← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.067 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060503.4 Arrest- Rolnummer: 67/2006;3763 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-06-30 14:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, ingesteld door I. Oellibrandt. Wettelijke bepalingen: Wet - 02-02-2005 - 34 ELI link Pub nr 2005009112 Tekst van de beslissing Rolnummer 3763 Arrest nr. 67/2006 van 3 mei 2006 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, ingesteld door I. Oellibrandt. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 augustus 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 augustus 2005, heeft I. Oellibrandt, wonende te 9120 Beveren, Kruibekesteenweg 109/1, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2005). Memories zijn ingediend door : - de n.v. EB-Lease, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. A.-C. Van den Daelen, advocaat bij de balie te Brussel, loco M. Van den Daelen, advocaat bij de balie te Gent, voor de n.v. EB-Lease; . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.

  1. De verzoekende partij was echtgenote van een handelaar die op 11 augustus 1998 failliet werd verklaard. Op 2 september 1998 werd de echtscheiding uitgesproken. De verzoekende partij wordt aangesproken door de schuldeisers van haar voormalige echtgenoot omdat zij samen met hem de verbintenissen was aangegaan of zich borg had gesteld. Daarnaast wordt zij aansprakelijk gesteld voor de betaling van inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar 1999, op de inkomsten van haar voormalige echtgenoot. Op 28 februari 2005 werd het faillissement gesloten verklaard en werd haar voormalige echtgenoot niet verschoonbaar verklaard. Het derdenverzet dat de verzoekende partij tegen dat vonnis instelde, werd door de rechtbank afgewezen omdat de gefailleerde grove fouten zou hebben begaan en daarom niet verschoonbaar zou kunnen worden verklaard. 3 De verzoekende partij voert aan dat zij door de bestreden wet wordt gediscrimineerd omdat de bevrijding van de verplichting om de schuld van de gefailleerde te betalen wordt voorbehouden aan de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde en dus niet zou gelden voor een voormalige echtgenoot van een niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde. A.
  2. De Ministerraad en de n.v. EB-Lease betwisten het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden wet. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet leidt de Ministerraad af dat hetgeen door de verzoekende partij wordt bestreden niet het gevolg is van de bestreden wet maar van een wet die reeds eerder in de Belgische rechtsorde werd opgenomen. De vernietiging van de bestreden wet zou de verzoekende partij derhalve geen voordeel verschaffen in vergelijking met de voorheen reeds bestaande stand van de wetgeving. Ten gronde A.3.
  3. Het eerste middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partij voert aan dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van de niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde doordat zij automatisch gelijk met hem wordt behandeld en de gevolgen van zijn niet-verschoonbaarheid moet dragen, terwijl haar situatie grondig verschillend is. Zij acht zich ook gediscrimineerd ten opzichte van echtgenoten van verschoonbaar verklaarde gefailleerden doordat zij wel de gevolgen van de verschoonbaarheid genieten, niet wegens hun eigen gedrag maar louter omdat hun echtgenoot ongelukkig en te goeder trouw werd geacht. Ten slotte meent de verzoekende partij dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van niet ongelukkige en niet te goeder trouw zijnde echtgenoten van niet verschoonbaar verklaarde gefailleerden, doordat zij op gelijke voet met hen wordt behandeld terwijl haar situatie anders zou zijn. A.3.
  4. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden wet niet ertoe strekt de eventuele bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde te regelen, doch enkel de door het Hof in het arrest nr. 78/2004 vastgestelde discriminatie weg te werken. Het bekritiseerde verschil in behandeling zou derhalve niet door de bestreden wet zijn ontstaan. Bovendien zou de verzoekende partij voorbijgaan aan het feit dat de verschoonbaarheid, als instrument in de regeling van het faillissement, verbonden is aan de persoon van de gefailleerde. De Ministerraad ziet niet in hoe op pertinente wijze rekening zou kunnen worden gehouden met het gedrag van de verzoekende partij, die zich nooit met de handelszaak heeft beziggehouden. De vergelijking met de echtgenotes van verschoonbaar verklaarde gefailleerden gaat volgens de Ministerraad evenmin op nu het Hof reeds herhaaldelijk voor recht heeft gezegd dat de verschoonbaarheid op zichzelf beschouwd niet discriminerend is. Ten slotte zou ook de vergelijking met de echtgenoten van niet verschoonbaar verklaarde gefailleerden die zelf ook niet ongelukkig en te goeder trouw waren niet opgaan aangezien het gedrag van de laatstgenoemden evenmin moet worden onderzocht. A.3.
  5. Volgens de n.v. EB-Lease is niet de feitelijke toestand van de echtgenoot of borg bepalend, maar wel de juridische toestand. De feitelijke toestand betreft het al dan niet te goeder trouw zijn van de echtgenoot of borg. De juridische toestand betreft de rechtsverhouding tussen hoofdschuldenaar en echtgenoot of borg die in aanmerking moet worden genomen, rekening houdend met de finaliteit van de zekerheidstelling en de daarmee gepaard gaande belangen van de schuldeisers. Er bestaat met andere woorden voor het uitsluiten van het eigen gedrag van de zekerheidsteller als aanknopingspunt een objectieve en redelijke verantwoording. In het licht van de doelstelling van de verschoonbaarheid kunnen alleen de gedragingen van de gefailleerde bepalend zijn, anders zouden de belangen van de schuldeisers, die in de zekerheidsteller precies een waarborg hebben gezien tegen onvermogen van de hoofdschuldenaar, op onevenredige wijze worden aangetast en zou de zekerheidsteller, in het kader van een feit dat hem vreemd is, aanspraak kunnen maken op bevrijding. A.4.
  6. De verzoekende partij leidt het tweede middel af uit een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij voert aan dat zij geen gelijke toegang heeft tot de rechter om haar verschoonbaarheid of bevrijding, los van de verschoonbaarheid van de gefailleerde te laten beoordelen. Bovendien voert zij een schending aan van haar recht op een eerlijk proces omdat de bestreden wet niet in overgangsbepalingen heeft voorzien voor lopende faillissementsprocedures waarin rechtsmiddelen worden aangewend in verband met de verschoonbaarheid. Zij wijst erop dat haar derdenverzet tegen het vonnis waarbij haar voormalige echtgenoot 4 niet verschoonbaar werd verklaard, werd afgewezen omdat de vordering de belangen van de schuldeisers raakte en de wet niet in de mogelijkheid voorzag om die schuldeisers opnieuw bijeen te roepen over de verschoonbaarheid bij derdenverzet. A.4.
  7. De Ministerraad is van oordeel dat de wetgever die een reparatiewet goedkeurt ten gevolge van een arrest van het Hof, niet kan worden verweten van die gelegenheid geen gebruik te hebben gemaakt om ook nog andere, al dan niet vermeende, problemen te regelen. Dit is des te meer het geval daar de Minister van Justitie, tijdens de debatten over de bestreden wet, heeft aangekondigd dat een ander wetsvoorstel in de maak was om verschillende andere problemen op te lossen. Indien er toch sprake zou zijn van een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen, dan zou dat volgens de Ministerraad te wijten zijn aan een wettelijke leemte en zou het aan de wetgever toekomen om de voorwaarden voor de eventuele gerechtelijke bevrijding van de echtgenoot te regelen. A.4.
  8. De n.v. EB-Lease merkt op dat de zekerheidstellers, indien zij hun vordering in het faillissement hebben ingediend, opgeroepen worden voor de vergadering der schuldeisers ter gelegenheid van de sluiting en behandeling van de verschoonbaarheid, dat zij kunnen tussenkomen in de procedure als derde belanghebbende en dat zij minstens derdenverzet kunnen aantekenen tegen de beslissing over de verschoonbaarheid. Zij kunnen in dat verband alle middelen laten gelden die zij opportuun achten zodat er geen sprake kan zijn van een beperking van de rechten van verdediging in vergelijking met de gefailleerde zelf. De tussenkomende partij verwijst ook naar het arrest nr. 76/2004 van het Hof. A.5.
  9. Het derde middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partij voert aan dat de automatische doorwerking van de niet-verschoonbaarheid tot gevolg heeft dat ook de strafbare gedragingen en de strafrechtelijke veroordeling van haar voormalige echtgenoot in haar nadeel doorwerken. In werkelijkheid wordt haar lot daardoor afhankelijk gemaakt van de gedragingen van een derde, zonder dat zij zich tot de rechter kan wenden en in het bijzonder tot de rechter die uitspraak doet over de verschoonbaarheid. Die situatie zou niet alleen een discriminatie inhouden ten opzichte van de gefailleerde en de echtgenoten die het automatisme van de verschoonbaarheid van hun gefailleerde echtgenoot kunnen genieten, maar ook een discriminatie ten opzichte van elke andere burgerlijke partij die haar vordering ten opzichte van een beklaagde ingewilligd ziet en geen burgerrechtelijke gevolgen ondervindt van de veroordeling van die beklaagde. A.5.
  10. De Ministerraad merkt allereerst op dat de verzoekende partij geen enkele straf werd opgelegd zodat van een schending van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. Voorts zou de verzoekende partij over het hoofd zien dat de burgerlijke partijstelling voor de strafrechter haar in staat stelt een vergoeding te vragen voor alle schadelijke gevolgen van de door haar voormalige echtgenoot gepleegde misdrijven, met inbegrip van de gevolgen van de niet-verschoonbaarverklaring. Van een gebrek aan toegang tot de rechter kan derhalve geen sprake zijn. A.5.
  11. Volgens de n.v. EB-Lease faalt het middel naar recht in zoverre het uitgaat van een automatische doorwerking van de strafrechtelijke veroordeling. De strafrechtelijke veroordeling wordt in de beoordeling van de verschoonbaarheid immers op dezelfde wijze in rekening gebracht als alle andere relevante feiten in verband met de vraag of de gefailleerde in de toekomst een betrouwbare handelspartij zal zijn. De tussenkomende partij is voor het overige van oordeel dat de onverschoonbaarheid geen gevolg is van de strafrechtelijke veroordeling en dat de burgerrechtelijke gevolgen van een misdrijf tussen dader en slachtoffer zijn gesitueerd en niet tussen de schuldeisers van de gefailleerde en de personen die zich voor die schulden borg hebben gesteld. A.6.
  12. De verzoekende partij leidt het vierde middel af uit een schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij voert aan dat haar eigendomsrecht op willekeurig wijze wordt aangetast aangezien zij door de niet-verschoonbaarheid van haar voormalige echtgenoot met haar eigen goederen zou moeten instaan voor diens schulden. A.6.
  13. Dat iemand die zich persoonlijk zeker stelt voor de schulden van een ander in voorkomend geval met zijn eigen goederen voor die schuld moet instaan, is logisch. De Ministerraad zegt niet in te zien met welk ander patrimonium dit zou kunnen gebeuren. Uit dat logische en onvermijdelijke gevolg van de 5 zekerheidstelling voor iemand anders schulden zou geen schending van het eigendomsrecht kunnen worden afgeleid, zo niet zou iedere zekerheidstelling onmogelijk worden. A.6.
  14. De n.v. EB-Lease merkt op dat de aangeklaagde discriminatie niet aan de bestreden norm is toe te schrijven maar aan de feitelijke gevolgen ervan. De beoordeling van feitelijke toestanden zou geen aanleiding kunnen geven tot het vaststellen van een discriminatie. Voor het overige zou de vaststelling dat de bevrijding van de zekerheidsteller wordt beoordeeld zonder rekening te houden met zijn gedragingen, verantwoord zijn in het licht van de doelstelling van de verschoonbaarheid, rekening houdend met alle in het geding zijnde belangen. A.7.
  15. Het vijfde middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij voert aan dat de bestreden wet de gevolgen van de verschoonbaarverklaring voorbehoudt aan de echtgenoten van gefailleerden en aldus de voormalige echtgenoten zou uitsluiten. A.7.
  16. Naar het oordeel van de Ministerraad heeft de verzoekende partij geen belang bij het middel. Zelfs indien de bestreden wet zou worden geïnterpreteerd zoals de verzoekende partij dat doet en daaruit een schending van de aangevoerde bepalingen zou blijken, dan nog zou een vernietiging de situatie van de verzoekende partij niet wijzigen. Met of zonder uitdrukkelijke verwijzing in de bestreden wet naar de voormalige echtgenoot, blijft het immers zo dat de voormalige echtgenoot van de verzoekende partij onverschoonbaar werd verklaard. A.7.
  17. Ook de n.v. EB-Lease betwist het belang bij het middel. In ondergeschikte orde is zij van oordeel dat er een objectieve verantwoording bestaat voor het uitsluiten van de uit de echt gescheiden echtgenoot. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring tot de echtgenoot strekt immers ertoe het gemeenschappelijk vermogen te vrijwaren en te verhinderen dat de gefailleerde onrechtstreeks het voordeel van de verschoonbaarverklaring zou worden ontnomen door vervolging tegen zijn echtgenote lastens het gemeenschappelijk vermogen. Na een echtscheiding is er geen gemeenschappelijk vermogen meer. -B- B.
  18. De bestreden wet heeft artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 vanaf 21 februari 2005 door de volgende bepaling vervangen : « De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  19. De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij omdat de vernietiging van de bestreden wet de verzoekende partij geen voordeel zou verschaffen. Om dezelfde reden betwisten zij het belang van de verzoekende partij bij het vijfde middel. 6 B.2.
  20. De verzoekende partij is de voormalige echtgenote van een niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Zij wordt aangesproken voor de schulden waarvoor zij zich persoonlijk aansprakelijk had gesteld alsook voor de inkomstenbelastingen op de inkomsten van haar voormalige echtgenoot. Zij voert aan dat zij door de bestreden wet wordt gediscrimineerd omdat de bevrijding van de verplichting om de schuld van de gefailleerde te betalen wordt voorbehouden aan de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde en dus niet zou gelden voor een voormalige echtgenoot van een niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde. B.2.
  21. Wanneer wetsbepalingen de situatie van een categorie van burgers regelen, kunnen degenen die ten aanzien van die categorie van het voordeel van die bepalingen verstoken blijven, daarin een belang vinden dat voldoende rechtstreeks is om de bepalingen aan te vechten. Opdat de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken, is overigens niet vereist dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat de verzoekende partij, als gevolg van de vernietiging van de bestreden bepaling, opnieuw een kans zou krijgen dat haar situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om haar belang bij het bestrijden van die bepaling te verantwoorden. Nu het belang bij de vernietiging vaststaat, is het niet vereist dat de verzoekende partij bovendien nog aantoont belang te hebben bij elk van de middelen. B.2.
  22. De excepties van niet-ontvankelijkheid worden verworpen. Ten gronde B.
  23. De verzoekende partij voert een schending aan van verschillende grondwetsartikelen, al dan niet in samenhang gelezen met verschillende verdragsbepalingen, doordat de bestreden wet een aantal discriminaties zou bevatten (artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten), de toegang tot de 7 rechter zou belemmeren (artikel 13 van de Grondwet en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) en een beperking van het eigendomsrecht zou inhouden (artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag). De verzoekende partij voert ook een schending aan van artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar uit het verzoekschrift kan niet worden afgeleid in welk opzicht die artikelen zouden zijn geschonden. Het Hof kan die bepalingen derhalve niet in zijn onderzoek betrekken. B.
  24. De grieven van de verzoekende partij houden alle verband met de automatische weerslag van de niet-verschoonbaarverklaring van de gefailleerde op de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde. De bestreden bepaling heeft immers tot gevolg dat, indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, de echtgenoot van die verplichting wordt bevrijd maar dat, indien de gefailleerde niet verschoonbaar wordt verklaard, de echtgenoot niet van die verplichting wordt bevrijd. B.
  25. De bestreden bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving, die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36). De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel […] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het […] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als 8 gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29). B.
  26. Nu de bestreden wet enkel de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde van die verplichting bevrijdt, dient het Hof te onderzoeken of die maatregel geen discriminatie inhoudt ten aanzien van andere personen die ertoe gehouden zijn sommige schulden van de gefailleerde te vereffenen. Het dient daarbij rekening te houden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan […] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, is gehouden zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851). Inzonderheid moet worden onderzocht of de in het geding zijnde maatregel geen onevenredige gevolgen doet ontstaan voor de echtgenoot van de niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde. B.
  27. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomens van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel. 9 Het kan derhalve objectief en redelijk worden verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de echtgenoot van de niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde of tot de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. In dat geval kan immers de doelstelling van de verschoonbaarheid niet worden ondergraven. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden wet de ongelukkige en te goeder trouw zijnde echtgenoten van niet verschoonbaar verklaarde gefailleerden discrimineert ten opzichte van de gefailleerden zelf, de echtgenoten van verschoonbaar verklaarde gefailleerden en de niet ongelukkige en niet te goeder trouw zijnde echtgenoten van niet verschoonbaar verklaarde gefailleerden (eerste middel) en de voormalige echtgenoten van verschoonbaar verklaarde gefailleerden discrimineert ten opzichte van de echtgenoten van verschoonbaar verklaarde gefailleerden (vijfde middel), kunnen haar grieven derhalve niet worden aangenomen. B.
  28. Het Hof dient nog te onderzoeken of de bestreden wet geen onevenredige gevolgen doet ontstaan voor de echtgenoot van de niet verschoonbaar verklaarde gefailleerde, inzonderheid in zoverre zij een weerslag zou hebben op het recht op toegang tot de rechter en het eigendomsrecht. B.
  29. De persoonlijk aansprakelijke echtgenoot die de gehele schuld heeft voldaan en als schuldeiser aangifte heeft gedaan in het faillissement, kan op de vergadering bedoeld in artikel 79 van de faillissementswet advies geven over de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Bovendien beschikt die echtgenoot over een beroep in derdenverzet tegen de beslissing van de rechtbank in verband met de sluiting van het faillissement en de verschoonbaarheid van de gefailleerde. De bestreden wet houdt derhalve geen onevenredige beperking in van het recht op toegang tot de rechter, noch wat de beslissing van verschoonbaarheid betreft, noch wat de mogelijkheid betreft om van bepaalde verplichtingen te worden bevrijd. Indien de betrokken echtgenoten niet zelf als handelaar voor verschoonbaarheid in aanmerking komen, heeft de wet van 5 juli 1998, die betrekking heeft op de collectieve schuldenregeling, voor de 10 niet-handelaars immers een verschillende procedure georganiseerd die kan leiden tot een kwijtschelding van schulden. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat zij geen gelijke toegang heeft tot de rechter om haar verschoonbaarheid of bevrijding, los van de verschoonbaarheid van de gefailleerde, te laten beoordelen (tweede middel) en dat haar lot daardoor afhankelijk is gemaakt van de gedragingen van een derde, zonder dat zij zich tot de rechter kan wenden en in het bijzonder tot de rechter die uitspraak doet over de verschoonbaarheid (derde middel), kunnen de grieven van de verzoekende partij bijgevolg niet worden aangenomen. B.
  30. De bestreden wet kan weliswaar een weerslag hebben op het eigendomsrecht van de betrokken personen maar een dergelijke weerslag is eigen aan elke regeling inzake zekerheidstelling. De bestreden bepaling houdt evenwel geen onteigening in, noch een onverantwoorde regeling van het gebruik van de eigendom in de zin van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat haar eigendomsrecht op willekeurige wijze wordt aangetast aangezien zij door de niet-verschoonbaarverklaring van haar voormalige echtgenoot zelf zou moeten instaan voor diens schulden (vierde middel), kan haar grief derhalve niet worden aangenomen. B.
  31. De middelen kunnen niet worden aangenomen. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 mei
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.