diploma niet onder hun niveau konden worden tewerkgesteld. Dat een dergelijke regel niet bestond, blijkt onder meer uit de feitelijke situatie van A. Vandevyvere, die, ofschoon ze in het bezit was van een universitair diploma, toch als lid van het basiskader tewerkgesteld is geweest. A.
  7. E. Zoete en A. Vandevyvere beklemtonen dat het houderschap van een diploma van niveau 1 in het nieuwe statuut van de geïntegreerde politie in beginsel wordt gehonoreerd in de wedde, zoals vastgesteld in de loonschaal, en dat daarvoor geen specifieke toelage wordt toegekend. Uit artikel XII.VII.14 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 blijkt bovendien dat ook in het overgangsrecht het loutere houderschap van een diploma wordt beloond; volgens die bepaling genieten houders van een bepaald diploma vier jaar na de inwerkingtreding van het besluit een « loonschaalanciënniteitsbonificatie » van twee jaar. De eisers achten het niet alleen onredelijk dat ze, in tegenstelling tot voormalige rijkswachters, vier jaar moeten wachten op een bonificatie, maar eveneens dat die bonificatie veel geringer is. Nochtans wenden ze de dankzij hun diploma verworven kennis ook tijdens die eerste vier jaar aan. Ofschoon ze erkennen dat er een onderscheid bestaat tussen de « geldelijke anciënniteitsbonificatie » en de « loonschaalanciënniteitsbonificatie », wijzen ze erop dat dat onderscheid niet dienstig is in het kader van de door de verwijzende rechter gestelde vraag. Hun grieven hebben immers geen betrekking op de aard van de bonificatie, maar wel op het niet kunnen genieten van de pecuniair meest interessante regeling. De Ministerraad repliceert dat artikel XII.VII.14 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 het houderschap van een diploma beloont en dus niet het aanwenden van kennis. Hij stelt zich trouwens de vraag op welke manier A. Vandevyvere haar diploma van licentiaat in de Germaanse filologie zou kunnen aanwenden in de uitoefening van het beroep van politieambtenaar. Voor het overige meent de Ministerraad dat de eisende partijen voor de verwijzende rechter beide bonificaties onvoldoende van elkaar onderscheiden. A.
  8. E. Zoete en A. Vandevyvere wijzen op artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 « tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie », naar luid waarvan de bevoegde overheid aan de personeelsleden van de gemeentepolitie een diplomatoelage kon toekennen. Krachtens het ministerieel besluit van 3 maart 1995 « tot vaststelling van de diploma’s, brevetten en getuigschriften die in aanmerking komen voor het toekennen van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de gemeentepolitie », kon een universitair diploma voor een commissaris een toelage met zich meebrengen, maar het bevoegde bestuur waaronder de eisende partijen voor de verwijzende rechter ressorteerden, heeft die toelage nooit toegekend. De rijkswachters die waren aangeworven op grond van een diplomavereiste werden hiervoor wel rechtstreeks in hun wedde vergoed. Dit zou blijken uit de weddeschalen vervat in het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 « betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht ». Bepaalde rijkswachters genoten daarenboven nog een bijkomend voordeel : wie houder was van een universitair diploma in de rechten of in de criminologie genoot een « anciënniteitsbonificatie ». Die bonificatie werd niet enkel toegekend aan diegene die onder een diplomavereiste was aangeworven; het loutere bezit van een dergelijk diploma volstond. De inschaling in de geïntegreerde politiedienst is gebeurd op grond van de oude weddeschalen, daarin begrepen de gehonoreerde diplomavereiste. De voormalige rijkswachters hebben dus op geen enkel vlak moeten inleveren. Ze behouden de voordelen die ze vroeger genoten en bovendien genieten ze ook de in artikel XII.XI.17, § 4, bedoelde « geldelijke anciënniteitsbonificatie ». Het argument dat de nieuwe « anciënniteitsbonificatie » wordt toegekend met het doel het verlies van de oude op te vangen, is niet pertinent, aangezien het genot van die nieuwe bonificatie enkel toekomt aan de personeelsleden die onder een diplomavereiste zijn aangeworven, terwijl de oude bonificatie werd toegekend aan personen die houder zijn van bepaalde diploma’s. A.
  9. Volgens de Ministerraad werd de « geldelijke anciënniteitsbonificatie » ingevoerd ter compensatie van het verlies van sommige voordelen die bepaalde personeelsleden genoten in hun oude statuut en die door de politiehervorming wegvielen. De personeelsleden van de rijkswacht voor wie het diploma van niveau 1 een aanwervingsvoorwaarde was, verkregen onder hun vroegere statuut geen of nauwelijks hogere loonschalen, maar 5 wel een « anciënniteitsbonificatie », die, net zoals de in het geding zijnde bepaling, 27 of 39 maanden bedroeg, afhankelijk van de normale duur van de licenties (artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 29 november 1977 « betreffende de graden en de bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht »). In tegenstelling tot wat de eisende partijen voor de verwijzende rechter beweren, werden de personeelsleden van de rijkswacht die aangeworven werden op grond van een diplomavereiste, hiervoor niet rechtstreeks gehonoreerd in hun wedde, wat zou blijken uit het koninklijk besluit van 24 oktober 1983 « betreffende de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de rijkswacht ». De Ministerraad beklemtoont dat de inschaling van de actuele personeelsleden op 1 april 2001 is gebeurd op basis van overgangsrecht (deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001). Het systeem van de inschaling houdt rekening met de graad die de betrokken personeelsleden in hun oude statuut hadden. Het feit dat een personeelslid houder was van een diploma van niveau 1, was op zich niet relevant voor die inschaling. A.
  10. Het door de in het geding zijnde bepaling gecreëerde verschil in behandeling is, volgens de Ministerraad, gebaseerd op een objectief en redelijk criterium, namelijk het bezit van een diploma van niveau 1 als aanwervingsvoorwaarde. In tegenstelling tot wat de eisers voor de verwijzende rechter lijken te suggereren, heeft dit criterium niet tot gevolg dat enkel gewezen rijkswachters aanspraak kunnen maken op de « geldelijke anciënniteitsbonificatie ». Ook gewezen personeelsleden van de gemeentepolitie kunnen immers zijn aangeworven op basis van een diplomavereiste. De Ministerraad verwijst daarvoor naar het koninklijk besluit van 25 juni 1991 « houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie », volgens hetwelk houders van een diploma van niveau 1 rechtstreeks toegang hadden tot het officierskader van de gemeentepolitie. Bovendien konden personeelsleden, zowel bij de gemeentepolitie als bij de rijkswacht, via sociale promotie opklimmen tot de graad van officier, ongeacht of zij houder waren van een diploma van niveau
  11. Ook via de Koninklijke Militaire School kon men officier bij de rijkswacht worden. Al die personeelsleden behoren dus tot de categorie voor wie het diploma van niveau 1 geen aanwervingsvoorwaarde was; zij hebben dus, ongeacht of zij afkomstig zijn van de rijkswacht of van de gemeentepolitie, geen recht op de « geldelijke anciënniteitsbonificatie ». Volgens de Ministerraad laten de eisende partijen voor de verwijzende rechter ten onrechte doorschemeren dat ze bij de gemeentepolitie in dienst zijn getreden als adjunct-commissaris; beiden zijn aangeworven als politieagent en zijn via interne bevordering adjunct-commissaris geworden, waarbij het houderschap van een universitair diploma nooit een criterium is geweest. E. Zoete heeft trouwens zijn universitair diploma pas behaald na zijn benoeming tot adjunct-commissaris. De eisende partijen voor de verwijzende rechter repliceren dat ze niet te vergelijken zijn met voormalige rijkswachters die tot het officierskader zijn gepromoveerd, omdat er bij de gemeentepolitie, in tegenstelling tot de rijkswacht, geen mogelijkheid bestond om te worden benoemd op basis van een diplomavoorwaarde. A.
  12. De Ministerraad beklemtoont nog dat men volgens de nieuwe statutaire regels van de geïntegreerde politie kan worden toegelaten tot het officierskader wanneer men in het bezit is van een diploma van niveau 1, maar ook wanneer men slaagt voor de in artikel VII.II.12 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 bedoelde proef. Het is dus niet juist te stellen dat een personeelslid enkel kan worden toegelaten tot het officierskader indien hij houder is van een diploma van niveau
  13. 6 -B- B.
  14. De prejudiciële vraag betreft artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten », dat luidt als volgt : « §
  15. Onverminderd § 2, en, in voorkomend geval, samen met de uitvoering van het tweede lid van dezelfde §, geniet het actueel personeelslid van het operationeel kader voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, één van de voorwaarden vormde voor de toelating, een geldelijke anciënniteitsbonificatie gelijk aan : 1° 27 maanden, indien de normale duur van de licenties twee jaar bedroeg; 2° 39 maanden, indien de normale duur van de licenties minstens drie jaar bedroeg ». In de vraag wordt eveneens verwezen naar artikel XII.VII.14 van hetzelfde koninklijk besluit, dat luidt als volgt : « De actuele personeelsleden van het operationeel kader die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit houder zijn van een in België erkend diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de Rijksbesturen, genieten, vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en onverminderd de artikelen XII.VII.17, derde lid, en XII.VII.18, derde lid, een loonschaalanciënniteitsbonificatie van twee jaar, waarvan het niet nuttige gedeelte binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, kan worden overgedragen naar de behaalde volgende loonschaal in hetzelfde kader ». Beide bepalingen werden bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  16. B.
  17. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt gevraagd of artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een actueel personeelslid van het operationeel kader dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 houder was van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een betrekking van niveau 1 bij de administratie, maar voor wie het bezit van een dergelijk diploma of studiegetuigschrift geen voorwaarde voor de toelating vormde, in tegenstelling tot het 7 personeelslid voor wie dat wel het geval was, geen recht heeft op de in dat artikel bedoelde « geldelijke anciënniteitsbonificatie », maar enkel op de in artikel XII.VII.14 van hetzelfde besluit geregelde « loonschaalanciënniteitsbonificatie ». B.
  18. Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 regelt de rechtspositie van het personeel van de geïntegreerde politiedienst. Deel XII van dat besluit, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen, werd bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  19. De artikelen XII.VII.14 en XII.XI.17, § 4, maken beide deel uit van dat bekrachtigde deel XII. De eerste bepaling is opgenomen onder afdeling 1 van hoofdstuk II van titel VII, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen die betrekking hebben op de baremische loopbaan van het operationeel kader. De tweede bepaling is opgenomen onder titel XI, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen die betrekking hebben op het geldelijk statuut van de personeelsleden van het operationeel kader. B.
  20. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of, in het kader van die hervorming, de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van het door hem nagestreefde doel. Het Hof is aldus bevoegd om te onderzoeken of de verschillen in behandeling tussen de personeelsleden die kunnen voortvloeien uit hun integratie in een eenheidspolitie al dan niet kunnen worden verantwoord door de specifieke regels van de verschillende korpsen waaruit ze afkomstig zijn. B.5.
  21. Krachtens artikel XII.VII.14 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 genieten de actuele personeelsleden van het operationeel kader, vier jaar na de inwerkingtreding van het besluit, een « loonschaalanciënniteitsbonificatie » van twee jaar wanneer ze op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit houder waren van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen. 8 Die bepaling valoriseert het loutere bezit van bepaalde diploma’s en getuigschriften in het kader van de baremische loopbaan, die bestaat in een opeenvolgende toekenning van een steeds hogere loonschaal binnen eenzelfde graad op basis van een loonschaalanciënniteit, een evaluatie en, in voorkomend geval, een voortgezette opleiding of de selectie door een selectiecommissie. B.5.
  22. Artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 (de in het geding zijnde bepaling) kent aan het actuele personeelslid van het operationeel kader een « geldelijke anciënniteitsbonificatie » van 27 of 39 maanden toe wanneer het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking werd genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 bij de rijksbesturen één van de voorwaarden voor zijn toelating vormde. In tegenstelling tot artikel XII.VII.14 beloont die bepaling niet de personeelsleden die in het bezit zijn van een bepaald diploma, wel de personeelsleden die zijn aangeworven op basis van een vereiste inzake bezit van diploma of studiegetuigschrift, en dit in het kader van de « geldelijke anciënniteit », die het personeelslid situeert binnen een loonschaal. B.
  23. Het staat aan de wetgever de criteria vast te stellen waarmee hij rekening wil houden om het niveau van de bezoldiging van de personeelsleden van de geïntegreerde politie vast te stellen en om, in voorkomend geval, die criteria te wijzigen. Het feit dat hij bij het regelen van de baremische loopbaan bepaalde criteria hanteert, belet hem niet om bij het bepalen van de geldelijke anciënniteit gebruik te maken van andere criteria, voor zover het daardoor gecreëerde verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord is. B.
  24. Het door de in het geding zijnde bepaling in het leven geroepen verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet aangeworven zijn op basis van een vereiste inzake bezit van een bepaald diploma of studiegetuigschrift. B.
  25. Uit de memorie van de Ministerraad blijkt dat de « geldelijke anciënniteitsbonificatie » werd ingevoerd ter compensatie van het verlies van sommige voordelen die bepaalde personeelsleden genoten in hun oude statuut en die door de politiehervorming wegvielen. De Ministerraad legt uit dat de personeelsleden van de rijkswacht voor wie het bezit van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang verleent 9 tot een betrekking van niveau 1 bij de administratie een aanwervingsvoorwaarde was, onder hun vroegere statuut geen of nauwelijks hogere loonschalen verkregen, maar wel een anciënniteitsbonificatie, die, net zoals de in het geding zijnde bepaling, 27 of 39 maanden bedroeg, afhankelijk van de normale duur van de licenties. B.
  26. Ofschoon de bepaling ingegeven blijkt te zijn door de bedoeling het verlies van voordelen van voormalige personeelsleden van de rijkswacht te compenseren, is ze geformuleerd op een wijze die neutraal is ten aanzien van het politiekorps waarvan de personeelsleden vroeger deel uitmaakten. Daardoor kunnen ook voormalige personeelsleden van andere politiekorpsen, wanneer zij aan de in de bepaling geformuleerde voorwaarde voldoen, de « geldelijke anciënniteitsbonificatie » genieten. B.
  27. Door een geldelijk voordeel toe te kennen aan personeelsleden - ongeacht het politiekorps waarvan ze afkomstig zijn - die zijn aangeworven op grond van toelatingsvereisten die strenger zijn dan die welke golden voor personeelsleden aan wie dat voordeel niet wordt toegekend, hebben de Koning en, door de bekrachtiging van deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, de wetgever een maatregel genomen die niet als onredelijk kan worden beschouwd. B.
  28. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XII.XI.17, § 4, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten », bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 april
  29. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.