id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.070 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060503.6 Arrest- Rolnummer: 70-2006;3932 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-30 08:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 3, ,§ 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie, zoals gewijzigd bij de wet van 24 mei 2005, ingesteld door de beroepsvereniging " Vereniging voor Vlaamse Klinische Laboratoria ". Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-12-1982 - 3,§1,5$ - 47 ELI link Pub nr 1983021335 Wet - 24-05-2005 - 34 ELI link Pub nr 2005022567 Tekst van de beslissing Rolnummer 3932 Arrest nr. 70/2006 van 3 mei 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie, zoals gewijzigd bij de wet van 24 mei 2005, ingesteld door de beroepsvereniging « Vereniging voor Vlaamse Klinische Laboratoria ». Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Arts en de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2006, heeft de beroepsvereniging « Vereniging voor Vlaamse Klinische Laboratoria », met zetel te 9051 Gent, Derbystraat 289, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie, zoals gewijzigd bij de wet van 24 mei 2005 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2005). Op 15 maart 2006 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen, met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep klaarblijkelijk niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid, aangezien het beroep dat formeel een wettelijke bepaling viseert, in werkelijkheid is gericht tegen een andere bepaling, die meer dan zes maanden vóór het indienen van het beroep in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. A.
- In haar memorie met verantwoording verklaart de verzoekende partij het eens te zijn met de algemene beginselen die door de rechters-verslaggevers werden uiteengezet, doch niet met de toepassing van die beginselen op de thans voorliggende zaak. Volgens haar dient de bestreden bepaling en niet het onderwerp van het beroep tot vernietiging als maatstaf te worden gehanteerd bij de beoordeling van de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep. Met verwijzing naar de arresten nrs. 1/92, 13/96 en 81/2000 betoogt de verzoekende partij dat zulk een beoordeling een onderzoek ad hoc vereist van de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling. Daaruit blijkt dat het artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 143 bij de bestreden wet grondig werd gewijzigd, zodat op het eerste gezicht niet kan worden uitgesloten dat de bestreden bepaling tijdig werd bestreden. Om na te gaan of zulks daadwerkelijk het geval is, heeft het Hof een duidelijk en relevant criterium aangereikt, namelijk de wilsuiting van de wetgever. Met verwijzing naar de arresten nrs. 64/98, 124/98 en 82/99 is de verzoekende partij van mening dat de lering van die arresten op de onderhavige zaak kan worden toegepast : een gedeelte van een vroegere wetsbepaling werd letterlijk in een grondig gewijzigde bepaling overgenomen, waarbij alles erop wijst dat er sprake is van een nieuwe wilsuiting van de wetgever. Zulks geldt des te meer, nu de problematiek van het « dichotomieverbod » in de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 mei 2005 uitdrukkelijk ter sprake is gebracht, namelijk tijdens de hoorzittingen in de bevoegde Kamercommissie. Het feit dat het vroegere artikel 3, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 143 ongewijzigd werd overgenomen in de nieuwe redactie van artikel 3 kan bijgevolg enkel worden beschouwd 3 als een impliciete weigering vanwege de wetgever om een einde te maken aan de door de verzoekende partij bestreden uitzondering op het « dichotomieverbod ». De verzoekende partij besluit dat het beroep ratione temporis ontvankelijk is. -B- B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 3, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor verstrekkingen van klinische biologie, zoals gewijzigd bij de wet van 24 mei 2005 (Belgisch Staatsblad van 2 september 2005). B.
- Uit de elementen van de zaak kan worden afgeleid dat de verzoekende partij de vernietiging vordert van artikel 5, 5°, van de wet van 24 mei 2005 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 143, in zoverre daarbij, in artikel 3, § 1, eerste lid, van dat koninklijk besluit « 9° […] [wordt] vernummerd tot […] 5° ». Voor het overige laat het bestreden artikel 5, 5°, van de wet van 24 mei 2005 de inhoud van artikel 3, § 1, eerste lid, 9°, (thans artikel 3, § 1, 5°) van het koninklijk besluit nr. 143 ongewijzigd. B.
- Het middel dat door de verzoekende partij wordt aangevoerd, heeft in wezen betrekking op de inhoud van artikel 3, § 1, eerste lid, 9°, (thans artikel 3, § 1, 5°) van het koninklijk besluit nr.
- Die bepaling luidt : « Art.
- §
- Het laboratorium moet worden uitgebaat : […] 9° [thans 5°] hetzij door een burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van een coöperatieve vennootschap waarvan de vennoten uitsluitend bestaan uit huisartsen en die uitsluitend een activiteit organiseert van medische verzorging waarvoor het laboratorium functioneert en op voorwaarde dat het laboratorium door de vennootschap reeds werd uitgebaat op 26 februari 1980 ». 4 B.
- Een beroep dat is gericht tegen een wet die een vroegere wettelijke norm wijzigt en waarvan het middel enkel gericht is tegen de noch woordelijk, noch inhoudelijk gewijzigde bepalingen van die wettelijke norm, is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. Te dezen blijkt dat de enige wijziging die bij de bestreden bepaling in artikel 3, § 1, eerste lid, 9°, van het koninklijk besluit nr. 143 wordt aangebracht, bestaat in een loutere hernummering, in die zin dat « 9° » wordt vervangen door « 5° ». Zulk een wijziging kan niet als een uiting van de wil van de wetgever worden beschouwd om in de betrokken aangelegenheid opnieuw te legifereren. Het optreden van de wetgever heeft geen enkele inhoudelijke verandering van de oorspronkelijke tekst tot gevolg, maar beperkt zich tot een louter vormelijke aanpassing. De omstandigheid dat tijdens een hoorzitting in de bevoegde Kamercommissie door experts van de sector van de klinische biologie verklaringen werden afgelegd waarin de betreffende regelgeving werd bekritiseerd (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1014/009, inzonderheid pp. 36, 41 en 56), doet daaraan niets af. Dergelijke verklaringen kunnen bezwaarlijk worden aangemerkt als een wilsuiting van de wetgever om in de betrokken aangelegenheid opnieuw wetgevend op te treden. B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat een beroep dat formeel een wettelijke bepaling viseert, maar in werkelijkheid gericht is tegen een andere bepaling, die meer dan zes maanden vóór het indienen van het beroep in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, laattijdig en ratione temporis niet ontvankelijk is. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.070 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div