id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.071 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060510.5 Arrest- Rolnummer: 71/2006;3318-3483 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-07 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-06-30 15:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 442bis van het Strafwetboek schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. 2. Artikel 114, ,§ 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. 3. Artikel 114, ,§ 8, 2°, van dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, voor diegene die gebruik maakt van een telecommunicatiemiddel om zijn correspondent overlast te bezorgen, het voorziet in straffen die zwaarder zijn dan die waarin artikel 442bis van het Strafwetboek voorziet. 4. Artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in zoverre het een inbreuk op artikel 5, ,§ 1, eerste lid en tweede lid, i), van dezelfde wet, op zichzelf genomen, strafbaar stelt. Vrije woorden: In zake : - de prejudiciële vragen over artikel 442bis van het Strafwetboek en artikel 5, ,§ 1, eerste lid en tweede lid, j), van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vragen over artikel 442bis van het Strafwetboek en artikel 114, ,§ 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door het Hof van Beroep te Luik; - de prejudiciële vraag over artikel 114, ,§ 8, 1° (lees : 2°), van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vragen betreffende artikel 442bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vraag betreffende artikel 442bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Nijvel. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-03-1991 - 114,§8,2$ - 30 ELI link Pub nr 1991021064 Wet - 04-08-1996 - 5,§1,L2,i - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 04-08-1996 - 5,§1,L1 - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 12,L2 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 3318, 3483, 3673, 3688 en 3706 Arrest nr. 71/2006 van 10 mei 2006 In zake : - de prejudiciële vragen over artikel 442bis van het Strafwetboek en artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, j), van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vragen over artikel 442bis van het Strafwetboek en artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door het Hof van Beroep te Luik; - de prejudiciële vraag over artikel 114, § 8, 1° (lees : 2°), van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vragen betreffende artikel 442bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik; - de prejudiciële vraag betreffende artikel 442bis van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Nijvel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 6 december 2004 in zake de arbeidsauditeur tegen J.P. L., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 januari 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : - « Schendt artikel 442bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, in zoverre, op strafrechtelijk en procedureel vlak, een verschil in behandeling zou kunnen worden ingevoerd tussen twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wegens, enerzijds, de ontstentenis van een wettelijke definitie van het materiële element van het misdrijf die het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen in acht neemt en, anderzijds, het feit dat de definitie van het morele element van het misdrijf in artikel 442bis aan de rechters een ruime beoordelingsbevoegdheid laat in een rechtsmaterie waar de beginselen van de beperkende interpretatie heersen, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden ? »; - « Schendt artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, j), van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstelling verankerd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre, op strafrechtelijk en procedureel vlak, een verschil in behandeling zou kunnen worden ingevoerd tussen twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden, doordat de bewoordingen van artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, j), opgenomen onder hoofdstuk II, algemene beginselen, van de wet van 4 augustus 1996, strafbaar gesteld bij artikel 81 van dezelfde wet, het de rechtzoekenden niet mogelijk zouden maken om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is ? ». b. Bij arrest van 3 februari 2005 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen J.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 februari 2005, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 442bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, in zoverre, op strafrechtelijk en procedureel vlak, een verschil in behandeling zou kunnen worden ingevoerd tussen twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wegens, enerzijds, de ontstentenis van een wettelijke definitie van het materiële element van het misdrijf die het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen in acht neemt en, anderzijds, het feit dat de definitie van het morele element van het misdrijf in het voormelde artikel 442bis aan de rechters een ruime beoordelingsbevoegdheid laat in een rechtsmaterie waar de beginselen van de beperkende interpretatie heersen, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden ? 3 2. Schendt artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstelling verankerd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre, op strafrechtelijk en procedureel vlak, een verschil in behandeling zou kunnen worden ingevoerd tussen twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wat tot een verbreking van de gelijkheid zou kunnen leiden, doordat de gebruikte bewoordingen, namelijk ‘ om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen ’, het de rechtzoekenden niet mogelijk zouden maken om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is ? ». c. Bij vonnis van 20 september 2004 in zake het openbaar ministerie tegen L.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 maart 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 114, § 8, 1° [lees : 2°], van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, in samenhang gelezen met artikel 442bis van het Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de straffen waarin het eerstgenoemde artikel voorziet voor het feit gebruik te hebben gemaakt van een middel van telecommunicatie teneinde iemand overlast te berokkenen, zwaarder zijn dan die waarin het in de tweede plaats genoemde artikel voorziet voor het feit iemand te hebben belaagd en daardoor diens rust ernstig te hebben verstoord ? ». d. Bij vonnis van 11 april 2005 in zake de arbeidsauditeur tegen A.T. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 13 april 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 442bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van New York ? 2. Schendt artikel 442bis van het Strafwetboek het bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het een strafbaarstelling invoert die voor dubbelzinnigheid en onzekerheid vatbaar is en waarvan de inhoud hypothetisch zou kunnen zijn ? ». e. Bij vonnis van 23 februari 2005 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen J.-P. R. en C.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 18 mei 2005, heeft de Correctionele Rechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 442bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet, in de verschillende onderdelen ervan, in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, alsook met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de betwiste strafrechtelijke bepaling een discriminatie teweegbrengt tussen twee burgers of twee rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, wegens, enerzijds, de ontstentenis van een wettelijke definitie van het materiële element van het 4 misdrijf die het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen en van de straffen in acht neemt en, anderzijds, het feit dat de definitie van het morele element van dat misdrijf een te ruime beoordelingsbevoegdheid laat in een rechtsmaterie waar de beginselen van de beperkende en wettelijke interpretatie heersen, wat ertoe leidt dat de behandeling op strafrechtelijk en procedureel vlak van elkeen, wegens die schending, een verbreking van de gelijkheid kan inhouden ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3318, 3483, 3673, 3688 en 3706 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - J.P. L., in de zaak nr. 3318; - B.L. en I.G., in de zaak nr. 3483; - J.H., in de zaak nr. 3483; - A.T., in de zaak nr. 3688; - C.H., in de zaak nr. 3706; - de Ministerraad, in elk van de zaken. A.T. en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006 : - zijn verschenen : . Mr. C. Dauby, tevens loco Mr. V. Neuprez, advocaten bij de balie te Luik, voor J.P. L., in de zaak nr. 3318; . Mr. I. Mathy, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Henry, advocaat bij de balie te Verviers, voor B.L. en I.G., in de zaak nr. 3483; . Mr. M. Goujon, advocaat bij de balie te Luik, voor J.H., in de zaak nr. 3483; . Mr. J.-L. Gilissen, advocaat bij de balie te Luik, tevens loco Mr. P. Andri, advocaat bij de balie te Verviers, voor A.T., in de zaak nr. 3688; . Mr. I. Mathy loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 5 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 3318 J.P. L. wordt strafrechtelijk vervolgd omdat hij sommige werknemers van de vennootschap waarvan hij gedelegeerd bestuurder is, tussen 1 oktober 1996 en 27 maart 2001 heeft belaagd. In dat kader wordt hem ook verweten niet de vereiste maatregelen te hebben genomen om het welzijn van zijn werknemers bij de uitvoering van hun werk te bevorderen, door geen planning van de preventie op te maken en door geen beleid te voeren met betrekking tot het welzijn van die werknemers met het oog op een systeembenadering waarin onder andere de arbeidsomstandigheden, de sociale betrekkingen en de omgevingsfactoren op het werk worden geïntegreerd. Uit het arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2004 - dat een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 22 juni 2004 vernietigt waarin wordt nagegaan of artikel 442bis verenigbaar is met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen - leidt de Rechtbank af dat het Arbitragehof moet worden ondervraagd over de wettigheid van de in die bepaling beoogde strafbaarstelling van belaging. Zij stelt bijgevolg de eerste hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. In de overweging dat de andere tenlastelegging dezelfde personen en dezelfde periode betreft en hetzelfde gedrag lijkt te beogen als datgene dat de tenlastelegging van belaging verantwoordt, stelt de Rechtbank aan het Hof de tweede hiervoor weergegeven vraag. In de zaak nr. 3483 Bij vonnis van 5 oktober 2004 veroordeelt de Correctionele Rechtbank te Luik J.H. omdat hij B.L. en I.G. heeft belaagd door middel van schriftelijke boodschappen die via een telefoonlijn zijn verstuurd. Het verwijzende rechtscollege waarbij tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, stelt, op verzoek van de beklaagde, de twee hiervoor weergegeven vragen aan het Hof. In de zaak nr. 3673 L.H. wordt strafrechtelijk vervolgd omdat hij, enerzijds, tussen 24 en 26 augustus 2003 ten nadele van S.L. het misdrijf heeft gepleegd dat wordt beoogd in artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, en, anderzijds, diezelfde persoon op 25 augustus 2003 heeft belaagd. De beklaagde voert aan dat de feiten die aan die vervolgingen ten grondslag liggen, een enkel strafrechtelijk feit vormen. De Rechtbank merkt in dat opzicht op dat de strafvordering betreffende de feiten van belaging vervallen is, gelet op een vonnis uitgesproken door hetzelfde rechtscollege op 27 oktober 2003 dat in kracht van gewijsde is gegaan en de uitspraak voor drie jaar opschort. Hij merkt overigens op dat het morele bestanddeel van het eerste misdrijf van een lagere graad is dan dat van het misdrijf van belaging, waaraan nochtans minder zware straffen zijn verbonden. De Rechtbank onderstreept het verschil in behandeling tussen de persoon die zijn slachtoffer lastigvalt met behulp van een telecommunicatiemiddel en diegene die het lastigvalt op een andere wijze, en stelt derhalve de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. In de zaak nr. 3688 A.T., die strafrechtelijk wordt vervolgd omdat hij enkele bedienden van zijn vennootschap heeft belaagd, voert aan dat de ontstentenis van een wettelijke definitie van belaging afbreuk doet aan het beginsel van voorzienbaarheid, in zoverre die ontstentenis de rechtscolleges ertoe verplicht de gebruikelijke betekenis van dat begrip te hanteren. De Rechtbank verwijst naar het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2004 en is van mening dat het Arbitragehof moet worden ondervraagd over de wettigheid van de in 6 artikel 442bis van het Strafwetboek beoogde strafbaarstelling en stelt aan het Hof de eerste hiervoor weergegeven vraag. De beklaagde voert daarnaast aan dat de magistraten, wegens het morele bestanddeel van de tenlastelegging van belaging waarover zij zich moeten uitspreken, ertoe kunnen worden gebracht « het ‘ subjectieve gevoel van een persoon ten aanzien van de handelingen […] van een derde waaronder hij meent te lijden ’ te interpreteren ». Hij vraagt de Rechtbank dan ook de tweede hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. In de zaak nr. 3706 C.H. wordt strafrechtelijk vervolgd wegens belaging. De Rechtbank verwijst naar het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2004 en stelt, op verzoek van de beklaagde, de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 3318 en 3483, de prejudiciële vragen in de zaak nr. 3688 en de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3706 A.1. J.P. L. onderscheidt, in het in artikel 442bis van het Strafwetboek bepaalde misdrijf, drie bestanddelen : de belaging, de ernstige verstoring van de rust van het slachtoffer en het gegeven dat de dader wist of had moeten weten dat hij, door zijn gedrag, de rust van het slachtoffer ernstig zou verstoren. J.P. L. verklaart dat noch de wet, noch de parlementaire voorbereiding ervan het eerste bestanddeel, dat van materiële aard is, definiëren. In het gemeen recht zou dat woord doorgaans verwijzen naar herhaalde handelingen, terwijl, in de strafrechtelijke betekenis ervan, een alleenstaande handeling kan volstaan wanneer die voldoende storend is. Het tweede bestanddeel van het misdrijf - dat eveneens materieel is - zou erop wijzen dat belaging een « resultaatgericht misdrijf » is dat een beoordeling in concreto van de feitenrechter vereist. J.P. L. merkt op dat de omschrijving van het derde - morele - bestanddeel het mogelijk maakt dat een persoon die te goeder trouw handelt en nooit de intentie heeft gehad iemand schade te berokkenen, wordt bestraft wanneer de rechter van oordeel is dat hij zich bewust had moeten zijn van het storende karakter van zijn gedrag. A.2.1. Volgens J.P. L. vormt de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken - dat ook verankerd is in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet - een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij herinnert vervolgens aan de definitie van dat wettigheidsbeginsel, geformuleerd in B.6.2 en B.6.3 van het arrest nr. 136/2004. A.2.2. J.P. L. voert aan dat de combinatie van het voormelde tweede materiële bestanddeel en het morele bestanddeel niet verenigbaar is met dat wettigheidsbeginsel. Die bestanddelen zouden veel te subjectief zijn om de burger in staat te stellen te weten of het gedrag dat hij wil aannemen al dan niet strafbaar is. Om de wijze waarop een handeling door een klager kon worden ervaren, in concreto en a posteriori te bepalen en na te gaan of de dader ervan had kunnen weten dat hij de rust van de laatstgenoemde ernstig verstoorde, zou de rechter immers elementen moeten onderzoeken die de burger niet noodzakelijk kent, zoals de persoonlijkheid, de ervaring en de gevoeligheid van de klager. J.P. L. verwijst naar het arrest nr. 158/2004 en voegt eraan toe dat het Hof het gebruik van subjectieve criteria en de rechtsonzekerheid waartoe dat leidt, reeds heeft afgekeurd. A.2.3. J.P. L. merkt ten slotte op dat die rechtsonzekerheid ook de rechtspleging betreft. In dat opzicht merkt hij op dat de keuze van een gevangenisstraf van meer dan één jaar voor het misdrijf van belaging beantwoordt aan de wens om de dader ervan in voorlopige hechtenis te kunnen nemen. Hij merkt overigens op dat een dergelijke hechtenis niet mogelijk is in gevallen van gewone slagen en verwondingen of bedreigingen door gebaren, vermits de gevangenisstraf voor die misdrijven minder dan één jaar bedraagt. Bovendien zouden de feiten die deze misdrijven uitmaken, ook al worden ze gepleegd met dezelfde ingesteldheid, door de beoogde 7 persoon kunnen worden aangevoeld als een ernstige verstoring van zijn rust, zodat een klacht wegens belaging zou kunnen leiden tot een voorlopige hechtenis. A.3. J.H. verwijst naar het arrest nr. 69/2003 en voert aan dat de voorzienbaarheid van de strafwet niet zozeer moet worden beoordeeld afgaande op de bedoelingen van de wetgever, maar wel op grond van de « gewichtigheid van de woorden en de impact van het gebruik ervan ». Hij is van mening dat het onnauwkeurige karakter van artikel 442bis van het Strafwetboek leidt tot interpretatie- en toepassingsproblemen. Hij wijst op de ontstentenis van een definitie van het begrip « belaging » en is van mening dat het beroep op de gebruikelijke betekenis geen voldoening schenkt. Hij onderstreept in dat opzicht dat de definitieve versie van artikel 442bis van het Strafwetboek de herhaling van een handeling niet vereist. De rechter zou niet weten of hij, om de ernstige verstoring van de rust van het slachtoffer te beoordelen, de feiten objectief of subjectief moet benaderen. J.H. bekritiseert ten slotte de omschrijving van het morele bestanddeel van het misdrijf van belaging en verwijst daarbij naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft uitgebracht over het voorontwerp van wet betreffende de criminele organisaties. A.4.1. C.H. wijst op de vele mogelijke toepassingen van artikel 442bis van het Strafwetboek die voortvloeien uit de beknopte wijze waarop dat misdrijf is omschreven. Volgens haar verwijst de in de wet bedoelde belaging, hoewel die aanvankelijk op restrictieve wijze werd opgevat, naar de gebruikelijke betekenis van het woord, namelijk, volgens de parlementaire voorbereiding, een persoon lastigvallen op een wijze die voor de laatstgenoemde hinderlijk is. A.4.2. C.H. leidt uit de verwarring rond de bestanddelen van het misdrijf af dat de in het geding zijnde bepaling niet voldoet aan het wettigheidsbeginsel, dat, volgens de arresten nrs. 69/2003, 136/2004, 157/2004, 202/2004 en 14/2005, vereist dat elke persoon in staat moet zijn te weten of het gedrag dat hij op een gegeven ogenblik aanneemt, strafbaar is. Zij brengt de beoordelingsruimte van de strafrechter in het geding die voortvloeit uit het gebruik van te onnauwkeurige definities. De ontstentenis van een definitie van het materiële bestanddeel zou een grote beoordelingsruimte laten aan de rechter, voor wie een « gewoon mogelijke » verstoring van andermans rust niet zou kunnen volstaan, maar die niet zou weten of hij de feiten objectief dan wel subjectief moet benaderen. De in het geding zijnde bepaling zou ertoe kunnen leiden dat gedragingen worden bestraft die asociaal, onaangepast of inadequaat zijn en waarvoor de strafrechtelijke sanctie echter niet wenselijk, verantwoord of opportuun blijkt. In verband met het morele bestanddeel voert C.H. aan dat de in het geding zijnde bepaling, doordat zij onvoldoende duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar is, aan de rechter ook een te grote beoordelingsruimte laat die hem ertoe zal verplichten vooraf te bepalen in welke mate de auteur waakzaam had moeten zijn. A.4.3. C.H. merkt ten slotte op dat de schending van het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen ipso facto een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie inhoudt. De ontstentenis van een wettelijke definitie van het misdrijf van belaging zou een discriminatie teweegbrengen tussen twee burgers of rechtzoekenden die met dezelfde ingesteldheid, hetzelfde besef of dezelfde intentie dezelfde materiële handelingen hebben gesteld, vermits de ruime beoordelingsbevoegdheid van de rechter het mogelijk zou maken hen « op strafrechtelijk en procedureel vlak » verschillend te behandelen. A.5.1. De Ministerraad is van mening dat, ondanks de verwijzing in de eerste prejudiciële vraag van de zaak nr. 3318 naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en in de eerste prejudiciële vraag van de zaak nr. 3688 naar de twee voormelde grondwetsbepalingen, beide vragen alleen betrekking hebben op de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen, zoals het is gewaarborgd bij de andere internationaalrechtelijke bepalingen waarnaar in de vragen wordt verwezen, alsook bij de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, waaraan het Hof rechtstreeks vermag te toetsen. De Ministerraad is van mening dat de tweede prejudiciële vraag van de zaak nr. 3688 eigenlijk hetzelfde onderwerp heeft. Hij beperkt zijn opmerkingen bijgevolg tot de vraag of dat beginsel mogelijk op discriminerende wijze is geschonden. A.5.2. De Ministerraad verwijst naar B.6.2 en B.6.7 van het arrest nr. 128/2002 en merkt in de zaken nrs. 3318, 3483, 3688 en 3706 op dat het wettigheidsbeginsel de wetgever niet belet de rechter een beoordelingsbevoegdheid toe te kennen, op voorwaarde dat de wet voldoende nauwkeurig en duidelijk is en zij 8 het de burger mogelijk maakt de strafrechtelijke gevolgen van zijn gedrag te voorzien. Die interpretatiebevoegdheid zou de rechter niet kunnen toestaan om strafbaarstellingen of een nieuwe straf in te voeren, of nog, een nieuwe vorm van vervolgingen te regelen. De Ministerraad citeert uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Streletz, Kessler en Krenz t. Duitsland van 22 maart 2001 (paragraaf 50) en merkt op dat artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het beginsel van de wettigheid van de misdrijven en de straffen bevestigt, en vereist dat de strafwet niet op extensieve wijze en in het nadeel van de beschuldigde wordt toegepast, met name bij analogie. De strafwet zou derhalve nauwkeurig, duidelijk en voorzienbaar moeten zijn en die nauwkeurigheid zou redelijk moeten worden beoordeeld, waarbij de wet een voldoende mate van algemeenheid moet vertonen, vermits zij bedoeld is om te worden toegepast op een onbepaald aantal personen en strafbaar gestelde gedragingen. Het zou dus niet mogelijk zijn alle strafbaar te stellen gedragingen op gedetailleerde wijze te omschrijven, zodat de hoven en rechtbanken een belangrijke rol spelen in de interpretatie van de strafwet. De Ministerraad onderstreept dat de verplichting om de strafwet op restrictieve wijze te interpreteren met naleving van de individuele vrijheid - gewaarborgd bij artikel 12, eerste lid, van de Grondwet - een gevolg is van het wettigheidsbeginsel, dat de rechter niet verbiedt de strafwet te interpreteren, maar hem verbiedt nieuwe strafbaarstellingen in te voeren of die wet bij analogie toe te passen. Hij herinnert eraan dat die verplichting ook de bestanddelen van het misdrijf betreft en dat de rechter, wanneer hij over de betekenis van de strafwet twijfelt, moet weigeren die toe te passen. A.5.3. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 442bis van het Strafwetboek leidt de Ministerraad af dat dit artikel ertoe strekt gedragingen te bestraffen die, zonder als dusdanig een misdrijf uit te maken, hinderlijk of verontrustend zijn, gelet op de omstandigheden waarin ze zijn aangenomen (achtervolgen, spioneren, een persoon opwachten aan de uitgang van zijn kantoorgebouw, enz.) en die, indien ze niet ophouden, meer schade zouden kunnen berokkenen. De wetgever zou rekening hebben gehouden met het ondoeltreffende karakter van de ter zake bestaande burgerlijke procedures en zijn zorg bestond erin de rechten van de slachtoffers van belaging te waarborgen. De grote verscheidenheid van de gedragingen die als belaging kunnen worden gekwalificeerd, zou een nauwkeurige definitie van dat begrip onmogelijk maken. Het resultaat van het storende of hinderlijke gedrag zou bijgevolg een bepalend bestanddeel van het misdrijf van belaging vormen, waarvan de bewijslast zou rusten bij het openbaar ministerie of de burgerlijke partij. De Ministerraad onderstreept in dat opzicht het belang van de beoordeling van de rechter die de ernst van de verstoring van de rust van het slachtoffer in concreto zal moeten nagaan. Hij verwijst naar het arrest nr. 128/2002 en merkt op dat de beoordeling door een rechter van de ernst van een gedrag geen afbreuk doet aan het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen, aangezien, zoals te dezen, die rechter niet de bevoegdheid heeft nieuwe strafbaarstellingen of nieuwe straffen in te voeren. Wat het morele bestanddeel van dat misdrijf betreft, merkt de Ministerraad op dat de in het geding zijnde bepaling van de persoon die belaagt, geen bijzonder of kwaad opzet vereist. Hij wijst erop dat andere strafrechtelijke bepalingen - zoals artikel 505, eerste lid, 2°, van het Strafwetboek en artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, b), van de wet van 15 juli 1985 « betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktie-stimulerende werking » - verwijzen naar een soortgelijk moreel bestanddeel, waarbij de rechter vermag ervan uit te gaan dat een persoon zich bewust had moeten zijn van de gevolgen van zijn daad. De Ministerraad verwijst naar B.5 en B.6 van het arrest nr. 65/97, dat de grondwettigheid van artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, b), van de wet van 15 juli 1985 onderzoekt, en voegt eraan toe dat het gegeven dat de wetgever de schuldige die zich van die gevolgen bewust is en diegene die zich daarvan bewust had moeten zijn, op gelijke wijze behandelt, de rechter niet belet om, in elk geval, de ernst van de begane fout te beoordelen en, binnen de bij de wet vastgestelde perken, een straf uit te spreken die in verhouding staat tot de graad van culpabiliteit van de beklaagde. De Ministerraad besluit dat de ruime beoordelingsbevoegdheid die de in het geding zijnde bepaling aan de rechter toekent, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan het wettigheidsbeginsel. Hij herinnert in de eerste plaats eraan dat het onmogelijk is het misdrijf van belaging nauwkeuriger te definiëren en dat de wet een voldoende mate van algemeenheid moet behouden, zodat alleen de omstandigheden van een beoogd gedrag en de ernst van de gevolgen ervan voor de rust, kunnen bepalen of het als belaging kan worden gekwalificeerd. Vervolgens beklemtoont hij de beperkingen van de beoordelingsbevoegdheid van de rechter, die geen nieuwe strafbaarstellingen of nieuwe straffen mag invoeren en die moet oordelen in welke mate de rust is verstoord en het morele bestanddeel van dat misdrijf op basis van objectieve elementen van het dossier moet vaststellen. Ten 9 slotte merkt hij op dat de beklaagde, op grond van het beginsel van de beperkende interpretatie, het voordeel van de twijfel van de rechter geniet. A.5.4. In de memorie van antwoord die hij in de zaak nr. 3706 heeft neergelegd, preciseert de Ministerraad dat het feit dat de wetgever niet heeft aangegeven of de rechter de feiten objectief of subjectief moet beoordelen, niet volstaat om vast te stellen dat de in het geding zijnde bepaling de in de prejudiciële vraag beoogde grondwetsbepalingen schendt. In dat verband citeert hij uit B.7.2 van het arrest nr. 125/2005. De Ministerraad voegt eraan toe dat de beoordeling van de feiten door de strafrechter berust op het stelsel van de innerlijke overtuiging en van nature subjectief is. De vrijheid waarover de rechter beschikt om de waarde van de aangewende bewijsmiddelen te beoordelen, zou voortvloeien uit het feit dat het voor de wetgever onmogelijk is de betekenis van de aanwijzingen a priori en in abstracto te bepalen. Zij zou hem echter niet in staat stellen een kennelijk onredelijke redenering te volgen. Bovendien zou de interpretatie van de aanwijzingen tegemoet moeten komen aan de fundamentele regels en beginselen : het beginsel volgens hetwelk de vervolgde partij vermoedelijk onschuldig is en de vervolgende partij de schuld moet aantonen; het beginsel volgens hetwelk de op onregelmatige wijze verkregen of aangewende aanwijzing geen bewijsmiddel kan vormen; en de regel volgens welke de aanwijzing « die onzeker is ten aanzien van het bestaan ervan of die het daaruit getrokken besluit op zich niet kan verantwoorden » evenmin een bewijsmiddel kan vormen. De Ministerraad leidt hieruit af dat de regeling van de innerlijke overtuiging niet betekent dat de rechter uitspraak kan doen op basis van subjectieve inzichten. Zijn beslissing moet steunen op de objectieve elementen van het dossier. De Ministerraad is ten slotte van mening dat B.3 en B.4.1 van het arrest nr. 116/2005 zijn argumentatie ondersteunen. A.6. B.L. en I.G. onderstrepen de relevantie van het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 22 juni 2004 dat oordeelt dat artikel 442bis van het Strafwetboek geen afbreuk doet aan het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen. Zij verwijzen bij analogie naar B.5.3 en B.5.4 van het arrest nr. 128/2002 en zijn overigens van mening dat, zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, de wetgever niet het voornemen had de rechter een ruimere beoordelingsbevoegdheid toe te kennen dan die waarover hij in het algemeen in strafzaken beschikt, maar in plaats daarvan wilde voorkomen dat hij in de plaats trad van de rechter die, alvorens te veroordelen, de feitelijke omstandigheden moet evalueren. B.L. en I.G. verwijzen ook naar het arrest van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens C.R. t. Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995 (paragrafen 33 en 34). Zij zien niet in hoe de toepassing van de in het geding zijnde bepaling zou kunnen leiden tot een fundamenteel verschil in de behandeling van beide rechtzoekenden. A.7.1. A.T. bekritiseert de ontstentenis, in de in het geding zijnde bepaling, van een definitie van het begrip « belaging » in overeenstemming met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Hij voert aan dat het beginsel van de wettigheid in strafzaken vereist dat de normen inzake strafbaarstelling een voldoende nauwkeurige definitie van het misdrijf bevatten. A.T. verwijst in dat opzicht naar verschillende arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Malone t. Verenigd Koninkrijk, 2 augustus 1984; Kokkiniakis t. Griekenland, 25 mei 1993; Tolstoy Miloslavsky t. Verenigd Koninkrijk, 13 juli 1995; S.W. en C.R. t. Verenigd Koninkrijk, 22 november 1995; Cantoni t. Frankrijk, 15 november 1996; Larissis en anderen t. Griekenland, 24 februari 1998), naar een document van de Commissie voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 27 juli 1982 waarin wordt herinnerd aan het nauwe verband tussen het wettigheidsbeginsel en het beginsel van de rechtsstaat, naar het arrest nr. 69/2003 en naar een arrest van het Hof van Cassatie van 2 november 1993. A.7.2. A.T. wijst op de ontstentenis van een definitie van belaging en merkt vervolgens op dat de in het geding zijnde bepaling « belaging » definieert door te verwijzen naar het werkwoord « belagen », dat zelf niet wordt gedefinieerd. Hij stelt vast dat belaging doorgaans wordt gedefinieerd als iemand voortdurend aanvallen of hardnekkig lastigvallen, herhaaldelijk bekritiseren of bespotten, en merkt op dat de verwijzing naar de « gebruikelijke betekenis » of het « gewone taalgebruik » denkbeeldig lijkt, aangezien wordt aangenomen dat het misdrijf van belaging niet de herhaling van een gedrag vereist. 10 A.7.3. Daarnaast merkt A.T. op dat de ernstige verstoring van de rust van het slachtoffer een ander bestanddeel van het misdrijf vormt dat het niet mogelijk maakt het « belagen » te definiëren in de zin van de in het geding zijnde tekst. Hij merkt op dat dat bestanddeel eveneens onnauwkeurig is, vermits het niet aangeeft op welke wijze de ernst van de verstoring van de rust moet worden beoordeeld (objectieve benadering, subjectieve benadering, gebruik van een gemiddelde of een ander criterium). Een objectieve benadering zou kunnen leiden tot de veroordeling van een persoon die te goeder trouw handelt en, door een enkel feit, andermans rust onbewust en onopzettelijk heeft verstoord, en tot het niet veroordelen van een andere persoon die, door herhaalde handelingen, niet erin slaagt een andere persoon schade te berokkenen die minder gevoelig is voor het verstoren van zijn rust. A.7.4. Volgens A.T. kan, op basis van de in het geding zijnde bepaling, om het even welke handeling strafrechtelijk worden vervolgd. Hij wijst in dat verband op de strenge kritiek ten aanzien van een wet en ten aanzien van de handelingen of het beleid van een publiek persoon. Hij betreurt ook dat het morele bestanddeel van het misdrijf van belaging het mogelijk maakt dat een persoon die te goeder trouw handelt, kan worden veroordeeld wanneer een rechter van mening is dat die persoon zich bewust had moeten zijn van de storende gevolgen van zijn gedrag. De in het geding zijnde bepaling zou twee categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, identiek behandelen, zonder objectieve en redelijke verantwoording : enerzijds, diegenen die weten dat zij andermans rust ernstig verstoren en, anderzijds, diegenen die niet weten dat hun handeling daartoe heeft geleid, maar die dat hadden moeten weten. Zoals het is gedefinieerd, zou het morele bestanddeel overigens een schending van het fundamentele beginsel van de beperkende interpretatie inhouden. A.T. verwondert zich ook ten zeerste over het feit dat dit bijzonder opzet het te goeder trouw handelen niet toelaat als een oorzaak die opzet uitsluit. A.T. voert aan dat de wetgever de ongrondwettigheid van het in de in het geding zijnde bepaling aangewende morele bestanddeel heeft erkend tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 1999 betreffende de criminele organisaties, na een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarin werd herinnerd aan de draagwijdte van het voormelde wettigheidsbeginsel. A.T. voegt eraan toe dat het morele bestanddeel van het misdrijf van belaging afbreuk kan doen aan het vermoeden van onschuld dat bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt gewaarborgd. A.7.5. In zijn memorie van antwoord voert A.T. aan dat de toetsing van het Hof in het arrest nr. 128/2002 geen betrekking heeft op de naleving van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat B.6.2 van dat arrest niet kan worden beschouwd als een definitie van het wettigheidsbeginsel, aangezien het alleen betrekking heeft op de « formele dimensie » van dat beginsel en niet op de « materiële dimensie » ervan. Het gebrek aan duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorzienbaarheid van artikel 442bis van het Strafwetboek zou de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekennen die dermate uitgebreid is dat hij een strafbaarstelling zou kunnen invoeren door de bestanddelen van het misdrijf te bepalen die onvoldoende gedefinieerd zijn in de wet. A.T. stelt dat de Ministerraad, door aan te voeren dat het onmogelijk is om belaging nauwkeurig te definiëren en door aan te voeren dat elk feit - ook het uitoefenen van een bij de Grondwet gewaarborgd recht - tot belaging kan leiden, erkent dat de burger niet in staat is de strafrechtelijke gevolgen van zijn gedrag in te zien en dat de bevoegdheid van de rechter absoluut is. A.T. meent daarnaast dat de combinatie van een materieel element en een moreel element die onvoldoende gedefinieerd zijn, de rechter een bevoegdheid laat die verder reikt dan de interpretatie en de beoordeling, aangezien de laatstgenoemde ertoe wordt gebracht het in te algemene bewoordingen geformuleerde misdrijf te definiëren en de feiten te beoordelen zonder dat de wet in een toereikende beperking voorziet. Hij onderstreept dat de definitie van het materiële bestanddeel van de misdrijven bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, van het Strafwetboek en in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, b), van de wet van 15 juli 1985 nauwkeurig, duidelijk en voorzienbaar is. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3318 A.8.1. J.P. L. merkt op dat de dagvaarding die het openbaar ministerie aan hem heeft gericht, verwijst naar het misdrijf bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en niet naar datgene dat is bedoeld in littera
- j)van het tweede lid van die bepaling. 11 A.8.2. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de vraag geen antwoord behoeft, omdat het niet mogelijk is met zekerheid te bepalen welke bepaling in het geding is. Hij merkt op dat de beklaagde wordt vervolgd wegens feiten bedoeld in littera
- i)van artikel 5, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1996, terwijl de motieven van de beslissing van de verwijzende rechter en de bewoordingen van de vraag verwijzen naar littera
- j)van die bepaling. Het Hof zou de verwijzende rechter derhalve moeten ondervragen om na te gaan van welke bepaling het de grondwettigheid moet onderzoeken. A.9. J.P. L. voert aan dat artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996 niet tegemoet komt aan de vereisten inzake nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen. In dat opzicht merkt hij op dat, enerzijds, de wet niet preciseert welke de « nodige maatregelen » zijn die in die bepaling worden beoogd en, anderzijds, het begrip « welzijn », zoals gedefinieerd in de artikelen 3, § 1, en 4, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1996, onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is. J.P. L. merkt daarnaast op dat artikel 5, § 1, tweede lid, j), van dezelfde wet niet preciseert welke gegevens de werkgever aan de werknemer moet meedelen over de aard van zijn werkzaamheden en welke de daaraan verbonden overblijvende risico’s zijn. Hij veronderstelt vervolgens, bij gebrek aan een definitie, dat het residuele karakter van de risico’s waarvan sprake is, is verbonden met littera
- b)van die bepaling, die de werkgever ertoe verplicht de risico’s te evalueren die niet kunnen worden voorkomen. De wet zou echter geen aanwijzing bevatten in verband met het vermijdelijke karakter van een risico. Zij zou evenmin preciseren wanneer de bescherming van het welzijn de voorlichting van de werknemer vereist. Volgens J.P. L. zijn de bewoordingen en de begrippen van artikel 5, § 1, tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 nog minder nauwkeurig dan die van littera j). Die wet en het uitvoeringsbesluit ervan zouden niet aangeven wat dient te worden begrepen onder « planning van de preventie » of onder « systeembenadering ». Het « uit te voeren beleid » zou evenmin zijn gepreciseerd. J.P. L. besluit dat de in de voormelde bepalingen beoogde strafbaarstellingen vaag zijn en geen normatief karakter hebben dat voldoende nauwkeurig is om een strafrechtelijk misdrijf te definiëren, zodat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel verankerd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zijn geschonden. Hij herinnert in dat opzicht eraan dat de schending van dat wettigheidsbeginsel een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhoudt. A.10.1. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag en het verwijzingsvonnis een materiële vergissing bevatten en dat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg de bepaling is waarnaar wordt verwezen in de bewoordingen van de tenlastelegging vervat in de verwijzingsbeslissing, namelijk artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996. Volgens B.6.2 van het arrest nr. 202/2004 zou het wettigheidsbeginsel van de wetgever niet verlangen dat hij alle strafbaarstellingen in de kleinste details regelt, aangezien hij de uitvoerende macht ermee kan belasten uitvoeringsmaatregelen te nemen. A.10.2. Volgens de Ministerraad is de in het geding zijnde bepaling, indien zij wordt gelezen rekening houdend met de tweede paragraaf van artikel 5, de andere litterae van de eerste paragraaf ervan en de machtiging aan de Koning van de derde paragraaf, voldoende duidelijk en nauwkeurig en maakt zij het de werkgever mogelijk zijn verplichtingen te bepalen en de gevolgen van zijn gedrag te voorzien. De laatstgenoemde zou vrij blijven de middelen te kiezen om de door de wetgever bepaalde doelstelling te kunnen bereiken. Een verkeerde keuze zou op zich niet strafbaar zijn. Alleen de ontstentenis van een planning of het niet voeren van het preventiebeleid onder een systeembenadering zou dat wel zijn. De Ministerraad citeert daarnaast de artikelen 4 tot 11 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk », die een dwingend kader vaststellen waarin de verplichtingen van de werkgever worden gepreciseerd en hem concrete opdrachten worden gegeven. Hij voegt eraan toe dat de machtiging aan de Koning met betrekking tot de definitie van de preventiebeginselen niet in strijd is met het voormelde wettigheidsbeginsel. Zij zou voldoende nauwkeurig zijn, 12 vermits zij alleen betrekking heeft op de algemene beginselen die in de eerste paragraaf worden vermeld. De essentiële elementen van de uit te voeren maatregelen zouden bovendien vooraf door de wetgever zijn bepaald. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3483 A.11. J.H. herinnert eraan dat de voorzienbaarheid van de strafwet niet zozeer moet worden beoordeeld op basis van het voornemen van de wetgever, maar wel volgens de « gewichtigheid van de woorden en de impact van het gebruik ervan ». J.H. onderstreept dat de in het geding zijnde bepaling het begrip « overlast veroorzaken » niet definieert. Hij merkt op dat iemand die overlast veroorzaakt de persoon is « die door zijn opdringerigheid, zijn verzoeken lastigvalt, die hindert, die stoort door zijn herhaaldelijke of overdreven daden » en geeft als synoniem voor « overlast veroorzaken » : « storen », « lastigvallen » en « vervelen ». Vervolgens merkt hij op dat de in het geding zijnde bepaling met geen woord rept over het morele bestanddeel. J.H. is overigens van mening dat de vergelijking van artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 met artikel 442bis van het Strafwetboek een discriminatie aan het licht brengt die voortvloeit uit het gegeven dat de straf waarin de eerste bepaling voorziet, zwaarder is dan die waarin de tweede bepaling voorziet, terwijl de voorwaarden van de strafbaarstelling minder strikt zijn in het eerste geval. A.12. B.L. en I.G. verwijzen naar B.9.2, tweede alinea, van het arrest nr. 69/2003 en zijn van mening dat de uitdrukkingen « overlast veroorzaken aan zijn correspondent » en « schade berokkenen » voldoende nauwkeurig zijn. Volgens hen verwijst de eerste uitdrukking naar artikel 442bis, met « het gebruik van de telecommunicatie-infrastructuur als ‘ verzwarende omstandigheid ’ », wat J.H. betwist. Zij zien niet in hoe de toepassing van de in het geding zijnde bepaling zou kunnen leiden tot een fundamenteel verschil in de behandeling van beide rechtzoekenden. A.13. De Ministerraad herinnert aan de draagwijdte van het beginsel van de wettigheid van de strafbaarstellingen zoals die is gepreciseerd door het Arbitragehof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (A.5.2). Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan dat beginsel, vermits het de rechtzoekende in staat stelt om, wanneer hij een gedrag aanneemt, te weten of dat gedrag strafbaar is. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 1991 zou het doel van de wetgever erin bestaan « de kwaadwillige telefoonoproepen [te bestraffen] waarbij door herhaalde oproepen aan telefoongebruikers overlast wordt veroorzaakt ». Het materiële bestanddeel van dat misdrijf (het gebruik van een telecommunicatienetwerk of -dienst) zou duidelijk gedefinieerd zijn en het bepalende criterium zou, voor het morele bestanddeel, berusten op, enerzijds, het voornemen van de dader (zijn correspondent overlast bezorgen) en, anderzijds, het resultaat van de daad (die correspondent overlast hebben bezorgd). De Ministerraad leidt hieruit af dat de beoordeling van de rechter relatief en marginaal is. De Ministerraad merkt vervolgens op dat de rechter het voornemen van de dader en de gevolgen van die daden voor het slachtoffer zal beoordelen op basis van de objectieve elementen van het dossier en dat dus niet op subjectieve wijze zal doen. Het Hof zou, in het arrest nr. 65/97, reeds hebben besloten tot de naleving van het wettigheidsbeginsel in gevallen waar de beoordelingsbevoegdheid van de rechter veel ruimer was. Het gegeven dat de beklaagde, op grond van het beginsel van de beperkende interpretatie, het voordeel van de twijfel van de rechter moet genieten, zou een extra element zijn om de rechtzoekende te beschermen. En de te dezen aan de rechter gelaten beoordelingsbevoegdheid zou het hem niet mogelijk maken nieuwe strafbaarstellingen of nieuwe straffen in te voeren of een nieuwe vorm van vervolging te regelen. Ten aanzien van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3673 A.14.1. Volgens de Ministerraad wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de straffen waarin die bepaling voorziet, zwaarder zijn dan die waarin artikel 442bis van het Strafwetboek voorziet, terwijl de in het geding zijnde bepaling van toepassing is zodra de beklaagde het voornemen heeft gehad zijn correspondent 13 overlast te bezorgen of hem schade te berokkenen, terwijl de toepassing van het voormelde artikel 442bis vereist dat de beklaagde de rust van het slachtoffer ernstig heeft verstoord. A.14.2. De Ministerraad merkt op dat de in het geding zijnde bepaling, samen met andere, ertoe strekt de ontoereikende strafrechtelijke sancties te versterken waarin de wet van 13 oktober 1930 « tot samenordening der verschillende wetsbepalingen op de Telegrafie en de Telefonie met draad » voorziet. Het zou gaan om een bijzondere strafrechtelijke bepaling die ertoe strekt de gebruiker van telecommunicatiediensten en -netwerken te beschermen die met name het slachtoffer is van « kwaadwillige telefoonoproepen waarbij door herhaalde oproepen […] overlast wordt veroorzaakt ». De Ministerraad onderstreept dat dat doel gewettigd is. A.14.3. De Ministerraad voert aan dat het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling berust op een objectief en relevant criterium. Hij merkt in dat opzicht op dat de in het geding zijnde bepaling tot doel heeft een duidelijk geïdentificeerd specifiek gedrag te bestraffen, terwijl artikel 442bis van het Strafwetboek belaging in het algemeen bestraft, ongeacht de in het geding zijnde daden. Hij herinnert eraan dat het misdrijf van belaging een aantal gedragingen dekt die als dusdanig niet strafbaar zijn, maar die, wegens de omstandigheden waarin die worden aangenomen, een persoon op hinderlijke wijze overlast bezorgen. Hij stelt ook vast dat de grote verscheidenheid van gedragingen die als belaging kunnen worden gekwalificeerd, het onmogelijk maakt dat begrip nauwkeurig te definiëren. De wetgever zou hebben willen voorzien in een specifieke sanctie voor de personen die gebruik maken van de voormelde netwerken en diensten om hun correspondenten overlast te bezorgen. A.14.4. De Ministerraad voert ten slotte aan dat artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 een relevante en redelijke maatregel is die het mogelijk maakt het beoogde doel op adequate wijze te bereiken, zonder op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokken personen. Hij verwijst naar de eerste alinea van B.6.4.2 van het arrest nr. 5/2001 en herinnert eraan dat alleen de wetgever een opportuniteitsoordeel kan vellen over de wijze waarop een misdrijf wordt bestraft en het niveau van de straf kan bepalen. De keuze van de wetgever zou te dezen niet dermate incoherent zijn dat hij een onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven zou invoeren. De Ministerraad herinnert in de eerste plaats eraan dat het misdrijf van belaging een grote verscheidenheid van gedragingen betreft die de rust van de personen ernstig verstoren en dat de in het geding zijnde bepaling deel uitmaakt van de bestraffing van specifieke gedragingen die zich van de eerste onderscheiden door het middel waarvan gebruik wordt gemaakt om een persoon overlast te bezorgen. Hij leidt hieruit af dat, ook al kunnen de opzettelijke elementen van beide misdrijven redelijkerwijs met elkaar worden vergeleken, een duidelijk verschil bestaat tussen de materiële bestanddelen ervan. Het niveau van de straf zou evenredig zijn met de wil van de wetgever die rekening houdt met, enerzijds, de toenemende ontwikkeling van de telecommunicatiemiddelen die het mogelijk maken rechtstreeks contact op te nemen met de gebruiker in diens privé-leven en, anderzijds, de grote beschikbaarheid van de nummers van de vaste telefoontoestellen waardoor in principe iedereen de gebruiker voortdurend kan bereiken. De Ministerraad herinnert ten slotte aan het doel van de wetgever (A.14.2). -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 3318 en 3483, de prejudiciële vragen in de zaak nr. 3688 en de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3706 B.1. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof in de vijf vragen wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 442bis van het Strafwetboek met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, 14 artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verwijzende rechters vragen aan het Hof of dat beginsel niet wordt geschonden door, enerzijds, de ontstentenis van een wettelijke definitie van het materiële bestanddeel van het misdrijf waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet en, anderzijds, het gegeven dat de definitie van het morele bestanddeel van dat misdrijf aan de rechter een te grote beoordelingsbevoegdheid laat. B.2. In de prejudiciële vragen die zijn gesteld in de zaken nrs. 3318, 3483 en 3706 wordt het Hof verzocht na te gaan of artikel 442bis van het Strafwetboek op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten die worden gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Noch de bewoordingen van die vragen, noch de motieven van de verwijzingsbeslissingen preciseren echter in welke zin artikel 442bis van het Strafwetboek in strijd zou zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met die internationaalrechtelijke bepaling. B.3. Artikel 442bis van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 30 oktober 1998 « die een artikel 442bis in het Strafwetboek invoegt met het oog op de strafbaarstelling van de belaging », bepaalt : « Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro of met een van die straffen alleen. Tegen het in dit artikel bedoelde misdrijf kan alleen vervolging worden ingesteld op een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd ». B.4.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». 15 Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.4.2. Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.4.3. Op grond van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, vervangen bij artikel 9, a), van de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wettelijke normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » van de Grondwet. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat het Hof, bij zijn toetsing aan die grondwetsbepalingen, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. In zoverre zij het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgen, hebben artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15.1 van het Internationaal 16 Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. B.5.1. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. B.5.2. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden. B.6.1. De in het geding zijnde bepaling heeft niet tot doel alle gevallen van belaging te bestraffen. Uit de bewoordingen ervan blijkt dat de strafrechtelijke sanctie die zij invoert, alleen betrekking heeft op de belager die de rust van de door hem beoogde persoon ernstig verstoort en die wist of had moeten weten dat zijn gedrag daartoe zou leiden. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt daarnaast dat de gedragingen die de wetgever wil bestraffen, gedragingen zijn die het privé-leven van de personen aantasten (Parl. St., 17 Kamer, 1996-1997, nr. 1046/8, p. 3; Hand., Kamer, 1997-1998, zitting van 8 juli 1998, p. 9221). De strafrechtelijke vervolging ervan is in dat opzicht ondergeschikt aan de klacht van de persoon die beweert te worden belaagd. Die gedragingen bestaan erin een persoon lastig te vallen op een wijze die voor de betrokkene overlast meebrengt (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/8, p. 2; Hand., Kamer, 1997-1998, zitting van 8 juli 1998, p. 9221). B.6.2. De auteurs van het wetsvoorstel dat tot de aanneming van de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, wilden, naar het voorbeeld van de auteurs van de eerste amendementen waartoe dat voorstel aanleiding heeft gegeven, diegene bestraffen die een persoon « herhaaldelijk » achtervolgt, bespiedt of belaagt (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/1, pp. 1-3; nr. 1046/3, p. 1; nr. 1046/5, p. 1). Uit de commentaren en voorbeelden bij dat wetsvoorstel blijkt overigens dat de auteurs ervan alleen die gedragingen wilden bestraffen die meer dan één handeling inhielden (ibid., nr. 1046/1, p. 2; ibid., nr. 1046/8, pp. 2 en 6). Tijdens het onderzoek van het amendement waarmee werd voorgesteld het woord « herhaaldelijk » te schrappen, legde een van de auteurs ervan uit dat het begrip « belaging » moet « worden verstaan in [de] gewone betekenis [ervan], die kan evolueren », waarbij hij eraan toevoegde dat « de rechter […] naar gelang van de omstandigheden van de zaak [zal] oordelen of er al dan niet belaging is ». Een andere volksvertegenwoordiger vroeg of het repetitieve niet noodzakelijk deel uitmaakte van het begrip « belaging ». De andere auteur van het voormelde amendement preciseerde in dat verband dat de schrapping van dat woord kon worden verklaard door de wil om een gedraging te bestraffen die « een vorm van belaging [kan] zijn, zelfs als ze niet op verschillende tijdstippen is herhaald », zoals die van een « persoon [die] iemand op straat aanklampt en daarmee doorgaat ondanks het feit dat hem wordt duidelijk gemaakt dat zijn gedrag stoort » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/8, p. 8). De aanneming van dat amendement - met eenparigheid van stemmen - kan dus niet in die zin worden geïnterpreteerd dat de wetgever heeft willen afwijken van de gewone betekenis van het woord « belaging », die naar herhaalde handelingen verwijst, of het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling heeft willen uitbreiden tot de alleenstaande handelingen. Dat amendement getuigt alleen van de zorg om een interpretatie van artikel 442bis van het 18 Strafwetboek te verwerpen die belet dat belaging, wanneer de periode tussen de herhaalde handelingen van korte duur is, wordt bestraft. B.6.3. Het wetsvoorstel voorzag oorspronkelijk erin dat het belagende gedrag, om strafbaar te zijn, « hinderlijk, verontrustend of kwellend » moest zijn (Parl. St., Kamer, 1996- 1997, nr. 1046/1, p. 3; nr. 1046/3). In een amendement werd voorgesteld te preciseren dat die gedraging « kennelijk » dat effect moest hebben, teneinde « het misdrijf stalking op een objectieve manier te omschrijven » en het de rechter mogelijk te maken om na te gaan of « de gedraging van de stalker redelijkerwijze [moet] worden omschreven als een gedraging die hinderlijk, verontrustend of kwellend is voor het slachtoffer » (ibid., nr. 1046/3, p. 2, nr. 1046/8, p. 2). Het doel van dat amendement bestond in « een zekere objectivering bij het in aanmerking nemen van voor het overige louter subjectieve elementen » (ibid., nr. 1046/8, p. 4). Naar aanleiding van opmerkingen van verschillende volksvertegenwoordigers die vragen hadden bij de plaats van « de subjectieve ervaring van het slachtoffer » of de « gevoeligheid van elkeen » (ibid., pp. 5 en 6) werd de verwijzing naar het kennelijk hinderlijke, verontrustende of kwellende karakter geschrapt (ibid., nr. 1046/6, nr. 1046/8, p. 8). In de parlementaire voorbereiding wordt overigens herhaaldelijk geïllustreerd welke vorm van gedraging de wetgever wilde bestraffen (ibid., nr. 1046/1, p. 2, nr. 1046/8, pp. 2, 3, 5, 6 en 8; Hand., Kamer, 1997-1998, zitting van 8 juli 1998, p. 9222). Derhalve kan niet ervan worden uitgegaan dat het begrip « ernstige verstoring van de rust » waarvan in de in het geding zijnde bepaling sprake is, de rechter toestaat een gedraging te bestraffen op basis van subjectieve gegevens, zoals de ervaring van de persoon die door het belagende gedrag wordt beoogd. Het spreekt vanzelf dat een klacht van die persoon, op grond van het tweede lid van die bepaling, niet volstaat om het bestaan van een dergelijke verstoring van de rust aan te tonen. B.6.4. Een ernstige verstoring van andermans rust is overigens alleen strafbaar indien die voortvloeit uit een belagend gedrag van de persoon die op grond van artikel 442bis van het Strafwetboek wordt vervolgd. Een dergelijke sanctie veronderstelt bovendien dat de belager, met dat gedrag, de persoon beoogt wiens rust is verstoord. De in het geding zijnde bepaling maakt het niet mogelijk 19 iemand te bestraffen die een gedrag aanneemt dat de rust van onbepaalde personen verstoort (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/8, p. 9). Alleen onder die voorwaarden kan die bepaling leiden tot de bestraffing van gedragingen die als asociaal, niet aangepast of inadequaat worden beschouwd. Het komt uiteindelijk de rechter toe om te oordelen over de werkelijkheid van de verstoring van de rust van een persoon, de ernst ervan en het oorzakelijk verband tussen die verstoring van de rust van een bepaalde persoon en het belagende gedrag. Hij zal daartoe rekening houden met de objectieve gegevens die hem worden voorgelegd, zoals de omstandigheden van de belaging, de betrekkingen tussen de dader van het belagende gedrag en de klager, de gevoeligheid of de persoonlijkheid van de laatstgenoemde of de wijze waarop dat gedrag door de maatschappij of het betrokken sociaal milieu wordt ervaren. B.6.5. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt ten slotte dat de invoeging in artikel 442bis van het Strafwetboek van de woorden « wist of had moeten weten » voortvloeit uit een vergelijk tussen de wens van sommige volksvertegenwoordigers om de belager te bestraffen die blijk geeft van onachtzaamheid of onvoorzichtigheid en de wil van andere parlementsleden om alleen diegene te bestraffen die « kwaadwillig heeft belaagd » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/1, p. 2; ibid., nr. 1046/5; ibid., nr. 1046/6; ibid., nr. 1046/8, pp. 7-9). De woorden « had moeten weten » maken het bijgevolg niet mogelijk de belager te bestraffen die niet kon weten dat zijn gedrag de rust van de persoon die hij beoogde ernstig zou storen. De verstoring van de rust van de persoon die door het belagende gedrag wordt beoogd, bewijst overigens niet dat de gevolgen van die handeling bekend waren. Dat bewijs zou kunnen worden vastgesteld op basis van objectieve elementen die de belager moest kennen, zoals de omstandigheden van de belaging, de aard van de betrekkingen tussen de belager en de klager, de wijze waarop dat gedrag door de maatschappij of het betrokken sociaal milieu wordt ervaren, of zelfs, in sommige gevallen, de persoonlijkheid van de klager. 20 De rechter zal overigens, in elk geval, de ernst van de begane fout moeten beoordelen en, binnen de door de wetgever vastgestelde perken, de straf daarmee in overeenstemming brengen. B.6.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3483 B.7. Uit de bewoording van de vraag, de motieven van de verwijzingsbeslissing en de voor de verwijzende rechter uitgewisselde procedurestukken blijkt dat het Hof wordt gevraagd te oordelen of de woorden « om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen », in artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bestaanbaar zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet en bij artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. B.8. Artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991, gewijzigd bij artikel 85, H), van de wet van 19 december 1997 « tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven teneinde het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen die inzake vrije mededinging en harmonisatie op de markt voor telecommunicatie, voortvloeien uit de van kracht zijnde beslissingen van de Europese Unie », bepaalde, vóór de opheffing ervan bij artikel 155, 4°, van de wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie : « Met geldboete van 500 tot 50 000 euro en met een gevangenisstraf van één tot vier jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft : […] 2° de persoon, die een telecommunicatienet of -dienst of andere middelen van telecommunicatie gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen ». B.9.1. De in het geding zijnde bepaling heeft tot doel een bepaald gebruik van telecommunicatiemiddelen te bestraffen. 21 De prejudiciële vraag betreft alleen de morele bestanddelen van het misdrijf dat die bepaling invoert. B.9.2. De woorden « om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent » geven op voldoende wijze de morele bestanddelen van het misdrijf aan en de woorden « om […] schade te berokkenen » kunnen redelijkerwijze enkel worden opgevat als betrekking hebbend op schade veroorzaakt aan de telecommunicatiemiddelen zelf, wat in de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1287/1, p. 71). De in het geding zijnde bepaling is dus niet onbestaanbaar met het legaliteitsbeginsel. B.9.3. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3673 B.10. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het onderscheid dat de artikelen 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 en 442bis van het Strafwetboek maken tussen, enerzijds, de persoon die gebruik maakt van een telecommunicatiemiddel om iemand overlast te bezorgen en, anderzijds, diegene die iemand belaagt door diens rust ernstig te verstoren, in zoverre het gedrag van de eerstgenoemde persoon zwaarder kan worden bestraft (namelijk met een gevangenisstraf van één tot vier jaar of met een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro of met één van die straffen alleen) dan dat van de laatstgenoemde (namelijk met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro of met een van die straffen alleen). B.11. De vaststelling van de ernst van een misdrijf en van de zwaarwichtigheid waarmee dat misdrijf kan worden bestraft, behoort tot het opportuniteitsoordeel van de wetgever. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven, indien het bij de vraag naar de verantwoording van verschillen in de talrijke wetteksten houdende strafrechtelijke sancties, wat de strafmaat betreft, zijn oordeel niet zou beperken tot die 22 gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven. B.12. De twee in het geding zijnde bepalingen hebben tot doel gedragingen te bestraffen die andermans rust kunnen verstoren. Zij kunnen dus op voldoende pertinente wijze met elkaar worden vergeleken, wat de strafmaat betreft. B.13.1. Zoals eraan is herinnerd in B.6.1 heeft artikel 442bis van het Strafwetboek tot doel handelingen te bestraffen die het privé-leven van de personen aantasten door hen lastig te vallen op een wijze die voor de betrokkenen overlast meebrengt. B.13.2. De straf waarin artikel 442bis van het Strafwetboek voorziet, is alleen van toepassing wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan : het belagende karakter van het gedrag van de vervolgde persoon, een verstoring van de rust van de persoon die de belager beoogt, een oorzakelijk verband tussen het gedrag van die persoon en die verstoring van andermans rust, alsook de ernst van die verstoring. De straf waarin artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 voorziet, kan ook worden toegepast wanneer aan die voorwaarden niet is voldaan. Er wordt niet vereist dat het gebruik van het telecommunicatiemiddel een belagend karakter heeft, noch dat de rust van de correspondent van de persoon daadwerkelijk wordt verstoord. B.13.3. Het morele bestanddeel van het misdrijf dat artikel 442bis van het Strafwetboek invoert, is weliswaar van een lagere graad dan dat van het misdrijf dat artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 invoert. Die laatste bepaling stelt het gedrag van de gebruiker van het telecommunicatiemiddel alleen strafbaar wanneer hij het voornemen had zijn correspondent overlast te bezorgen, terwijl de belager die in de eerste bepaling wordt bedoeld, ook strafbaar is wanneer hij niet het voornemen had andermans rust te verstoren. Het Hof ziet echter niet in waarom die omstandigheid of het gebruik van een telecommunicatiemiddel van dien aard zijn dat zij dermate zwaardere straffen verantwoorden. 23 B.13.4. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3318 B.14.1. Artikel 5, § 1, eerste en tweede lid,
- i)en j), van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt : « De werkgever treft de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Daartoe past hij de volgende algemene preventiebeginselen toe : […]
- i)de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk met het oog op een systeembenadering waarin onder andere volgende elementen worden geïntegreerd : techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en omgevingsfactoren op het werk;
- j)de werknemer voorlichten over de aard van zijn werkzaamheden, de daaraan verbonden overblijvende risico's en de maatregelen die erop gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken : 1° bij zijn indiensttreding; 2° telkens wanneer dit in verband met de bescherming van het welzijn noodzakelijk is; ». B.14.2. Zoals zij in de verwijzingsbeslissing is geformuleerd, beoogt de prejudiciële vraag littera
- j)van die bepaling, waarnaar ook in de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt verwezen. De tenlastelegging A geeft evenwel alleen de essentie weer van de tekst van littera
- i)van artikel 5, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1996. Bovendien maakt het door die rechter aan het Hof overgezonden dossier van de rechtspleging het niet mogelijk een verband te leggen tussen de feiten van het geding en littera
- j)van dat artikel. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de referentie, in de verwijzingsbeslissing, aan dat littera
- j)voortvloeit uit een materiële vergissing. 24 B.14.3. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de vraag blijkt dat die laatste betrekking heeft op de grondwettigheid van artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996, in zoverre het een inbreuk op artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van dezelfde wet strafbaar stelt. B.15. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van die bepaling met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet en artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de bewoordingen van artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 het niet mogelijk maken om, op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is. B.16. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken, waarvan de draagwijdte in B.5.1 in herinnering is gebracht, gaat niet zover dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. B.17. Artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 11 juni 2002 « betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » : « Onverminderd de bepalingen van de artikelen 82 tot 87 worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen : 1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden; ». B.18.1. Artikel 5, § 1, eerste lid, geeft aan « dat de werkgever de nodige maatregelen moet treffen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun 25 werk ». Bijgevolg « wordt benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de arbeid bij de werkgever ligt », die steeds de eindverantwoordelijkheid draagt, « ook wanneer hij beroep doet op deskundigen », vermits hij « de persoon [is] die het gezag uitoefent in de onderneming ». De in het geding zijnde bepaling bevestigt aldus « een principe dat reeds sedert jaren van toepassing is, in deze materie » (Parl. St., Kamer, 1995, nr. 71/1, p. 9). Wanneer hij de « nodige maatregelen » neemt, moet de werkgever « niet alleen […] rekening [houden] met preventiebeginselen van technische aard, maar ook met wat haalbaar is voor de onderneming, onder meer op economisch, ethisch en sociaal vlak, zodat er steeds een belangenafweging zal plaatsvinden ». Hij heeft dus een « algemene zorgvuldigheidsplicht die op een redelijke wijze moet geïnterpreteerd worden » (ibid.). B.18.2. Artikel 5, § 1, tweede lid, bevat « de fundamentele algemene beginselen, zoals die in de Europese kaderrichtlijn 89/691/EEG [lees : 89/391/EEG] van 12 juni 1989 vervat zijn », alsook « een aantal preventiebeginselen […] die algemeen aanvaard zijn bij vakdeskundigen als valabele uitgangspunten voor het voeren van een preventiebeleid ». De wetgever wenst « deze beginselen te verankeren in de wet om met meer moreel gezag deze principes door te drukken in de praktijk ». Die preventiebeginselen kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld. De eerste « omvat de principes die verband houden met het risicobeheer », de tweede « de beginselen van de ergonomie » en de derde « betreft het globale opzet van het preventiebeleid en de organisatie » (ibid.). Littera
- i)van de in het geding zijnde bepaling voert « de systeembenadering […] in zeer algemene zin » in. Zij haalt « enkele belangrijke deelsystemen [aan] zoals het technisch systeem, het sociale systeem, de werkhuisomgeving (= omgevingsfactoren) en het organisatiesysteem ». De « factor mens wordt bij [die] systeembenadering […] niet expliciet vermeld » (ibid., p. 11). B.19. Artikel 6 van de richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 « betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk » bepaalt : « 1. In het kader van zijn verantwoordelijkheden treft de werkgever de nodige maatregelen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, 26 met inbegrip van de maatregelen ter preventie van beroepsrisico's, voor informatie en opleiding alsmede voor de organisatie en de benodigde middelen. De werkgever moet ervoor zorgen dat deze maatregelen worden aangepast, ten einde rekening te houden met gewijzigde omstandigheden, en streven naar verbetering van bestaande situaties. 2. Bij de tenuitvoerlegging van de in lid 1, eerste alinea, genoemde maatregelen neemt de werkgever de volgende algemene preventieprincipes in acht : […]
- g)planning van de preventie met het oog op een samenhangend geheel dat de volgende aspecten in de preventie integreert : techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en invloed van de omgevingsfactoren op het werk; […] ». Artikel 3, d), van de richtlijn 89/391/EEG definieert preventie als « het geheel van bepalingen of maatregelen die zijn genomen of vastgesteld in alle stadia van de activiteit in de onderneming ten einde beroepsrisico’s te voorkomen of te verminderen ». B.20. Artikel 10 van het E.G.-Verdrag bepaalt dat de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het E.G.-Verdrag of uit de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Luidens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn de lidstaten, ingevolge artikel 10 van het E.G.-Verdrag, wanneer de gemeenschapsregeling geen specifieke sanctie stelt op de overtreding van de bepalingen ervan, of daarvoor verwijst naar nationale bepalingen, gehouden alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Daartoe dienen de lidstaten erop toe te zien dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationaal recht. Zij zijn daarbij weliswaar vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, doch deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (zie o.m. H.v.J., 21 september 1989, Commissie t. Griekenland, 68/88, Jur., 1989, p. 2965; H.v.J., 10 juli 1990, Hansen, C-326/88, Jur., 1990, I, p. 2911; H.v.J., 27 februari 1997, Ebony Maritime, C-177/95, Jur., 1997, I, p. 1111). 27 De wetgever heeft wat betreft de maatregelen die hij aanneemt de keuze om strafsancties te bepalen, maar de omstandigheid dat hij uitvoering geeft aan een Europese richtlijn ontslaat hem niet van de verplichting om het wettigheidsbeginsel in acht te nemen bij de omschrijving van de misdrijven die hij instelt. B.21.1. Het « welzijn » in de zin van artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 vormt, volgens artikel 3, § 1, 1°, van die wet, « het geheel van factoren betreffende de omstandigheden waarin arbeid wordt verricht zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid », van dezelfde wet. Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1996, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 7 april 1999, bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 3 van de wet van 11 juni 2002 : « Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen die betrekking hebben op : 1° de arbeidsveiligheid; 2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk; 3° de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk; 4° de ergonomie; 5° de arbeidshygiëne; 6° de verfraaiing van de arbeidsplaatsen; 7° de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1° tot 6° ». Volgens de parlementaire voorbereiding is die definitie van het « welzijn » « een functionele definitie die de resultante is van de klassieke en van de nieuwere domeinen die tot de arbeidsbescherming behoren » : « […] Traditioneel gaat het over : 28 1° de arbeidsveiligheid namelijk de discipline die tot doel heeft arbeidsongevallen te voorkomen. Daarbij gaat het om de veiligheid van de arbeid wat interacties tussen de technische installatie en de werknemer impliceert; 2° de arbeidsgeneeskunde namelijk de discipline die tot doel heeft beroepsziekten te voorkomen. Daarbij staat vooral de persoon van de werknemer centraal in zijn verhouding tot zijn werkomgeving; 3° de arbeidshygiëne namelijk de discipline die tot doel heeft schadelijke invloeden te weren die verbonden zijn aan de aard van het bedrijf door bijvoorbeeld te voorzien in ventilatiesystemen en sanitaire installaties. Deze drie disciplines hebben de loop der jaren een evolutie gekend waardoor het ook belangrijk is het werk aan te passen aan de mens. Dit gebeurt in de ergonomie. De arbeidsgeneeskunde legt thans meer de nadruk op preventieve maatregelen, zodat het beter leek dit begrip te verlaten en te spreken over de bescherming van de gezondheid van de werknemers op het werk. Bovendien is het ook de bedoeling rekening te houden met de stress op het werk en de invloed van het leefmilieu op de arbeidsomstandigheden. Rekening houdend met deze evoluties was het beter een nieuwe overkoepelende term te bepalen die beter weergeeft wat zowel onder de traditionele als de nieuwere domeinen valt. Daarbij is het begrip welzijn de meest adequate gebleken. Het gebruik van het begrip gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie geeft binnen het kader van de in artikel 4 opgesomde domeinen en disciplines onvoldoende de eigenheid weer van de maatregelen die het voorwerp zijn van deze wet » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 71/7, pp. 17-18). B.21.2. Artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, §§ 2 en 4, van de wet van 4 augustus 1996 geeft aan welke « werknemers » worden beoogd door artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet. Artikel 2, § 3, machtigt de Koning ertoe het toepassingsgebied van de wet tot andere werknemers uit te breiden. B.22.1. Artikel 5, § 2, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt : « De werkgever bepaalt :
- a)de middelen waarmee en de wijze waarop het in § 1 bedoelde beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk kan worden gevoerd;
- b)de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de personen belast met het toepassen van het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De werkgever past zijn welzijnsbeleid aan in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkeling van de werkmethoden of de arbeidsomstandigheden ». Die bepaling « omvat geen echte preventiebeginselen maar wel een aantal algemene verplichtingen voor de werkgever betreffende het voeren van een efficiënt welzijnsbeleid ». 29 Er wordt vooral beoogd « dat de werkgever een budget dient te voorzien voor de uitvoering en toepassing van zijn welzijnsbeleid ». Er staat ook « dat in de onderneming dient vastgesteld te worden wie voor welke taken verantwoordelijkheid draagt en bevoegdheden krijgt », met dien verstande dat « bevoegdheden en verantwoordelijkheden […] hier hand in hand [gaan] » en dat « hij die bevoegdheid heeft om de aankopen te doen, […] ook de verantwoordelijkheid voor de juiste aankoop [draagt] » (Parl. St., Kamer, 1995, nr. 71/1, p. 11). B.22.2. Artikel 5, § 3, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalt : « De Koning kan de in § 1 bedoelde algemene preventiebeginselen nader omschrijven en nader uitwerken met toepassing van of ter voorkoming van specifieke risicosituaties ». Die machtiging wordt verantwoord door het gegeven dat « de stand van de techniek en de wetenschappen die een invloed uitoefenen op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk voortdurend in evolutie zijn ». Door die bepaling worden met name beoogd : « specifieke beginselen die naar aanleiding van de bijzondere Europese richtlijnen, in uitvoering van de kaderrichtlijn, worden aangenomen zoals, bij biologische of carcinogene agentia, manueel hanteren van lasten en beeldschermen », waarbij die « situaties […] aanleiding [kunnen] geven tot bijzondere risico’s » (Parl. St., Kamer, 1995, nr. 71/1, p. 11). B.23. Artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996, gewijzigd bij artikel 27 van de wet van 7 april 1999, bepaalt : « De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ». Het is met name op grond van die bepaling dat het koninklijk besluit van 27 maart 1998 « betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » is genomen, waarvan de schending evenwel niet aan de oorsprong ligt van de strafvervolging voor de verwijzende rechter. B.24. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de bijzonder vage bewoordingen in artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 niet voldoende 30 kunnen worden gepreciseerd door de andere relevante bepalingen van die wet, de parlementaire voorbereiding ervan en de internationale bepalingen waarop zij is geïnspireerd. In zoverre het voorziet in een straf voor elke inbreuk op die bepaling maakt artikel 81, 1°, van die wet het de personen die het beoogt, niet mogelijk om, op het ogenblik dat zij een gedrag aannemen, te weten of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het gegeven dat het koninklijk besluit van 27 maart 1998 - dat steunt op de overweging dat « de Preventie- en Beschermingsdiensten slechts kunnen functioneren voor zover de werkgevers de problemen met betrekking tot het welzijn van de werknemers aanpakken vanuit een systeembenadering » - de in B.19 aangehaalde definitie van de preventie overneemt en het « dynamisch risicobeheersingssysteem » omschrijft - waarvan het doel erin bestaat « de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk mogelijk te maken » (artikelen 2, 5°, en 3 tot 14) - kan geen afbreuk doen aan die vaststelling. In de veronderstelling dat een beklaagde wordt vervolgd op grond van artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van de wet van 4 augustus 1996 en op grond van dat koninklijk besluit, zal het aan de rechter staan om met toepassing van artikel 159 van de Grondwet over de wettigheid van de uitvoeringsmaatregel te oordelen. B.25. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 31 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 442bis van het Strafwetboek schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. 2. Artikel 114, § 8, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. 3. Artikel 114, § 8, 2°, van dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, voor diegene die gebruik maakt van een telecommunicatiemiddel om zijn correspondent overlast te bezorgen, het voorziet in straffen die zwaarder zijn dan die waarin artikel 442bis van het Strafwetboek voorziet. 4. Artikel 81, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in zoverre het een inbreuk op artikel 5, § 1, eerste lid en tweede lid, i), van dezelfde wet, op zichzelf genomen, strafbaar stelt. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 10 mei 2006. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div