id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.073 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060510.1 Arrest- Rolnummer: 73-2006 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-04 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-30 16:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre zij niet voorziet in een recht op een rustpensioen ten voordele van de uit de echt gescheiden echtgenoten van ambtenaren uit de openbare sector. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 21-07-1844 - 30 ELI link Pub nr 1844072101 Tekst van de beslissing Rolnummer 3780 Arrest nr. 73/2006 van 10 mei 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 september 2005 in zake M. Gomet tegen de Belgische Staat en G. Bouffioux, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 oktober 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, in zoverre zij de ex-echtgenoten van ambtenaren uitsluit van het recht op een rustpensioen, terwijl dat recht bij de artikelen 75 en volgende van het koninklijk besluit van 21 december 1967 wordt toegekend aan de ex-echtgenoten van personen die in de privé-sector hebben gewerkt en terwijl het Arbitragehof, bij zijn arrest van 3 mei 2000, de rechtbanken niet langer in staat stelt om op grond van artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek een uitkering tot levensonderhoud te verlenen die een derde van de inkomsten van de schuldenaar van het onderhoudsgeld overschrijdt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een verschil in behandeling invoert tussen de schuldeiser van een uitkering tot levensonderhoud, ex-echtgenoot van een ambtenaar uit de openbare sector, en de schuldeiser van een uitkering tot levensonderhoud die het voordeel van de artikelen 75 en volgende van het koninklijk besluit van 21 december 1967 geniet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - M. Dhont, wonende te 9300 Aalst, Meuleschettestraat 35; - M. Gomet, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue Camille Lemonnier 2/1; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. L. Loos, advocaat bij de balie te Dendermonde, voor M. Dhont; . Mr. B. Gors loco Mr. D. D’Hooghe en Mr. N. Cahen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Marcelle Gomet en Georges Bouffioux zijn gehuwd in
- Zij hebben gedurende talrijke jaren feitelijk gescheiden geleefd. Bij vonnis van 11 oktober 2001, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de echtscheiding uitgesproken op verzoek van de echtgenoot op grond van artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek, zonder ommekeer van het vermoeden van schuld. Tot de overschrijving van de echtscheiding genoot de echtgenote levensonderhoud waarvan het bedrag ongeveer de helft van de inkomsten van haar echtgenoot bedroeg. Om reden van de echtscheiding is dat levenonderhoud omgezet in een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding waarvan het bedrag door de wet wordt beperkt tot een derde van de inkomsten van haar ex-echtgenoot. Die geniet, in zijn hoedanigheid van voormalig militair, een rustpensioen in de regeling van het openbaar ambt. Voor de Rechtbank van eerste aanleg vordert de ex-echtgenote dat de Belgische Staat ertoe wordt veroordeeld haar een persoonlijk rustpensioen uit te betalen. Zij verzoekt de Rechtbank de voormelde vraag te stellen aan het Arbitragehof. De Rechtbank is van mening dat het antwoord op de vraag een invloed kan hebben op het geschil, vermits het door de ex-echtgenote gevorderde recht niet bestaat in de huidige stand van de wetgeving en enkel, behoudens een wetswijziging, zou kunnen bestaan indien de ontstentenis, in de wetgeving betreffende de overheidspensioenen, van een bepaling dankzij welke de uit de echt gescheiden echtgenoot een persoonlijk rustpensioen kan genieten, ongrondwettig zou worden. De Rechtbank merkt bovendien op dat de vraag een bijzonder probleem doet rijzen, in zoverre de schending van het erin aangevoerde gelijkheidsbeginsel wordt afgeleid uit de ontstentenis van een norm, maar stelt vast dat die bijzonderheid, ofschoon ze de uitvoering van het arrest van het Hof kan bemoeilijken, niet van dien aard is om de bevoegdheid van het Hof om de gestelde vraag te beantwoorden opnieuw in het geding te brengen. Bijgevolg stelt de Rechtbank aan het Hof de voormelde vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de partijen bij het hangende geschil voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik A.1.
- De eiseres voor de verwijzende rechter zet uiteen dat de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844 aan de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar niet een recht op een rustpensioen toekent, terwijl de artikelen 75 en volgende van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers aan de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer het voordeel toekennen van de pensioenregeling voor werknemers. Zij is van mening dat de voormelde wet van 21 juli 1844 bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij doet bovendien gelden dat de rechtbanken, sinds het arrest van het Arbitragehof van 3 mei 2000, niet langer een uitkering tot levensonderhoud kunnen toekennen die een derde van de inkomsten van de schuldenaar van het onderhoudsgeld overschrijdt. A.1.
- De eiseres is van mening dat de bijzondere aard van het recht op het rustpensioen in de openbare sector, dat wordt beschouwd als een uitgestelde wedde, wordt verklaard door historische redenen maar niet van dien aard is dat het noodzakelijkerwijze het door haar aangeklaagde verschil in behandeling kan verantwoorden. Zij doet bovendien gelden dat zij gehuwd was onder het wettelijk stelsel, zodat de wedde van haar ex-echtgenoot noodzakelijkerwijze deel uitmaakte van de gemeenschap en dat de uitgestelde betaling bijgevolg de beide ex-echtgenoten ten goede zou moeten komen, en zij citeert in dat verband het arrest nr. 54/99 van 26 mei
- Zij is van mening dat, indien het rustpensioen van een ambtenaar moet worden beschouwd als een uitgestelde wedde, wat impliceert dat gedurende het huwelijk de gemeenschap niet ten volle heeft kunnen profiteren van die wedde, het onrechtvaardig is dat bij de ontbinding van het huwelijk enkel de op rust gestelde ambtenaar het pensioen geniet, met uitsluiting van zijn uit de echt gescheiden echtgenoot. A.2.1.
- De Ministerraad doet in hoofdorde gelden dat de prejudiciële vraag niet dient te worden beantwoord, aangezien het pensioen dat de ex-echtgenoot, kapitein-commandant op rust van het Belgisch leger, 4 geniet, niet is gebaseerd op de voormelde algemene wet van 21 juli 1844, maar een pensioen wegens dienstanciënniteit is dat wordt toegekend krachtens artikel 3, A, 4°, van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen van 11 augustus
- A.2.1.
- De eiseres antwoordt op dat bezwaar door aan het Hof te suggereren de prejudiciële vraag in die zin te herformuleren dat ze betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen van 11 augustus 1923 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
- De Ministerraad is in ondergeschikte orde van mening dat, zelfs indien ze wordt geherformuleerd, de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hij verwijst naar de analoge vraag die aan het Hof is voorgelegd in de zaak met rolnummer 3362 en nog steeds hangende is op het ogenblik waarop hij concludeert. Hij is van mening dat de categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, aangezien de situatie van de gepensioneerde militair die een anciënniteitspensioen geniet, fundamenteel verschillend is van die van de werknemer uit de privé-sector die een rustpensioen geniet. Hij zet uiten dat die beide pensioenstelsels fundamenteel verschillen wat betreft hun doelstelling, hun financieringswijze en de toekenningsvoorwaarden van de pensioenen. Hij citeert het arrest nr. 17/91 van 4 juli
- Hij preciseert dat, ofschoon het pensioen van de werknemer uit de privé-sector een recht is dat voortvloeit uit het socialezekerheidsstelsel, het pensioen van de militair een uitgestelde wedde is, en dat dit objectieve en verantwoorde verschil verklaart waarom aan de uit de echt gescheiden echtgenoot niet dezelfde rechten worden toegekend. In zijn memorie van antwoord doet hij gelden dat het ondenkbaar is dat het aan de echtgenoot betaalde pensioen nog onder het gemeenschappelijk vermogen valt, vermits dat is vereffend door de echtscheiding, en dat de verwijzing naar het arrest nr. 54/99 niet relevant is. Ten slotte vestigt hij de aandacht van het Hof op de omstandigheid dat voor de pensioenen van de privé-sector wordt voorzien in een rustpensioen tegen het tarief alleenstaande en een rustpensioen tegen het tarief gezin, begrippen die niet bestaan voor de pensioenen van de openbare sector. Standpunt van de tussenkomende partij A.3.1.
- Maria Dhont heeft een memorie van tussenkomst ingediend op grond van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari
- Zij zet haar huwelijks- en financiële situatie uiteen, die gelijkt op die van de eiseres. Zij is thans betrokken bij een procedure voor het Hof van Beroep te Gent, met name tegen de Belgische Staat waarvan ze een persoonlijk rustpensioen vordert. Aangezien de prejudiciële vraag betrekking heeft op een situatie die identiek is met de hare, wenst ze tussen te komen in de prejudiciële procedure teneinde te betogen dat een discriminatie wordt veroorzaakt door de ontstentenis van het recht op een persoonlijk rustpensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar. Zij citeert het arrest nr. 126/2000 en doet gelden dat het Hof zijn arrest van antwoord op de prejudiciële vraag zal wijzen vooraleer haar procedure voor het Hof van Beroep in staat van wijzen zal zijn. A.3.1.
- De Ministerraad doet gelden dat het loutere feit dat men partij is bij een analoog geschil waarvan de afloop zou kunnen worden beïnvloed door het antwoord dat het Hof zal geven op de prejudiciële vraag, niet volstaat om het bestaan van het bij artikel 87, § 1, van de bijzondere wet op het Arbitragehof vereiste belang aan te tonen, en dat de feiten van deze zaak verschillend zijn van diegene die aanleiding hebben gegeven tot het arrest nr. 126/
- Hij besluit daaruit dat de memorie van tussenkomst niet ontvankelijk is. A.3.2.
- De tussenkomende partij is van mening dat het feit dat de ex-echtgenoot van een ambtenaar geen recht heeft op een rustpensioen, terwijl de ex-echtgenoten van loontrekkenden en zelfstandigen recht hebben op een persoonlijk pensioen, een schending vormt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij doet gelden dat de antwoorden van de ministers op de parlementaire vragen in verband met die kwestie de leemte in de wetgeving bevestigen, maar daarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording vormen. Zij doet gelden dat na het overlijden van de ambtenaar een recht op een overlevingspensioen wordt geopend ten voordele van de ex-echtgenoot, wat niet coherent is ten aanzien van de uitleg volgens welke het pensioen een uitgesteld loon is en dus een niet-overdraagbaar recht. Zij voegt daaraan toe dat ook een discriminatie in het leven wordt geroepen onder de ex-echtgenoten van ambtenaren, naar gelang die nog in leven zijn of vooroverleden zijn. 5 De tussenkomende partij doet voorts gelden dat dat verschil in behandeling ook een schending vormt van artikel 22 van de Grondwet, in zoverre de echtgenoot niet tussen kan komen in de keuze van zijn echtgenoot om een contractuele betrekking uit te oefenen of ambtenaar te worden, alsmede van artikel 23 van de Grondwet, aangezien de wetgever geen sociaal statuut heeft gewaarborgd voor de ex-echtgenoten van ambtenaren. Zij zet uiteen dat het recht op een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding onzeker is, dat het afhangt van de bewijsvoering van de schuld en dat het geenszins de ontstentenis van een eigenlijk rustpensioen kan compenseren. A.3.2.
- In ondergeschikte orde doet de Ministerraad opmerken dat het rechtstreekse recht op een overlevingspensioen een eigen recht is dat bij de wet wordt toegekend aan de overlevende echtgenoot en voor de financiering waarvan de ambtenaar specifieke sociale bijdragen heeft betaald tijdens zijn beroepsactiviteit, wat niet vergelijkbaar is met een pensioen dat overeenstemt met een uitgestelde wedde en waarvan de verkrijging niet afhankelijk is van de betaling van sociale bijdragen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde norm en het nut van het antwoord op de prejudiciële vraag B.1.
- De Ministerraad oordeelt dat de vraag niet dient te worden beantwoord, omdat zij een wetsbepaling zou beogen die niet toepasbaar is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. De eiseres voor de verwijzende rechter suggereert het Hof de prejudiciële vraag te herformuleren. B.1.
- Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter om te bepalen welke normen van toepassing zijn op het hem voorgelegde geschil. De partijen kunnen de inhoud van de gestelde vraag niet wijzigen of laten wijzigen. Wanneer het Hof wordt geconfronteerd met bepalingen die klaarblijkelijk niet toepasbaar zijn op het hangende geschil voor de verwijzende rechter, dient het echter niet de grondwettigheid van dergelijke bepalingen te onderzoeken. B.1.
- Te dezen stellen het procesdossier en de feiten van de zaak het Hof echter niet in staat om op zekere wijze te besluiten dat de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. In de veronderstelling dat, zoals de Ministerraad aangeeft, het pensioen dat de verwerende partij in het bodemgeschil geniet, niet gebaseerd zou zijn op de algemene wet van 21 juni 1844 maar op de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen van 11 augustus 1923, zou het in de prejudiciële vraag opgeworpen probleem zich bovendien op dezelfde 6 wijze stellen, aangezien het ter beoordeling aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling zijn oorsprong vindt, niet in een bepaling van de in het geding zijnde wet, maar wel in de ontstentenis van een bepaling van die wet waarbij een recht op rustpensioen wordt toegekend aan de ex-echtgenoot. Aangezien de voormelde gecoördineerde wetten van 11 augustus 1923 evenmin voorzien in het recht op pensioen ten voordele van de ex-echtgenoot, kan a priori niet worden geoordeeld dat het antwoord op de prejudiciële vraag helemaal geen nuttig effect zou hebben voor de oplossing van het voor de verwijzende rechter hangende geschil. Het Hof onderzoekt de vraag zoals ze is gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst B.2.
- De partij die wenst tussen te komen heeft een memorie ingediend en doet gelden dat zij partij is bij een gerechtelijke procedure die analoog is met die welke aanleiding geeft tot de prejudiciële vraag. B.2.
- Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof beperkt het recht om een memorie neer te leggen, in het in die paragraaf bedoelde geval, tot « ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast »; daaruit volgt dat de enkele hoedanigheid van partij bij een procedure die analoog is met die welke bij het Hof prejudicieel aanhangig is, niet volstaat om te doen blijken van het belang om in een procedure betreffende een prejudiciële vraag tussen te komen. B.2.
- Te dezen echter heeft die persoon tegen de Belgische Staat een vordering ingesteld die hangende is voor het Hof van Beroep te Gent en zij doet gelden dat die zaak, die een identiek onderwerp heeft als die welke is voorgelegd aan de verwijzende rechter, niet kan worden beslecht vooraleer het Hof heeft geantwoord op de prejudiciële vraag, zodat zij niet op dienstige wijze het Hof van Beroep kan verzoeken een vraag te stellen aan het Arbitragehof teneinde zich te kunnen voegen bij de voor het Arbitragehof hangende procedure. Rekening houdend met die omstandigheden doet die persoon blijken van een voldoende belang om tussen te komen in onderhavige procedure. 7 Ten gronde B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, in zoverre zij niet in een recht op rustpensioen voorziet voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar van de openbare sector, terwijl het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers voorziet in een rustpensioen ten voordele van de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar in voorkomend geval enkel recht zal hebben op onderhoudsgeld waarvan het bedrag moet worden beperkt tot een derde van de inkomsten van de schuldenaar van het onderhoudsgeld, wat zijn financiële situatie onzekerder maakt dan die van de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer, die een eigen recht op een rustpensioen geniet waarvan het bedrag niet op dusdanige wijze wordt beperkt. B.4.
- Volgens de Ministerraad zou het voorgelegde verschil in behandeling betrekking hebben op onvergelijkbare categorieën van personen wegens de fundamenteel verschillende aard van de respectieve pensioenregelingen waaraan de gewezen echtgenoten van de gepensioneerden zijn onderworpen. B.4.
- Zoals het Hof in verschillende arresten heeft vastgesteld, verschillen de pensioenregelingen wat betreft het doel, de financieringswijze en de toekenningsvoorwaarden ervan. Door die verschillen kan de persoon die recht heeft op een overheidspensioen, in principe niet worden vergeleken met diegene die recht heeft op een werknemers- of zelfstandigenpensioen (zie met name de arresten nrs. 17/91, 54/92, 88/93, 48/95, 112/2001). B.4.
- Wanneer daarentegen de wetgever beslist een rustpensioen toe te kennen aan de uit de echt gescheiden echtgenoot van een gepensioneerde, doet hij dat om een bepaalde bestaanszekerheid te waarborgen voor de personen die, doordat zij minstens ten dele financieel afhankelijk zijn geweest van hun echtgenoot, doordat zij vaak geen eigen inkomsten hebben en niet de mogelijkheid hebben gehad een persoonlijk pensioen op te bouwen, ten gevolge van hun echtscheiding in een precaire materiële situatie dreigen terecht te komen. Het pensioen wordt hun overigens geweigerd indien zij een beroepsactiviteit 8 uitoefenen, en mag niet worden gecumuleerd. Die personen bevinden zich in een identieke situatie, ongeacht de pensioenregeling van hun gewezen echtgenoot, omdat zij dreigen dezelfde materiële moeilijkheden te krijgen ten gevolge van de verbreking van hun huwelijksband. Uit de verschillen tussen de pensioenregelingen kan niet worden afgeleid dat zij niet vergelijkbaar zijn. B.
- De wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen voorziet, in de artikelen 6, 7 en 8 ervan, in een overlevingspensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar. Tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet heeft de bevoegde staatssecretaris de keuze voor een overlevingspensioen, en niet voor een rustpensioen, voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar toegelicht als volgt : « In de pensioenregeling van de overheidsdiensten heeft de uit de echt gescheiden vrouw als dusdanig geen recht op een pensioen op grond van de beroepsarbeid van haar gewezen man. Maar zij kan een overlevingspensioen verkrijgen wanneer haar gewezen man overlijdt, voor zover bepaalde voorwaarden vervuld zijn […]. In de pensioenregeling der werknemers kan de beroepsarbeid, verricht door de gewezen man gedurende het huwelijk, aanspraak op een rustpensioen verlenen aan de uit de echt gescheiden vrouw […]. Het was evenwel onmogelijk de regeling van de overheidssector af te stemmen op die van de werknemers zonder te raken aan het individueel recht op rustpensioen. Met andere woorden, het bestaande statuut moest worden geëerbiedigd en werd verlengd » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 557/4, p. 61). « Men kan echter de pensioenregeling van de staatsambtenaren niet wijzigen, aangezien het pensioenrecht een individueel recht is of een uitgesteld loon. Zolang men die interpretatie niet opgeeft, is het dus niet mogelijk aan de uit de echt gescheiden vrouw een rustpensioen toe te kennen. Het ware ondenkbaar aan iemand die niet in dienst van de Staat gewerkt heeft, een uitgesteld loon toe te kennen » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 855/18, p. 22). B.
- Uit de vergelijking tussen de echtgenoot van een gepensioneerde uit de overheidssector en die van een gepensioneerde uit de privé-sector blijkt dat, in beide gevallen, de wetgever zich heeft bekommerd om de materiële situatie van de echtgenoot wiens huwelijksband wordt verbroken, maar dat de rechten die hij die echtgenoten heeft toegekend, verschillend zijn. 9 B.
- Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording. Zowel in de sector van de overheid als in die van de werknemers en van de zelfstandigen, is het rustpensioen bestemd om de gepensioneerde na het beëindigen van zijn loopbaan een inkomen te waarborgen. In tegenstelling tot het rustpensioen voor werknemers en zelfstandigen, wordt het rustpensioen in de overheidssector beschouwd als een uitgestelde wedde; het wordt niet gefinancierd door sociale bijdragen. Uit dat fundamentele verschil vloeit een aantal gevolgen voort, die eigen zijn aan de logica van elk van de systemen. B.
- In de privé-sector verkrijgt de uit de echt gescheiden echtgenoot aldus een autonoom recht op een rustpensioen, maar heeft hij geen recht op een overlevingspensioen. In de overheidssector heeft de uit de echt gescheiden echtgenoot geen recht op een rustpensioen, maar kan hij aanspraak maken op een overlevingspensioen, op voorwaarde dat hij de leeftijd van vijfenveertig jaar heeft bereikt en het huwelijk ten minste één jaar heeft geduurd. B.
- Het verschil in behandeling zou onevenredige gevolgen hebben indien het ertoe zou leiden dat de uit de echt gescheiden echtgenoot geen inkomsten meer heeft, terwijl hij behoeftig is. Hij kan echter, indien hij na de echtscheiding een onderhoudsuitkering of een ontvangstmachtiging heeft verkregen, een gedeelte van het rustpensioen van zijn gewezen echtgenoot toegewezen krijgen, ter uitvoering van een rechterlijke beslissing. Ten slotte, indien hij geen aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering, kan hij een beroep doen op de systemen van maatschappelijke dienstverlening die de federale wetgeving te zijner beschikking stelt. B.
- De omstandigheid dat het bedrag van het onderhoudsgeld dat de uit de echt gescheiden echtgenoot kan verkrijgen, beperkt is tot een derde van de inkomsten van de schuldenaar van het onderhoudsgeld, vindt niet haar oorsprong in de in het geding zijnde bepalingen en heeft niets te maken met de reglementering van de rustpensioenen. Bovendien wordt het onderhoudsgeld op dezelfde wijze beperkt voor alle onderhoudsgerechtigden, ongeacht het sociaal statuut van hun ex-echtgenoot. 10 B.
- Op dezelfde wijze is het niet relevant dat de echtgenoten gehuwd zijn geweest onder het wettelijk stelsel, vermits op het ogenblik waarop het onderhoudsgeld wordt toegekend aan de uit de echt gescheiden echtgenoot, die gemeenschap niet langer bestaat. B.
- Ten slotte wordt, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij betoogt, de vrijheid om zijn beroepsactiviteit te kiezen, gewaarborgd bij artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. Die vrijheid kan niet zo worden beschouwd dat ze een schending van artikel 22 van de Grondwet inhoudt, in zoverre zij tot gevolg heeft dat de ex-echtgenote terechtkomt in de pensioenregeling die eigen is aan het beroep dat haar ex-echtgenoot had gekozen. Datzelfde artikel 23 van de Grondwet verplicht de wetgever niet dezelfde pensioenregeling te waarborgen aan elke uit de echt gescheiden persoon. Het verzet zich niet tegen de in B.3 beschreven verschillen in behandeling die in B.4 tot B.10 werden verantwoord. B.
- Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kunnen de in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschillen in behandeling niet als discriminerend worden beschouwd. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre zij niet voorziet in een recht op een rustpensioen ten voordele van de uit de echt gescheiden echtgenoten van ambtenaren uit de openbare sector. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 10 mei
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div