id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.066 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060503.1 Arrest- Rolnummer: 66/2006;3758 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-07 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-30 13:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1976 - 57,§2 - 01 Link Justel databank 19760717-01 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 2.2 - 35 Link Justel databank 19891120-35 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 3.2 - 35 Link Justel databank 19891120-35 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 9 - 35 Link Justel databank 19891120-35 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 10 - 35 Link Justel databank 19891120-35 Tekst van de beslissing Rolnummer 3758 Arrest nr. 66/2006 van 3 mei 2006 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 juli 2005 in zake M. Simba Marcillo en M. Valencia Sanchez tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 juli 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, zoals laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10, in het bijzonder, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, en zulks in vergelijking met de situatie van Belgische kinderen geboren uit Belgische ouders of vreemdelingen die echter toegelaten zijn tot het verblijf, of met de situatie van vreemde kinderen van vreemde ouders met onwettig verblijf, in zoverre het, ten aanzien van personen van vreemde nationaliteit, met onwettig verblijf in België, het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, wanneer die personen de ouders zijn van een kind van Belgische nationaliteit, in zoverre het niet toestaat dat aan dat kind de vorm van hulpverlening wordt verleend waarin het eerste lid, 2°, ervan voorziet en in zoverre het evenmin de vreemde ouders zou toestaan hulp te ontvangen voor het kind in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - M. Simba Marcillo en M. Valencia Sanchez, wonende te 1060 Brussel, Villalaan 12/2; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. B. Voos, advocaat bij de balie te Brussel, voor M. Simba Marcillo en M. Valencia Sanchez; . Mr. S. Leroy loco Mr. D. Gérard en Mr. V. Rigodanzo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisers voor de Arbeidsrechtbank te Brussel verblijven illegaal in België; zij zouden op een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken wachten als antwoord op hun aanvraag tot machtiging in het Rijk te mogen verblijven, ingesteld op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, en zij zouden tegen de regularisatieweigering van de Dienst Vreemdelingenzaken een beroep tot vernietiging en tot schorsing hebben ingesteld bij de Raad van State, maar het aan de verwijzende rechter voorgelegde dossier bevat geen enkel spoor van die procedurestappen. Zij hebben het centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis gedagvaard teneinde met name hulp te verkrijgen die gelijkwaardig is aan het leefloon tegen het gezinstarief en aan de kinderbijslag, door te doen gelden dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zich verzet tegen de toepassing van artikel 57, § 2, van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, aangezien zij de ouders zijn van een kind dat in 2002 in België geboren is, ten aanzien van wie de verwijzende rechter de Belgische nationaliteit vaststelt - die zich verzet tegen de uitzetting van dat kind - en ten aanzien van wie het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn exclusief een sociale dienstverlening in natura heeft toegekend. Volgens de verwijzende rechter beogen noch de wet van 15 december 1980, noch artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 een situatie waarin de ouders, met illegaal verblijf, enkel recht hebben op dringende medische hulp en niet op maatschappelijke dienstverlening terwijl het Belgische kind aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening maar niet wordt beoogd in artikel 57, § 2, zoals gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003, vermits het geen minderjarige met onwettig verblijf is. In die situatie zijn sommigen van oordeel dat, aangezien aan het kind van Belgische nationaliteit geen bevel om het grondgebied te verlaten kan worden betekend, de moeder niet kan worden uitgezet, met toepassing van het recht op de eerbiediging van het gezinsleven, waardoor haar situatie wordt gelijkgesteld met een absolute onmogelijkheid om het grondgebied te verlaten, in de zin zoals bedoeld in het arrest nr. 80/99 van het Arbitragehof; anderen zijn van mening dat het kind, zelfs van Belgische nationaliteit, slechts rechten heeft, rekening houdend met de rechten van zijn ouders en bijgevolg ertoe kan worden gebracht de uitgezette ouder te volgen. De verwijzende rechter heeft beslist aan het Hof de hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen; intussen heeft hij beslist het kind een naar billijkheid geraamde maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad brengt de feiten van de zaak in herinnering en is voorafgaandelijk van mening dat de prejudiciële vraag niet dient te worden beantwoord, omdat zij onterecht uitgaat van de stelling dat de Belgische kinderen geboren uit vreemde ouders, - te dezen Ecuadoranen - met onwettig verblijf geen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening. Het kind met Belgische nationaliteit wordt beoogd in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en niet in artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, van die wet. Niets belet de ouders van een Belgisch kind overigens om de rechten van dat kind uit te oefenen. A.2.
- De ouders van het kind, die optreden in hun eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van dat kind, brengen de feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil in herinnering. Zij zetten uiteen dat met het arrest nr. 80/99 artikel 57, § 2, werd afgekeurd, in zoverre het van toepassing was op vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die, om medische redenen, in de onmogelijkheid zijn eraan gevolg te geven. Zij zijn van mening dat, hoewel zij geen verblijfsvergunning hebben, zij tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om naar hun land terug te keren vanwege hun uiterst ingewikkelde situatie die voortvloeit uit het feit dat zij het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten maar dat zij de ouders zijn van een kind wiens Belgische nationaliteit hen in staat stelt te hopen op een regularisatie van hun situatie, zij het tijdelijk, door middel van een verzoek tot gezinshereniging, waarbij het recht op verblijf van de ouders in een dergelijk geval wordt erkend, niet op grond van de wet van 15 december 1980 maar wel op grond 4 van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van artikel 3 van het vierde Protocol bij dat Verdrag en van de artikelen 2, 3, 10 en 16 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. A.2.
- Zij zetten uiteen dat het koninklijk besluit van 24 juni 2004 waarbij de voorwaarden worden bepaald voor het verlenen van materiële hulp ten gunste van een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal op het Belgisch grondgebied verblijft (genomen ter uitvoering van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976, gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003) te dezen niet kan worden toegepast, vermits het met name vereist dat het kind en zijn ouders illegaal op het grondgebied verblijven, wat niet het geval is voor het kind dat de Belgische nationaliteit heeft. A.2.
- Zij betogen dat een maatregel van verwijdering van de ouders de artikelen 2 en 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou schenden, in zoverre die maatregel ofwel ertoe zou leiden dat het kind alleen in België wordt gelaten terwijl artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat kind het recht verleent om samen te leven met zijn ouders, ofwel dat het het land waarvan het een onderdaan is moet verlaten om zich naar een land te begeven dat wordt geconfronteerd met een rampzalige situatie en waarmee het geen enkele band heeft. Een maatregel van verwijdering zou een onevenredige maatregel vormen die strijdig is met het voormelde artikel
- Volgens hen schendt de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet afzonderlijk of in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het een verschillende behandeling invoert tussen, enerzijds, een Belgisch kind wiens vreemde ouders niet worden toegelaten tot het verblijf en voor wie het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt beperkt tot de dringende medische hulp en, anderzijds, een Belgisch of een vreemd kind dat toegelaten is tot het verblijf en wiens ouders Belg of vreemdeling zijn die toegelaten zijn tot het verblijf en voor wie het recht op maatschappelijke dienstverlening niet wordt beperkt tot de dringende medische hulp én, in zoverre het een verschillende behandeling invoert tussen, enerzijds, een Belgisch kind wiens vreemde ouders niet worden toegelaten tot het verblijf en, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers, voor het kind geen maatschappelijke dienstverlening kunnen ontvangen tegen het tarief dat is vastgesteld voor personen met een gezin ten laste en, anderzijds, een Belgisch kind van Belgische ouders of een vreemd kind dat toegelaten is tot het verblijf en geboren is uit ouders die toegelaten zijn tot het verblijf en, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers, voor het kind geen maatschappelijke dienstverlening kunnen ontvangen tegen het tarief dat is vastgesteld voor personen met een gezin ten laste. Met andere woorden, die beide categorieën van personen bevinden zich in identieke situaties en worden verschillend behandeld zowel wat betreft de toegekende maatregel van maatschappelijke dienstverlening als wat het toegepaste tarief betreft. Zij zijn daarentegen van mening dat, op grond van artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, een Belgisch kind wiens vreemde ouders niet toegelaten worden tot het verblijf en ten aanzien van wie artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, niet moet worden toegepast, en een vreemd kind dat niet toegelaten is tot het verblijf en wiens ouders a fortiori niet toegelaten worden tot het verblijf, en ten aanzien van wie artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, niet dient te worden toegepast, verschillend kunnen worden behandeld. Die kinderen bevinden zich in fundamenteel verschillende situaties. Het gaat om categorieën van personen die niet met elkaar vergelijkbaar zijn, vermits de ene Belg is en per definitie toegelaten is tot het verblijf op het grondgebied van de Staat waarvan hij onderdaan is en de andere een vreemdeling is die niet toegelaten is tot het verblijf, zodat de gedifferentieerde behandeling verantwoord is. A.2.
- In hun memorie van antwoord zijn zij van mening dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is of op zijn minst niet gegrond bij gebrek aan een voorwerp en dat ze niet dient te worden beantwoord; zij brengen de beperkingen van het recht op maatschappelijke dienstverlening in herinnering, die voortvloeien uit artikel 57, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 8 juli 1976 en doen gelden dat het discriminerend zou zijn de maatschappelijke dienstverlening te weigeren aan een Belgisch kind wiens ouders illegaal op het grondgebied verblijven, en dat dan minder goed zou worden behandeld dan een kind dat illegaal op het grondgebied verblijft en wiens ouders zich in dezelfde situatie bevinden en aan wie hulp in natura in een centrum zou worden toegekend. Iets anders is de vraag of er een discriminerende behandeling bestaat tussen, enerzijds, een Belgisch kind wiens ouders illegaal op het grondgebied verblijven en dat recht heeft op maatschappelijke dienstverlening krachtens artikel 57, § 1, van de voormelde wet en, anderzijds, een kind dat illegaal op het grondgebied verblijft en wiens ouders zich in dezelfde situatie bevinden en aan wie hulp in natura wordt toegekend in een federaal centrum krachtens artikel 57, § 2, eerste lid, 2°. De ouders van het Belgisch kind bevinden zich in een situatie die kan worden gelijkgesteld met overmacht die hen verhindert gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten om reden van het bestaan van een gezinsleven met dat kind. Het is bijgevolg verantwoord dat artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, niet wordt toegepast op dat kind, dat zich in een fundamenteel verschillende situatie bevindt. De hulp die aan dat kind moet worden toegekend, is de hulp die het meest adequaat is, rekening houdend met zijn materiële of affectieve behoeften; artikel 57, § 2, is niet op dat kind toepasbaar, in tegenstelling tot de hulp bedoeld in §
- 5 A.3.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag, die onduidelijk is, zonder voorwerp is, waarvan de eisers voor de verwijzende rechter akte nemen. A.3.
- De Ministerraad is van mening dat de situatie van de meerderjarige vreemdelingen met onwettig verblijf niet op relevante wijze kan worden vergeleken met die van de minderjarigen met wettig of onwettig verblijf en dat artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, niet toepasbaar is op het kind met Belgische nationaliteit wiens ouders vreemdelingen zijn en illegaal op het grondgebied verblijven (bedoeld in de vraag en in artikel 1 van de wet van 1976 waarbij aan dat kind maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend) maar enkel op de vreemde kinderen met onwettig verblijf. A.3.
- In ondergeschikte orde acht de Ministerraad de door de rechter gemaakte verwijzing naar het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind niet relevant, aangezien dat Verdrag geen rechtstreekse werking heeft, zoals is beslist door het Hof van Cassatie en de Raad van State. A.3.
- Hij is van mening dat de eisers voor de verwijzende rechter de prejudiciële vraag hebben begrepen als volgt : - de meerderjarige vreemdelingen met onwettig verblijf die een kind van Belgische nationaliteit ten laste hebben zouden enkel recht hebben op dringende medische hulp (A.3.5); - de Belgische kinderen van ouders met onwettig verblijf zouden niet de hulp kunnen genieten bedoeld in artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juli 1976, dat wil zeggen een materiële hulp die wordt verstrekt in een federaal opvangcentrum (A.3.6); - de ouders met onwettig verblijf die een kind van Belgische nationaliteit ten laste hebben, zouden niet de hulp voor hun kind kunnen ontvangen in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers (A.3.7). A.3.
- Wat betreft het eerste aspect, is de Ministerraad van mening dat de verwijzende rechter, door de gelijke behandeling te bekritiseren van de vreemdelingen met onwettig verblijf die geen maatschappelijke dienstverlening zouden kunnen genieten, enerzijds, in het geval waarin hun kind Belg zou zijn en, anderzijds, in het geval waarin het een niet tot het verblijf toegelaten vreemdeling zou zijn, de vraag stelt of de wetgever, door de maatschappelijke dienstverlening af te schaffen voor elke vreemdeling met onwettig verblijf en die een kind van Belgische nationaliteit ten laste heeft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; met andere woorden, vormt de aanwezigheid van een kind met Belgische nationaliteit, ten aanzien van zijn ouders met onwettig verblijf, een geval van overmacht dat elke terugkeer naar hun land van oorsprong onmogelijk maakt ? Hij stelt vast dat het begrip geval van overmacht, dat een vreemdeling verhindert gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten ter discussie staat in de rechtspraak van verschillende rechtscolleges, maar dat het feit dat de eisers de ouders zijn van een kind met Belgische nationaliteit niet een dergelijk geval vormt, in de zin van de definities die door die rechtscolleges in aanmerking zijn genomen : zij hadden immers voor hun kind gemakkelijk de Ecuadoraanse nationaliteit kunnen verkrijgen. De Raad van State heeft hun houding bekritiseerd en heeft overigens, zoals het Hof van Cassatie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geoordeeld dat het feit dat vreemde ouders met onwettig verblijf een kind hebben met Belgische nationaliteit geen uitzonderlijke omstandigheid vormde die elke terugkeer naar het land van oorsprong onmogelijk maakt. Ofschoon het juist is dat een dergelijk kind om reden van zijn Belgische nationaliteit niet het land kan worden uitgezet, kan het aldus evenmin van zijn ouders worden gescheiden op straffe van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Alhoewel dat kind het recht heeft op het grondgebied te blijven, verhindert dat recht het kind echter evenmin het grondgebied te verlaten. Zijn Belgische nationaliteit vormt geenszins een belemmering om zijn ouders te volgen, waarheen die ook mogen gaan (zie Arbeidsrechtbank Brussel, 2 februari 2005, Algemene Rol 84.677/04). A.3.
- Wat het tweede aspect betreft, brengt de Ministerraad in herinnering dat het Belgisch kind wiens ouders illegaal op het grondgebied verblijven maatschappelijke dienstverlening kan genieten krachtens artikel 1 van de wet van 8 juli
- A.3.
- Wat het derde aspect betreft, betwist de Ministerraad dat de ouders die onwettig op het grondgebied verblijven, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers niet de maatschappelijke dienstverlening die aan hun kind verschuldigd is, zouden kunnen ontvangen, aangezien niets in ons rechtsbestel de ouders van een Belgisch kind - ongeacht of zij al dan niet illegaal op het grondgebied verblijven - verhindert om de rechten van 6 dat kind uit te oefenen. Die dienstverlening is een maatschappelijke dienstverlening en geen leefloon. In hun memorie van antwoord delen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter die mening. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : organieke O.C.M.W.-wet), zoals gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003, dat bepaalt : « In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning. De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden. De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het 7 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring. Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van artikel 77bis, § 4bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter ». B.
- Het Hof wordt verzocht artikel 57, § 2, van de organieke O.C.M.W.-wet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind : - in zoverre het, ten aanzien van personen van vreemde nationaliteit met onwettig verblijf in België het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, ook wanneer die personen de ouders zijn van een kind van Belgische nationaliteit; - in zoverre het niet toestaat dat aan het kind de vorm van hulpverlening wordt toegekend waarin het eerste lid, 2°, ervan voorziet; - in zoverre het evenmin de vreemde ouders toestaat hulp te ontvangen voor het kind in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers, aangezien die vreemde ouders enkel maatschappelijke dienstverlening kunnen krijgen die beperkt is tot dringende medische hulp. B.
- Uit de elementen van het dossier blijkt dat de zaak betrekking heeft op ouders van Ecuadoraanse nationaliteit met onwettig verblijf en hun kind, dat in België is geboren. De verwijzende rechter is van oordeel dat dat kind de Belgische nationaliteit heeft krachtens, enerzijds, artikel 10 van de wet van 28 juni 1984 « betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit », volgens hetwelk Belg is het kind geboren in België dat, vóór de leeftijd van 18 jaar of vóór zijn ontvoogding, staatloos zou zijn, indien het niet die nationaliteit bezat, zolang niet is aangetoond dat het een vreemde nationaliteit bezit, en, anderzijds, bepalingen van het Ecuadoraans recht waarbij de Ecuadoraanse nationaliteit enkel wordt toegekend aan kinderen die op het grondgebied van dat land zijn geboren. 8 B.
- Te dezen heeft een kind van Belgische nationaliteit recht op volledige maatschappelijke dienstverlening krachtens artikel 1, eerste lid, van de organieke O.C.M.W.-wet, dat bepaalt : « Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid ». Het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag is derhalve zonder voorwerp. B.5.
- Volgens de rechtspraak van zowel de Raad van State als van de hoven en rechtbanken kan het persoonlijk recht op maatschappelijke dienstverlening worden uitgeoefend door zowel de minderjarige zelf als door diens wettelijke vertegenwoordigers. In tegenstelling tot wat in het verwijzingsvonnis is vermeld, wijzigt de omstandigheid dat de ouders van het kind onwettig op het grondgebied verblijven, overigens niet de rechten en plichten die voortvloeien uit het ouderlijk gezag en verhindert die omstandigheid de ouders bijgevolg niet om de rechten van hun kind uit te oefenen door namens het kind, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers, de maatschappelijke hulpverlening te ontvangen waarop dat kind recht heeft. Het derde onderdeel van de prejudiciële vraag is derhalve zonder voorwerp. B.5.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het Hof nog moet onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie inhoudt in zoverre ze, ten aanzien van personen van vreemde nationaliteit met onwettig verblijf in België, het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp, ook wanneer die personen de ouders zijn van een kind van Belgische nationaliteit. B.6.
- Artikel 57 van de organieke O.C.M.W.-wet maakt inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. Sinds de wet van 30 december 1992 verduidelijkt artikel 57, § 2, dat de maatschappelijke dienstverlening aan illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen wordt beperkt tot dringende medische hulp. Die maatregel strekt ertoe de 9 wetgeving betreffende het verblijfsstatuut van de vreemdelingen en diegene betreffende de maatschappelijke dienstverlening beter op elkaar af te stemmen. B.6.
- Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking kunnen hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in België al dan niet wettig is. Dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen is het logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid. B.6.
- Wanneer de wetgever een vreemdelingenbeleid wil voeren en met het oog daarop regels oplegt waaraan moet worden voldaan om wettig op het grondgebied te verblijven, hanteert hij een objectief en pertinent criterium van onderscheid indien hij aan het al dan niet naleven daarvan gevolgen verbindt bij het toekennen van maatschappelijke dienstverlening. Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en verblijf van vreemdelingen zou immers worden doorkruist wanneer zou worden aangenomen dat aan vreemdelingen die onwettig in België verblijven, dezelfde maatschappelijke dienstverlening moet worden verleend als aan degenen die wettig in België verblijven. Het verschil tussen beide categorieën van vreemdelingen verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van hen niet dezelfde verplichtingen rusten. B.6.
- Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de ouders met onwettig verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, een aanvraag tot machtiging zouden hebben ingediend om langer dan de in artikel 6 van die wet bepaalde termijn in het land te verblijven en bij de Raad van State een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging van de weigering van regularisatie door de Dienst Vreemdelingenzaken zouden hebben ingesteld. In hun memorie vermelden de eisers voor de verwijzende rechter een arrest van de Raad van State van 29 augustus 2005 (nr. 148.392) waarbij het beroep tot vernietiging van de beslissing waarbij een aanvraag tot machtiging tot verblijf wegens buitengewone omstandigheden onontvankelijk wordt verklaard, wordt verworpen. Het is niet onredelijk dat, aangezien die machtiging niet werd verleend, de aan de eisers gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening aldus beperkt is tot dringende medische hulp. 10 B.
- In het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dient het Hof evenwel nog na te gaan of de illegaal op het grondgebied verblijvende personen, wat de maatschappelijke dienstverlening betreft, anders zouden moeten worden behandeld dan andere illegale vreemdelingen of op dezelfde wijze zouden moeten worden behandeld als legaal op het grondgebied verblijvende personen, omdat zij de ouders zijn van een kind van Belgische nationaliteit dat legaal op het grondgebied verblijft. B.
- Het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind strekt ertoe het kind de « harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid » in zijn gezin te waarborgen. Artikel 2.2 van dat Verdrag verplicht de Staten die er partij bij zijn « alle passende maatregelen [te nemen] om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden […] van de ouders ». Artikel 3.2 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat « de Staten die partij zijn, […] zich ertoe [verbinden] het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, […] en […] hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen [nemen] ». De artikelen 9 en 10 van dat Verdrag strekken ertoe het gezinsleven van het kind met zijn ouders te beschermen, door te bepalen dat « de Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten […] beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind » (artikel 9) en dat « aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed [worden] behandeld » (artikel 10). B.
- Aan het Hof is niet gevraagd of het feit dat een persoon van vreemde nationaliteit de ouder is van een kind van Belgische nationaliteit, voor die ouder een recht tot verblijf op het grondgebied moet openen. Het Hof moet dus niet onderzoeken of de artikelen 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind in acht zijn genomen. 11 B.
- Om de in B.6.1 tot B.6.4 uiteengezette redenen is het feit dat een volwassen persoon met illegaal verblijf voor zichzelf geen recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangezien het Belgische kind van die persoon recht heeft op dienstverlening voor zichzelf, worden de artikelen 2.2 en 3.2 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind niet geschonden. Dat geldt des te meer daar het feit dat de ouder met illegaal verblijf van een kind dat wettig op het grondgebied verblijft geen eigen recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening, niet impliceert dat geen rekening dient te worden gehouden met de specifieke gezinssituatie bij de toekenning van hulpverlening aan het kind. Het staat aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om binnen de perken van zijn wettelijke opdracht en, in geval van conflict aan de rechter, om het meest geëigende middel te kiezen teneinde het hoofd te bieden aan de reële en huidige behoeften van de minderjarige, teneinde hem de vrijwaring van zijn gezondheid en zijn ontwikkeling te verzekeren. Aangezien bij de toekenning van maatschappelijke dienstverlening alle behoeften van het kind in aanmerking dienen te worden genomen, moet, voor de vaststelling van de aan dat kind toe te kennen maatschappelijke dienstverlening, rekening worden gehouden met de gezinssituatie van het kind alsmede met de omstandigheid dat het recht op maatschappelijke dienstverlening van diens ouders met illegaal verblijf wordt beperkt tot de dringende medische hulpverlening. B.
- Onder het in B.10 vermelde voorbehoud, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div