← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.065

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.065 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060503.3 Arrest- Rolnummer: 65-2006;3645 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-27 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-06-30 14:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :

  1. Artikel 1, ,§ 1, 1°, artikel 23 en artikel 27 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966, schenden noch artikel 24, noch artikel 30, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen.
  2. Artikel 53 van dezelfde wetten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het niet toestaat dat de kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente, die voor de bevoegde examencommissie het bewijs hebben geleverd van " grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs ", worden vrijgesteld van het door SELOR georganiseerde examen.
  3. Artikel 53 van dezelfde wetten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het geen bepaling bevat die de Koning machtigt SELOR toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de functie die wordt uitgeoefend door een lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente.
  4. De prejudiciële vraag betreffende artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs behoeft geen antwoord. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende : - de artikelen 1, ,§ 1, 23, 27 en 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966; - artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, gesteld door de Raad van State. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1831 - 17-02-1994 - 30 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 30-07-1963 - 15 - 31 ELI link Pub nr 1963073006 Wet - 18-07-1966 - 1,§1 - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Wet - 18-07-1966 - 23 - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Wet - 18-07-1966 - 27 - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Wet - 18-07-1966 - 53 - 31 ELI link Pub nr 1966071850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 24 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 3645, 3646 en 3647 Arrest nr. 65/2006 van 3 mei 2006 In zake : de prejudiciële vragen betreffende : - de artikelen 1, § 1, 23, 27 en 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966; - artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, gesteld door de Raad van State. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest nr. 140.805 van 17 februari 2005 in zake de gemeente Sint-Genesius-Rode tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 maart 2005, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  5. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd ? »;
  6. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd, terwijl ‘ de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren ’ ? ». b. Bij arrest nr. 140.803 van 17 februari 2005 in zake de gemeente Wezembeek-Oppem en anderen tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 maart 2005, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  7. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd ? »;
  8. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 of artikel 27, eerste lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, 3 door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd, terwijl ‘ ze slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren in andere gemeentelijke basisscholen ’ of terwijl ‘ de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren ’ ? ». c. Bij arrest nr. 140.804 van 17 februari 2005 in zake de gemeente Wezembeek-Oppem en anderen tegen de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 maart 2005, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  9. « Schendt artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door niet in een afwijking te voorzien op artikel 53 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, wat betreft het mogen uitreiken van de bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis of, niet minstens, een vorm van gelijkwaardigheid of homologatie te omvatten ? »;
  10. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 of artikel 27 in samenhang met artikel 53 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd en, in geval van een negatief antwoord, voor die personeelsleden slechts het bewijs van kennis van de bestuurstaal toe te laten als bedoeld bij artikel 53, ook indien zij reeds het bewijs hebben geleverd van het Nederlands als onderwijstaal en bijgevolg bekwaam worden geacht in het Nederlands te onderwijzen ? »;
  11. « Schenden artikel 1, § 1, 1°, artikel 23, artikel 27 of artikel 53 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, door, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, inzake de talen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied op te leggen aan het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente als bedoeld in artikel 7, § 3, B, derde lid, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat lessen in de onderwijstaal van de inrichting 4 verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd, terwijl ‘ ze slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren in andere gemeentelijke basisscholen ’ of terwijl ‘ de andere onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal moeten leveren ’ en, in geval van een negatief antwoord, voor die personeelsleden slechts het bewijs van kennis van de bestuurstaal toe te laten als bedoeld bij artikel 53, ook indien zij reeds het bewijs hebben geleverd van het Nederlands als onderwijstaal en bijgevolg bekwaam worden geacht in het Nederlands te onderwijzen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3645, 3646 en 3647 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging, met zetel te 2600 Berchem, Passendaelestraat 1A, A. Sobrie, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Bosstraat 158 B, J. Walraet, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Pachthofdreef 36, en de v.z.w. Culturele Raad Rode, met zetel te 1640 Sint-Genesius-Rode, Termeulenstraat 80 (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647); - het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode, Gemeentehuis, Dorpsstraat 56, 1640 Sint-Genesius-Rode (in de zaak nr. 3645); - M.-C. Faut, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Leeuwerikenveld 25, I. Farcy, wonende te 1150 Brussel, F. Garystraat 31, en A. Lambot, wonende te 1390 Graven, Clos du Thermogène 11 (in de zaak nr. 3646); - M. David, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Lange Eikstraat 5 (in de zaak nr. 3647); - het Vlaamse Gewest, Kreupelenstraat 2, 1000 Brussel (in de zaken 3645 en 3646) en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, Werkhuizenstraat 40, 3010 Leuven (in de zaak nr. 3647); - het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wezembeek-Oppem, L. Marcelisstraat 134, 1970 Wezembeek-Oppem (in de zaken nrs. 3646 en 3647); - de Vlaamse Regering (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647); - de Ministerraad (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647); - de Franse Gemeenschapsregering (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647). Memories van antwoord zijn ingediend door : - de gemeente Wezembeek-Oppem (in de zaken nrs. 3646 en 3647); 5 - het Vlaamse Gewest (in de zaken nrs. 3645 en 3646) en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant (in de zaak nr. 3647); - de Vlaamse Regering (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647); - de Ministerraad (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647); - de Franse Gemeenschapsregering (in de zaken nrs. 3645, 3646 en 3647). Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de gemeente Sint-Genesius- Rode; . Mr. J. Quintin loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, voor de gemeente Wezembeek-Oppem; . Mr. F. El Jaouhari loco Mr. G. Generet, advocaten bij de balie te Brussel, voor M.-C. Faut, I. Farcy, A. Lambot en M. David; . Mr. J. Quintin loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. K. Lardenoit, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. D. D’Hooghe en Mr. F. Vandendriessche, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie te Brugge, voor het Vlaamse Gewest en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant; . Mr. P. Herman, advocaat bij de balie te Antwerpen, en Mr. J. Huygh, advocaat bij de balie te Brussel, voor de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging; . Mr. P. Herman, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor A. Sobrie en J. Walraet, en loco Mr. I. Rogiers, advocaat bij de balie te Gent, voor de v.z.w. Culturele Raad Rode; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 15 februari 2006 om de partijen die het wensten, toe te laten in een aanvullende memorie te antwoorden op de door rechter A. Alen ter terechtzitting gestelde vraag : « Volgens het verwijzend arrest in de zaak nr. 3647 (nr. 1.3) is het getuigschrift ‘ grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs ’ afgegeven door de 6 examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs. Er wordt aan de partijen gevraagd dat punt te willen bevestigen en te willen zeggen waarop deze bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap steunt, nu de federale overheid bevoegd is voor het taalgebruik in de randgemeenten ». Aanvullende memories zijn ingediend door : - M. David; - het Vlaamse Gewest en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant; - de Vlaamse Regering; - de Franse Gemeenschapsregering. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de gemeente Sint-Genesius- Rode; . Mr. J.-F. De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, voor de gemeente Wezembeek-Oppem; . Mr. F. El Jaouhari loco Mr. G. Generet, advocaten bij de balie te Brussel, voor M.-C. Faut, I. Farcy, A. Lambot en M. David; . Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. K. Lardenoit, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. F. Vandendriessche, tevens loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. I. Verhelle loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor het Vlaamse Gewest en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant; . Mr. J. Huygh, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. P. Herman, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging; . Mr. K. Lardenoit, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. I. Rogiers, advocaat bij de balie te Gent, voor de v.z.w. Culturele Raad Rode; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 7 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De drie zaken waarin de Raad van State voormelde prejudiciële vragen heeft gesteld, betreffen beroepen tot nietigverklaring van besluiten van de Vlaamse Minister van binnenlandse aangelegenheden, ambtenarenzaken en buitenlands beleid, respectievelijk sport (nrs. 3645 en 3646) en van een besluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant (nr. 3647) waarbij een besluit van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode (nr. 3645) en besluiten van de gemeenteraad van Wezembeek-Oppem (nrs. 3646 en 3647) worden vernietigd omdat aan een Franstalige gemeenteschool in die gemeenten verschillende personen in vast verband werden benoemd tot deeltijds onderwijzeres (nr. 3645), tot deeltijds onderwijzeres, deeltijds kleuteronderwijzeres en deeltijds leermeester protestantse godsdienst (nr. 3646), en tot deeltijds onderwijzeres en deeltijds onderwijzer (nr. 3647), zonder dat zij in het bezit zijn van het vereiste diploma waaruit blijkt dat zij het onderwijs in het Nederlands hebben genoten, noch van een bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgegeven door het Selectiebureau van de federale overheid (Selor). In de zaak nr. 3647 beschikken de personen van wie de benoeming werd vernietigd wel over het getuigschrift « grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs », uitgereikt door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : onderwijstaalwet), doch niet over het bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgegeven door Selor. De Raad van State heeft geoordeeld dat de personeelsleden van de gemeentelijke basisscholen voor wie de benoemingen zouden gelden, gemeentelijke ambtenaren zijn op wie de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : bestuurstaalwet) toepasselijk zijn en die, behalve wanneer ze tot prestaties verplicht zijn tegenover Franstalige bestuurden, voor hun bestuurshandelingen overeenkomstig de artikelen 23 tot 27 van de voormelde gecoördineerde wetten, het Nederlands moeten gebruiken, kennen en de kennis ervan bewijzen. De verzoekende partijen voor de Raad van State hebben voorstellen van prejudiciële vragen geformuleerd waarin zij de grondwettigheid van verschillende bepalingen van de onderwijstaalwet en van de bestuurstaalwet aan de orde willen stellen. Meer bepaald wensen zij van het Hof te vernemen of een aantal artikelen in overeenstemming zijn met de vrijheid van onderwijs, met de vrijheid van taalgebruik, en met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In de zaak nr. 3647 werden bovendien grondwettigheidsvragen gesuggereerd die specifiek zijn geënt op het feit dat de personen van wie de benoeming werd vernietigd, wel reeds het bewijs hebben geleverd van de kennis van het Nederlands als onderwijstaal doch niet beschikken over het op grond van artikel 53 van de bestuurstaalwet noodzakelijke bewijs van de vereiste kennis van het Nederlands afgegeven door Selor. De Raad van State heeft de verschillende voorstellen van prejudiciële vragen geëvalueerd en uitsluitend die voorstellen in aanmerking genomen die betrekking hebben op bepalingen die hij toepasselijk acht op de zaken waarover hij dient te oordelen. Waar hij het nodig achtte, heeft hij de voorgestelde vragen geherformuleerd. 8 III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memories A.
  12. Een memorie werd ingediend door de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging, schepen A. Sobrie van Sint- Genesius-Rode, gemeenteraadslid J. Walraet van Wezembeek-Oppem en de v.z.w. Culturele Raad Rode. De beide verenigingen zonder winstoogmerk wijzen op hun maatschappelijk doel en zijn van oordeel dat zij beantwoorden aan alle criteria die door het Hof zijn bepaald opdat een v.z.w. in de rechtspleging voor het Hof kan tussenkomen. Beide andere partijen handelen qualitate qua, als schepen en als gemeenteraadslid, tegen beslissingen van hun college van burgemeester en schepenen die zij als onwettig beschouwen en die volgens hen de goede werking van de gemeentelijke instellingen in het gedrang brengen. A.
  13. De gemeente Wezembeek-Oppem en de Franse Gemeenschapsregering zijn van oordeel dat artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof de voornoemde partijen niet toestaat in de procedure voor het Hof tussen te komen aangezien zij geen partij zijn in de zaken voor het verwijzende rechtscollege en evenmin doen blijken van een belang in die zaken. Het eventuele functionele belang dat A. Sobrie en J. Walraet zouden kunnen hebben, volstaat niet om te getuigen van het rechtens vereiste belang. A.
  14. Volgens de Ministerraad is de memorie, namens de Franse Gemeenschap ingediend door de Franse Gemeenschapsregering, onontvankelijk omdat de Franse Gemeenschap niet behoort tot de in artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof opgesomde institutionele tussenkomende partijen, die niet moeten getuigen van een belang. De Franse Gemeenschap zelf zou dat belang bijgevolg moeten aantonen, wat zij niet heeft gedaan. De Vlaamse Regering en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant stellen daarentegen dat uit die memorie effectief kan worden opgemaakt dat de memorie is ingediend door de Franse Gemeenschapsregering. Ten gronde Standpunt van de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging e.a. A.
  15. De v.z.w. Vlaamse Volksbeweging, A. Sobrie, J. Walraet en v.z.w. Culturele Raad Rode, tussenkomende partijen voor het Hof, achten de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet verenigbaar met artikel 30 van de Grondwet. Die bepaling moet immers worden gelezen in het licht van artikel 129, § 2, eerste streepje, van de Grondwet, dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof een uitzondering toevoegt aan het in artikel 30 erkende beginsel van de vrijheid van taalgebruik en toelaat bij bijzonderemeerderheidswet het taalgebruik te regelen voor bestuurszaken. Onderwijzers uit het gemeentelijk onderwijs in onder meer de randgemeenten vallen daarom niet enkel onder de onderwijstaalwetgeving, maar ook onder de bestuurstaalwetten, zodat artikel 30 van de Grondwet niet eraan in de weg staat dat die wetten op hen worden toegepast. Met betrekking tot de toetsing aan artikel 24 van de Grondwet laten die partijen gelden dat de federale Staat eigenlijk inrichtende macht is van de bewuste scholen en zich dient te voegen naar de eigen onderwijs- en bestuurstaalwetgeving, en geen aanspraak kan maken op een afwijkende regeling. Die vraag wordt beschouwd als zonder belang voor het bodemgeschil. In ieder geval sluit de onderwijstaalwet de toepassing van de bestuurstaalwet niet uit en is er geen strijdigheid met artikel 24 van de Grondwet. A.
  16. De voormelde bepalingen van de bestuurstaalwet zijn ook verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 4 van de Grondwet betreffende de indeling in taalgebieden vormt immers de verantwoording voor de onderscheiden behandeling van onderwijzers, in zoverre dat verschil in behandeling al 9 zou bestaan, vermits de onderwijzers in de gemeentelijke basisscholen - waar ook - dienen te voldoen aan zowel de onderwijstaalwetgeving als de bestuurstaalwetgeving. A.
  17. Met betrekking tot de verenigbaarheid van artikel 15 van de onderwijstaalwet met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, in zoverre niet is voorzien in een afwijking op artikel 53 van de bestuurstaalwet, merken die partijen op dat de onderwijzers als gemeenteambtenaren onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet zodat niet moet worden voorzien in een uitzondering. Aangezien de onderwijstaalwetgeving te onderscheiden is van de bestuurstaalwetgeving, dient niet in uitzonderingen te worden voorzien in de ene wetgeving om te voldoen aan de grondwettelijke bepalingen die de andere wetgeving regelt. A.
  18. Met betrekking tot de tweede en de derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 3647 herhalen die partijen dat onderwijzers van andere gemeentelijke basisscholen eveneens het bewijs dienen te leveren dat ze zowel de onderwijs- als de bestuurstaal machtig zijn. De concrete omstandigheid dat de leerkrachten in Franstalige gemeentescholen in de randgemeenten tweetalig dienen te zijn, wordt verantwoord door de ligging van die scholen in het Nederlandse taalgebied. De bestuurstaal- en de onderwijstaalwetgeving kennen, noch afzonderlijk noch cumulatief toegepast, een onderscheid in abstracto, en geen van beide schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Standpunt van de gemeente Sint-Genesius-Rode A.
  19. De gemeente Sint-Genesius-Rode, verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3645, brengt de fundamentele onderwijsrechten en de vrijheid van taalgebruik in herinnering, zoals die ook blijken uit de rechtspraak van het Hof. Die worden geschonden in zoverre de betrokken onderwijzeres, die alleen werd aangeworven met uitsluitend de taak in het Frans les te geven in een Franstalige lagere school, onderworpen is aan de bestuurstaalwetten doordat dit onderwijs wordt beschouwd als een handeling van het openbaar gezag, en de keuze van taalgebruik bijgevolg op ongrondwettige wijze is beperkt. De gemeente wordt eveneens in haar vrijheid van onderwijs beknot omdat zij niet meer de personeelsleden naar haar keuze kan aanwerven voor het verstrekken van Franstalig onderwijs. A.
  20. De artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet schenden eveneens het gelijkheidsbeginsel in zoverre onderwijzers van verschillende gemeentelijke basisscholen op verschillende wijze worden behandeld terwijl allen worden geacht deugdelijk onderwijs te verschaffen aan de leerlingen van de klas waar zij les geven. De doelstelling van de wetgever, namelijk de verfransing van de rand rond Brussel tegen te gaan, is evenwel onredelijk en onrechtmatig in zoverre dat twee grondwettelijke vrijheden worden beknot. Voor de categorie van leerkrachten waarvoor de taalvereiste, met toepassing van de bestuurstaalwet geldt, is die taalvereiste een onredelijk gevolg van de te onderzoeken normen. Standpunt van M.-C. Faut, I. Farcy en A. Lambot A.
  21. De artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet schenden, volgens die tussenkomende partijen voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3646, de artikelen 24 en 30 van de Grondwet doordat ze een bijkomende voorwaarde opleggen aan het onderwijzend personeel van de betrokken scholen die geen direct verband heeft met en disproportioneel is ten aanzien van het doel van het onderwijs. Uit de artikelen 24, § 3, en 30 van de Grondwet vloeit voort dat de wetgever op geen enkele wijze, door het opleggen van een taalwetgeving, het recht van eenieder om onderwijs te genieten, zou kunnen belemmeren. Dat recht geldt ook voor diegenen die onderwijs verstrekken. Er kunnen weliswaar toelatingsvoorwaarden worden opgelegd aan het onderwijzend personeel, doch uitsluitend in zoverre die proportioneel zijn en in verhouding staan tot het doel van het betrokken onderwijs. De bijkomende voorwaarde die door de artikelen 23, 27 en 53 van de bestuurstaalwet wordt opgelegd, schendt het recht van die onderwijzers om onderwijs te verstrekken en bijgevolg het recht op onderwijs van de Franstaligen in de rand. De verplichte taalkennis van het Nederlands voor een vaste benoeming of bevordering is disproportioneel; het betrokken personeel oefent geen enkele functie uit die een kennis van de bestuurstaal van het taalgebied vereist. A.
  22. Die partijen zijn van oordeel dat zij als onderwijzers van een Franstalige gemeentelijke basisschool in een randgemeente worden gediscrimineerd ten aanzien van onderwijzers van de eentalige basisscholen van 10 eentalige gemeenten die geen kennis moeten aantonen van de bestuurstaal van het taalgebied, maar enkel hun kennis van de onderwijstaal. Personen die in dezelfde situatie verkeren, worden bijgevolg verschillend behandeld ofschoon het doel van het onderwijs, voor beiden, identiek is. Zij erkennen dat het gebruik van de bestuurstaal van het taalgebied gerechtvaardigd kan worden in de administratieve betrekkingen, maar vinden de maatregel disproportioneel in verhouding tot het door de wetgever nagestreefde doel. Standpunt van M. David A.
  23. Die tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3647 is van oordeel dat artikel 15 van de onderwijstaalwet, in zoverre het niet voorziet in een uitzondering op artikel 53 van de bestuurstaalwet, het recht om onderwijs te verschaffen, zoals gewaarborgd bij artikel 24 van de Grondwet, en het gelijkheidsbeginsel schendt. De onderwijzers die reeds hun kennis van het Nederlands hebben bewezen met toepassing van de onderwijstaalwet dienen, om voor benoeming of bevordering in aanmerking te komen, toch nog het bewijs van taalkennis te leveren overeenkomstig artikel 53 van de bestuurstaalwet, wat disproportioneel is. Door die maatregel is ook het recht op onderwijs van de leerlingen van Franstalige scholen in de rand geschonden : de onmogelijkheid van benoeming heeft onvermijdelijk invloed op de continuïteit en de kwaliteit van het verstrekte onderwijs. A.
  24. Met betrekking tot de toetsing van de artikelen 1, 23 en 27 van de bestuurstaalwet aan de artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet, ontwikkelt die partij dezelfde stelling als de tussenkomende partijen M.-C. Faut e.a. In zoverre de prejudiciële vragen, in ondergeschikte orde, refereren aan de onmogelijkheid om het bewijs van de taalkennis op een andere wijze te leveren dan door een getuigschrift van Selor, herhaalt die partij haar argumentatie aangehaald in A.
  25. Zij wijst tevens op het onderscheid dat wordt gecreëerd tussen houders van een getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap en houders van een getuigschrift van Selor, vermits eerstgenoemden niet, en laatstgenoemden wel in aanmerking komen voor een benoeming in vast verband zonder dat dit objectief en redelijk verantwoord is. Men kan immers niet redelijkerwijze volhouden dat de houder van een getuigschrift dat de kennis van het Nederlands als onderwijstaal bevestigt, die taal niet zou beheersen als bestuurstaal. Standpunt van de gemeente Wezembeek-Oppem A.
  26. Volgens de gemeente Wezembeek-Oppem, verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege in de zaken nrs. 3646 en 3647, behoeven de prejudiciële vragen geen antwoord omdat de onderwijstaalwet van toepassing is - overigens niet alleen op het onderwijzend maar ook op het bestuurs- en administratief personeel - en niet de bestuurstaalwet, die niet geldt voor het onderwijzend personeel van gemeentelijke basisscholen. Franstalige scholen in de randgemeenten kunnen inzake taalgebruik niet tegelijk worden beschouwd als « scholen » in de zin van de onderwijstaalwet en « besturen » in de zin van de bestuurstaalwet. De onderwijstaalwet is een specifieke wet die afwijkt van de bestuurstaalwet en in een afzonderlijk hoofdstuk zelf de taalkennis van al het personeel regelt. De bestuurstaalwet blijft slechts van toepassing voor het taalgebruik inzake de administratieve handelingen van schooloverheden, maar ook voor niets meer. De toezichthoudende overheid heeft de beide taalwetten overigens gedurende vijfendertig jaar nooit cumulatief toegepast bij de beoordeling van benoemingsbesluiten. Het betrokken personeel kan trouwens alle formaliteiten in verband met een benoeming vervullen zonder daarvoor noodzakelijkerwijze over een taalkennis te beschikken die gelijk is aan de door de bestuurstaalwet voorgeschreven grondige kennis van de bestuurstaal. Verweer in een tuchtprocedure kan geschieden met een raadsman en een tolk. Die partij beoogt van het Hof te verkrijgen dat het zegt dat de beide wetten geen cumulatieve werking hebben en dat de onderwijstaalwet de enige relevante tekst is met betrekking tot de voorwaarden inzake taalkennis van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten. Het Hof dient de interpretatie van de Raad van State buiten beschouwing te laten. 11 A.
  27. Wat de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet betreft, wijst die partij in ondergeschikte orde op het onevenredig karakter van de cumulatieve toepassing van de voorwaarden opgelegd door de onderwijs- en de bestuurstaalwet. De regeling brengt de vrijheid van de bevoegde inrichtende machten in het gedrang om het onderwijzend personeel te kiezen en beperkt de vrijheid van taalgebruik. Van die beperking kan niet worden gezegd dat zij berust op een objectief criterium, redelijk verantwoord is en in een evenredig verband staat met het nagestreefde doel. Geen van de aangehaalde argumenten om dat personeel ook aan de bestuurstaalwet te onderwerpen, kan de beperking rechtvaardigen omdat het gaat om Franstalig personeel dat in een Franstalige school is tewerkgesteld. Er wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt met ander onderwijzend personeel dat uitsluitend de onderwijstaal moet kennen, en niet de bestuurstaal. A.
  28. Wat artikel 15 van de onderwijstaalwet en artikel 53 van de bestuurstaalwet betreft, verwijst de gemeente Wezembeek-Oppem naar het hiervoor vermelde standpunt en stelt dat de discriminatie a fortiori is aangetoond voor het onderwijzend personeel van de gemeentelijke basisschool dat op een andere wijze het bewijs van de kennis van het Nederlands heeft geleverd. De wetgever heeft zelf, tijdens de parlementaire voorbereiding van de beide taalwetten, de nadruk gelegd op de noodzakelijke evenredigheid tussen de vereiste taalkennis en de aard van de activiteiten. Die partij verwijst ook naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit blijkt dat formalisme en gestrengheid in verband met de vereiste taalkennis bij de aanwerving van personeel strijdig is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Standpunt van de Vlaamse Regering en van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant A.
  29. De Vlaamse Regering en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege, zien geen enkel probleem in de gelijktijdige toepassing van de onderwijstaalwet en de bestuurstaalwet en verzetten zich in ieder geval tegen pogingen om het Hof te laten besluiten dat er niet moet worden geantwoord op de gestelde prejudiciële vragen. Het feit dat men voor een specifieke betrekking aan bepaalde regelen en voorwaarden dient te voldoen, impliceert niet dat het niet langer in dezelfde mate noodzakelijk zou zijn om te voldoen aan de vereisten die de bestuurstaalwet oplegt. Er anders over oordelen zou per definitie afbreuk doen aan het fundamentele gegeven van artikel 4 van de Grondwet. Eigenlijk gaat het steeds om de benoeming van een gemeenteambtenaar waardoor de kandidaat dient te voldoen aan de taalvereisten van de bestuurstaalwet; naar gelang van de functie die men inneemt kunnen nog andere eisen worden gesteld, zoals die welke worden gesteld aan diegenen die onderwijs verstrekken in een onderwijstaal die niet gelijk is aan de bestuurstaal. Daaruit kan niet worden afgeleid dat daarmee de vereisten van de bestuurstaalwet ongedaan kunnen worden gemaakt. Uit de door verschillende partijen voorgelegde uittreksels uit de parlementaire voorbereiding blijkt trouwens dat een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen het taalstelsel voor onderwijstaken en het taalstelsel voor administratieve handelingen. Andere uittreksels waaruit wordt afgeleid dat de vereiste kennis van het Nederlands dient te worden gerelativeerd volgens de aard van het ambt, kunnen niet opwegen tegen de duidelijke bepalingen van de bestuurstaalwet. De mogelijkheid om te voorzien in Franstalig onderwijs, waardoor de onderwijstaalwet van toepassing wordt, kan niet impliceren dat de bestuurstaalwet moet worden vergeten. Een gemis aan respect voor het constitutioneel stelsel kan niet berusten op de stelling dat een en ander anders al te moeilijk zou worden. A.
  30. Volgens die partijen valt niet in te zien hoe de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet artikel 24 van de Grondwet schenden en de vrijheid van onderwijs in het gedrang brengen. Het is juist moeilijk bestaanbaar met die vrijheid dat onderwijsverstrekkers de taal niet kennen waarin ze onder meer worden geëvalueerd en tuchtrechtelijk behandeld. Wat de gelijkheid inzake onderwijs betreft, wijzen zij erop dat alle onderwijzers in het Nederlandse taalgebied onderworpen zijn aan dezelfde toezichthoudende overheid en dezelfde tuchtrechtelijke en subsidiërende overheden en allen verplicht zijn het Nederlands te gebruiken in hun contacten met die bestuurlijke overheden en in hun binnendiensten. Er anders over oordelen zou het gelijkheidsbeginsel schenden. Evenmin wordt een inbreuk gemaakt op de vrijheid van taalgebruik, doordat artikel 30 van de Grondwet voorziet in de mogelijkheid van regeling bij wet, wat te dezen is gebeurd. Op grond van artikel 129 van de Grondwet kan ook het taalgebruik in bestuurszaken en in het onderwijs worden geregeld. De kennis van een 12 andere onderwijstaal dan de bestuurstaal is het gevolg van de faciliteiten voor anderstaligen waarmee aan de taalvrijheid van de bestuurden tegemoet wordt gekomen. De betrokken onderwijzers zijn vrij in hun taalgebruik, behalve voor wat betreft hun contacten, in hun hoedanigheid van gemeentelijk ambtenaar, met hun bestuurlijke overheid en in hun binnendiensten. A.
  31. Wat de toetsing van de in het geding zijnde bepalingen aan het gelijkheidsbeginsel betreft, zien de Vlaamse Regering en de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant niet in welke categorieën van personen moeten worden vergeleken, behoudens die waarover zij het hiervoor reeds hebben gehad, namelijk die onderwijzers en alle andere onderwijzers van een gemeentelijke basisschool in het eentalige Nederlandse taalgebied. Er zijn geen objectieve redenen voorhanden om een verschil in behandeling in te stellen tussen die categorieën van personen. Het verschil tussen de aan te wenden bestuurstaal en de onderwijstaal is het gevolg van de toekenning van taalfaciliteiten. Het is in dat verband volstrekt redelijk dat van diegenen die zich geroepen voelen tot een benoeming of bevordering in een dergelijk gemeentelijk onderwijsambt, wordt geëist dat zij aan de taalvereisten van de beide wetten voldoen. Meer nog, als Frans wordt onderwezen in een gemeentelijke basisschool van een gemeente in het Nederlandse taalgebied, kunnen met betrekking tot die specifieke situatie bijzondere eisen worden gesteld, die in evenredig verband staan met de situatie zelf. In zoverre de betrokken onderwijzers worden vergeleken met onderwijzers in gemeentescholen in het eentalige Franse taalgebied stellen die partijen vast dat ook die laatste categorie van onderwijzers aan de onderwijstaalwet en de bestuurstaalwet is onderworpen, al vallen beide talen voor hen wel samen. A.
  32. Met betrekking tot artikel 15 van de onderwijstaalwet en artikel 53 van de bestuurstaalwet wordt gesteld dat de daarin vervatte bewijsregelen een eigen finaliteit hebben en refereren aan verschillende examenprogramma’s waarover onderscheiden examencommissies ondervragen. Betwist wordt dan ook dat de voormelde bepalingen strijd zouden zijn met de artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet. Die partijen voegen eraan toe dat als het, in de opvatting van de betrokken gemeentebesturen en kandidaten voor benoeming in een dergelijk gemeentelijk onderwijsambt, toch gelijkwaardige getuigschriften zou betreffen, het vrij gemakkelijk moet zijn te slagen voor beide examens. Een en ander zou dus hoogstens praktische gevolgen hebben, die niet van die aard zijn dat artikel 15 van de onderwijstaalwet, door niet te voorzien in een uitzondering op artikel 53 van de bestuurstaalwet, onbestaanbaar is met de artikelen 24 en 30 van de Grondwet. Zij voegen verder eraan toe dat de gemeenschappen, overeenkomstig artikel 129, § 2, van de Grondwet, geenszins bevoegd zijn voor de regelgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurs- en onderwijszaken in de randgemeenten. Het feit dat in artikel 15 van de onderwijstaalwet niet is voorzien in een uitzondering op artikel 53 van de bestuurstaalwet, terwijl de federale wetgever dat zou kunnen doen, betekent nog niet dat de regeling ongrondwettig is. Vermits er geen schending is van de artikelen 24 en 30 van de Grondwet, wordt ook niet ingezien hoe de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden kunnen zijn geschonden. Die partijen beklemtonen tot slot dat de specifieke discussie met betrekking tot de modaliteiten van artikel 15 van de onderwijstaalwet en van artikel 53 van de bestuurstaalwet niet mag worden geëxtrapoleerd naar het principe zelf van het feit dat de noodzakelijke kennis van de onderwijstaal op geen enkele wijze zou kunnen impliceren dat de bestuurstaal irrelevant zou worden. Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.
  33. De Franse Gemeenschapsregering is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat ze op een manifest verkeerde interpretatie van de toepasselijke bepalingen berusten. Het onderwijzend personeel van de gemeentelijke scholen in de randgemeenten is niet onderworpen aan de bestuurstaalwet, wat blijkt uit artikel 1, § 1, 1°, in fine, van die wet – en waarmee ook tot voor kort de toezichthoudende overheid het eens was. Aangezien dat personeel reeds onderworpen is aan de onderwijstaalwet voor wat betreft de taalkennis, de homologatie, het toezicht, en aan de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken voor wat betreft de taal van het onderwijs en het onderwijs van de tweede taal, kan het niet meer onderworpen zijn aan de bestuurstaalwet. Anders kan men niet begrijpen waarom de onderwijstaalwet diende te worden aangenomen. 13 De administratieve rechtshandelingen van de schoolbesturen worden duidelijk onderscheiden van het onderwijs zelf, waarvoor een afzonderlijke taalwet geldt. De bestuurstaalwet is in geen geval van toepassing op de pedagogische handelingen van het betrokken onderwijzend personeel. Ten onrechte is artikel 7, § 3, van de wet van 2 augustus 1963 niet opgenomen in de onderwijstaalwet; uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat men hierbij uitsluitend beoogde het bijzondere statuut van de randgemeenten te laten blijken. De Franse Gemeenschapsregering herhaalt dat er pas recent een cumulatieve toepassing van de beide wetten wordt gemaakt door de toezichthoudende overheid en dat die toepassing de draagwijdte miskent van artikel 1, § 1, 1° (geen toepassing indien taalgebruik specifiek door een andere wet wordt geregeld, zoals te dezen de onderwijstaalwet) en 4° (toepasselijkheid op de schooloverheden), van de bestuurstaalwet, en van artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963, waaruit blijkt dat schoolinrichtingen – vermeld in § 3 - te onderscheiden zijn van lokale besturen – vermeld in §
  34. Zij besluit dan ook dat de bestuurstaalwet niet van toepassing is op de betrokken onderwijzers en de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven. Slechts in ondergeschikte orde wordt dieper ingegaan op de prejudiciële vragen. A.
  35. Wat artikel 15 van de onderwijstaalwet betreft, stelt de Franse Gemeenschapsregering dat het bestaan van Franstalig onderwijs in de randgemeenten niet zozeer een beperking met betrekking tot het gebruik der talen behelst, maar de uiting is van de wil van de wetgever om een grondwettelijke vrijheid haar volle betekenis te verlenen. Beperkingen op de vrijheden gewaarborgd bij de artikelen 24 en 30 van de Grondwet zijn slechts mogelijk als de wet erin voorziet, als ze een wettig doel nastreven en als er evenredigheid is tussen het nagestreefde wettige doel en de aangewende middelen. Het is zeker niet onredelijk dat van personeelsleden van gemeentediensten in de randgemeenten een bepaalde kennis van het Nederlands wordt vereist. Het is evenwel disproportioneel dat zulks alleen kan worden aangetoond door te slagen voor een door Selor georganiseerd taalexamen, zoals bepaald in artikel 53 van de bestuurstaalwet. De betrokken onderwijzers dienen zich slechts in een zeer beperkt aantal gevallen van het Nederlands te bedienen, zodat het slagen voor het voormelde examen waaruit zou blijken dat zij een perfecte taalkennis van het Nederlands bezitten, onevenredig is met de nagestreefde doelstelling. Zij moeten immers worden geacht over een toereikende taalkennis te beschikken nu zij door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap gemachtigd zijn om het Nederlands te onderwijzen. Een dergelijke maatregel, waardoor de benoeming van het onderwijzend personeel wordt bemoeilijkt, is nefast voor de kwaliteit van het onderwijs. Door het onderwijs in de taal van een minderheid moeilijker te maken dan nodig is, wordt ook een inbreuk gepleegd op artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Bovendien wordt inbreuk gemaakt op de vrijheid van taalgebruik door een al te strenge en onevenredige taalvereiste te stellen. Door die strenge voorwaarde wordt ook de gelijke toegang tot openbare ambten buitenmaats bemoeilijkt. A.
  36. Volgens de Franse Gemeenschapsregering wordt het gelijkheidsbeginsel ook geschonden doordat alle gemeenteambtenaren in de randgemeenten aan dezelfde taalvereisten worden onderworpen indien zij voor een benoeming of een bevordering in aanmerking wensen te komen, terwijl de ene categorie van ambtenaren het Nederlands meer zullen moeten gebruiken dan de onderwijzers van de gemeentelijke basisscholen en zij toch moeten doen blijken van dezelfde taalkennis. Het gelijkheidsbeginsel is bijgevolg geschonden doordat verschillende situaties ten onrechte op identieke wijze worden geregeld. Standpunt van de Ministerraad A.
  37. De Ministerraad merkt vooraf op, enerzijds, dat op grond van de in het geding zijnde bepalingen het Nederlands de officiële taal is voor bestuur en onderwijs in het Nederlandse taalgebied, waartoe de betrokken gemeenten behoren, anderzijds, dat de onderwijs- en de bestuurstaalwetgeving een onderscheiden toepassingsgebied en finaliteit hebben; de onderwijstaalwetgeving regelt uitsluitend het gebruik van de talen in verband met het verstrekken van onderwijs, de bestuurstaalwetgeving regelt de taal die een gemeentelijke 14 onderwijsinrichting en haar personeel dienen te gebruiken in de binnendienst en in de betrekkingen met de diensten waaronder zij ressorteren, met andere diensten of met particulieren. De cumulatieve toepassing van de in het geding zijnde bepalingen is reeds door de Raad van State vastgesteld zodat andere partijen thans niet vermogen die cumulatieve toepassing in twijfel te trekken. Alleen de verwijzende rechter zelf oordeelt over de toepasselijkheid van de normen op de feiten die hem ter beoordeling zijn voorgelegd. A.
  38. De Ministerraad ziet niet in hoe de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet kunnen worden getoetst aan artikel 24 van de Grondwet. Bij ontstentenis van specificatie van de toepasselijke paragraaf, kunnen de vragen niet op een zinvolle wijze worden beantwoord. In ondergeschikte orde laat hij gelden dat er ook geen sprake kan zijn van een schending van die grondwetsbepaling. Ook de passieve of de actieve onderwijsvrijheid is niet geschonden, vermits de in het geding zijnde bepalingen louter het taalgebruik tot onderwerp hebben en geen inmenging inhouden in het opvoedkundige project van de gemeentelijke basisscholen. Die bepalingen regelen slechts het gebruik der talen in de betrekkingen tussen het onderwijzend personeel en de overheden. Artikel 30 van de Grondwet is volgens de Ministerraad evenmin geschonden omdat het uitsluitend betrekking heeft op de regeling van het taalgebruik, en niet op de regeling van de taalkennis. Aangezien artikel 27 van de bestuurstaalwet betrekking heeft op de taalkennis, kan het artikel 30 van de Grondwet niet schenden. De artikelen 1, § 1, 1°, en 23 van de bestuurstaalwet daarentegen regelen wel het taalgebruik, doch artikel 30 van de Grondwet bepaalt net dat daarin kan worden voorzien, zodat die bepaling niet kan zijn geschonden. A.
  39. Wat de toetsing van die bepalingen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, ziet de Ministerraad, met de Raad van State, niet in welke categorieën moeten worden vergeleken. Hij herinnert het Hof aan zijn rechtspraak dat het niet aan het Hof toekomt een verschil in behandeling te onderzoeken wanneer het zelf de te vergelijken categorieën moet omschrijven. Die prejudiciële vraag is dan ook onontvankelijk. De Ministerraad werpt ook op dat verschillende partijen vragen om het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen te vergelijken, enerzijds, met de andere personeelsleden van de gemeente, anderzijds, met het directiepersoneel van die scholen. Die vergelijkingen zijn evenwel niet door de Raad van State voorgelegd aan het Hof. De partijen mogen de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet wijzigen. A.
  40. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad ook aan dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de ongelijke behandeling ten aanzien van het onderwijzend personeel van « andere gemeentelijke basisscholen » niet bestaat, vermits ook zij de kennis van de bestuurstaal moeten kunnen bewijzen. Dat de leden van het onderwijzend personeel in een randgemeente ook de taal van het taalgebied - het Nederlands - moeten kennen, is bovendien objectief en redelijk verantwoord, vermits zij zich in hun contacten met de verschillende diensten van de taal van het taalgebied moeten bedienen, alsmede tegenover particulieren die de taal van het taalgebied gebruiken (onder wie in voorkomend geval Nederlandstalige ouders die hun kinderen in het Frans willen opvoeden en hen naar Franstalige basisscholen sturen). De betrokken personeelsleden dienen het Nederlands hoe dan ook intern te gebruiken, zodat het criterium van het al dan niet spreken van die bestuurstaal met de bestuurden, niet relevant is. A.
  41. Wat artikel 15 van de onderwijstaalwet betreft, in samenhang met artikel 53 van de bestuurstaalwet, wijst de Ministerraad erop dat de taalkennis specifiek is afgestemd op de aard van de situaties die door de onderscheiden wetten worden geregeld, namelijk de taal die gesproken wordt in de contacten tussen onderwijzers en leerlingen (onderwijstaalwet) en de taal die gesproken wordt in de contacten tussen burgers en bestuurders, waartoe onderwijzers van een gemeenteschool, als personeel van de gemeente, ook behoren (bestuurstaalwet). Het is dan ook niet relevant te weten welke taalkennisvereisten, namelijk die van de bestuurstaalwet of die van de onderwijstaalwet, het strengst zijn. Als beide gelijkwaardig zijn, dan is het slechts een beperkte moeite om tevens te slagen voor het door Selor georganiseerde taalexamen, zodat de voorwaarde om hiervoor te slagen, geenszins de toegang tot de functie onmogelijk maakt en er geen onoverkomelijke of zelfs moeilijke eisen worden gesteld. 15 Met betrekking tot de toetsing aan artikel 24 van de Grondwet herhaalt de Ministerraad wat hij reeds heeft gesteld naar aanleiding van de beoordeling van de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet. Met betrekking tot de toetsing aan artikel 30 van de Grondwet merkt hij op dat artikel 15 van de onderwijstaalwet en artikel 53 van de bestuurstaalwet de taalkennis betreffen waarop artikel 30 van de Grondwet niet van toepassing is. Zelfs als ze het taalgebruik zouden regelen, gaat het om een door artikel 30 van de Grondwet toegestane regeling. A.
  42. De Ministerraad verwerpt ook de verwijzing naar twee arresten van respectievelijk het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat beide te dezen niet relevant zijn. Dat laatste rechtscollege heeft overigens de legitimiteit erkend van het opleggen van taaleisen met het oog op de goede werking van de instellingen, mits deze evenredig zijn, wat hier zeker het geval is. A.
  43. Ten slotte verwerpt de Ministerraad het beroep op artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten doordat het bemoeilijken van het verstrekken van onderwijs in de taal van de Franstalige minderheid een schending zou inhouden van de rechten van die minderheid. Allereerst is het niet mogelijk de toetsing uit te breiden tot die bepaling, aangezien in de verwijzingsbeslissing nergens gewag wordt gemaakt van dat artikel. Bovendien heeft het Hof in het arrest nr. 26/98 reeds geoordeeld dat die bepaling geen betrekking heeft op het taalgebruik door administratieve overheden. De wetgeving organiseert precies een verregaande bescherming van de Franstaligen in de randgemeenten die ertoe gehouden zijn, onder bepaalde voorwaarden, Franstalige basisscholen op te richten en te financieren. De in het geding zijnde bepalingen bevatten slechts de bijkomende voorwaarde dat personen die door voormelde gemeenten worden aangeworven, op zijn minst de bestuurstaal van die gemeenten machtig zijn. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memories B.
  44. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de memories ingediend door de Franse Gemeenschapsregering namens de Franse Gemeenschap, omdat de Franse Gemeenschap niet behoort tot de in artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof opgesomde institutionele tussenkomende partijen die niet moeten getuigen van een belang. Indien de Franse Gemeenschap zelf zou tussenkomen, zou zij haar belang dienen aan te tonen, wat zij te dezen niet heeft gedaan. B.
  45. Het is juist dat in het stelsel van de bijzondere wet van 6 januari 1989, zoals blijkt uit de artikelen 2, 1°, en 85 ervan, wat de Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreft, niet de daarmee overeenstemmende rechtspersonen voor het Hof in rechte treden, maar uitsluitend de in de bijzondere wet daartoe aangewezen organen, te weten respectievelijk de Ministerraad en de onderscheiden Regeringen. 16 Al verklaart de Franse Gemeenschapsregering in de aanhef van haar memories op te treden als vertegenwoordigend orgaan van de Franse Gemeenschap, toch blijkt dat die memories werden opgemaakt en ingediend uitsluitend op grond van een beslissing van de Franse Gemeenschapsregering en zonder dat ter zake enig ander orgaan is opgetreden. De memories zijn derhalve ontvankelijk. B.
  46. De gemeente Wezembeek-Oppem en de Franse Gemeenschapsregering betwisten de ontvankelijkheid van de memorie ingediend door de v.z.w. Vlaamse Volksbeweging en de v.z.w. Culturele Raad Rode, die beiden wijzen op hun maatschappelijk doel en van oordeel zijn dat zij beantwoorden aan alle criteria die door het Hof zijn bepaald opdat een v.z.w. voor het Hof kan tussenkomen, en door schepen A. Sobrie van Sint-Genesius-Rode en raadslid J. Walraet van Wezembeek-Oppem, die aanvoeren tussen te komen qualitate qua, als schepen en gemeenteraadslid, om beslissingen te betwisten van hun college van burgemeester en schepenen die zij als onwettig beschouwen en die de goede werking van de gemeentelijke instellingen in het gedrang zouden brengen. B.
  47. De bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof heeft de vrijwillige tussenkomst van een derde in de rechtspleging met betrekking tot een prejudiciële vraag geregeld. Enkel de persoon die voldoet aan beide voorwaarden voorgeschreven bij artikel 87, § 1, kan in voormeld geval partij zijn bij een prejudiciële procedure voor het Hof : hij moet van een belang in de zaak onderworpen aan het verwijzende rechtscollege doen blijken en binnen de voorgeschreven termijn een memorie hebben ingediend. B.
  48. Zonder dat, wat de verenigingen zonder winstoogmerk betreft, dient te worden nagegaan of zij beantwoorden aan de bijzondere voorwaarden opdat een dergelijke vereniging in rechte kan treden voor het Hof, is het voldoende vast te stellen dat geen enkele van de in B.3 vermelde personen doet blijken van een belang in de zaken onderworpen aan het verwijzende rechtscollege dat verschillend zou zijn van het belang dat elkeen zou kunnen laten gelden om tussen te komen in de beoordeling van de grondwettigheid van de bepalingen die het gebruik en de kennis van de Nederlandse taal opleggen aan het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten. 17 Ook het functionele belang gebaseerd op de hoedanigheid van schepen of gemeenteraadslid in één van de gemeenten waarvan de raadsbesluiten het voorwerp hebben uitgemaakt van de voor het verwijzende rechtscollege bestreden vernietigingsbesluiten, kan niet worden aangenomen, te meer daar de beide gemeenten tussenkomen in de rechtspleging voor het Hof. De memorie van tussenkomst van de in B.3 vermelde partijen is niet ontvankelijk. Ten gronde Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
  49. De prejudiciële vragen betreffen de artikelen 1, § 1, 1°, 23, 27 en 53 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna : bestuurstaalwet) en artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs (hierna : onderwijstaalwet). De artikelen 1, § 1, 1° en 4°, 23, 27 en 53 van de bestuurstaalwet luiden als volgt : « Artikel
  50. §
  51. Deze gecoördineerde wetten zijn toepasselijk : 1° op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde openbare diensten van de Staat, van de provinciën, van de agglomeraties, van de federaties van gemeenten en van de gemeenten, voor zover zij inzake taalgebruik niet beheerst worden door een andere wet; […] 4° op de administratieve handelingen van de rechterlijke macht, van dezer medewerkers en van de schooloverheden ». « Art.
  52. Iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad ». 18 « Art.
  53. In de plaatselijke diensten van de randgemeenten kan niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden indien hij de Nederlandse taal niet kent. De toelatings- en bevorderingsexamens geschieden in dezelfde taal. De kandidaat wordt enkel tot het examen toegelaten voor zover uit de vereiste diploma's of studiegetuigschriften blijkt dat hij zijn onderwijs in meergenoemde taal heeft genoten. Bij ontstentenis van een dergelijk diploma of getuigschrift moet de taalkennis vooraf door een examen bewezen worden. Indien het ambt of de betrekking begeven wordt zonder toelatingsexamen dient de vereiste taalkennis vastgesteld aan de hand van de daartoe in lid 2 voorgeschreven bewijzen ». « Art.
  54. De Vaste Wervingssecretaris alleen is bevoegd om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken. Binnen een termijn van twee jaar, te rekenen van 1 september 1963 af, bepaalt de Koning de voorwaarden waaronder die bewijzen, in plaats van de bij de wet bepaalde examens, mogen gevergd worden voor de werving van de ambtenaren die een bijzondere taalkennis moeten bezitten. Bovenbedoelde termijn wordt verlengd tot vijf jaar wanneer het gaat om het begeven, bij wijze van bevordering, van betrekkingen waarvoor een bijzondere taalkennis vereist is. Met betrekking tot de gemeenten echter blijft voor het personeel, van de rang van onderbureauchef en daarmede gelijkgestelde rangen af, dat op 1 juli 1963 in dienst was, de huidige regeling gelden die op het stuk van taalexamens is bepaald voor de bevorderingen. In de examencommissies die deze examens organiseren treedt een vertegenwoordiger van de Vaste Wervingssecretaris als voorzitter op, met medebeslissende stem ». Artikel 15 van de onderwijstaalwet luidt als volgt : « Een kandidaat levert het bewijs van zijn grondige kennis van een taal zo hij, in deze taal, het diploma waarop zijn aanwerving steunt, heeft behaald, of zo hij een getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij, ten overstaan van een bij koninklijk besluit ingestelde examencommissie, geslaagd is voor een examen over de grondige kennis van die taal. Een kandidaat levert het bewijs van zijn voldoende kennis van een taal, zo het diploma waarop zijn aanwerving steunt zulks vermeldt, of zo hij een getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij, ten overstaan van een bij koninklijk besluit ingestelde examencommissie, geslaagd is voor een examen over de voldoende kennis van die taal ». Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vragen B.
  55. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen van de bestuurstaalwet de artikelen 24 en 30 van de Grondwet schenden in zoverre 19 die bepalingen, cumulatief van toepassing zijnde met de wetgeving op het gebruik der talen voor het onderwijs, het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied opleggen aan het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, dat enkel lessen in de onderwijstaal van de inrichting verstrekt en daartoe het bewijs van de kennis van de onderwijstaal heeft geleverd. Het verwijzende rechtscollege wenst bovendien te vernemen of diezelfde bepalingen de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 24 en 30, van de Grondwet, schenden, waarbij het betrokken onderwijzend personeel wordt vergeleken met de leden van het onderwijzend personeel van andere gemeentelijke basisscholen die slechts het bewijs van de kennis van de onderwijstaal dienen te leveren. Indien het antwoord op de voormelde vragen ontkennend zou zijn, dient het Hof ook na te gaan of de artikelen 10, 11, 24 en 30 van de Grondwet - de laatste twee al dan niet in samenhang gelezen met de eerste twee - zijn geschonden in zoverre het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, uitsluitend door te slagen voor een door het Selectiebureau van de federale overheid (Selor) georganiseerd examen, het bewijs van de kennis van het Nederlands kan leveren, zelfs indien het reeds het bewijs heeft geleverd van de kennis van het Nederlands als onderwijstaal en derhalve bekwaam wordt geacht in het Nederlands te onderwijzen. Het verwijzende rechtscollege wenst ten slotte van het Hof te vernemen of de artikelen 24 en 30 van de Grondwet zijn geschonden door artikel 15 van de onderwijstaalwet, in zoverre die bepaling niet voorziet in een afwijking op artikel 53 van de bestuurstaalwet, wat betreft het mogen uitreiken van de bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis, of minstens niet een vorm van gelijkwaardigheid of homologatie omvat. B.
  56. De Franse Gemeenschapsregering en de gemeente Wezembeek-Oppem zijn van oordeel dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat het verwijzende rechtscollege ten onrechte de bestuurstaalwet toepasselijk acht. Volgens hen is de 20 onderwijstaalwet een specifieke wet, die afwijkt van de bepalingen van de bestuurstaalwet en die de toepassing van deze laatste wet uitsluit. B.9.
  57. In de regel staat het niet aan het Hof doch aan de verwijzende rechter om te bepalen welke normen van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil. Te dezen is de Raad van State van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen van de bestuurstaalwet van toepassing zijn op de benoeming en de bevordering van de leden van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, op grond van de overweging dat zij als personeelsleden van een gemeente onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, 1°, van de bestuurstaalwet vallen. Het Hof dient derhalve te onderzoeken of de bepalingen, in de interpretatie die de Raad van State eraan geeft, bestaanbaar zijn met de bepalingen waarvan het Hof de naleving verzekert. B.9.
  58. Krachtens artikel 1, § 1, 1°, van de bestuurstaalwet zijn de personeelsleden van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijstaal het Frans is en die geen « schooloverheden » zijn in de zin van artikel 1, § 1, 4°, van dezelfde wet, wat hun onderwijs betreft, niet aan die wet onderworpen maar aan de bepalingen van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, meer bepaald het voormelde artikel 15 ervan. In zoverre zij hun ambt uitoefenen in een van de gemeenten die zijn bedoeld in artikel 23 van de bestuurstaalwet, moeten die leerkrachten evenwel het Nederlands gebruiken in de omstandigheden die in dat artikel zijn vermeld, zodat hun aanwerving en hun bevordering zijn onderworpen aan de vereisten van artikel 27 van dezelfde wet. Wat betreft de vereiste van het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van het taalgebied B.
  59. Op grond van artikel 23 van de bestuurstaalwet gebruikt iedere plaatselijke dienst - en op grond van artikel 1, § 1, 1°, van die wet, ook elke gemeentedienst - die is gevestigd in 21 de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad. Opdat de besturen hieraan kunnen voldoen, bepaalt artikel 27, eerste lid, van de bestuurstaalwet dat in de plaatselijke diensten van de randgemeenten niemand in een ambt of betrekking kan worden benoemd of bevorderd indien hij de Nederlandse taal niet kent, alsook dat de toelatings- en bevorderingsexamens in dezelfde taal geschieden. Als basisbeginsel geldt hoe dan ook dat elke kandidaat voor een dergelijk ambt of betrekking dient aan te tonen, op basis van de vereiste diploma's of studiegetuigschriften, dat hij zijn onderwijs in het Nederlands heeft genoten of, bij ontstentenis ervan, dat zijn taalkennis reeds door een examen is bewezen (artikel 27, derde lid), wat alleen kan op de bij artikel 53 van dezelfde wet bepaalde wijze. Indien het ambt of de betrekking wordt begeven via een toelatings- of bevorderingsexamen, kan een kandidaat tot dat examen slechts worden toegelaten indien hij het bewijs van de taalkennis op voormelde wijze heeft geleverd (artikel 27, tweede lid). B.
  60. Het Hof wordt allereerst verzocht die artikelen te toetsen aan artikel 24 van de Grondwet, dat bepaalt : « §
  61. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. §
  62. Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. §
  63. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. 22 Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. §
  64. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. §
  65. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». B.
  66. Artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt ten aanzien van de randgemeenten : « §
  67. Inzake onderwijs in de zes gemeenten : A. De onderwijstaal is het Nederlands. […] B. Het kleuteronderwijs en het lager onderwijs mag worden verstrekt in het Frans indien deze taal de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind is en indien het gezinshoofd verblijf houdt in een van deze gemeenten. Dit onderwijs mag slechts worden georganiseerd op verzoek van zestien gezinshoofden die in de gemeente verblijf houden. De gemeente, die vorenvermeld verzoek ontvangt, is ertoe gehouden dit onderwijs te organiseren. […] ». B.13.
  68. De voormelde bepaling van de wet van 2 augustus 1963 verleent aan de randgemeenten een bijzondere opdracht met betrekking tot de organisatie van basisonderwijs in het Frans. De vrijheid om onderwijs in te richten, waarop de betrokken gemeenten zich beroepen, moet in samenhang worden gelezen met artikel 4 van de Grondwet, volgens hetwelk België vier taalgebieden omvat, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied. Dat artikel houdt in dat, wanneer de randgemeenten Franstalig onderwijs inrichten, zij ook oog moeten hebben voor de voorwaarden vermeld in de bestuurstaalwet, zowel wat betreft het taalgebruik als wat betreft de taalkennisvereiste waaraan de benoeming en de 23 bevordering van het onderwijzend personeel onderworpen zijn. De faciliteitenregeling doet immers geen afbreuk aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe de randgemeenten behoren. B.13.
  69. De verplichtingen die inzake taalgebruik en taalkennis worden opgelegd aan diegenen die een ambt van lid van het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool in de randgemeenten wensen te bekleden, zijn verplichtingen die eigen zijn aan het ambt waarvoor de betrokken leerkracht kandideert. De vrijheid van onderwijs staat niet eraan in de weg dat aan hen bijkomende voorwaarden, zoals te dezen het gebruik en de kennis van de bestuurstaal, worden opgelegd op grond van de hierboven vermelde overwegingen, die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de gemeentelijke organisatie, waartoe men als personeelslid toetreedt. B.
  70. Artikel 24, § 1, van de Grondwet is derhalve niet geschonden. B.
  71. Het Hof dient de artikelen 1, § 1, 1°, 23 en 27 van de bestuurstaalwet eveneens te toetsen aan artikel 30 van de Grondwet, dat bepaalt : « Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ». B.
  72. De in het geding zijnde maatregelen zijn vervat in de artikelen 1, § 1, 1°, en 23 van de bestuurstaalwet en zij regelen het gebruik van de talen voor handelingen van het openbaar gezag. Er is dus voldaan aan de in artikel 30 van de Grondwet bepaalde voorwaarden voor de regeling van het taalgebruik. Om de in B.13.1 aangegeven redenen kan de wetgever niet worden verweten dat hij bij de regeling van het gebruik van de talen in bestuurszaken de fundamentele vrijheid van het individu om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, niet zou hebben verzoend met de goede werking van de lokale bestuursorganisatie. Artikel 27 van de bestuurstaalwet regelt niet het gebruik van de talen doch schrijft een taalkennisvereiste voor ten aanzien van diegenen die in een ambt of betrekking benoemd of 24 bevorderd kunnen worden in de plaatselijke diensten van de randgemeenten. Die bepaling is een noodzakelijk corrolarium van artikel 23 van de bestuurstaalwet en kan bijgevolg evenmin in strijd zijn met artikel 30 van de Grondwet. B.17.
  73. Wat betreft de toetsing aan het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 - in het bijzonder met paragraaf 4 - en met artikel 30 van de Grondwet, dient het Hof het in de prejudiciële vragen opgeworpen verschil in behandeling uitsluitend te onderzoeken op het vlak van het gebruik en de kennis van de bestuurstaal van, enerzijds, de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, die het bewijs dienen te leveren van de kennis van de bestuurstaal en van de onderwijstaal, en de leden van het onderwijzend personeel van andere gemeentelijke basisscholen, die uitsluitend het bewijs van de kennis van de onderwijstaal dienen te leveren. B.17.
  74. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bijzonder taalstatuut binnen een eentalig taalgebied, van de gemeente waarin de gemeentelijke basisschool is gevestigd waaraan de leden van het onderwijzend personeel zijn verbonden. B.17.
  75. De in artikel 23 van de bestuurstaalwet opgelegde regeling inzake het taalgebruik en de daarmee verbonden, in artikel 27 van die wet opgenomen taalkennisvereiste voor de leden van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, zijn pertinent om de door de wetgever nagestreefde doelstelling van de voorrang van de taal van het taalgebied te verwezenlijken. Die doelstelling vloeit voort uit de indeling van het grondgebied in vier taalgebieden, waarvan drie eentalige taalgebieden. Door te suggereren dat de leden van het onderwijzend personeel in de Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten uitsluitend de onderwijstaal machtig zouden moeten zijn, te dezen het Frans, wordt voorbijgegaan aan het feit dat de bestuurstaal en de onderwijstaal niet samenvallen, zoals dit wel het geval is voor de andere in de vergelijking begrepen leden van het onderwijzend personeel van gemeentelijke basisscholen. Dat verschil is het gevolg van de toekenning van faciliteiten inzake onderwijs aan de Franstalige ouders en 25 kinderen, vermeld in B.
  76. De toekenning van die faciliteiten kan niet ertoe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten betreffende het gebruik van de taal van het taalgebied en aan de vereiste taalkennis binnen de diensten van die gemeenten in het algemeen, en ten aanzien van het onderwijzend personeel van de Franstalige gemeentelijke basisscholen op hun grondgebied in het bijzonder. B.17.
  77. De in de artikelen 23 en 27 van de bestuurstaalwet opgenomen regeling inzake het gebruik van de Nederlandse taal en de vereiste taalkennis is niet onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Van de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in gemeenten die in het Nederlandse taalgebied zijn gelegen, zoals de randgemeenten, mag worden aangenomen dat zij het Nederlands gebruiken « in [hun] betrekkingen met de diensten waaronder [zij] ressorteren en [hun] betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad ». Het is evenmin onevenredig hun een taalkennis op te leggen die hen in staat moet stellen aan hun verplichtingen inzake het taalgebruik te voldoen. Artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 en artikel 27 van de bestuurstaalwet zijn niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 24, § 4, en 30 van de Grondwet. Wat betreft het bewijs van de kennis van de bestuurstaal B.
  78. Op grond van artikel 53 van de bestuurstaalwet - oorspronkelijk artikel 42 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken -, is alleen de Vaste Wervingssecretaris - thans de gedelegeerd bestuurder van het Selectiebureau van de federale overheid - bevoegd om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken. Blijkens het verwijzingsarrest in de zaak nr. 3647 zijn de leden van het onderwijzend personeel van Franstalige gemeentelijke basisscholen in de randgemeenten, als gemeenteambtenaren, voor het bewijs van hun taalkennis onderworpen aan het voormelde 26 artikel en dienen zij dat bewijs dienovereenkomstig te leveren. Het koninklijk besluit van 8 maart 2001 « tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 » (Belgisch Staatsblad, 31 maart 2001, eerste editie), bevat de regels die thans de organisatie en de inhoud van de verschillende soorten van taalexamens beheersen. B.
  79. Artikel 15 van de onderwijstaalwet, dat bepaalt op welke wijze het bewijs wordt geleverd van een grondige, respectievelijk een voldoende kennis van een taal bij toepassing van die wet, schendt volgens verschillende tussenkomende partijen de artikelen 24 en 30 van de Grondwet door niet in een afwijking te voorzien op artikel 53 van de bestuurstaalwet, of door minstens niet een vorm van gelijkwaardigheid of homologatie te omvatten. Aangezien, zoals uit het voormelde verwijzingsarrest blijkt, het bewijs van de taalkennis van de gemeenteambtenaren in de randgemeenten, met inbegrip van de ambtenaren die behoren tot het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool, wordt beheerst door een specifieke bepaling van de bestuurstaalwet, namelijk artikel 53, verschilt het in de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 3647 opgeworpen grondwettigheidsprobleem over de ontstentenis van een specifieke of een afwijkende bepaling in artikel 15 van de onderwijstaalwet, niet van de grieven van ongrondwettigheid die in dezelfde zaak zijn aangevoerd tegen artikel 53 van de bestuurstaalwet. Om die reden behoeft de prejudiciële vraag betreffende een leemte in artikel 15 van de onderwijstaalwet geen antwoord en beperkt het Hof zijn onderzoek tot artikel 53 van de bestuurstaalwet. B.
  80. Door uitsluitend Selor te machtigen om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken, heeft de wetgever beoogd een taalexamenstelsel uit te werken dat met de nodige waarborgen kon worden omringd (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 331/32, p. 3, en nr. 331/34, p. 2). Centraal georganiseerde taalexamens maken het mogelijk examenprogramma’s op te stellen die beantwoorden aan de specifieke vereisten waaraan de ambtenaren ingevolge de bestuurstaalwetgeving dienen te voldoen en 27 die bijgevolg kunnen afwijken van de vereisten waaraan die ambtenaren met toepassing van de onderwijstaalwet zijn onderworpen. Dat examenstelsel biedt bovendien de mogelijkheid op uniforme wijze de taalkennis te toetsen van diegenen die dergelijke examens dienen af te leggen. B.
  81. Het Hof ziet niet in op welke wijze artikel 24 van de Grondwet door artikel 53 van de bestuurstaalwet zou kunnen zijn geschonden. De vrijheid van onderwijs staat alvast niet eraan in de weg dat de wetgever voorziet in de organisatie van taalexamens waarin wordt gepeild naar de taalkennis van kandidaat-ambtenaren die aan de bestuurstaalwetgeving zijn onderworpen. B.
  82. Zoals vermeld in B.16 kon de wetgever, zonder artikel 30 van de Grondwet te schenden, de leden van het onderwijzend personeel in de Franstalige gemeentelijke basisscholen van de randgemeenten, onderwerpen aan de in artikel 27 van de bestuurstaalwet opgelegde taalkennisvereiste. Bijgevolg kon hij in artikel 53 van dezelfde wet evenzeer bepalen op welke wijze de bewijzen omtrent de bij die wet vereiste taalkennis worden uitgereikt. B.
  83. Het Hof dient nog te onderzoeken of artikel 53 van de bestuurstaalwet bestaanbaar is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie door de bevoegdheid tot het uitreiken van de bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uitsluitend aan Selor toe te vertrouwen. B.
  84. De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe al diegenen die door middel van een taalexamen dienen te bewijzen dat zij over de noodzakelijke taalkennis beschikken, op identieke wijze te behandelen. Die gelijke behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het onderworpen zijn aan de toepassing van de bestuurstaalwet, en is pertinent om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te verwezenlijken, namelijk de examens betreffende de taalkennis met voldoende waarborgen te omringen. B.
  85. Er dient evenwel te worden onderzocht of artikel 53 van de bestuurstaalwet, doordat het zich ertoe beperkt Selor te machtigen om de bewijzen van taalkennis uit te reiken, 28 zonder het vereiste niveau van de taalkennis van het personeel van het Franstalige basisonderwijs in de randgemeenten te preciseren, niet tot gevolg heeft dat categorieën van personen die zich in verschillende situaties bevinden, op dezelfde manier worden behandeld. In dat opzicht moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de leerkrachten al dan niet het bewijs van de kennis van het Nederlands als onderwijstaal hebben geleverd. B.26.
  86. Wanneer de kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente, zoals blijkt uit het verwijzingsarrest nr. 140.804, in het bezit zijn van een getuigschrift « grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs », uitgereikt door « de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap ingesteld ter uitvoering van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs », waaruit hun kennis van het Nederlands blijkt, is de verplichting om zich nogmaals te onderwerpen aan een door Selor georganiseerd taalexamen onevenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. B.26.
  87. Artikel 53 van de bestuurstaalwet is in die mate niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.27.
  88. Wanneer de kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente in het bezit zijn, zoals blijkt uit de verwijzingsarresten nrs. 140.805 en 140.803, van een bewijs waaruit blijkt dat zij het Frans als onderwijstaal kennen, is het gerechtvaardigd te eisen dat zij een kennis hebben van het Nederlands, met toepassing van de voormelde artikelen 23 en 27 van de bestuurstaalwet. B.27.
  89. Er dient evenwel rekening te worden gehouden met het feit dat die leerkrachten zijn benoemd om onderwijs in het Frans te verstrekken in scholen waarvan de onderwijstaal het Frans is. Bijgevolg is het niet verantwoord om voor hen dezelfde eisen inzake het niveau van de kennis van de taal van het taalgebied te stellen als voor de schooloverheden en de andere gemeentelijke ambtenaren. 29 B.27.
  90. In zoverre artikel 53 van de bestuurstaalwet geen bepaling bevat die de Koning machtigt Selor toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de uitgeoefende functie, heeft het onevenredige gevolgen. In die mate is het niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 30 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  91. Artikel 1, § 1, 1°, artikel 23 en artikel 27 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966, schenden noch artikel 24, noch artikel 30, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen.
  92. Artikel 53 van dezelfde wetten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het niet toestaat dat de kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente, die voor de bevoegde examencommissie het bewijs hebben geleverd van « grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs », worden vrijgesteld van het door Selor georganiseerde examen.
  93. Artikel 53 van dezelfde wetten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het geen bepaling bevat die de Koning machtigt Selor toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de functie die wordt uitgeoefend door een lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een randgemeente.
  94. De prejudiciële vraag betreffende artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 mei
  95. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.